Het leven is al zoo dikwijls bij een boek vergeleken, dat het mij
verwondert die vergelijking zelfs in de verte nog te durven aanroeren.
Maar als het leven een boek is, dan is het een boek, dat de meeste
menschen niet lezen. Men moet ook bekennen, dat vele van die boeken het
lezen, ja zelfs het opensnijden nauwelijks waard zijn. De meesten kennen
noch het levensboek van anderen, noch zelfs hun eigen. Dit laatste
leggen zij achteloos ter zijde, of zetten het netjes ingebonden in eene
pronkkast; somtijds zien zij naar den rug en titel, maar zelden in de
bladen. Ik voor mij, als alle boeken, heb ik ook die levensboeken lief;
het is mij een genot te bladeren zoowel in het mijne, als in dat van
anderen. En als ik dan soms een prentje ontmoet, of eene plaats, die mij
doet lachen of weenen, leg ik daar een vouwtje bij en laat ze wel eens
aan anderen kijken.
Zoo gaat het ook nu.
Ik neem mijn levensboek van een der boekenplanken af en blader daarin.
Het is een tamelijk groot boek en nauwelijks een derde is met letters
gevuld. Zal de beschrijving hier gestaakt worden en zullen de overige
vellen wit blijven?--Of zal het aan dit boek vergund worden, zijne
geschiedenis ten einde te zien brengen?
--Weet ik het? zegt een lezer, _passons outre_.
Welnu, het is dan in de eerste bladen, dat mijne vingers en oogen thans
dwalen, en mijn geest, daardoor geleid, doet een terugblik naar de
vervlogene jaren.
Met al zijne verbazende en onnaspeurlijke verscheidenheid heeft de
geschiedenis van het menschelijk hart zooveel, dat van algemeenen aard
is; er is zooveel in, dat alle menschen met elkander, al is het dan in
verschillende maten en schakeeringen, gemeen hebben, dat, hoe
verscheiden de vormen en het bijwerk zijn van al die levenstoestanden en
gemoedsontwikkelingen, het _wezen_ daarvan voor vele duizenden hetzelfde
blijft, en vele duizenden in het leven van éénen trekken uit hun eigen
leven terugvinden. Ik zal er mij daarom niet over verontschuldigen,
indien ik u met mij zelven en die eerste bladen uit mijn levensboek ga
bezighouden. Misschien toch ziet gij er op sommige plaatsen u zelven als
in een spiegel weder, en hoe streelend en aangenaam het is, zich in een
spiegel te beschouwen, bewijst de eer, waarin dat meubel bij wilden en
beschaafden gehouden wordt.
Het is geen opvolgend en volledig levensverhaal, dat gij moet
verwachten, het zijn slechts bladen, die ik u laat kijken, zooals zij,
een voor een of bij meerdere te gelijk omgeslagen, zich aan ons
voordoen. Hoe zou ik ze u ook alle kunnen laten lezen? De eerste
bladzijden zijn maar met hanepooten gevuld, van de overige zijn er daar
de inktkoker over is gevallen, sommige zijn er uit gescheurd; ook zijn
er, die ik getracht heb uit te wisschen, maar die telkens weer opkomen,
als een oude vlek op een kleed; andere weder zijn te zeer in
overstelpend geluk en verheffing geschreven, om niet bespot te worden in
de dagelijksche wereld, want het staat zoo dom, gevoel te hebben, en het
is alleronfatsoenlijkst het te toonen. Ook zijn er, die nauwelijks
leesbaar zijn, omdat zij in duisternis of op reis, of op mijne knie, of
in het geheel niet geschreven werden.
Stelt u voor, dat ik in dat dikke boek zit te bladeren, en u de bladen
voorlees, als ik ze bij een of twee, drie, vier en meer te gelijk
omsla.... Gij krijgt daardoor als eene bloemlezing uit het boek: Het is
waar, gij krijgt op die wijze niet _alles_ te weten, maar....
Deze manier heeft het groote voordeel, dat de nieuwsgierigheid wel
geprikkeld, maar niet oververzadigd wordt.
En vervolgens heb ik zoodoende eene waarschuwing van Voltaire in acht.
genomen:
_Le secret d'être ennuyeux c'est de tout dire._
Ik heb vóór mijne geboorte zoo ontzettend veel beweging en opschudding
gemaakt in de wereld, dat ik er bijna aan wanhoop, ooit meer zoo
gewichtig op deze aarde te zullen worden, als toen ik er nog niet op
was. Op die wijze en met de jaren _sempre crescendo_ voortgaande, had ik
op zijn minst een schok en omkeering als Mohammed, Alexander, Napoleon,
Karel de Groote, Luther, Confucius of de typographie moeten
teweegbrengen.
Waarlijk het eerste woord, dat ik kon spreken, had wel een woord van
verontschuldiging mogen zijn aan al de lieden, die ik zoo in beweging
gehouden en naar mijne pijpen heb laten dansen.
Zoo heb ik maanden lang mijne gansche familie in rep en roer gebracht;
tantes en nichten aan het werk gesteld; betreffende het peterschap de
moeilijkste strijdvragen veroorzaakt; de medische faculteit en het gilde
der bakers onder de wapenen gebracht; een tal van nieuwe goederen en
meubelstukken te mijnen behoeve doen aanschaffen; en nu zal ik maar
zwijgen van al de physische en metaphysische redeneeringen, waartoe ik
aanleiding gaf, door vrouwelijke deskundigen met mijne moeder of onder
elkaar over mij gehouden, over het vraagstuk of ik een meisje zou zijn
dan wel een jongen, en dergelijke.
Het geheele huis werd het onderstboven gekeerd, geen kamer bijna, die
hare oorspronkelijke bestemming of schikking behield; ja, op het laatst
heb ik zelfs mijn vader, om voor een vreemde persoon plaats te maken,
gejaagd uit het bed, waar hij volgens burgerlijk en natuurlijk recht,
ja, volgens Indisch, Mohammedaansch, Egyptisch, Israëlietisch,
Hottentotsch, Kaffersch, Kamschatdaalsch, Mongoolsch, Hunsch, Romeinsch,
middeleeuwsch en nieuw recht, de bevoegdheid had, zijn hoofd ter ruste
te leggen, en naar eene akelige, holle kamer aan het eind, van het huis
gezonden om daar alleen te slapen en te peinzen over de gezelligheid van
den huwelijken staat. Maar alsof dit alles nog niet genoeg ware--er was
geen tak van menschelijke kennis en wetenschap, dien ik, ofschoon nog
ongeboren, niet in werking bracht; het waren genealogische nasporingen
en onderzoekingen voor het bepalen van mijne namen, het was
opvoedkundige geleerdheid door mijne moeder te bestudeeren, burgerlijk
recht en usantiën in acht te nemen en letterkunde voor de advertentiën
en de brieven, alle mogelijke en al of niet te voorziene gevallen der
_ars medica_ te bepeinzen; metaphysische, phychologische (de
odontologische kwamen er naderhand ook nog bij) incidenten, te
behandelen; ja, eindelijk deed ik zelfs chronographische en
astronomische quaestiën, en daarbij de systema's van Julius Caesar en
Sosigenes, van Gregorius XIII en Ludovico Lilio weer wakker worden,
doordat ik ter wereld kwam in een schrikkeljaar, op den 29sten
Februari.
Wat eene geleerdheid voor een kind, dat nog niet geboren is! en wat is
Baco, hierbij vergeleken; Baco, die alle takken van menschelijke
wijsheid omvatte!
Ik zou haast vergeten te melden, dat ik mijn vader in gevaar bracht eene
lastige boete te beloopen, daar hij bijna vergat mij bij den
burgerlijken stand aan te geven.
--Te duivel! zei dokter Vijzel, toen ik geboren was, het deksel zijner
snuifdoos met kracht toeslaande,--door welke daad hij aan zijne redenen
klem placht bij te zetten,--het verwondert mij niet, dat het kind
niemand durft aanzien, en wel mag het zich schamen negen maanden lang
zooveel opschudding gemaakt te hebben!
--Atsjiaaaah! zeide ik, zoodra ik ter wereld kwam. Het is
allerbelangrijkst te weten, wat bij het binnentreden in dit
ondermaansche de meeningen, gewaarwordingen en gezegden der menschen
geweest zijn, omdat dit de eenige gelegenheid is, waarbij zij een
onpartijdig oordeel kunnen vellen en den juisten indruk mededeelen, dien
de wereld op hen maakt!
Later komen vooroordeel, gewoonten, partijzucht, systeem en allerlei
andere agentia dit oordeel verwarren of vermommen; maar die eerste kreet
is het onvervalschte gevoelen van den nieuweling.
De geschiedenis en de overlevering, die altijd grillig zijn in hetgeen
zij mededeelen en verzwijgen, hebben dit slechts van enkelen
bekendgemaakt.
Van Gargantua vertellen zij, dat bij zijne komst ter wereld zijn eerste
kreet was: _à boire, à boire, à boire!_
Zoroaster barstte terstond in lachen uit.
Bilderdijk begon met zijne baker in haar mond te....
Van de Grieksche kinderen is het bekend, dat zij al dadelijk
[Grieks:_mê, mê, mê_], riepen, dat is: neen, neen, neen!
Ik ben blijde, dat de overlevering van mij heeft medegedeeld, dat ik
mijn allereerste verschijnen niesde en atsjiaaaah! zeide.
Wij kunnen hieruit opmaken, dat de wereld zich aan Gargantua voordeed
als zeer zintuigprikkelend. Aan Zoroasters geest schijnt zij zich als
iets ijdels en bespottelijks vertoond te hebben, terwijl Bilderdijk het
al dadelijk een eerste vereischte in de wereld scheen te vinden, den
menschen, al was het dan ook niet op de zachtste en aangenaamste wijze,
den mond te stoppen.
Wat de Grieksche kinderen aangaat, het is duidelijk, dat zij door hunne
negatieve uitdrukking een tegenwicht wilden geven aan het positieve, dat
zij er te veel in vonden. Het oordeel over de wereld, dat in mijne
ontboezeming lag....
Maar als ik nu al dadelijk ging meedeelen, wat mijn oordeel over de
wereld was, wie zou de moeite nemen de volgende bladen te lezen?
Evenals alle merkwaardige mannen, die hunne levensbeschrijving gemaakt
hebben, ben ook ik eerst geboren en klein geweest. Het is zeer
streelend, alzoo drie dingen met merkwaardige mannen gemeen te hebben,
en ik maak hieruit op--er worden dagelijks wel zottere gevolgtrekkingen
gemaakt--dat ik dus ook een merkwaardig man ben. En mocht er iemand
zijn, die mij dit zou willen tegenspreken--welnu dan betuig ik, dat ik
van plan ben, het zeer spoedig te worden.
Met dit te zeggen, wil ik al dadelijk toonen, dat ik ook versierd
ben--enkele oude kniesooren zouden zeggen _besmet_--met die
prijzenswaardige oprechtheid en dat gevoel van eigenwaarde, welke de
menschen bezielen en waarmede zij, aan hunne eigene bekwaamheden en
uitstekendheid de verschuldigde hulde doende,--omdat niemand anders dit
doet, zeggen weer de oude kniesooren--niet nalaten zich openlijk aan te
prijzen,--als koopwaar, zouden de kniesooren al weder aanmerken.
En ik ben ook verplicht, de lezers dezer bladen hieromtrent dadelijk
gerust te stellen, want waarom zouden zij zich bezighouden met iemand,
van wien zij vooruit wisten, dat hij niet merkwaardig is?
Mijnheer Tjilp en dokter Vijzel hebben ook altijd gezegd, dat er veel in
mij zat.
Nu zullen misschien menschen, die mijnheer Tjilp en dokter Vijzel niet
eens kennen, zeggen, dat dit niets bewijst; of menschen, die mijnheer
Tjilp en dokter Vijzel wel kennen, beweren, dat het van den eerste
goedaardige beleefdheid en van den ander een grillig idee was--want
dokter Vijzel zat vol grillige ideeën. Maar ik geef u de verzekering,
dat mijnheer Tjilp en dokter Vijzel de waarheid spreken.
--Neen, die eigenwaan is al te erg, zei mijnheer Tjilp....
Mijnheer Tjilp--een vriend van mij, waarde lezer! Ik heb de eer, hem u
voor te stellen. Onder ons gezegd, ik durf bij u maar half met hem voor
den dag komen, want hij is volstrekt geen merkwaardig man, en hij is
mijn nederige onderwijzer op de viool,--en, en ... hij ziet er soms maar
heel raar en kaal in de kleeren uit.
--Waarom te erg? vroeg ik, hem dit blad voorgelezen hebbende.
--Neen jongen! neen, zei de man zich ergerende, het is niet goed, wees
nederig....
--Mijnheer Tjilp....
--Neen, jongen! laat het anderen over ons te prijzen, als er iets te
prijzen valt; die van zichzelven met zooveel eigenwaan spreekt, is een
gek, zeg ik....
--Mijnheer Tjilp....
--Is een, gek, zeg ik, men moet....
Maar terwijl ik het uitschater om het zotte _quiproquo_, waarbij
mijnheer Tjilp zichzelf voor een gek verklaarde, houdt mijnheer Tjilp
voet bij stuk.
--Men moet....
--Mijnheer Tjilp, zei ik, eindelijk aan het woord komende, en hem met
een knipoog wenkende:--gij weet immers, dat men de waar koopt naar het
uithangbord; als het uithangbord nederig is, gelooft men, dat de waar
niet deugt: er moeten trompetten en vlaggen bij, men moet uitroepen met
prijzenswaardige oprechtheid: ik ben de man, die het land zal redden! ik
ben een groot dichter! ik ben een uitstekend humorist! ik ben verbazend
geleerd! ik ben een hoogst merkwaardig man!--Het is waar, gij kunt dat
ook laten, maar zonder dat _trumpetting oneself_, is er ook geen
sterveling, die u voor een groot dichter, een verbazend geleerde, een
hoogst merkwaardig man zal houden; en daarom ... u begrijpt mij?
Mijnheer Tjilp schudde toch bedenkelijk en ontevreden het hoofd.
* * * * *
Maar om tot mijn begin terug te komen,--ik ben dan eens geboren en eens
klein geweest.
Wanneer ik geboren werd doet er niet toe; hoe klein ik was, weet ik
niet. Behalve dit, weet ik weinig uit mijne piepjonge jaren mede te
deelen, dan twee, door bakerstraditie, in de familie bewaard gebleven
voorvallen.
Het eerste was, dat ik eens eene kapel voorbij het venster ziende
fladderen, het glas in stukken sloeg om het mooie beest te vangen.
Het tweede gebeurde, toen, op een avond in onze woonkamer, mijn vader
met eene menigte boeken voor zich zat, en mijne moeder naast hem met een
kind op haar schoot, voor wiens hoofd zij eene muts gereed hield. Zij
streek met de hand door de witte, zijdeachtige haren van het kind.
--Het is verwonderlijk, zeide zij, eene opmerking willende beginnen over
de haren van het kind.
--Ja, het is verwonderlijk, viel haar man haar in de rede, die lang--met
afgetrokkenheid het kind had zitten aanstaren,--het is verwonderlijk,
als men bedenkt, wat al ontwikkeling dat kleine hoofd moet ondergaan!
Verbazend, als men bedenkt, wat dat kleine hoofd zal moeten opnemen en
bevatten van dien ontzettenden voorraad van wijsheid, dien de menschen
in boeken hebben neergelegd! Begrijpt gij iets van de elasticiteit der
hersenen?
--Ik geloof, dat het beste is, de keelbandjes wat ruimer te make dan zal
de muts er niet aan hinderen, zeide mevrouw Van N.----
Krak zei de pijp van mijnheer Van N.---- toen door het plotseling
afbreken van den draad zijner gedachten, de schok, die de werking der
hersenen deed ophouden, zich van daar langs de spieren van den hals, den
schouder, den arm en de handpalm verbreidde, door de vingerspieren de
vingers zich om den dunnen steel deed samentrekken en eene gelijke
werking, als in het spiritueele had plaats gehad, overbracht op het
stoffelijke.
--Wat al gedachten, zei mijnheer Van N.---- eene nieuwe pijp genomen en
den afgebroken draad weder opgevat hebbende,--wat al gedachten dringen
zich op bij de beschouwing van kinderen! Belangrijke kiemen, die eene
ontzettende som van nog verborgen en sluimerende krachten inhouden,
waardoor al wat op of in de aarde is zal bewogen worden! Kind,
verwonderlijke microcosmos, klein wicht, wat zult gij worden?
--Ingeënt zal hij worden, zeide mevrouw, morgen zal hij ingeënt worden.
Op dit oogenblik--de overleveringen zijn daaromtrent eenstemmig--schoof
ik zeer kalm een schoteltje met eten, dat voor mij stond, met den eenen
arm van de tafel af, en, terwijl er op het rinkelende geluid der
gevallen scherven, bij mijn mond eene spierbeweging plaats greep, die
mijne beleefde vrienden een lach noemden en waarvoor zij het geheele
schoteltje vergaten, word ik gezegd met de andere hand den glimmenden
heel--lederen band van een naast mijn vader liggenden kwartijn gestreeld
te hebben, daarbij zeer duidelijk "da" zeggende.
Dat dit woord "da" in de kindertaal beteekent: "_Ik wil dat boek
hebben_", daaromtrent is noch toen, noch nu, in mijne familie eenige
twijfel geweest. Het was bij deze gelegenheid, dat mijnheer Tjilp en
dokter Vijzel zeiden, dat er veel in mij zat, en dat mijn vader,
voorspellende, dat ik aanleg had voor geleerdheid, mij het boek
toeschoof, en, de kap der lamp wat doende zakken, omdat er iets
prikkelde in zijn oog, mij kuste.
* * * * *
Of reeds op zulk een vroeg tijdstip, als hier vermeld is, de liefde voor
boeken in mij wakker was, zal ik niet beslissen, maar zeker is het, dat
eenige jaren daarna, toen ik een knaap was, de bibliotheek van mijn
vader mij het genoeglijkste plekje van het geheele huis was.
De bibliotheek van mijn vader was de wonderlijkste kamer in het huis.
Zij was een groot vierkant vertrek, dat zulk eene onbegrijpelijke
hardnekkigheid had van nooit recht netjes opgeredderd te kunnen of te
willen worden, dat het de wanhoop van mevrouw Van N.---- uitmaakte. Er
is een tooververhaal, waarin een boek voorkomt, waarvan de bladen, hoe
dikwijls er uit gescheurd, met verdubbelde kracht en in ontelbare
menigte telkens aangroeien; eene dergelijke kracht moet die kamer
bezeten hebben; want hoe ook schoongemaakt en opgeredderd, binnen een
halven dag was alles weer overhoop en vol met papieren en boeken: het
scheen eene ongeneeslijke kwaal van die kamer te zijn.
De bibliotheek was een groot vierkant vertrek op den tuin uitziende: een
zware iepeboom, die vlak voor de ramen stond, maakte, dat maat weinig
van het zonlicht de vensters kon bereiken, en daar worden dan nog die
enkele lichtstralen, nadat zij zich door de dichte bladeren heen een weg
hadden gebaand, door de ontelbare latjes der kleine ruiten zeer
bemoeilijkt in het binnentreden.
Het was er bij gevolg niet altijd licht genoeg om in den versten hoek te
kunnen zien, en er school dus in die hoeken eene zekere
geheimzinnigheid, die maar zelden door licht werd opgeheven. Door den
zonderlingen smaak van een vroegeren eigenaar, was de verf van
beschotten en zolderingen een vaal steenrood. Er hingen enkele
portretten, die mijne moeder te leelijk of te vuil vond om ze bij de
andere in de woonkamer te gedoogen, en die, sinds jaren aan die
schemering gewoon, zeker pijnlijk met de oogen geknipt zouden hebben,
als zij opeens in het volle daglicht waren geplaatst. Verder waren de
wanden, voor zoover er plaats was tusschen en boven de kasten, met
eenige schilderijen en gegraveerde af beeldingen van beroemde personen
behangen, wier koppen voor mensch- en zielkundige studie belangrijk
waren. In het midden stond eene groote tafel met platen en kaarten en
oudheden, daar achter eene aard- en hemelglobe, boven de kasten
pleisterafgietsels van beroemde antieken, bij de ramen een paar oude met
groen laken bekleede schrijftafels, met duizenden papieren en boeken
overdekt, en in de rondte was alles verder boeken, boeken, boeken.
Het was duidelijk, dat de bewoner iemand was van veelzijdige studie en
onderzoek, wien _omne quod ad humanitatem pertinet_ belang inboezemde.
Het was ook bij den eersten aanblik van deze kamer zichtbaar, dat de
heer Van Nijwoude een man was, die weinig hield van uiterlijken sier,
maar gehecht aan het oude en eenvoudige. Hij beminde zijne oude
meubelen, deels omdat zij hem lang gediend hadden en hij met hen oud was
geworden, deels omdat zij herinneringen aan zich hadden van zijn gansche
leven. Die gehechtheid strekte zich zelfs uit tot allerlei kleinigheden,
of tot wat mevrouw Van Nijwoude "_oude prullen en lorren_" geliefde te
noemen, en het was hem een weemoedig gevoel, als hij van eenig oud en
dierbaar, hem gewoon geworden stuk, moest afstand doen. Ik heb zelden
gezien, dat vrouwen dezen trek bezaten. Kan dit psychologisch
verschijnsel misschien daaruit verklaard worden, dat de vrouw een meer
practischen en minder bespiegelenden geest heeft? Dat het positieve en
het tegenwoordige sterker op haar werken dan de poëzie van het
verledene, en dat zij dus meer liefde heeft voor het heldere heden dan
voor het schemerachtige verleden?
Hoeveel sympathie mevrouw Van Nijwoude ook met haren man gemeen had,
deze neiging deelde zij volstrekt niet met hem; want zij was eene echt
Hollandsche vrouw in haar zin voor helderheid en frischheid, voor bezems
en sponsen, voor opredderen en netjes houden; met echt nationalen
tegenzin en vijandschap tegen stof, spinnewebben en warboelen--als de
bibliotheek, bij voorbeeld! Die bibliotheek noemde zij dan ook het
_spinnekoppennest_, en zij wenschte niets vuriger dan viermaal in het
jaar met eene bende schoonmaaksters het _spinnekoppennest_ gewapenderhand
binnen te trekken, eene overweldiging, die vroeger periodiek gelukte,
maar nadat een heerlijke _Boetius de Consolatione philosophiae, a-0.
1490 Daventriae per Jacobum de Breda_, verleden jaar was weggeraakt,
werden de schoomnaaksters geweerd, want mijnheer Van N.---- beweerde
steeds, dat deze zijn _Boetius_ hadden gestolen.
--Maar lieve man, zeide zijne echtgenoote, hoe kunt gij nu zoo praten;
wat zouden zij daaraan hebben, een oud, leelijk stoffig boekje
misschien, en dan Latijn: dat is immers voor die menschen zonder enige
waarde.
--Oud en leelijk! En mijn vader wist niet of hij boos moest worden of
bedroefd.--Oud en leelijk! dat zijn je schoonmaaksters! en Latijn--En
geene waarde! een drukje van Jacobus de Breda, van 1490 Een kostbare
incunabel, die honderden guldens waard is!
--Het is zonde van het geld, meende mevrouw Van N.
--Phoe! zei mijnheer Van N.----, met een geluid, dat zoowel een
familietrek had van een zucht als van een verontwaardigingskreet, zette
zijn hoed op en stapte de deur uit.
Voor mij was het spinnekoppennest een paradijs vol geneugten: het was
een lusthof, waar ik niet alleen bekende, maar telkens nieuwe bloemen en
vruchten ontdekte. De profane wereld vond die kamer akelig en somber,
maar voor een ingewijde--en uit instinct was ik eenigszins een
ingewijde--wat eene geheimzinnigheid en poëzie in die vergadering,
samengesteld uit den levenden geest van allen, die ooit op het gebied
van verstand, hart en verbeelding groot waren. Het was alsof de omgeving
dier duizenden boeken daar een zekeren invloed en geestelijke
aantrekking uitoefende. En het was eene zonderlinge gedachte, dat die
duizenden schrijvers, wier stof over de geheele aarde verspreid was,
hier in eene kleine ruimte vergaderd waren in den geeste en in
perkamenten of lederen banden.
Welk eene dwaasheid zou het geweest zijn, zoo die bibliotheek aan eene
woelige, bedrijvige straat ware gelegen, waar ratelende karren de glazen
zouden hebben doen rinkelen en de oude heeren op hunne planken doen
dansen, waar de voorbijgangers den neus der materiëele werkelijkheid in
dit heiligdom des geestes hadden kunnen steken. Menigen ochtend zat ik
aan den voet van eene der groote kasten in de boeken te snuffelen, nu
eens tot over de ooren verdiept in stoute daden of avontuurlijke reizen
en ontdekkingen, dan weder, als een vlinder, op de bloemen, her- en
derwaarts, van het eene boek op het andere vallende.
Die onverzadelijke dorst naar _weten_, die den mensch bezielt! Als kind
breken wij ons speelgoed om te zien, hoe het van binnen is saamgesteld.
Als knaap vragen wij aan alles, _hoe_? en _waarom_? En het geheele leven
door houdt de denkende geest niet op met vragen en zoeken.
Voor vragen en zoeken was stof genoeg in de bibliotheek. Zij bevatte
verscheidene boeken, die mijn vader niet gaarne had, dat ik zag of
las,--maar! die hadden niet zelden de meeste aantrekkelijkheid voor mij!
en al had ik nog niet gelezen het _nitimur in vetitum semper, cupimisque
negata_, de waarheid van dat gezegde was toch reeds op mij toepasselijk.
* * * * *
Of is het wel alleen dat verlangen naar het verbodene, dat ons naar
andere boeken deed grijpen dan die voor ons gemaakt waren?--Is het niet
een meer samengesteld verschijnsel? Ik denk ja. Het moet een
instinctmatig zoeken zijn om onze behoefte te voldoen.
Leg voor een jongen, aan de eene zijde, alle met opzet en studie voor
hem geschrevene werken, en aan den anderen kant, wat ge maar wilt van
werken van wetenschap, letteren of kunst, die niet met het oog op zijne
behoeften geschreven zijn, en die men soms meent, dat te hoog voor hem
zijn, hij zal zonder missen naar de laatste soort grijpen. Hoe komt dat?
Omdat er een verbazend, hemelsbreed verschil is tusschen een jongen, een
werkelijken jongen van vleesch, been, bloed en al wat er verder bij
hoort, en een jongen, zooals wij hem in boeken zien voorgesteld of men
hem zich meestal verbeeld heeft. Een der gevolgen van dit verkeerd
begrijpen is, dat de meeste boeken, die men voor de _lieve jeugd_
schrijft, geen doel treffen en geen vrucht dragen. Velen meenen, dat,
als zij een werkje hebben, met een weinig minder grondigheid, met een
weinig minder verstand, met een weinig minder kennis geschreven dan
noodig zijn in een boek voor een groot mensch, en wanneer de schrijver
daarbij, zich bukkende en inkrimpende tot de jeugdige vatbaarheid, zijn
stijl zoo doodeenvoudig en naïef, zijn geest zoo lief en zoetsappig en
zoo klein heeft gemaakt, en hij bovenop dat boek gezet heeft: "_voor de
lieve jeugd_,"--dat zij dan al een heel lief en belangrijk boekje voor
hunne kinderen hebben, waar de lieve jongens gretig op zullen vallen en
uren lang zoet mee zijn.
Maar vóór alles, praat een jongen nooit van de _lieve jeugd_. Een jongen
_wil_ niet _lief_ zijn, _wil_ niet _lief_ gevonden worden, en gij kunt
hem geen grooter afschuw van deugd en beminnelijkheid inboezemen, dan
door hem die als _zoo lief_ voor te stellen. Hij wil ook niet als kind
beschouwd worden, dat is zijn zwak; en in spelen en leeren vliegt zijn
geest reeds vooruit in de toekomst. Hij weet en voelt zich krachtiger,
wijzer, ontwikkelder dan men waant dat hij is; en omdat men dat niet
telt, wordt hij zoo miskend en gegriefd. Het is somtijds alsof hij
werkelijk van de toekomst, wier kiemen in hem liggen, reeds het
voorgevoel heeft, alsof hij zich den man voelt, die hij worden zal;
vandaar dat er vaak eene zedelijke kracht, een verstand, een gevoel
boven zijne jaren bij hem aanwezig zijn, die of niet gekend of niet
begrepen worden. En toch blijft hij knaap.
Dit saamgestelde en moeilijk te begrijpen wezen, waarvan de
anthropologische studie nog ver van uitgeput is, vormt eene wereld op
zichzelve. Eene wereld met haar eigen toestanden en verhoudingen, haar
eigen gevoelens, haar eigen denkbeelden.
Vandaar dat zij door de ouderen van dagen zoo moeilijk in alles te
begrijpen is. Vandaar die scheeve beoordeelingen en die boeken, zoo
geheel ongeëvenredigd aan de behoeften van het jonge geslacht.
Wilt gij eene proef nemen met een van die boeken voor de lieve jeugd?
Neem Van Alphen, Als ik hem nu lees, vind ik hem lief, en dikwijls
treffend, maar in mijne jeugd!
Er was geen schooljongen, die niet walgde van _eerst ter belooning een
kusje of twee_; die geen onuitstaanbare pedanterie vond in: _deez perzik
gaf mijn vader mij, omdat ik vlijtig leer_; of die niet volkomen partij
trok voor den wakkeren vechtersbaas, die den bevreesden en wijsneuzigen
pimpelneus uitschold voor een _laffen jongen zonder moed_, terwijl het
in onze klasse algemeen ten hoogste werd afgekeurd, dat, in eene
eerlijke vechtpartij, de wijze redeneerende mijnheer "_die een krijgsman
was_" tusschenbeide kwam.
Al die denkbeelden waren zoo geheel anders dan die der werkelijke
jongenswereld.
Is het wonder, dat ik meer hield van Sheherazade en de zeven eenoogige
Calenders, van Sindbad en den vogel Roc?
* * * * *
In onze stad was een gymnasium, en toen ik den behoorlijken leeftijd
had, ging ik daar dagelijks heen, om mij te laten volpompen met
classieken nectar, benevens eenig modern toeëten.
Met eene zekere pedanterie, aan dat tijdperk eigen, werden wij,
gymnasiasten, weldra groote beminnaars van de oude classici en zagen met
verachting neer op alle jongens, die geen Latijn en Grieksch kenden; wij
vonden het in ernst een zedelijk gebrek in iemand, geen Latijn en
Grieksch te kennen.
--De classieke letterkunde, zeiden wij, is toch de ware en de schoonste!
Wat is al dat nieuwe anders dan navolging? Navolging van de ongelijkbare
meesterstukken der classici? Wat waren al de nieuwere te zamen,
vergeleken bij Homeros alléén? Waar was de echte poëzie, de echte
welsprekendheid, de echte historiekennis, zoo niet bij de oude classici!
Spreekt me dan niet van de nieuwere; wij houden het bij de oude
classici!
Ik moet bekennen, dat, als men ons gevraagd had:--wat is het onderscheid
tusschen de ouden en nieuwen, tusschen de classici en romantieken? dat
wij raar zouden opgekeken en weinig geantwoord hebben.
O tijd van krachtige opwellingen, van onberedeneerde, maar dan ook
warme, gloeiende, oogenblikkelijke voorliefde en neigingen!
Thans zijn wij meer beredeneerd en veel wijzer--maar ook zooveel koeler
en minder ontvankelijk! Hoe het zij, wij zullen er ons niet minder wel
bij bevinden, geloof ik, indien we dien trek onzer jeugd niet al te zeer
wegredeneeren en uitroeien, en wij zullen het ons niet beklagen in het
leven, wanneer wij _hierin_ jong zijn gebleven, dat er voor ons nog
toewijding en oogenblikkelijke, instinctmatige voorkeur, en warme, al is
het soms onberedeneerde, ingenomenheid blijven bestaan.
Er was altijd eene buitengewone beweging op straat, als wij, gelijk een
levendige bijenzwerm, het gymnasiale gebouw verlieten, het oude,
vervallen, vervelooze huis, dat met het trotsche opschrift _Palladis
Sedes_ prijkte. Dan braken al de door het rectorale oog in bedwang
gehoudene elementen los, dan hoorde men de uitingen van elk individu; de
een schold op den ouden baas, de ander luchtte zijn bedwongen levenslust
in straatschenderijen; hier waren er, die spraken van wat er dien dag op
school gebeurd was, over thema's, nota's, en den strijd om den voorrang
en de praemia; ginds was er een bezig zijne boeken in zijn pet en de
zakken van zijn broek en buis te verbergen en liep deftig als een
mijnheer; de meesten stoeiden, joelden en babbelden door elkander.
Wat eene verscheidenheid van karakter en aanleg! Dat zou men niet
vermoed hebben, als men ze een half uur vroeger gezien had, allen aan
gelijke, met gelijksoortige inktvlekken en kerven versierde tafels en
banken gezeten, allen met hetzelfde boek voor zich, allen peuterende aan
denzelfden zin van Plutarchos, en dien naar denzelfden grammaticalen
regel uitrafelende.
--Bah! wat was de oude weer lastig en vervelend! zei Piet.
--Waarom was je ook zoo stem! antwoordde Jan.
Zoo zijn ze, ruw maar rond. Twintig jaren later zal Jan zeggen:--Als ik
de vrijheid mag nemen het op te merken, geloof ik, dat de geachte
spreker daarin ongelijk had en dat zijn geheugen hem voor een oogenblik
bedrogen heeft op dat punt.
--Stom? Pedante vent! zei Piet.
--Ja zeker! Jongens, is het niet stom, dat hij niet weet choriambicum
asclepiadeum is?
Gelach en toestemming.
--Het is de schuld van dien ellendigen Kees, zei de persoon, die gefaald
had in de eigenschappen van het choriambicum,--die heeft geklikt, dat ik
in mijn boek keek.
--Geklikt? en er waren al handen aan den kraag van den ellendigen Kees,
en laarzen dicht bij zijn ... eind van zijn rug, want de
volksgerechtigheid is snel.
--Stil, houdt op! riepen sommigen; niet allen te gelijk! riepen eenige
ouderen; eerst hooren! zeiden enkele juristen.
--Kees, is het waar?
--Ja! schreeuwde deze in zijne kwaadheid. Hij kijkt altijd in zijn boek,
en hij doet altijd valsch--en dan heeft hij den naam van zoo knap,
vervolgde de naijverige, kleingeestige Kees, en ik zal het van iedereen
zeggen, daar ik het van zie!
Kees was algemeen gehaat en als de gelegenheid zich voordeed, barstte
gewoonlijk die veete van alle kanten los. Het regende nu ook van alle
zijden klappen en schoppen, en eindelijk werd hij met zijn hoofd in een
emmer met water geduwd, zoodat hij er erbarmelijk uitzag. Een was er,
die hem een zakdoek gaf om zich te drogen, en zoo droop de gestrafte
verklikker naar huis.
Maar hiermede was de miskenner van het choriambicum niet geholpen, want
de ongelukkige had door dien misgreep zijne plaats van eerste der
klasse, althans voor het oogenblik, verloren. De knapsten onder ons
dachten wijsgeerig genoeg om aan die denkbeeldige en niets bewijzende
eer niet te veel te hechten, maar Piet was een van die jongens, die door
de eerzucht en strengheid hunner vaders werden opgeprikkeld en
nagereden. De arme sukkel was daardoor uitgebleekt, als dronk hij niets
dan _eau de Javelle_, en mager van de zenuwachtige inspanning van elken
dag en avond. Hij was dan nu ook neergedrukt en angstig, zijne klamme
vingers beefden, en zijn gejaagd gemoed zag met schrik naar het einde
van het jaar. Maar een van ons, wiens vader het niet achtte, op welk
nommer zijn zoon zat en welken prijs hij had, maar dien het genoeg was,
dat hij een vlugge en knappe jongen was en die Piet nu over het hoofd
was gesprongen, redde hem.
--Hoor eens, Piet, zeide hij naderhand onder drie of vier vertrouwden,
je weet, dat mijn vader het mij nooit lastig maakt; ik beloof je, dat ik
je voor zal laten en voor zal laten blijven.
Wij hebben dien trek van edelmoedige opoffering, waardoor hij zijn
kameraad een half jaar van angst en kommer, en misschien eene ziekte
bespaarde, altijd bewonderd. Hij stierf kort daarna, maar wij geloofden,
dat hij genoeg gedaan had om den hemel te verdienen.
* * * * *
Eenige jaren later vloog de gonzende bijenzwerm, na hot verwerken van
den Attischen honig, weer uit. Er vormde zich eene groep om een persoon
heen.
--Jongens, zei deze, kijk eens wat een mooien Aulus Gellius ik gekocht
heb.
--Laat zien, laat zien!
--Waar heb je dien vandaan?
Er was altijd veel belangstelling in het koopen en verkoopen van
classieke auteurs, en wij redeneerden met veel geleerdheid en animo over
goede en slechte edities, over _Elzeviers, Bipontijnen, Minellen, in
usum Delphini_, van goede en slechte noten, van _pontes asinorum_, etc.
--Van het stalletje van Levi gekocht--voor een spotprijs.
--Het is een Elzevier.
--Heeft je vader ook Elzeviers? vroeg er een aan mij.
--Eene plank vol, zeide ik met trots: Maar toen ik daarop vertelde, dat
mijn vader ook boeken had, die wel honderd jaar ouder waren dan de
Elzeviers en veel kostbaarder en zeldzamer, was er eene algemeene
bewondering en beloofde ik, in de vreugde van mij op mijn vader te
kunnen verheffen, zulk een boek eens mede te brengen.
Den volgenden dag bracht ik een zeer ouden druk van Boetius mede, en
leende dien aan een der jongens.
Zoo kwam het eigenlijk, dat de Boetius uit de bibliotheek was
weggeraakt, ten gevolge waarvan de schoomnaaksters verdacht en geweerd
werden, want ik durfde eerst de ware toedracht niet te bekennen, en het
spinnekoppennest niet mocht worden schoongemaakt.
Zoo zitten de belangrijkste gebeurtenissen aan allerlei nietsbeduidende
draden vast. De belangrijkste gebeurtenissen, zeg ik, want het
schoonmaken van de bibliotheek was er eene. Geene zaak was er in huis,
die met zoveel omzichtigheid moest behandeld worden, geen punt zoo
teder, geen roerde zoo vele gemoedsaandoeningen, en niets, dat mijnheer
Van N.---- zoo uit zijn humeur bracht.
* * * * *
--Vertel nog eens wat van dat portret vroeg ik eens aan mijn vader, op
het afbeeldsel eener dame wijzende, dat zich bijzonder van mijne
kinderlijke verbeelding had meester gemaakt.
Er hingen in onze woonkamer verscheidene familieportretten. Sommige
heeren hadden roode rokken aan en bepoederde hoofden, andere harnassen;
dames waren er met torenhoge kapsels, met japonnen, die veel lieten zien
van het _onbeschaemde moij_, waarover Huygens de dames van zijn tijd
berispte, of met hooge stijve keurzen en breede kragen: sommige met
fronsen, anderen met nu honderdjarigen glimlachen, die nog op het gelaat
blonken, nu die lippen al lang tot stof waren vergaan en zich vermengd
hadden met de aarde, waaruit de misschien distels en brandnetels,
misschien bloemen hadden doen opgroeien.
Al die portretten, met gezichten, die de kenmerken hunner eeuw
dragen--want wie oude portretten bestudeerd heeft, zal zien, dat elke
eeuw hare eigene soort van zeden en gedachten,--al die portretten
vervulden mijne jeugdige verbeelding en waren de vormen, waarin de
nevelbeelden mijner phantasie zich hulden, de gestalten, waarin de
personen mijner denkbeeldigen wereld zich kleedden; maar er was er, dat
altijd en bij herhaling mijne aandacht zoozeer trok, als dat _ééne_
portret.
Het was het beeld van eene oud-tante, waarvan de sterk sprekende trekken
krachtig uit de met rocaille-krullen gesneden lijst en den donkeren
achtergrond naar voren kwamen. Zij was op veertigjarigen leeftijd
afgebeeld. Zij had een fier oog en vasten mond en was versierd met eene
muts met oranje-wit-blauw lint en een zwart satijnen mantel met kap,
gevoerd met oranjezijde.
Het stuk was breed geschilderd en met veel talent, ja met eene vonk van
genie. Het waren niet alleen uitwendige trekken--die altijd enigszins
gemaskerd zijn--van het gelaat, die hierop waren afgebeeld, maar het was
alsof de onbekende schilder zijne penseelen in, de ziel van het
oorspronkelijke had gedoopt en met de diepste verven en tinten uit haar
hart het afbeeldsel vervaardigd. Met die tinten had hij de geheimste
trekken van haar karakter geteekend, en die slechts licht en dun
overdekt, juist even genoegzaam om de toen levenden wel te doen
nadenken, doch hun geen aanstoot te geven (de schilder had in haar
karakter een hevigen hartstocht ontdekt), en wel wetende, dat de tijd,
de dunne verflaag afvretende, later met grootere waarheid zijn portret
zou voltooien.
Wondervolle, geheimzinnige kunst! Zonder dat ik van dit alles toen reeds
bewust was, bezat het portret altijd eene geheimvolle aantrekkelijkheid
voor mij, en in de schemeruren na den maaltijd nam ik dikwijls de
gelegenheid waar om mijn vader te ondervragen.
* * * * *
--Wel, antwoordde mijnheer Van Nijwoude, er was eens iemand, die zeide:
ik wou, dat ik zijn kop had en er soep van kon koken! raad eens wie dat
zeide....
--Natuurlijk een kok of een slager, die van een kalf of varken sprak,
zei mijne moeder, want het was juist in den slachttijd en hare gedachten
waren daarmede vervuld.
--Neen, zei mijnheer Van N.----, bedenkelijk het hoofd schuddende,--de
kop, waarop die woorden doelden, was die van een mensch, een
christenmensch, en wel van een dominee.
Ik dacht terstond aan de Kanibalen, waarvoor Robinson Crusoë, en ik met
hem, eens zoo geschrikt was, en ik opperde de veronderstelling, dat het
misschien een van die heeren was, die dit gezegd had.
--Neen, zei mijnheer Van N.---- weer bedenkelijk knikkende, de persoon,
die deze woorden sprak, was ook een christenmensch, ja zelfs ene
vrouw--het was--tante. En hij wees naar het bewuste portret.
--O, dat is het! dat is het! riep ik opeens uit, dat is dat wonderlijke
en onbegrijpelijke van het gezicht! Nu weet ik eindelijk, wat het is!
Vader, heeft de schilder dat geweten, heeft hij die woorden gekend?
--Heeft de schilder die woorden gekend, zei mijnheer Van N.---- mijne
woorden herhalende, zooals hij gewoon was, wanneer hij iets opmerkelijks
in eene vraag vond, en terwijl hij mij met de uiterste verbazing
beschouwde.--Zonderlinge jongen;--heeft de schilder die woorden gekend?
Zonderling, en die opmerking, die een kind maakt, is mij nog nooit in de
gedachte gekomen.
--Ja, waarlijk, vervolgde hij na eenig peinzen, de schilder zal ze
gekend hebben en die woorden, tot eene les voor het nageslacht, in hunne
trekken hebben willen uitdrukken.
--Waarom heeft hij ze er niet onder geschreven? vroeg ik.
--Er onder geschreven? herhaalde mijnheer v. N.---- mij weder met
verwondering aanziende, doch daarop glimlachende, vervolgde hij:--Wel,
het is mogelijk, dat hij van plan was, die woorden als motto onder de
schilderij te plaatsen, maar dat de dame dit niet heeft verkozen!
--Wel, wel! zeide mevrouw Van N.---- lachende, het is immers niet waar,
wat gij daar van tante vertelt?
--Zóó waar, zeide haar echtgenoot, als het op die gelaatstrekken
duidelijk te lezen staat, al heeft een kind het mij moeten wijzen.--Zij
was toch eene vrouw met edele eigenschappen, maar zij sprak deze woorden
onder het woeden der partijschappen, in 1795, in tijden van blinden
haat: zij met haar gansche geslacht getrouw aan het toen verwijderde
vorstenhuis verkleefd. Zij sprak zoo van een dominee, die, ook met
hoogst laakbare heftigheid en verbittering, der andere partij was
toegedaan. Het is droevig, dat haat en hartstocht op eene schoone ziel
zulk eene vlek kunnen werpen, maar laten wij haar niet te hard
veroordeelen; zulke tijden maken zulke menschen.
En zich weder in zijne overdenkingen terugtrekkende, prevelde mijn
vader:--Of de schilder die woorden gekend zou hebben?
* * * * *
Wij waren nog eenigszins onder den indruk van het gehoorde, toen, onze
plompe boerendienstmeid, trouw als goud, met hare verweerde
mahoniehouten armen, licht kwam brengen. Toen zij dit op de tafel zette,
werden haar ontdaan gelaat en roode oogen zichtbaar.
--Wat is er gebeurd? vroeg moeder zacht. Zij gaf geen antwoord, en zoo
het mogelijk ware, dat hare donkerroode wangen een hooger tint aannemen,
zou ik zeggen, dat zij bloosde.
--Wat is er meid? herhaalde moeder zacht, en op eene aanmoedigende
wijze. Geen antwoord. Zij begint te beven en een tip van het blauwe
harde schort wordt opgevat en daarmede met kracht in een der oogen
gewreven.
--Kind, wees voorzichtig! zei moeder, wrijf je oog niet uit! Komaan, zeg
mij, wat er is gebeurd; wees niet bedeesd! Heb je je knip verloren?--of
heeft Jasper je verlaten?--of--of--en mijne moeder keek ernstiger, je
hebt immers niets kwaads gedaan?
--Het is--kapot, zei ze eindelijk tusschen hare snikken door, ik
geloof--dat de--e kat....
--Wat! zei mijnheer v. N.---- plotseling opziende van zijn boek, wat
heeft de kat weer gebroken?
Want men moet weten, dat de kat reeds het breekbare van onzen ganschen
inboedel getiërceerd had.
--Het mooie glas, stotterde de beangstigde deern.
Als al de glazen van de vensters, en er zijn er vier en twintig, te
gelijk waren in scherven gesprongen, had mijnheer Van N.---- niet meer
kunnen schrikken dan nu.
--Bliksemsche lomperd! riep hij driftig uit, de vuist op de tafel
slaande, terwijl mevrouw v. N.----naar de wankelende lamp greep; kunnen
je ruwe pooten dan niets heel laten? Ik wou, dat je zelf in honderd
duizend stukken was gevlogen....
De meid liep weg.
* * * * *
Het gebroken glas was een oude gesneden wijnroemer, dien mijn vader maar
zeer zelden gebruikte en dien hij in hooge waarde hield.
Drift was, dat zagen wij aan tante, een familiegebrek. Mijnheer v.
N.---- stond op, liep door de kamer, en zoo kwam hij bij het portret van
tante. Hij stond stil en keek het aan. En weder in de kamer op en neder
loopende, terwijl hij op zijne lippen beet, een teeken van storm en
beweging in zijn binnenste, ging hij nogmaals voor tantes portret
stilstaan.
Zijne vrouw zeide intusschen niets. Was het verstand of instinct?
Zeker was het gelukkig, want het lag in mijns vaders aard, dat het
minste woord de goede werking zou gestoord hebben van het zedelijk
proces, dat in hem plaats had.
Als naar gewoonte had hij leed over zijn driftigen uitval. Er was strijd
in zijn binnenste. Onedele drift te beteugelen is een van de schoonste
krachten van den veredelden mensch; maar het is zoo moeilijk, dien trap
van zelfbeheersching te bereiken of altijd te betreden. Mijnheer v.
N.---- ging naar het belkoord en vatte het om te trekken.
--Maar, zei schaamte en trots, moet een man als gij, verschooning vragen
aan eene plompe boerendeern? Is dit niet ongehoord?
--Is zij niet evengoed een mensch als gij? zei het edeler gevoel, is de
eene mensch zijn broeder- of zustermensch geene vergoeding verschuldigd
voor het aangedane leed? Is de eene mensch onfeilbaar, dat hij zoo
scherp kan oordeelen over den anderen?
--Maar, opperden schaamte en trots, zich verkleedende en vermommende, is
het wel gepast, dat een heer verschooning vraagt aan zijne minderen, aan
zijne dienstbaren? Worden hierdoor de maatschappij en hare verhoudingen
niet in gevaar gebracht?
De hemel weet, wie het zou gewonnen hebben, en of niet eindelijk weer,
zooals vaak gebeurt, schaamte en trots, den mensch een rad voor de oogen
draaiende, hem zouden bewogen hebben, niet alleen iets verkeerds te
doen, maar hem zelfs dat verkeerde als iets goeds hebben doen voorkomen.
Gelukkig kwam de meid binnen met de stukken van het gebroken glas.
--Mijnheer Van N.---- keek strak op zijn boek, hoewel ik zou willen
wedden, dat de regels in een nevel voor zijne oogen dansten en geen
daarvan tot zijn verstand doordrong.
De eene tip van den boezelaar der meid was geheel nat en haar eene oog
bijna weggewreven; nu was zij met den anderen tip bezig het tweede oog
te wrijven, alsof zij eene watervlak uit onze tafel moest boenen.
--Zóó heeft het gezeten! zeide zij snikkende en de stukken aan elkander
passende.
--Kom meid! zei mijnheer Van N.----, houd maar op met wrijven--het
is--niets--maar vergeef gij mij mijn drift....
De tranen schoten mijne moeder in de oogen en zij omhelsde haar man met
de innigste teekenen van bewondering.
--Och! fluisterde hij even,--wij moeten niet nalaten, iets slechts weer
goed te maken,... ik had immers ongelijk.
* * * * *
--Vader! riep ik snikkende, ik heb den Boetius weggenomen.
* * * * *
Jean Huarte, beroemd medicus in de 16de eeuw en schrijver van het
_Onderzoek over de vatbaarheden van den menschelijken geest_, heeft de
ontdekking gedaan, dat droogheid of vochtigheid der hersenen de oorzaak
is, dat sommige soorten van vliegen verstandig zijn en andere niet. Maar
behalve deze belangrijke ontdekking en de toepassing daarvan op den
mensch, heeft hij ook de middelen aangegeven om de kinderen met die
vatbaarheden te procreëeren, die men verlangt.
Hoe belangrijk de eerste ontdekking is voor de veredeling van het
vliegenras, dat zulks hard noodig heeft, om bij voorbeeld de
onbeschaamdheid af te leggen, waarmede zij op iemands neus gaan zitten
of onze schilderijen bestippelen, wil ik slechts even aanroeren. Niet
minder gewichtig is de tweede ontdekking van Huarte, vooral voor het
onderwijs, dat moeilijk probleem, waarover al zóóveel woorden gewisseld
zijn, dat het geen wonder is, zoo zij door al dat wisselen, evenals de
oude dubbeltjes, scherp zijn geworden. Gewichtig voor het onderwijs,
want wanneer Huarte's regelen gevolgd worden, zal men natuurlijk met
juistheid weten, welke vatbaarheid de kinderen bezitten en ze daarnaar
kunnen doen onderwijzen, terwijl het alsdan te hopen is, dat men, als
het groote verschil tusschen al die koppen en harten ten klaarste
blijkt, ze niet meer alle aan eene zelfde behandeling zal durven
onderwerpen.
* * * * *
Bij ons zaten nog de meest verschillende vatbaarheden jaar in jaar uit,
aan juist eendere banken, naar juist eendere vooraf bepaalde regelen,
een juist eenderen ontwikkelingsloop te volgen. Twee en twintig jongens
zaten daar.
Als men ze één voor één trepaneerde--geen nood, dit is slechts eene
metaphora, eene redefiguur, waarmede men zegt, wat men niet meent--en
hunne hersenpannen als deksels oplichtte, dan zou men in die twee en
twintig hersenen zien, dat de eene eigenaar vatbaarheid heeft voor de
afgetrokken wetenschappen, de andere niet tot de diepte der dingen zal
kunnen doordringen, maar altijd aan de oppervlakte blijven hangen; dat
de eene den tact heeft van generaliseeren, de andere van analyseeren;
dat er in dezen poëzie zit, in genen cijfers; dat de vermogens van dezen
diep verscholen liggen en eerst bij den stoot van gunstige omstandigheden
zullen opkomen, dat die van genen al vroeg en hoog zullen opgroeien,
doch wel bladeren en bloempjes, maar geen vruchten zullen leveren. Men
zou zien, eindelijk, dat evenals die twee en twintig jongens twee en
twintig verschillende neuzen hebben, zoo ook de eigenschappen, de
krachten, de behoeften der hersenen bij ieder verschillend zijn. En
intusschen worden al die verschillende planten in dezelfde trekkas, aan
denzelfden dampkring blootgesteld, en zit de wijze tuinman in zijn
katheder en giet over allen hetzelfde vocht uit, een gietsel geschiedenis,
een gietsel oude en een gietsel nieuwe taal, een gietsel logica of een
gietsel prosodie.
Is het wonder, dat zoovele van die planten in het wild schieten of
vergroeien of in het geheel niet opkomen?
Soms verbeeld ik mij, dat men bij ons jongens te werk ging als bij het
opzetten van een apothekers--of drogistwinkel. Van alles moesten wij zoo
wat in den winkel hebben, van alle markten moesten wij thuis zijn. Het
was in dit stelsel natuurlijk, dat het er op aankwam van alles en
zooveel mogelijk in die winkels opeen te pakken, met andere woorden, de
hoofden der jongens zooveel mogelijk te vullen en te vullen. Nu is er in
een jongenshoofd toch maar eene zekere ruimte. Het is waar, die, ruimte
is voor uitzetting vatbaar, maar evenals er een eind is aan de
rekbaarheid van elk elastiek voorwerp, is er een eind aan wat mijn
vader: "_de elasticiteit der hersenen_" noemde.
Ware het dan niet verreweg beter....
* * * * *
Ik zie iemand den wijsvinger opheffen, om daarmee bedenkelijk te tikken
op een der knoopen van des tegenpartij's jas, en zijne lippen zich
plooien om te zeggen: "_de beste stuurlui staan aan wal_."
Maar mijnheer! dit is een argument misschien tegen den beoordeelaar
geldende, doch niet tegen het beoordeelde feit zelf; en dit feit is, dat
men te veel vult en te weinig _zelf-denken_ leert, te veel waarheden
aanbrengt in plaats van ze vanzelve in de ziel te doen ontkiemen, dat
men te veel opeenstapelt en te weinig verband en samenhang doet
opmerken, dat in alles de grammatica, de regel of de vorm geleerd wordt,
nergens de geest en de ziel.
Onze meesters intusschen begrepen het anders en vulden maar, vulden,
vulden maar; gansche boeken met aardrijkskunde, optellingen van al de
steden, van al de landen, gansche risten jaartallen en feiten (als
risten uien in den winkel hangende) geregen aan chronologische, doch
zelden logische draden, ontzettende massa's, woordelijk op te zeggen (of
wij den inhoud en den zin kenden en begrepen, deed er niet toe),
honderden veldslagen met het getal dooden en verminkten--van
weerszijden: duizenden regels en voorbeelden (niet te vinden als het op
de toepassing aankwam). Zoo vulden zij maar altijd door, en van alles
door en achter elkaar--en ik weet niet, wat er van al de hoofden en
hersenen zou geworden zijn, maar ... gelukkig, dat de reddende natuur
den jongens bij de eigenschap van onthouden, ook die gegeven heeft van
_vergeten_.
* * * * *
Hoeveel cijfers en rivieren heb ik vergeten,--maar niet mijnheer Tjilp
en zijne viool in de met gemarmerd papier beplakte kartonnen doos.
Mijnheer Tjilp was de persoon, die mijne jeugdige begaafdheden zou
vermeerderen door mij de kunst te leeren van de viool te bespelen.
Iemand, die beweerde, dat er in het leven al wanklanken genoeg zijn, zou
niet begrijpen, waarom men ze nog trachtte te vermeerderen met die,
welke ik uit mijn speeltuig haalde. Maar bij wien dit ook moge zijn
opgekomen, zeker nooit in het hoofd van den goeden mijnheer Tjilp, want
zoo die wanklanken al in de wereld bestonden, hij was het niet, die er
bittere aanmerkingen op zou maken.
Als mijnheer Tjilp dan aankwam, zijn met gemarmerd papier beplakte
vioolkist in de hand dragende, gingen wij in een klein werkkamertje, dat
ik had, en dan vervulde ik de lucht in huis gedurende een uur met de
erbarmelijkste geluiden, die ooit door de aanraking van paardenhaar en
kattendarmen kunnen veroorzaakt worden.
Ik vrees, dat mijnheer Tjilp veel heeft moeten lijden, want zijn oor was
even gevoelig als zijn hart.
Later deed hij zijn best mij de fluit te leeren bespelen, maar ik kon
het nooit gedaan krijgen precies in dat kleine gat te blazen, en als ik
het bij herhaling beproefd had en mijne lippen in allerlei vreemde en
scheeve bochten gedraaid, dan kwam er altijd een onweerstaanbare lach
bij mij op, en plooide ik de lippen in een stand, volstrekt ongeschikt
om te blazen. Want het is een wonderbaar bestel in de natuur, misschien
een teleologisch argument, dat de mensch niet te gelijk kan lachen en op
de fluit blazen. Ik scheen geen mond en vingers te bezitten, geschikt om
eenig instrument te bespelen, en toch--kwam ik in eene verheffing en
vervoering, zoodra ik muziek hoorde.
Dikwijls liet ik viool en fluit rusten, en speelde mijnheer Tjilp alleen
en luisterde ik, en anders, vooral toen ik ouder werd, besteedden wij
onzen tijd met praten.
Mijnheer Tjilp was sedert jaren een huisvriend. Bij eene bijzondere
gelegenheid hadden mijnheer Van N.--en hij in elkanders hart gekeken en
elkander leeren waardeeren.
Mijnheer Tjilp was een onbekend, eenvoudig man. Zijne stille wijze van
zijn en handelen zou hem door de meesten onopgemerkt hebben doen
voorbijgaan, of het moest wezen, dat men hem uitlachte om zijn
stoutmoedig ouderwetschen rok en zijn zonderlingen hoed. Hij was een
vijand van het _trumpetting oneself_, en met zijne kennis te koop te
loopen of zijn gevoel in het openbaar uit te stallen, waren twee hem
geheel onbekende dingen. Ik vond het altijd eene wonderlijke
tegenstrijdigheid, dien man, die er zelf zoo onaanzienlijk en zonderling
uitzag, zoo ingenomen te zien met alles, wat tot de fijnste schoonheid
behoort. Want de liefde voor het schoone was hem bijzonder eigen; het
was alsof hij buitengewone organen bezat om het te genieten, en alsof
die er op afgericht waren het overal op te sporen en te vinden. Of het
zedelijk schoon was, of schoonheid der natuur of der kunst, wat daarvan
in het leven bestond wist hij te vinden, en hij trachtte altijd die
zijde der wereldsche verschijnselen in het oog te houden, die iets
schoons bezat. Maar dat die wereld en hare verschijnselen vaak hiermede
in pijnlijken tegenstrijd waren, behoeft nauwelijks opgemerkt te worden.
Mijnheer Tjilp had er dikwijls de smartelijkste ondervinding van gehad,
en dit had wel bijgedragen om bij hem die stille gevoeligheid te
ontwikkelen. Maar zijn geloof aan het schoone werd daarom toch niet
uitgeroeid.
--Jongen, zei hij mij meermalen, ik geloof wel, dat de menschen het
leven somtijds leelijk maken, maar bestaat daarom toch het schoone niet
overal? Daar hebt gij de kunst, onuitputtelijke bron van schoonheid: zie
naar de lucht en de boomen, de natuur, even onuitputtelijke bron.... en
in het leven, och, er moet natuurlijk in het wereldplan ook leed en
boosheid voorkomen, maar waarom kunt gij niet de zonzijde zoeken in
plaats van de schaduw?
--Maar, zeide ik, mijnheer Tjilp! het gebeurt toch dikwijls, dat onze
zon achter de wolken is.
--Jongen, ik kan je bij ondervinding verzekeren, dat het dan toch altijd
verwarmend en verheugend is, naar de zonzijde van anderen te kijken.
--Geloof me, geloof me, zeide hij mij een anderen keer, het schoon is in
zijn verheven zin een der stralen van den glans van dat wezen, dat de
menschen godheid noemen: zoek het, bevorder het, bemin het, want het is
een van de middelen, die den mensch tot haar kunnen terugvoeren.
* * * * *
Hij kon soms verwonderlijk mooi spelen, mijnheer Tjilp, zoo
verwonderlijk mooi, dat de meeste menschen het leelijk zouden gevonden
hebben; maar zóó, dat, ik wil er om wedden, Mozart en Weber geen watten
in hunne ooren zouden verlangd hebben als zij hem gehoord hadden; Zóó
verwonderlijk, dat het soms net was alsof men een veel beter mensch was,
soms alsof men haast lust zou hebben gehad een traan te laten glippen.
Nu en dan speelde hij voor ons in den tuin, als het een warme zomeravond
was, en als dan de duisternis viel, en de lucht om ons heen in eene zee
van harmonie herschapen was en gelijk een zoete adem ons oor en onze
ziel streelde, en de sterren opkwamen, en er telkens eene nieuwe begon
te flonkeren, dan was het alsof die sterren aankwamen om te luisteren en
alles scheen mij een wonderlijk betooverde wereld en mijnheer Tjilp, die
zooveel schoons en liefelijks kon scheppen,--een _groot man_.
En zonderling, als het licht werd aangestoken, dan was het maar een dun,
oudachtig mannetje, die met zijne magere handen op eene oude vedel
speelde. Dan was de betoovering gebroken. Was dan de wellust, die de,
ziel genoten en de ideale kring, waarin zij eene wijle vertoefd had,
ijdel en dwaas geweest? Men zou evengoed kunnen zeggen, dat de viool van
mijnheer Tjilp niet bestond.
--Ik geloof, zei mijnheer Van N.---- nadenkend, ik geloof, dat er meer
waarheid is dan men denkt in het oude verhaal van den speelman, die
allen, waar hij kwam, met zijne viool betooverde en met hen kon doen,
wat hij wilde; ik meen geen feitelijke waarheid, maar psychologische
waarheid; die zijde der legende is miskend. Zoo heeft men bij zoovele
zaken het feit geloochend, omdat men het bloot als een feit opvatte en
niet als symbool van eene gedachte.
--Ik heb nooit sterker werking gezien van eene viool, zeide dokter
Vijzel, dan in mijne jeugd: toen speelde ik ook op dat werktuig en was
er eens mee bezig, toen mijn hond, wien het altijd verveelde, zoo razend
werd, dat hij als een tol door de kamer draaide en eindelijk, toen hij
al zijne aantrekkingskracht verspild en alleen middelpuntvliedende
kracht overgehouden had, als een kogel door het vensterglas heenvloog.
* * * * *
Mijnheer Tjilp glimlachte en trok het zich volstrekt niet, aan.
--Dokter, zei mijnheer Van N.---- neem mij niet kwalijk, maar dat
bewijst meer voor je hond dan voor je talent.
* * * * *
Er komt een tijd in het leven van den jeugdigen mensch, waarin het
scheppend vermogen en de verbeelding levendig werkzaam worden, en waarin
de zichtbare en onzichtbare wereld hooger en gloeiender tinten ontvangen
van de poëzie, die blaakt in het jonge gemoed. Het is de tijd, waarvoor
_there's music in all things_, waarin de wolken gedaanten, de lucht
stemmen, de schaduwen leven hebben, waarin alles tot de verbeelding
spreekt, en de verhoogde werking van het bloed een gevoel van uitbundige
kracht en levenslust geeft.
In dezen leeftijd en de stemming, die hij meebracht, kon het niet anders
of het classicisme begon voor het romantisme te wijken. Wij kenden van
de klassieken vooral het ernstige en deftige. Wel werden wij opmerkzaam
gemaakt op het gevoel in sommige tafereelen van Homeros, op "zedelijke
schoonheden" van Euripides. Maar van het Grieksche en Romeinsche
gemoedsleven, van hunne hartstochten, bleef ons veel verborgen. Daarom
opende zich het gevoelige hart te gretiger voor de zoet mystische poëzie
der middeleeuwen. Wanneer ik dan weder: als naar gewoonte aan den voet
van eene der kasten in de bibliotheek zat te lezen, was het doorgaans
een boek, dat mij thans zeer aantrok. Het was eene verzameling van oude
ridderromans, vol vechtende paladijnen en schoone jonkvrouwen, niet al
te preutsch, en tournooien; en reuzen en wonderen, die mijne verbeelding
innamen en mij als in die tijden terugtooverden.
't Weder was soete ende scone,
Die sonne verbaerde an den trone
Joliselike an die morghenstonde,
Menich vogelyn dat begonde
Daer singen met soete gelude;
Bedauwet waren bome ende crude
Tot dien dat die sonne op quam.
.............................
Entie maget quam an dat foreest
Daer die vogele hadden feest,
Elc sanc na der nature sine,
Daer stonden scone bloemkine
Op dat groene velt ontploken.
Die scone waren ende soete roken.
Wat eene liefelijke maagd kwam daar!
Haer voorhooft was wit ende slecht
Haer neuse scone ende recht
Hare winbraauwen bruin ende gebogen,
Lachende waren haer die oogen;
Haer mont was cleene ende niet groot,
Ende hare lippen rosenroot,
Die altoos stonden in die stede
Als om haar lief te cussen mede.
Zoo stond zij bij het water bloemen te plukken en te peinzen, tot zij
opeens opzag en bloosde, want zij had haren lieven geselle, den sconen
Rogier zien komen.
Die jonefrouwe hevet hem outfaen,
Sciere is si opgestaen,
Ende quam te Rogiere ter stont,
Ende custene an sinen mont.
..........................
..........................
Liefelijke teedere beschrijving der zoetste min. Hoe dikwijls las ik met
kloppend hart.
Vijf eeuwen zijn voorbijgegaan, sinds deze naïeve poëzie werd geschreven
en gevoeld. Wereldrijken zijn vernietigd met de groote mannen daarbij
behoorende, groote daden en groote plannen zijn tot stof en vergetelheid
verkruimeld! Wat al verandering en ontwikkeling van beschaving en
vooruitgang heeft de menschheid ondergaan! Hoevele eens warme gevoelens
en gedachten zijn verkoeld en versteend! en te midden van dat alles
blijft, in een ruwen perkamenten band besloten, eene dichterlijke vonk
voortgloeien, om na eeuwen nog met zoeten klank het gevoelig hart te
verwarmen. O zegepraal der poëzie!
* * * * *
Hoe was mijne aandacht gespannen, als die verschrikkelijke zwarte ridder
de lieve Galiëne heeft weggeroofd en met haar voortvlucht. Maar wacht!
daar ontwaart de roover in de verte een helder punt, dat flikkert in de
zon als eene ster van goud; zijn geoefend oog bedriegt hem niet. Weldra
ziet hij ook den grond stuiven. Vlieg, vlieg, dappere Rogier! als gij
uwe Galiëne wilt redden! Ren door, sterke Gringolet, als gij uw meester
intijds wilt brengen!
Helaas! een diepe en breede stroom scheidt hen nog. Onze spanning
vermeerdert. Gringolet snuift en besnuffelt den oever, en eene goede
plek gevonden hebbende, springt het kloeke ros in het water en zwemt het
over.
Nu is Galiëne gered? Onze spanning is ten top. Rogier! Rogier! hoe kunt
gij nog dralen--voort, voort! Maar neen, trillend van ongeduld en vrees,
moeten wij nog eerst lezen, hoe hij afstijgt om zijn edel ros te
verzorgen. Nog eerst zijn paard, zijn trouwen gezelle, gestreeld en
verpleegd, en gedroogd met zijn eigen wapenrok.
En dàn kwam de vreeselijke strijd.
Rogier rijdt zijn vijand te gemoet. Dek u met uw schild, roept hij hem
toe, en verdedig uw lijf! De zwarte laat zijne prooi los en stelt zich
te weer.
Doe decten si sich op die wile:
En vlogen noit twee pile
Daer men mede sciet in bogen,
So sere als si te gader vlogen,
Hen waren noit ridders haer genoot,
Also di twee soo sterc ende groot:
Het scenen beide twee liebaerden,
Ende elc sloech andren metten swaerden
Van haren helmen grote stucken
Dat si op hare artsoenen bucken.
Van haren slagen waren si milde
In stucken liggen hare scilden
...........................
Rogier was verheuget sere
Ende zeide: vrient, bi onzen Here
Ic wane gi zult nu ontgelden
Als u God niet langer ne spaert.
Rogiere die hevet zijn swaert geheven
Ende hevet den swarten geslegen
Dat hi den helm altemale
Cloofde ende den hoet van stale.
...........................
Doe ginc Rogier ter selver stede
Daer di Ridder lach gewont
Ends dede hem den helm af en sach
Of hi jegens hem spreken mag.
Hi lach in onmacht van de slagen,
Rogier die peinsde of hi iet sage
Daer hi hem mede conde genesen.
Sijns selven helm nam hi te desen,
Ende liep er mede ter rivieren
Ende haalde water en laefde hem sciere,
Ende looc die wonde tot hi bequam.
Maar ik was te veel in strijdlust ontstoken om deze grootmoedigheid te
achten.
Ha! ik greep een ouden sabel, waarmede mijn vader was uitgetrokken met
de schutterij. Verroest zat hij in de scheede geklemd, eindelijk trok ik
hem met geweld er uit. Ik voelde den geest van den strijdbaren ridder in
mij varen, en mij op een stoel te paard zettende, kon ik niet nalaten
een zestal oude folianten (het waren Grieksche werken, en daar had ik
toen in mijne romantische bui een hekel aan) met hevigheid aan te
vallen. Ik hakte er op in, dat zij door elkaar vlogen, ik werd hoe
langer hoe meer opgewonden, ik dacht om den Razenden Roeland, om
Walewein en Percheval, om Rogier--niet om Don Quijot, want ik vond dit
toen eene zeer ongepaste satire. Mijn kling vloog rond, ik hakte van den
aardbol een stuk van de kust van Madagascar af, ik kon het niet laten
een grooten _gladiator_ van pleister een klap op zijn arm te geven, even
maar om te beproeven, hoe hard ik wel zou kunnen slaan, voordat hij
brak--maar als ik hem eens brak?--even maar, niet hard, niet te hard,
maar alleen hard genoeg om hem niet te breken, tot de uiterste grens,
waar de breekbaarheid begint, juist dát was zoo uitlokkend,--er is iets
heerlijks, iets bedwelmends, iets onwederstaanbaar verleidelijks in het
beproeven van iets, dat gevaar in heeft--zóó--nu nog één....
* * * * *
Het was te hard geweest, veel te hard, dat is duidelijk; lieve hemel!
de arm lag er naast op den grond. Maar dat was nog weinig. De ellendige
gladiator nam verliefd eene naast hem staande Venus in zijn anderen arm,
sleepte haar in zijne omhelzing met zich mede en liet deze liefelijke
godin, vlak voorover, plat op haar neus vallen.
Ik hoorde voetstappen de trap opkomen, had nauwelijks tijd de beelden
weer recht te zetten, den _gladiator_ met zijn gebroken arm tegen den
muur, en zijn rug gekeerd (zoo gaat het meer in de wereld) naar de
schoonheid, die hij ten val had gebracht, eene schoonheid, die nu, met
platgedrukten neus, eene Hottentotsche Venus geleek, en terwijl ik met
angst de nadering der voetstappen, die ik voelde, dat die van mijn vader
waren, afwachtte, zette ik mij weder aan het lezen.
Maar ach! Galiëne en Rogier en het gansche boek hadden op dat oogenblik
hun aantrekkelijkheid verloren, en te midden van mijn angst had ik een
gevoel als iemand, die zelf een schoonen droom en een ideaal heeft
vernietigd, en alsof ik het dichterlijk en tooverachtig waas, dat over
die figuren uit het verre verleden ligt, gescheurd en vaneengereten had.
De voetstappen naderden; wat zou ik zeggen, welke toevallige
omstandigheden in het spel brengen om de vernieling te verklaren? De
waarheid zeggen? Maar hoe zou ik mijn vader de geheimzinnige
aantrekkelijkheid verklaren, die er in gelegen is om te beproeven, hoe
hard men iets kan slaan, voordat het breekt?
Daar gaat de deur open! Gelukkig was mijn vader niet alleen; hij had een
vreemden heer bij zich, en beiden waren in een druk levendig gesprek.
Daar de vreemde tusschen mij en het licht van venster was, kon ik zijne
gelaatstrekken niet goed onderscheiden; ik zag evenwel, dat hij weinige
en witte haren had en zijne gestalte gebogen was. Een vluchtigen blik
slechts had ik, toen hij binnenkwam, op hem kunnen werpen. Ik zag toen,
dat hij zeer gejaagd was en zijn gelaat in zenuwachtige beweging.
Wat zijn wij toch weinig meester van onze gedachten en weinig bewust van
haar oorsprong! Zonder eenige bekende reden, wekte die man, wiens gelaat
ik nauwlijks gezien had, bij mij eene sterke belangstelling, en later
kwam hij mij dikwijls in de gedachten niet alleen, maar begon ik ook
velerlei gebeurtenissen zonder blijkbare reden met hem in verband te
brengen.
Ook geschiedde er met opzicht tot hem iets, dat mij in meer zaken of
toestanden wel eens gebeurd was; namelijk, dat ik mij stellig en vast
verbeeldde te weten, dat ik dien man, met juist al dezelfde bijkomende
omstandigheden, in dezelfde kamer, en met dezelfde gedachten nog eens in
mijn leven gezien had. En toch wist ik toen, en weet ik nu zeker, dat
dit onmogelijk was.
Ik begreep, dat ik weg moest gaan, en toen eerst bemerkten mijn vader en
de vreemde mij. Ik ging, maar niet zonder hevige nieuwsgierigheid, want
er moest wel iets zeer bijzonders en gewichtigs aan de hand zijn, dat
een vreemde in het spinnekoppenhok werd toegelaten, en mijne
nieuwsgierigheid verminderde niet, toen ik heengaande den vreemde met
een wanhopend gebaar de handen mijns vaders zag grijpen.
Toen ik de deur gesloten had, hoorde ik, dat ook de sleutel werd
omgedraaid. Ik bleef staan.
Ik moet bekennen, dat mijne nieuwsgierigheid door alles ten sterkste
geprikkeld werd.
Luisteren--ik voelde, dat er iets schandelijks in was; maar de prikkel
was zoo hevig--en besluiteloos bleef ik staan. Jeugdige sophismen
begonnen zich op te dringen, toen ik toevallig opziende, mij zelven in
een spiegel zag.
Welk een sterken indruk maakt het ontmoeten van onze eigene oogen op
ons, wanneer wij kwaad broeden! Die stille geheimzinnige blik, dien dat
beeld in den spiegel op ons en in onze ziel schijnt te werpen, doet ons
dan huiveren. Het is alsof het beeld daar in het glas niet de
weerkaatsing van ons zelven is, maar een andere persoon, een ander ik,
ons beter ik, een onzer beide naturen, de betere, die op de andere, de
booze, een ernstigen blik werpt.
Ai! daar heb ik mij onvoorzichtig uitgelaten! Ik sprak daar van twee
naturen, van eene goede en eene booze.
Men zit elkander zoo nauw op de vingers te kijken ten opzichte van zijne
theologische begrippen, ten einde elkander dadelijk op de vingers te
kunnen tikken, dat het onmogelijk is, dat ik er met die twee naturen
heelhuids zou afkomen. Men zou mij dadelijk voor een Brahmin, voor een
leerling van Zoroaster, maar vooral voor een Manichieër uitkrijten. Ik
beken daarom bijtijds, dat ik dat niet ben, en dat het waarlijk zonder
erg is geweest, dat ik van eene goede en eene booze natuur gesproken
heb--ik moet zelfs bekennen, doorgaans zoo weinig dit voorname punt in
het oog te houden, dat het mij waarschijnlijk dikwijls gebeurd is,
iemand eene hand te geven, zonder vooraf te weten, hoe hij over die twee
naturen dacht; gij ziet dus, dat het bij mij onschuldige achteloosheid
geweest is, en dat ik met die twee naturen niets kwaads gemeend heb.
Om tot dien spiegel terug te komen. Ik geloof, dat, als een man, die op
het punt is een moord te bedrijven, zichzelven in een spiegel zag,
terwijl hij het mes opheft, ik geloof, als zijne oogen in het glas dat
andere oogenpaar ontmoetten, dat hij zou terugdeinzen....
Ik luisterde niet.
* * * * *
Gestoord in mijn rustig verblijf in het spinnekoppennest, en het hoofd
vervuld met duizend dooreendwarrelende gedachten, liep ik onzen tuin in.
Onze tuin wordt van een anderen afgescheiden door eene houten schutting.
Ik ben gewoon daarbovenop te paard te gaan zitten; dan houd ik mij met
het een of ander bezig en scheur middelerwijl van al mijne broeken het
kruis.
Het is nu kersentijd, en bij de schutting, ter plaatse, waar ik erop
zit, staat een kerseboom. Ik neem het den jongen musschen en meezen zeer
kwalijk, dat zij, evenals ik, veel van kersen houden, en terwijl haar
snoeplust mij vertoornt, voldoe ik volop aan den mijnen. Een mensch moet
ook wat voorhebben boven de dieren.
Dit is reeds eene groote vermakelijkheid en geriefelijkheid van mijne
door volgeladen takken overschaduwde zitplaats. Een ander genot is, de
pitten te knippen tegen de glazen van het onbewoonde buis, dat naast het
onze staat.
Daar zat ik dan weer, en at eene kers en wilde juist de pit naar eene
der ruiten mikken, toen ik opeens....
Ik verbeeld mij, dat de afsnijding van den zin in dit oogenblik eene te
treffende en prikkelende uitwerking teweegbrengt om er geen gebruik van
te maken.
* * * * *
Tweehonderd ellen ongeveer van de stad en aan den rijweg, stonden twee
huizen met ouderwetsche gevels, waarvan een het onze was.
Het sprong in het oog, dat beide juist van dezelfde grootte, breedte en
uitwendige gedaante waren. Het waren geheel en al tweelinghuizen, want
er was geen raam of boog of stang of steenen figuur of schakeering van
roode en witte steen, die bij beide niet juist gelijk was en beide
hadden een soortgelijk stuk grond achter zich.
Het eenige onderscheid was, dat het éene van de tweelinghuizen teekenen
van leven en goed onderhoud droeg, het andere geheel verlaten, gesloten
en verwaarloosd bleek te zijn.
Wat was de oorsprong dier steenen tweelingen? Vreemde, dwaze geruchten
liepen er over het eene, en er was eene sprook, die ik in mijne
kinderjaren altijd met trillende spanning en angstig genot had gehoord,
hoe daar jaren geleden een man in een klein kamertje vermoord was, en er
op de planken eene roodachtige vlek lag, die geen timmerman er uit kon
schaven, maar die telkens weer opkwam, en hoe na dien tijd niemand meer
in het huis kon wonen of hij stierf kort daarop.
Wat hiervan ook geweest zij, het nevenhuis was sinds eene reeks van
jaren onbewoond en gesloten.
Op den top van den achtergevel stond eene windvaan, dat voorwerp, dat de
mensch, als eene naïeve bekentenis, ten teeken en zinnebeeld zijner
rusteloosheid en veranderlijkheid boven zijne woningen opricht, als de
vlag, waaronder hij vaart. Rusteloos en knarsend had zij ook boven dit
huis volgens elke windstreek rondgevlogen, misschien evenals de harten
van menschen, die onder dat dak gewoond hadden. Maar eindelijk had de
dartele en woeste wind zijn speelgoed gebroken, zooals de kinderen der
menschen doen. Gebogen en scheef hing nu de windwijzer, en onbeweeglijk
was hij aan de roestige stang vastgebleven, zeker wel om hoog en wijd en
zijd de waarheid te prediken, dat wie met alle winden mede wil draaien
er eindelijk door geknakt wordt.
De musschen nestelden vrij in het dak met de spreeuwen, en de kraaien in
de schoorsteenen, waaruit geen opstijgende rook meer deed denken aan den
huiselijken haard en de warmte der huiselijke genegenheden. Gansche
geslachtsreeksen van zwaluwen hadden in de goten het eerste levenslicht
ontvangen, en een wild en weelderig groeiende wingerd liet, als een
zinnebeeld van verlatenheid, zijne ranken, in de grootste verwarring
door elkander gestrengeld, langs een gedeelte van den achtergevel en
over de geslotene en vervelooze luiken afhangen.
De tuin achter het huis was even woest als het overige, het gras groeide
voeten hoog te gelijk met eene uitgelezene verzameling van onkruid. Al
de boomen en heesters hadden in broederlijke toegenegenheid hunne takken
in elkander gestrengeld, als tot eene les aan den mensch, dat, wanneer
deze er de hand en het houweel niet in had, zij in liefderijke
toenadering en omhelzing voort zouden leven. Het zou even moeilijk
geweest zijn, er pad of weg te vinden als in de onbegane prairiën van
Amerika of sommige grammatica's.
Het eenige, wat liefelijk scheen in deze woestenij, was de groote
menigte rozen, die er in weelderigen overvloed en in dichte bosschen met
honderden bloemen groeiden.
Zóo had ik jaren lang dezen tuin en dit huis gekend en nooit had ik
daar, wanneer ik op de heining zat, eenig spoor van leven ontdekt. Soms
was ik wel over die heining geklommen en had met verbazing in die
wildernis gewandeld, en enkele malen had ik getracht over de halve
buitenluiken in het huis te kijken, maar toen ik eens, daarmede bezig,
een zwaren slag daarbinnen gehoord had, was ik met schrik weggeloopen,
alsof de vermoorde man met eene geheele bende gruwzame spoken mij op de
hielen zat.
Ik geloof genoeg gezegd te hebben om mijne verbazing te verklaren, toen
ik, juist mijne eerste kersepit naar die ramen willende knippen, zag,
dat de luiken openstonden en de woeste wingerdranken voor de glazen
eenigermate waren weggesnoeid en opgebonden. Maar in den tuin ziende,
was daar iets, dat mij nog meer verbaasde en mij met eene kers
halverwege in mijn mond deed blijven zitten.
Midden in het hooge gras en half bedolven onder een grooten hoop
afgeplukte rozen zat een klein meisje, zeven jaar oud, denk ik, met deze
bloemen te spelen. Nu eens wierp, zij ze in de lucht en ving ze, met de
kleine handjes weer op, dan bedekte zij haar hoofd en gitzwarte haren er
mede, en als zij er dan uit opdook, was het alsof zij, als Afrodite uit
het fonkelende schuim der zee, uit die bloemen geboren werd.
Eene soort van tegenstrijdigheid was er evenwel voor het uitwendige
tusschen dit kind en die rozen, in zoover, dat men haar niet daarmede
had kunnen vergelijken, gelijk men anders gaarne een blond en blozend
kind zou willen doen, want dit meisje was niet blond en rooskleurig als
de kinderen van het Noorden, maar hare tint was bleek, en donker waren
oog en haar. Eene sterke sympathie scheen er toch tusschen die bloemen
en haar te bestaan, want evenals bloemen zich in eene vunzige lucht
intrekken en verwelken en zich ontluiken en verlustigen in een
liefelijken dampkring, zoo was het nu, alsof die rozen, al werden ze
door haar dartel spel gekneusd, toch frisscher geurden en bloeiden in
den luchtstroom, die het kleine meisje omringde.
En waaruit anders, zoo niet uit eenige zonderlinge verwantschap, was het
te verklaren, dat zij zich door zulk speelgoed voelde aangetrokken?
En die sympathie--bestond zij tusschen de kleuren en geuren in haar
gemoed, en den gloed en den reuk dier rozen?
Was het, omdat in dat jeugdige kindergemoed de kiem lag eener gave, die
wellicht later zou ontwikkeld worden, de gave om bij voorkeur de bloemen
in het leven op te merken?
Of omdat in latere dagen in het huis, dat zij zou betreden, en op het
pad, dat zij zou bewandelen, bloemen onder ieder van hare voetstappen
zouden opspringen?
Of was er gelijkheid van lotsbestemming in beide? Zou zij als eene bloem
òf door een achteloozen voet vertrapt, òf wel door een droevig toeval
geknakt worden?
Wat al mogelijkheden in de toekomst ook van dit kind! En welke daarvan
zal tot werkelijkheid gemaakt worden?
* * * * *
Mijn romantische geest hield zich voortdurend met dit meisje bezig en
begon den raadselachtigen vreemde, dien ik in mijns vaders bibliotheek
gezien had, met haar in verband te brengen en daarvoor allerlei
toestanden en geschiedenissen te verzinnen. Dikwijls nog zag ik het
kind, evenals die eerste maal, met hare rozen bezig, zoo het scheen haar
eenig en geliefdste speelgoed. Noch door mijne ouders, noch door
mijnheer Tjilp kon ik iets van haar vernemen, hoewel het duidelijk was,
dat zij er meer van wisten, zooals mij bleek, wanneer op mijne vragen
mijnheer Tjilp het eenvoudigste gezicht van de wereld wilde zetten en
daardoor zich juist verraadde.
Eenige weken waren hierna verloopen, toen ik op eenen avond mijn vader
hoorde uitgaan en naast ons het huis binnentreden. Sedert dien dag werd
het zijne dagelijksche gewoonte 's avonds uit te gaan en na twee of drie
uren van afwezigheid terug te komen.
Dit had acht of tien dagen geduurd, als eens op een avond mijnheer v.
N.---- buitengewoon lang uitbleef. Het werd tien, elf, bij twaalf uren,
en nog kwam hij niet terug. Eindelijk hoorden wij voetstappen.
De deur ging open--het was mijn vader, die binnentrad. Doch hij was niet
alleen; in zijne armen hield hij het kleine meisje, dat ik in den tuin
had zien spelen met de rozen, maar dat na luid snikkende het hoofdje
tegen zijne borst drukte. Met de snelheid van eene electrische vonk over
den draad was mijn geest in beweging en bouwde zich eene gansche
geschiedenis.
De wanhopende man, dien ik in mijns vaders kamer gezien had, zou de
vader van dit meisje zijn. Zijne vrouw zou overleden zijn in een vreemd
land, waar zij hem met dit kind alleen zou hebben achtergelaten. Door
eene reeks van rampen vervolgd, door armoede, door wie weet welke schuld
of misdaad bezwaard, zou hij zich onbekend hebben moeten houden, waarom
hij zich eindelijk in dit verlaten en onbezochte huis naast ons was
komen verbergen. Hier zou hij ziek zijn geworden, en het zou naar hem
zijn geweest, dat mijnheer v. N. zich dagelijks begaf om hem te helpen,
totdat hij ten laatste het tijdelijke verlaten en zijn kind aan de
zorgen van zijn weldoener zou opgedragen hebben.
Zóó, maar met oneindig meer en fijnere bijzonderheden (als ware ik van
alles zelf getuige geweest), was de geschiedenis, die mijn geest zich in
een oogwenk te voorschijn riep.
Mevrouw v. N. nam de arme kleine wees in hare armen, kuste en streelde
ze. Wat kan in zulke gevallen liefelijker en heilzamer zijn dan eene
moeder? Maar vreemd, het kleine meisje scheen ook hieromtrent van gewone
kinderen af te wijken, en terwijl het zich met de buitenzijde der
linkerhand de oogen afwischte, stak het haar arm naar mijn vader uit, en
het was stiller en kalmer, als het bij hem was en om dat grijze en
vriendelijke hoofd de armpjes geslagen had.
Eindelijk was het moe geweend, en de slaap, de goddelijke balsem voor
droeven, look het de donkere oogen.
Wat mij aangaat, de klapperman van drie uren had zijn zangerigen deun in
den stillen nacht doen hooren, vóórdat al het gebeurde genoegzaam plaats
kon maken in mijnen geest voor de rust van den slaap.
* * * * *
Mevrouw v. N. had het druk met voor Bella een kamertje in te richten en
voor hare kleederen te zorgen. Ook zocht zij eenig speelgoed voor haar
op, speelgoed van eene jong gestorven dochter, dat in eene doos was
weggelegd als de laatste overblijfselen van het korte spel, dat zij op
aarde gespeeld had. Er was een vlekje van witte, zijdeachtige haren bij,
een paar kleine schoentjes, kleine kousjes, kleine mutsjes en verdere
voor het moederhart droevige relieken.
Ik weet, wat er in dat hart omging, toen die weder aan het licht kwamen,
en ik weet, dat mijne moeder, met dankbaarheid de verlatene Bella als
eene tegemoetkoming voor het verlorene ontvangend, het nieuwe kind in
hare veel omvattende liefde opnam.
De kinderlijke relieken werden weder zorgvuldig geborgen te gelijk met
menigen stillen traan, terwijl eene oude pop, die met het vroolijkste
gezicht ter wereld tien jaren tusschen die overblijfselen van droefheid
had gelegen, met eenig ander speelgoed uit de doos werd gehouden. De
schimmel werd van hare krullen gewreven, de neus was, wel is waar, wat
ingedeukt en geplet, doch dat gaf iets pikants aan het gezicht, en
overigens was het eene tamelijk mooie pop, indien men er ten minste
vrede mee had, dat hare kuiten aan den verkeerden kant van de beenen
zaten.
Maar Bella was weinig met dit speelgoed ingenomen: hetzij dat haar
ingeschapen schoonheidsgevoel iets tegen den platten neus en de
verdraaide kuiten had, hetzij dat zij niet gewoon was, er mede om te
gaan.
Bella was in den beginne stug en schuw en het liefst zat zij alleen in
den tuin met bloemen te spelen. Het bleek evenwel later, dat deze
schuwheid niet in haar aard lag, maar daardoor ontstond, dat zij nooit
teedere zorg en liefde van moeder of zusters had ondervonden en altijd
alleen met haar vader geweest was. Het was ook daarom, zooals mijnheer
Van N. zeide, dat zij zich zoo vreemd bij zijne vrouw voelde, en bij hem
meer op haar gemak was.
Het was een heerlijke, warme zomeravond, en wij zaten in de tuin, toen
mijne moeder Bella tot zich riep. Zij verliet met zekeren weerzin hare
bloemen en kwam zachtkens aan.
Mevrouw Van N. streelde de zwarte haren, die in dichten overvloed het
fijne tengere gezichtje omringden en het nog fijner en tengerder deden
schijnen.
--Zult gij veel, veel van mij houden, Bella? vroeg zij. Wij allen zullen
veel van u houden, en gij van ons, wilt gij wel, lieve Bella?
Het meisje zag haar met groote oogen vragend aan. Nog nooit had zij
mevrouw Van N. zoo open in het gelaat gezien, en was zij vroeger schuw,
het bleek wel, dat dit eer eene zucht naar en eene gewoonte van
eenzaamheid, dan bedeesdheid was. Nog altijd zag zij haar met die
heldere verstandige oogen aan. Er scheen eene ontwikkeling van gedachten
in haar om te gaan en nieuwe denkbeelden schenen in haar op te komen,
want het eerste woord, dat zij sprak, was geen antwoord op mevrouw Van
N.'s vraag, maar was waarschijnlijk de slotsom eener reeks van
gedachten, die elkander op dit oogenblik in haar hadden opgevolgd.
"Wat is eene moeder? vroeg zij.
Dat was eene onverwachte vraag en ook mijnheer Van N. zag verbaasd uit
zijn boek op.
--Eene moeder? zei mevrouw Van N. Hebt gij uwe moeder gekend?
--_Mijne_ moeder? zei Bella, alsof zij eenigszins aan zoo iets
twijfelde:--Wat is dan eene moeder?
Ik geloof, dat mevrouw Van N. er mee inzat, welke bepaling zij van eene
moeder zou geven, en hoe goed wist zij toch door lief en door leed wat
eene moeder is,--en welk eene moeder was zij!
--Of zult gij zeggen, zei mijnheer Van N. glimlachende, en wat hij in
gedachten had aangevangen nu hardop vervolgende, of zult gij zeggen,
eene moeder is eene eenigszins bejaarde vrouw, met even grijzende haren,
die boterhammen maakt en thee schenkt, en voor het eten zorgt, en een
mandje met sleutels heeft--of, eene moeder is de vrouw van een
vader--maar dan doet zich terstond eene soortgelijke vraag op: wat is
een vader?--waarlijk, het is moeilijk een kind, voor wie dit begrip niet
van jongs af bestaan heeft en zich heeft doen _voelen_, te verklaren wat
eene moeder is. Als ik zeg verklaren, dan meen ik eene juiste, eene
logische definitie er van geven: wij zouden dan moeten opklimmen tot de
wording der kiem van het kind--en dan staan wij al dadelijk stil bij de
bedenkelijke vraag: van waar is het eerste levensbeginsel--hoe dit
physiologisch en psychologisch op te lossen....
Ik vrees, dat Bella op deze wijze moeilijk tot het, begrip van eene
moeder zou zijn gekomen, en mevrouw v. N. beproefde daarom eene
eenvoudiger definitie.
--Eene moeder, zei ze, is degene, die de kinderen opkweekt en van wie de
kinderen innig veel houden.
--Dan zijn de bloemen mijne moeder, zeide Bella, deze stoute paradox
zonder eenige aarzeling uitende, want zij hebben mij gezegd, dat ik uit
de bloemen ben voortgekomen--en ik houd zooveel van bloemen!