Zoodra Wies in bed lag, sliep ze in. Ze was werkelijk heel moe door

al de emoties, die de dag gebracht had.

Zoo tegen een uur of één werd ze echter plotseling wakker.

Wat hoorde ze toch?

Wat een vreemd gesteun en gekraak.

Ze richtte zich in bed op en luisterde.

Dat was de wind.

En wat een gekletter op het dak, vlak boven haar hoofd.

Een stortregen stroomde neer op de zinken platen, die het bovenste

deel van het dak bedekten en maakte een leven als een oordeel.

Geen wonder, dat ze wakker geworden was, haar kamertje lag op de

zolderverdieping, zoodat ze alles uit de eerste hand had.

Nu hield de regenvlaag op, gelukkig, nu zou ze probeeren weer in

te slapen.

Ze legde zich neer en trok de dekens tot over hare ooren.

Ze was nog zoo moe, ze wilde slapen.

Wat was dat nu weer?

Hagel, het was bepaald noodweer.

De wind scheen steeds heviger te worden, den schoorsteen hoorde ze

duidelijk kraken, dat was geen wind meer, dat was storm.

Met een ruk zat ze overeind.

Storm.... en Vader op zee.

Hoe was het mogelijk, dat ze daar niet dadelijk aan gedacht had. Ze

was zeker nog niet goed wakker geweest, maar nu was haar geest helder

en kon ze de gedachte geen oogenblik meer van zich afzetten: Vader

in dezen storm op zee.

Haar altijd levendige verbeelding deed haar het schip zien, op en

neer geduwd door de onstuimige golven, overgeleverd aan het woeste

spel van den storm.

Ze zag het groote schip als een notedop dansen op het water en dan

weer de hooge golven over het dek slaan.

Ze had nooit een schip in nood gezien, nooit zelfs de zee bij

stormweer, maar haar phantasie kwam haar te hulp en ze zag letterlijk

voor hare angstige starende oogen het schip in nood, het schip,

waarop haar vader zich bevond, waarvan hij commandant was, dat hij

dus nooit zou mogen verlaten, waarmee hij ten gronde zou moeten gaan.

Hij zou met het schip moeten vergaan.

Die gedachte zette zich vast in hare hersens en liet haar niet

meer los.

Vader was zoo dapper, hij zou zijn schip niet verlaten, hij zou

liever een eervollen dood sterven, dan zonder zijn schip te moeten

terugkeeren.

Dat was wel mooi, hij zou dan als een held sterven en ze dweepte met

helden, ze had altijd een gloeiende bewondering gevoeld voor ieder,

die zich opofferde aan zijn plicht. Als ze las van een brandweerman,

die niet geaarzeld had, zich in een brandend huis te begeven, om

een achtergelaten kind te redden, dan gloeide ze van geestdrift;

groote daden doen, voor niets terugdeinzen, geen moeielijkheid te

groot achten, dat was prachtig!

"En beginnen met je dagelijksche plichten nauwkeurig en goed te doen."

Och ja, dat had Vader tegen haar gezegd, toen ze een paar dagen

geleden ook zoo geestdriftig gesproken had, over een held, waarvan

ze gelezen had.

Vader had gelijk, daar moest je mee beginnen, maar dat was juist zoo

moeielijk, omdat je er zoo weinig eer van hadt en het meestal niet

eens opgemerkt werd, als je je best gedaan had in kleinigheden.

Vader zag het nog wel eens en kon je dan zoo heerlijk aankijken,

maar Moes merkte het nooit. Die viel het meer op, als je niet deedt,

wat je moest.

O, wat een rukwind!

Angstig kroop Wies ineen.

"Vadertje, Vadertje," kreunde ze, met opgetrokken knieën in bed

zittend, haar hoofd voorover gebogen, "was u toch maar bij me."

Weer een stormvlaag.

Even richtte ze luisterend het hoofd op, toen liet ze het op hare

opgetrokken knieën zinken en smoorde een kreet van doodsangst.

Als Vader als een held stierf, kwam hij nooit meer bij haar terug!

O, neen, neen, dat kon niet, dat mocht niet, hij moest terugkomen,

mocht niet sterven, ze zou niet zonder hem kunnen leven, ze zou veel

liever zelf doodgaan, aan haar was niets verbeurd, maar zonder Vader

konden ze geen van allen.

En de mogelijkheid bestond, met zoo'n storm kon men voor niets instaan,

ze werd hoe langer hoe angstiger en zenuwachtiger.

Nu scheen de wind wat te bedaren, maar slechts voor een poosje,

daarna gierde hij nog heviger dan te voren.

Wies kon het in bed niet meer uithouden ze stond op, stak een kaars

aan en keek rillend en bevend haar kamertje rond.

Daar stond op haar kastje Vaders laatste portret. Ze nam het op en keek

er gretig naar. Zijne vriendelijke oogen gaven haar weer wat moed en

hare angstige trekken ontspanden zich, maar slechts voor een oogenblik.

Toen kreeg de angst weer de overhand en het portret haastig neerzettend

en bevend over haar geheele lichaam, sloeg ze hare handen voor hare

oogen en kreunde.

Het vreeselijke zou gebeuren, alles wees er op, had ze dien middag

het portret niet laten vallen en was het glas niet gebarsten?

"O Vader, Vader dan toch, waar bent u op het oogenblik, wat doet u,

wat gebeurt er met u!"

Ze liet zich op den grond vallen en snikte het uit.

De plof van haar neervallend lichaam deed haar moeder, wier kamer

onder de hare was, niet weinig ontstellen.

Ze luisterde een oogenblik en hoorde toen duidelijk boven haar hoofd

het wanhopend gesnik van haar dochtertje.

Opstaan en naar boven loopen was het werk van een oogenblik en even

bleef ze ontsteld staan, toen ze Wies daar zoo op den grond zag

liggen huilen.

Ze ging naar haar toe en haar oprichtend vroeg ze, wat er aan scheelde,

had ze ergens pijn?

Wies schudde heftig van neen.

"Wat is er dan?"

"Vader, Vader, de storm."

Haar moeder, die zelf door het noodweer, in verband met het vertrek

van haar man, niet had kunnen slapen en zich zenuwachtig en overspannen

voelde, zei wat ruw:

"O, is het dat. Maar daarom behoef je je toch niet zoo aan te

stellen. Denk je soms, dat ik den wind niet hoor, maar lig ik daarom

als een waanzinnige op den grond? Kom sta op en ga weer in bed."

Die woorden werkten als een stortbad.

Instinctmatig stond Wies op en ging naar haar bed.

"Kruip er maar gauw in, dan stop ik je lekker toe, je rilt van de kou,

dwaas kind, dat je bent."

"Niet van kou, van angst," verbeterde Wies.

"Je schijnt je gevoelens nog precies te kunnen ontleden. Ziezoo, hou je

nu verder bedaard en maak het heele huis niet wakker met je spektakel."

Wies greep haar moeders hand, toen deze de dekens nog wat optrok.

"Bent u heelemaal niet bang?" fluisterde ze.

"Natuurlijk vind ik dien wind niet prettig, maar ik laat mijn verstand

spreken en dat zegt, dat het best mogelijk is, dat Vaders schip niet

te lijden heeft onder den storm, het is al zooveel uren onderweg,

nietwaar, en in ieder geval, het is een stevig schip en kan best

tegen een stootje. Er is heusch geen reden, om zoo beangst te zijn,

en in geen geval mag je je zoo aanstellen, daar doe je niemand en

niets goed mee."

Wies voelde zich kalmer worden. Moeders woorden waren niet prettig,

de toon van haar stem niet heel vriendelijk, maar ze kalmeerden haar,

haar groote angst verdween langzamerhand.

"Maar het portret," fluisterde ze nog.

"Welk portret?"

"Van Vader, dat ik vandaag heb laten vallen."

"Ja, dat spijt me genoeg, maar wat zou dat?"

Wies aarzelde.

Ze durfde Moeder haast niet zeggen, wat haar op het hart lag, Moeder

was zoo wars van dat soort van dingen, maar ze wilde toch zoo dolgraag

uit haar eigen mond hooren, dat het onzin was, wat Betje vanmiddag

gezegd had.

"Is het geen slecht voorteeken, als iemands portret valt, en het

glas breekt?"

Haar moeder keek haar verbaasd aan.

"Een slecht voorteeken? Wie heeft je die malligheid wijs gemaakt. Begin

je nu ook al aan voorteekens te gelooven? Je wordt hoe langer hoe

dwazer, kind, ik zal eens goed op je letten in den eersten tijd en

je maar eens flink aan het werk zetten, zoodat je geen tijd hebt, om

aan al die bespottelijke dingen te denken en er over te lezen. Geef

me nu maar een zoen en zet al die nonsens uit je hoofd. Ik zou maar

gauw zien in te slapen, anders ben je morgen den geheelen dag weer

zoo soezerig en onmogelijk."

Wat overbluft door haar moeders vlug achtereen gesproken woorden,

staarde Wies droomerig voor zich uit.

"Ja Moes," was al wat ze antwoordde.

Haar moeder glimlachte.

Het leek wel, of ze al half sliep.

"Goedennacht dan," zei ze wat vriendelijker, "en slaap lekker."

Weer in haar eigen kamer gekomen, bleef ze nog een oogenblik in een

gemakstoel zitten. Slapen kon ze toch niet, die storm werkte op de

zenuwen, dat was waar en wekte akelige gedachten op, maar men moest

zijn verstand gebruiken en geen zorgen voor den tijd maken.

"Die Wies," dacht ze toen, "dat overdreven, dwaze schepseltje. Ik

had innig medelijden met haar, ze was werkelijk heel angstig en

zenuwachtig, maar ik mag daar niet aan toegeven. Haar vader bedierf

haar wel wat, ze is er in de laatste jaren niet op vooruit gegaan,

wat haar humeur en zelfbeheersching betreft. Ik zal haar maar flink

aanpakken, en niet toegeven aan al haar dwaze, overdreven ideeën. Een

mensch is nu eenmaal niet op de wereld, om zijn leven te verdroomen."

VIERDE HOOFDSTUK.

NOODLOT OF EIGEN SCHULD?

"Zeg Wies, vraag, of je vanavond bij me mag komen, mijn broer is jarig,

er komen meer menschen. Ik vond al die volwassen lui zoo vervelend

en daarom heb ik gevraagd, of jij bij mij mocht komen."

"Heerlijk, ik hoop, dat Moeder het goed zal vinden."

"Dat zal wel, waarom zou ze niet. Het zal vreeselijk leuk zijn, de

tuin wordt met lampions geïllumineerd en er wordt nog een vuurwerkje

afgestoken ook. Het kan nu zoo goed, met die lange Juni-avonden en

het is tegenwoordig zulk mooi weer."

"Wat eenig, wat zal dat prachtig staan, jullie tuin is toch al zoo

mooi met al die boomen en struiken."

"Ja, 't is een heerlijke tuin, voor een stadstuin. Je komt dus hè?"

"Als 'k mag. Ga je om twaalf uur even mee om het te vragen?"

"Goed," en de twee vriendinnetjes stapten de school binnen, beiden

vervuld van de pret, die hun vanavond te wachten stond.

Toch was Wies niet zoo heel zeker van de toestemming van haar moeder.

Een paar dagen geleden was deze naar de directrice der school geweest,

om eens naar haar te informeeren, en hetgeen ze daar gehoord had,

was niet zoo heel gunstig geweest. Het waren de oude klachten, ze kon

wel, maar lette niet op en dwaalde veel te veel af. Het stond zelfs

maar zóó zóó, of ze over zou kunnen gaan, dat zou nog van de laatste

zes weken afhangen. De juffrouw had er ook over geklaagd, dat ze hare

lessen niet altijd kende, en Moeder was allesbehalve tevreden thuis

gekomen. Ze vond dus dat hare kansen, om vanavond te mogen gaan,

niet zoo heel goed stonden.

Om twaalf uur holden de meisjes naar huis.

"Is Moeder in de huiskamer?" vroeg Wies aan Betje, die opendeed.

"Ja, Mevrouw zorgt voor de koffietafel, geloof ik."

Nog voor ze uitgesproken had, was Wies haar al voorbij gedrongen,

gevolgd door Lottie.

Ze duwde de deur der huiskamer open en stormde op haar moeder af.

"Moes, mag ik vanavond naar Lottie gaan, haar broer is jarig en nu

is er een feest, de tuin wordt geïllumineerd, het zal eenig zijn."

"Ze mag hè, mevrouw, toe zeg u maar gauw ja."

Mevrouw Schotter legde brood en mes neer en keek van het eene meisje

naar het andere.

"Dag meisjes," zei ze kalm. "Wil je even de deur achter je toedoen,

Wies. Zoo, ik dacht, dat de wind plotseling opgestoken was, zoo

vloog die deur open. Kwam je vragen Lottie, of Wies vanavond bij je

mocht komen?"

"Ja mevrouw," zei Lottie, nu heel wat bedaarder.

Mevrouw Schotter aarzelde even, gespannen keken de meisjes haar aan.

"Ik mag toch, Moes," drong Wies aan.

"Toe ja, mevrouw," viel Lottie haar bij.

Mevrouw Schotter schudde ontkennend het hoofd.

"Ik geloof niet, dat het gaan zal. Je weet misschien niet, Lottie,

dat ik eergisteren allesbehalve gunstige inlichtingen omtrent Wies

gekregen heb van de directrice van de school, ze klaagde er over,

dat Wies slecht haar lessen kende en altijd onoplettende fouten maakte.

Dus vind ik, dat ze 's avonds haar tijd aan haar werk moet besteden

en niet uit mag gaan."

Lottie keek diep teleurgesteld.

Wat Wies betreft, de tranen stonden haar nader dan het lachen.

"Ze kan vanmiddag werken," opperde Lottie, "we hebben toch onzen

vrijen middag."

"Hè ja, dat kan best," zei Wies, vervuld van nieuwe hoop.

"We hebben niet heel veel te doen," voegde Lottie er nog aarzelend bij.

Wies keek haar eens aan.

Wat jokte die Lot, ze hadden juist veel werk, morgen repetitie van

die vervelende, droge jaartallen, en nog repetitie van Fransche

grammaire. Het trof zoo slecht, dat ze midden in die repetitie zaten.

Mevrouw Schotter dacht even na.

"Nu, weet je wat, ik zal Wies dadelijk na het eten haar lessen

overhooren en als ze die dan heel goed kent, mag ze gaan."

Lottie klapte vroolijk in hare handen.

"Heerlijk, ze kan ze vanmiddag gemakkelijk leeren, ik moet dat

natuurlijk ook."

"Ze moet eerst nog pianostudeeren."

"O, mevrouw, de middag is lang. Dol, dat u het goed vindt. Dag

mevrouw. Tot vanavond Wies."

Bij de voordeur liep ze tegen Henk aan, die juist binnen kwam.

Deze pakte haar lachend beet en tilde haar in de hoogte.

"Dag Lot, lekkere dot," rijmde hij.

Lottie worstelde zich los.

"Wil je dat wel eens laten, brutale jongen," gierde ze, hard

wegloopend.

Nog lachend kwam Henk de kamer binnen.

"Wat moest dat grappige, kleine ding hier?" vroeg hij.

"Grappig klein ding," zei Wies verontwaardigd, "Lot is mijn vriendin

en even oud als ik."

"Is die peuter al veertien, och kom!" en Henk trok een ongeloovig

gezicht.

Zijn zusje vatte vuur.

"Omdat jij zulke onmogelijke ooievaarsbeenen hebt, is een ander in

jouw oogen altijd een dwerg, ze is gewoon een snoes hoor."

"Echt?" spotte Henk, "maar dan toch een dwergachtige snoes, en...."

"Zou jullie niet eens beginnen," viel hun moeder in, "me dunkt,

dat het tijd wordt, je bent laat vandaag, Henk."

"Ja Moes, ik had nog wat af te spreken met een van de jongens en toen

heb ik hem even thuis gebracht."

"Die jongen woonde zeker in de buurt van Ina van Wal, hè?" fluisterde

Wies.

"Hou je mond," mompelde haar broer.

Toen allen genoeg gegeten hadden zei Moeder:

"Weet je wat, Wies, begin nu met pianostudeeren, terwijl ik hier

afwasch met Marietje. Ik ga straks met de kinderen wandelen, als

de kleintjes geslapen hebben, dan kun jij je lessen leeren voor

morgen. Het is beter, dat je studeert, terwijl ik nog thuis ben,"

voegde ze er glimlachend bij.

Wies lachte ook.

Het was waar, als Moeder er niet was om te luisteren, kon ze zoo

heerlijk zitten soezen voor de piano. Maar vandaag zou ze flink

studeeren, dat nam ze zich stellig voor en met goeden moed begon ze

hare vingeroefeningen.

Na tien minuten gespeeld te hebben, merkte ze, dat Moeder met Marietje

de kamer verlaten had en ze dus alleen was.

Ze rekte zich eens uit en gaapte. Hoe vreeselijk saai waren toch die

eentonige oefeningen.

Nu nog die even saaie gamma's. Ze begon, maar hare gedachten waren er

niet bij, ze struikelde dan ook gedurig over hare vingers. Zonde van

den tijd toch, ze had zooveel te doen voor school, ze kwam nooit klaar.

Als Moeder niet thuis geweest was, zou haar grammaire op de piano

gezet en onderwijl wat geleerd hebben, die gamma's gingen toch immers

machinaal, maar nu durfde ze niet.

Ze hadden die afschuwelijke regels van de Participe Passé te herhalen

en ze kende er nog niets van, want ze had ze slecht geleerd. Dat

was juist dien avond geweest, toen ze dat leuke versje gemaakt had,

dat Lot zoo mooi vond.

Ze zat nu rustig met hare handen in haar schoot en probeerde, of ze

dat versje nog zou kunnen opzeggen:

De lente was gekomen,

De bosschen waren groen,

Ik zat heerlijk te droomen,

Op een bankje in 't plantsoen,

Daar kwam een kleine elf,

Uit een der bloemen gekropen,

't Was 't bloemengeestje zelf,

Dat daar kwam aangeslopen.

"Lief meisje," sprak het....

"Louise, Louise, kan ik je dan geen vijf minuten alleen laten, zonder

dat je ophoudt met je oefeningen?"

Verschrikt keerde Wies zich om.

Moeder stond achter haar en keek haar verwijtend aan.

Ze boog dadelijk het hoofd, ze had veel liever, dat Moeder boos keek,

dan zooals ze nu deed.

"Kind," zei deze nog, "als je wist, wat het me een verdriet doet,

dat je zoo weinig vertrouwbaar bent."

Ontsteld keek Wies haar aan.

Weinig vertrouwbaar, was ze dat werkelijk?

"Ben ik niet te vertrouwen?" stotterde ze.

Haar moeder zag, dat hare woorden het meisje hadden doen schrikken.

"Wat noem je het anders," zei ze, niet onvriendelijk, maar ernstig,

"als je me belooft, goed te studeeren en ik geen oogenblik de kamer

uit kan gaan, zonder dat je ophoudt met spelen?"

Wies voelde, dat Moeder gelijk had.

"Maar ik doe het niet expres," zei ze zacht.

"Niet expres, je bent toch een meisje van veertien jaar, je hebt toch

je verstand, wat moet ik er dan van denken, als je zoo handelt. Als

je nog een klein kind was, zou ik zeggen, dat je erg ongehoorzaam was,

maar nu noem ik het onbetrouwbaarheid."

Wies zuchtte diep en begon opnieuw de gamma van g, die ze straks

had afgebroken, om even te probeeren, of ze dat gedichtje nog op

kon zeggen.

Haar moeder bleef nu in de kamer, totdat de tijd van studeeren om was,

en ging toen Betje helpen de kleintjes aan te kleeden, om daarna met

hen en Marietje te gaan wandelen.

Wies stond voor het raam hen na te kijken. Ze wuifde de kinderen toe,

zoolang ze hen zien kon, lekkere ventjes toch die Stan en Janneman.

Toen keerde ze zich met een zucht om en zocht hare boeken bij elkaar,

om aan hare lessen te beginnen.

Wat zou ze eerst doen?

Die jaartallen maar. Hoeveel had ze er te leeren?

Even tellen.

Lieve deugd, dertig, hoe kreeg ze die ooit in haar hoofd. Het was

wel repetitie, maar ze geloofde niet, dat ze er nog veel van wist.

Met haar hoofd op beide handen gesteund, haar geschiedenisboek voor

zich op tafel, begon ze.

1565 Verbond der edelen.

Jawel, dat wist ze, en het volgend, 1566 ook, 1568 wist ze natuurlijk

wel, dat was ook nog Vaderlandsche geschiedenis, maar er stond

meer bij.

"Maria Stuart vlucht naar Engeland en wordt door Elizabeth gevangen

gehouden."

Zoo in-gemeen toch van die Elizabeth, Maria zocht bescherming bij

haar en uit jaloezie hield ze haar gevangen. De juffrouw zei wel,

dat er heel andere redenen bij kwamen, ze was vergeten wat ook weer,

maar zij was er zeker van, dat Elizabeth jaloersch was op haar mooie

nicht. Die Maria Stuart was haar toch altijd zoo sympathiek geweest,

arm koninginnetje, zoo vroeg al weduwe van den Franschen dauphin,

waar ze zooveel van hield en gedwongen het heerlijke Frankrijk te

verlaten, waar ze zich zoo gelukkig gevoeld had.

Hoe was dat mooie gedicht ook weer?

Adieu charmant pays de France,

Que je dois tant chérir,

Berceau de mon heureux enfance

Adieu, te quitter, c'est mourir.

Wat klonk dat toch mooi, charmant pays de France, als de Fransche

juffrouw op school dat opzei, met haar mooie uitspraak, klonk het

zoo echt.

Een lief mensch, de Française, waarvan ze leesles hadden, veel liever

dan juffrouw Faber, die het gramaticale gedeelte behandelen moest,

omdat de andere geen Hollandsch kende.

Juffrouw Faber was zoo ongemakkelijk, zoo precies. Dat zou morgen weer

wat zijn, met de Participe Passé, ze wist er geen woord van en had

al zooveel slechte cijfers voor Fransch bij juffrouw Faber. Niet bij

de Fransche snoes, die was heel tevreden, en zei, dat ze een goede

uitspraak had en gevoel wist te leggen in wat ze las.

Hare gedachten dwaalden zoo langzamerhand heelemaal af van hare

jaartallen en ze zat in diep gepeins voor zich uit te staren, toen

ze de pendule op de schoorsteenmantel hoorde slaan.

Verschrikt kwam ze weer toch zichzelf. Al vier uur, nog maar een goed

uurtje en ze kende nog niets.

Met hare vingers in hare ooren, om toch niet afgeleid te worden,

boog ze zich over haar boek en deed haar best haar aandacht bij

hare jaartallen te bepalen. Aanvankelijk gelukte haar dit en een

half uurtje was ze werkelijk ingespannen bezig. Toen dacht ze wel,

dat zij ze kende.

Met hare armen boven haar hoofd, rekte ze zich eens flink uit, zoodat

de leuning der stoel, waarop ze zat, kraakte.

"Even opstaan, me even bewegen," dacht ze en de daad bij het woord

voegend, duwde ze haar stoel achteruit en begon de kamer rond te

loopen.

Voor het raam viel haar oog op een musschenpaar, dat op het dak van het

tegenoverliggende huis een nestje scheen te bouwen. Een der dakpannen

was kapot en door die opening zag Wies het vogelpaartje in en uitgaan,

druk strootjes en veertjes aandragend.

Hoe snoezig toch, die dotten maakten een warm nestje voor hun

toekomstige kindertjes. Wat was dat mooi, de zorg, die de dieren

instinctmatig hadden voor hun jongen. Wat snoezig zou dat zijn, als in

het nestje eerst eitjes gelegd werden en dan later de jonge vogeltjes

er uitkwamen. Ze zag ze voor zich, met hun kleine, nog kale lijfjes

en groote bekken, gretig opengesperd om het voedsel te ontvangen,

dat hun vadertje en moedertje voor hen aanbrachten. En als dan die

lijfjes langzamerhand met dons bedekt werden en dat dons in veertjes

overging....

Hé, wat was dat?

"Henk, wat doe je me schrikken, ik wist niet, dat je binnen gekomen

was."

"Was je weer in hooger spheren? Zeker al klaar met je werk?"

"Klaar?"

Zijn zusje keek hem afgetrokken aan.

Henk lachte vroolijk.

"Wat zie je er snugger uit. Weet je wel, dat het al bij vijven is."

"Bij vijven? Och neen! Ik ken nog geen woord van mijn grammaire,"

en Wies nam, rood van schrik, haar boek op en begon ijverig de regels

te lezen en te herhalen, die ze voor morgen kennen moest.

"Daar komt Moeder aan," zei Henk en liep naar de voordeur om open

te doen.

Toen ze een half uur later aan tafel zat, was Wies zich bewust,

dat ze hare lessen voor morgen niet kende.

Ze was stiller dan anders en trachtte brokstukken van de grammaire

in haar gedachte op te zeggen, maar telkens bleef ze steken.

Hoe moest dat straks gaan, als Moeder haar overhooren zou.

Ze zou er niets van terechtbrengen en dan zou ze niet mogen gaan

vanavond.

Maar neen, dat kon toch niet, ze had zich zóó op dat feestje verheugd.

Ze had zich toch zoo vast voorgenomen, hare lessen vanmiddag goed te

leeren, ze had toch ook niets anders gedaan, alleen maar even aan iets

anders gedacht, dat kon ze toch niet helpen. Ze wou, dat ze nog in

den tijd van de feeën leefde en dat er een was, die haar beschermen

wilde en haar straks alles heel zacht influisterde, zoodat ze het

maar te herhalen had.

"Heb je hoofdpijn, Wies?" vroeg haar moeder, "je bent zoo stil."

"Welneen," antwoordde Henk voor haar, "ze is alleen maar weer in het

rijk der feeën. Ze droomt van een goede fee, die haar al het werk

uit de hand neemt, zoodat ze zelf niets behoeft te doen, dan op een

stoel te zitten slapen."

Wies kreeg een kleur van verlegenheid. Hoe kon die Henk nu zoo precies

raden, waar ze aan dacht.

Haar moeder keek haar aan en begon te lachen.

"Neen Henk, voor zoo dwaas houd ik Wies gelukkig niet," zei ze,

"je zoudt haar wel voor half gek willen verslijten."

"Is ze ook," beaamde Henk.

Zijn moeder keek ontevreden.

"Zulke dingen mag je niet zeggen, ik weet wel, dat je er niets van

meent, maar het klinkt naar."

Zich toen tot Wies wendend:

"Goed gewerkt vanmiddag? We zijn toch klaar, dus moesten we nu maar

opstaan, dan kan ik je even overhooren. Daarna kun je je dan wat

gaan opknappen."

Met een kloppend hart volgde Wies haar moeder naar de voorkamer

en reikte haar het geschiedenisboek over, om zich de jaartallen te

laten overhooren.

De eerste tien gingen vlot en met een tevreden knikje ging haar moeder

door. Maar van toen af begon ze te haperen, raakte in de war en van

de laatste zes kende ze er geen een.

Haar moeders gezicht was hoe langer hoe ernstiger geworden.

"Noem je dat je les kennen?" vroeg ze.

Wies schudde van neen.

"Ik ook niet, dus zijn we het eens. Wat nu nog?"

Aarzelend reikte Wies haar grammaireboek aan.

"Het Participe Passé? Goed, begin maar."

Met den moed der wanhoop ving Wies aan, maar al heel gauw kon ze niet

verder, stotterde en hield eindelijk heelemaal op.

Haar moeder trachtte haar door een paar vragen op den rechten weg

terug te brengen, maar het hielp niet, ze wist er niet veel meer van.

Met een ontmoedigd gebaar sloot haar moeder eindelijk het boek. Men

kon haar aanzien, dat het haar speet, dat ze nu genoodzaakt was,

Wies niet naar het feestje te laten gaan.

"Het spijt me, Wies, maar ik moet je natuurlijk thuishouden van

avond. Wat heb je vanmiddag uitgevoerd, in plaats van te werken?"

Louise's oogen vulden zich met tranen. Met bevende lippen verklaarde

ze, niets anders gedaan te hebben, dan hare lessen geleerd.

"Dat is onmogelijk. Als je niet met iets anders bezig bent geweest,

heb je zeker geslapen. In ieder geval, het resultaat is, dat je je

lessen niet kent en ze dus over moet leeren."

"Mag ik dat morgenochtend niet doen?"

"Natuurlijk niet."

"Moet ik heusch thuis blijven van avond?"

Wies Ongeluk · 第 2 / 13 段