WIES ONGELUK
DOOR FELICIE JEHU
GEÏLLUSTREERD DOOR
NELLY SPOOR
TWEEDE DRUK
ALKMAAR--GEBR. KLUITMAN
INHOUD.
Hoofdst. Bladz.
I. Vaders vertrek 7
II. Het portret 17
III. De storm 30
IV. Noodlot of eigen schuld? 45
V. De Wraak 60
VI. Valsche schaamte 76
VII. Henks geheim 89
VIII. Overgaan of blijven zitten? 101
IX. Naar Grootvader en Grootmoeder 114
X. Zoo'n zwak willetje! 128
XI. Het sprookje 142
XII. De harde levensles 158
XIII. De thuiskomst 177
XIV. Worstelen en overwinnen 193
XV. Drama met apothéose 205
XVI. "Leve ons Wiesje, de heldin!" 222
EERSTE HOOFDSTUK.
VADERS VERTREK.
De klok had juist zeven geslagen, toen Louise Schotter hare oogen
opende, om ze dadelijk weer te sluiten voor het felle zonlicht,
dat door het geopende raam haar in het gezicht scheen.
Met een ruk keerde ze zich om, zoodat ze met haar rug naar het storend
licht kwam te liggen. Maar het hielp haar niet, de morgenzon wierp
hare stralen op den muur en belichtte het behang zoo scherp, dat het
haar door hare gesloten oogleden heen hinderde.
"Hoe vervelend toch, dat Moeder 's avonds dat gordijn zoo hoog optrekt,
op die manier kun je nooit eens lekker uitslapen," bromde ze, zich
weer omgooiend, om met half gesloten oogen naar het klokje te kijken,
hoe vroeg het nog wel was.
Al over zevenen?
Dan moest ze eigenlijk opstaan, maar ze had er nog zoo weinig lust in,
ze was nog half dood van den slaap.
Een oogenblikje nog, een kwartiertje kon ze zich nog wel gunnen en
weer keerde ze haar gezicht naar den muur, om nog even in te dommelen.
Een poosje lag ze zoo te soezen, maar langzamerhand scheen haar
slaperigheid te wijken en werd haar hoofd helderder. Ze lag nu met
open oogen te staren en hare gedachten waren blijkbaar niet van de
aangenaamste, ten minste, hare lippen begonnen eensklaps te beven,
terwijl hare oogen zich met tranen vulden. Het was tot haar bewustzijn
doorgedrongen, dat het de morgen was van den dag, waartegen ze al zoo
lang had opgezien, den vreeselijken dag van Vaders vertrek naar Indië.
Vijf jaar was hij in het land geweest, dat was heel lang voor een
zeeofficier en Moes zei, dat ze daar dankbaar voor moesten zijn,
maar die waren nu om en Vader moest vandaag weg, weg voor vele jaren.
Ze schreide nu zachtjes in haar kussen.
Hoe moest dat toch gaan, hoe zou ze het zonder Vader kunnen
stellen. Vadertje was de eenige in huis, die haar een beetje begreep.
O neen, dat was waar ook, dat mocht ze niet zeggen. Vader had haar
hartelijk uitgelachen, toen ze dat eens beweerd had en ze had hem
moeten beloven, niet zulke dwaze dingen te denken, ze was heusch
geen raadselachtig wezentje, maar een heel gewoon meisje en als ze
dacht niet begrepen te worden, dan was de oorzaak daarvan alleen
daarin te vinden, dat ze zich graag een beetje anders dacht, dan ze
eigenlijk was.
Ze zuchtte.
Ze dacht heusch niets bizonders van zich zelf, maar dat hare goede
bedoelingen niet begrepen werden, dat was zoo.
Vooral Moes kon haar soms zoo echt miskennen.
Ze kon het toch niet helpen, dat de dingen dikwijls zoo heel anders
uitkwamen, dan ze verwacht had en dat het soms onmogelijk was, hare
goede voornemens uit te voeren, dat nam toch niet weg, dat ze het
goed bedoeld had.
Moeder lette alleen op hetgeen ze werkelijk tot stand bracht. Moes
was wel vreeselijk prozaïsch en praktisch, dat zou toch ieder moeten
bekennen. Wat had ze bijvoorbeeld niet gebromd, toen Vader haar, op
haar dringend verlangen, die mooie plaat van Bodenhausen, Märchen,
als afscheidscadeau gegeven had.
En ze was er zóó blij mee geweest!
Zich oprichtend, keek ze met verrukte oogen naar de plaat, die in
een mooi, eenvoudig lijstje, op een gunstig belicht plekje aan den
muur hing.
Haar lieve Märchen, met de donkere sprookjesoogen, starend in het
raadselachtig land van haar verbeelding, luisterend naar het wuiven
van het riet, waartusschen ze zat.
Was het niet prachtig?
Men zag als 't ware de rietpluimen bewegen, met een beetje
verbeeldingskracht hoorde men ze zelfs.
En dan die uil op den voorgrond.
Kwam hij niet naar je toegevlogen op zijn krachtige vleugels, zou je
niet eens even willen blazen in het dons van zijn lijfje?
En op den achtergrond die lichtstreep, waarboven die donkere
wolken. Hè, dat alles gaf je zoo'n heerlijk, geheimzinnig gevoel,
straks zou dat kleine mondje gaan vertellen van elfen en kabouters,
van feeën, die alles terecht brachten, wat men bij ongeluk verknoeid
had, van ridders in zilveren harnassen en van nixen, die uit het
donkere water opstegen.
Zalig toch, dat alles!
En Louise liet zich weer neerzakken in de zachte kussens en trok de
dekens wat hooger op.
Stel je voor, Moes noemde het verrukkelijke Märchen, die juffrouw
met haar verschrikte oogen en had aan Vader gevraagd, of hij Wies nog
niet overdreven genoeg vond, dat hij zoo'n malle plaat gegeven had,
om op haar kamertje te hangen.
Een oogenblik was ze bang geweest, dat ze haar weer afgepakt zou
worden, maar gelukkig had Vader geantwoord, dat hij er geen kwaad in
zag en haar iets had willen geven, dat ze graag hebben wilde.
Ja, Vadertje begreep haar toch beter dan Moes en nu ging hij vandaag
weg, ver weg, ze kon zich dat eigenlijk niet goed voorstellen.
Daar werd de deur geopend en een omstreeks twaalfjarig meisje kwam
binnen, reeds geheel gekleed, het haar netjes in twee vlechten
gevlochten.
"Wat, nog in bed?" riep het verontwaardigd, ziende dat Louise nog
rustig onder de dekens lag.
Een beetje verschrokken en ook wat schuldbewust keek deze op het
klokje.
"Al acht uur?" vroeg ze benauwd. "Hoe is het mogelijk."
Haar zusje knikte ernstig met het hoofd.
"Al acht uur en juffrouw luilak nog in bed en dat nog wel, nu je voor
het laatst met Vader zou kunnen ontbijten. Ik kwam je juist zeggen,
dat je voort moest maken, want dat Vader al vóór half negen uit moet,
om nog iemand goedendag te zeggen, dien hij gisteren niet thuis
gevonden heeft. Maar jij zult wel klaar komen, nou!"
Haastig was Louise uit bed gesprongen.
"Moet Vader zoo vroeg al uit? Lieve help, hoe kom ik klaar," riep ze,
worstelend met een kous, waarvan de voet verdraaid zat, zoodat ze er
niet met hare teenen in kon.
Met een minachtend trekje op haar gezicht, nam Marietje de kous uit
hare handen en begon haar om te keeren.
"Hier, trek aan," zei ze toen, "als je de kousen gisterenavond
behoorlijk uitgehaald hadt, zou je er nu zoo'n last niet mee hebben."
Wies was op het punt iets scherps te antwoorden, dat vervelende schaap
met haar eeuwige lesjes, maar ze hield zich in, ze had nu geen tijd
om te kibbelen, och, och, hoe kwam ze nog bijtijds beneden, om met
Vader te kunnen ontbijten, dezen laatsten ochtend.
Marietje zei, dat ze ging, ze dacht wel, dat Vader al in de huiskamer
zou zijn, en ze wilde dat laatste ontbijt met hem samen niet graag
missen.--Wies raakte hoe langer hoe meer in de war, nu kon ze weer
den veter niet door de gaatjes van haar laars krijgen, dat die malies
er ook dadelijk afvlogen.
"Ga maar," snauwde ze, "door je gezeur kan ik nog minder voortmaken."
"Zeg dat ik dadelijk kom," riep ze nog, toen haar zusje de deur al
achter zich dicht had.
Toen ze een twintig minuten later beneden kwam, na een haastig toilet,
waarbij ze voor één keertje hare tanden maar niet gepoetst had en
hare nagels duidelijk de sporen droegen van met geen nagelborstel in
aanraking te zijn geweest, was haar vader al weg, hij had niet langer
kunnen wachten, bang dengeen, dien hij spreken wilde, niet meer thuis
te treffen.
Met tranen in hare oogen ging Louise aan de ontbijttafel zitten. Nu
zag ze Vader niet meer voor aan de koffie en om twee uur vertrok
hij voor goed. Moes zou hem naar het Nieuwediep brengen, vanwaar hij
morgenochtend vroeg uitvaren moest.
"Had Vader nog niet even kunnen wachten?" vroeg ze, hare tranen
inslikkend.
"Je was de eenige van de kinderen, die niet bijtijds beneden was
vanochtend," antwoordde hare moeder.
Toen de rouwrandjes ziende, die de vingers van haar dochtertje
ontsierden, voegde ze er bij:
"Maak wat voort met ontbijten en ga dan nog even je nagels
schoonmaken. Dat je je niet schaamt, om zóó naar school te willen gaan,
zoo'n groot meisje."
Wies slikte haastig haar boterham door en keek tersluiks naar de
gewraakte vingertoppen. Ze had nogal tijd gehad, om hare nagels te
poetsen. Ze had zich zóó gehaast en nu nog voor niets.
"Ben je klaar, kind," klonk weer Moeders stem, "treuzel niet te veel
boven, anders kom je nog te laat op school ook."
Gedwee stond Louise op en ging naar haar kamertje. Ze had te veel
verdriet om tegen te pruttelen, iets, waar ze anders nog al van
hield. Slechts één ding hield haar gedachte bezig, hoe de ochtend
ooit om zou komen en hoe ze nu al vreeselijk naar twaalf uur verlangde.
Op school was haar geest erg afwezig en lette ze heel weinig op,
maar de juffrouw wist, dat haar vader dien dag vertrekken zou en zag
dus maar wat door de vingers.
Aan de koffietafel vond ze het geheele gezin al bijeen. De kleintjes,
Stan en Jantje, zaten ieder op een van hun vaders knieën en waren
uitgelaten van plezier. Vader zelf was vol gekheid en Moes keek ook
vroolijk, maar Wies vond toch, dat ze er vreemd uitzag, haar gezicht
stond niet natuurlijk, dacht ze.
Henk, haar zestienjarige broer, ging blijkbaar op de scherts van
Vader in, maar deed wel erg druk.
Alleen Marietje zag er net uit als altijd, haar ernstig gezichtje
had dezelfde uitdrukking van alle dagen, terwijl ze zich beijverde
de kopjes van Moes aan te nemen en uit te deelen.
Haar vader deed zijn best, zijn oudste dochtertje uit haar sombere
stemming te halen, door ook tegen haar een paar grapjes te zeggen,
maar ze beantwoordde die enkel met een benepen lachje en zat stil voor
zich uit te staren, gaf een knorrig antwoord, toen Henk haar iets
vroeg en snauwde tegen Jantje, die een afgeknabbeld broodkorstje op
haar bord gooide.
Haar moeder schudde bedenkelijk het hoofd.
"Wil je wel gelooven," zei ze tegen haar man, "dat ik met een bezorgd
hart voor een dag wegga. Ze is vandaag in een humeur! Dat is nu mijn
oudste dochter en wat heb ik voor steun aan haar?"
"Ik zal wel op de kleintjes letten," verzekerde Marietje.
"Bemoei jij je met je eigen zaken," viel Wies uit.
"Nu nog kibbelen?" vroeg haar vader zacht.
Wies sloeg hare oogen op en keek hem een oogenblik aan.
Toen vloog ze op en zich op de divan neergooiend, barstte ze in
tranen uit.
Haar vader liet haar uithuilen, terwijl hij zijn maal eindigde en ging
toen naar haar toe. Zijn hand op haar arm leggend, vroeg hij haar, even
met hem mee te willen gaan, hij zou graag nog eens met haar spreken.
Louise richtte zich langzaam op en met zijn arm om haar schouder
voerde hij haar mee naar zijn kamer, die al getuige was geweest van
zoo menig gesprek tusschen vader en dochter.
Hij trok haar naar het raam en zijn hand onder haar kin leggend,
keek hij haar in de beschreide oogen.
"Wiesje, Wiesje," zei hij, "wat een vreemde manier om me je liefde
en verdriet te toonen."
Eerst keek ook Wies hem in de oogen, maar al spoedig werd haar blik
verduisterd door tranen en haar arm om zijn hals slaande, begon ze
opnieuw hevig te schreien.
Haar vader liet haar nog even begaan en zei toen op opgewekten toon:
"Ziezoo, beste meid, dat zal je goed gedaan hebben, nu moet eens naar
me luisteren. Kom hier eens gezellig bij me zitten. Je moet niet
denken, dat ik je erg onaardig vind, omdat je een beetje kribbig
was daar straks, ik begrijp wel, waaruit dat voortkomt. Maar dat
het prettiger geweest was, als je je ook goed hadt kunnen houden,
dat begrijp je zelf ook wel, nietwaar?"
"Ik had me voorgenomen, me goed te houden," fluisterde het meisje.
"Jawel, dat geloof ik ook wel, aan goede voornemens ontbreekt het je
nooit, maar...."
"Ik volvoer ze niet, wil u zeggen, maar heusch, het is ook zoo
vreeselijk moeielijk. Ik wil zoo dolgraag lief zijn, goed voor
iedereen, zoodat ze allemaal veel van me houden, en knap en netjes
en nog zooveel meer. Ik neem het me echt telkens opnieuw voor, maar
er gebeurt altijd iets, dat alles in de war stuurt. Dat kan ik toch
niet helpen."
"Niet?"
Louise kreeg een kleur, haar vaders oogen zochten de hare, terwijl
hij wachtte op een antwoord.
"Neen," zei ze aarzelend, haar blik afwendend, "tenminste..."
"Tenminste, ik gooi heel graag de schuld op menschen en
omstandigheden," vulde haar vader aan met een goedigen lach.
"Hoor eens, beste meid," vervolgde hij, "ik zal je een raad geven. Neem
je eens wat minder voor en tracht eens vol te houden. Je zult zien,
dat het dan beter zal gaan. Ik weet, dat je een goed hartje hebt en
graag je best wilt doen, maar je begrijpt toch zelf wel, dat voor je
omgeving goede voornemens, die niet uitgevoerd worden of mislukken,
niet heel veel waarde hebben. Beloof je me, nog eens aan mijn woorden
te denken, als ik ver van je af zal zijn?"
Wies knikte flauwtjes.
Ze had maar werk niet opnieuw in tranen uit te barsten.
"En beloof je me ook, lief voor Moeder te zijn en altijd naar haar
te luisteren?"
"Ik zal mijn best doen," klonk het nauw hoorbaar.
Haar vader trok haar naar zich toe en gaf haar een zoen.
"Dat is alles, wat ik vraag," zei hij, opstaande.
"En houd je nu goed vandaag, beste, op jou, als oudste zusje, rust
de plicht dezen dag voor de andere kinderen niet al te verdrietig
te maken. We moeten ons schikken, in wat onvermijdelijk is,
nietwaar? Laten we nu naar binnen gaan, we hebben nog een goed half
uur om allen bij elkaar te zijn."
Dat half uur verliep eenigszins vreemd. Wies kreeg telkens een pijnlijk
gevoel, als ze aan dat half uur dacht. Niemand had veel gezegd en
toch waren ze zich allen bewust dat, als ze nog wat tegen Vader
zeggen wilden, ze dat nu moesten doen, over een half uur zou het te
laat zijn. De drukte, aan het oogenblik van vertrek voorafgaande, gaf
eigenlijk een gevoel van verlichting, een verbreking van de spanning,
die over allen lag. Toen nog een paar hartelijke omhelzingen, een
gewuif tegen het wegrollende rijtuig en daarna.... een groote stilte.
De kleintjes zaten nog met hun neusjes platgedrukt tegen de
vensterruiten en de drie andere kinderen keken elkander wat versuft
aan.
Marietje verbrak het eerst de stilte.
"Laten we nu maar naar school gaan," zei ze, "ik zal Betje roepen,
om naar de jongens te kijken."
Wies schokte op, als uit een droom.
"Naar school?" vroeg ze vaag.
"Ja, natuurlijk," en Marietje raapte een kleedje op, dat in de drukte
van het afscheid op den grond gevallen was.
"Je weet, dat we expres gevraagd hebben, later te mogen komen, omdat
Vader vond, dat het beter voor ons was, hier niet te blijven zitten
treuren, die eerste uren, nadat hij weg was. Maak je dus klaar. Ik
zal Betje zeggen, dat we gaan en dat ze maar wat met de jongens moet
gaan wandelen, het is zulk mooi weer. Dag Henk, ga je? Goed, ik ben
ook klaar. Kom je, Wies?"
Louise deed machinaal, wat van haar verwacht werd.
Ze had trouwens den heelen verderen dag een gevoel, alsof ze niet in
de werkelijkheid leefde.
Hoe kon dat nu de werkelijkheid zijn. Moeder niet thuis met het eten,
iets, dat nooit gebeurde en Vader op weg naar het verre land, waar
hij zoovele jaren zou moeten zijn, drie jaren op zijn minst. Als hij
terug kwam, was ze zeventien, of misschien al achttien, dus bijna
een volwassen meisje. Ze zou vreeselijk haar best doen op school, hij
moest een knap dochtertje terugvinden. Ze nam zich zelfs voor, goed
te studeeren voor haar pianoles en die afschuwelijke vingeroefeningen
iederen dag door te spelen.
"Zeg, Marietje," zei ze aan het eind van haar overpeinzingen gekomen,
"we moeten heel goed ons best doen, zoodat we erg knap zijn, als
Vader terug komt."
Marietje zette voorzichtig het theekopje neer, dat ze juist afgedroogd
had.
"Natuurlijk, dat spreekt immers vanzelf," zei ze kalm.
TWEEDE HOOFDSTUK.
HET PORTRET.
Louise was voor haar doen werkelijk vroeg opgestaan, ze had maar
vijf minuutjes liggen soezen en het was nog geen half acht, toen ze
in haar haast, om nu eens vlug naar beneden te komen, de waschtafel
overstroomde, bij het inschenken van het water in haar kom. Verschrikt
sprong ze achteruit, de lampetkan nog in haar hand, waardoor een
nieuwe gulp water op den grond terecht kwam.
"Hoe vervelend nu weer," zuchtte ze, met haar handdoek de plassen
opbettend, waardoor deze natuurlijk door en door nat werd en niet
heel geschikt meer was tot afdrogen. Je kondt hem wringen en nog
was alles lang niet opgenomen. De tweede handdoek moest er dus ook
aan gelooven en toen ze beide druipnat op het rekje hingen, schoot
het haar door het hoofd, dat ze haar spons had kunnen gebruiken,
dan had ze de handdoeken droog kunnen laten.
Ze waschte zich en droogde haar gezicht en hals af met een schoonen
zakdoek. Daarna handen en armen, waarvoor een tweede zakdoek dienst
moest doen.
Toen kwam ze tot de ontdekking, dat ze met haar voet, waaraan geen
pantoffel--die had ze zoo gauw niet kunnen vinden--in het water
gestaan had, zoodat ze noodzakelijk andere kousen moest aandoen.
Hè, ze had weer een gevoel, of ze nooit klaar zou komen.
Maar aan alles komt een eind en zoo ook aan Louise's toilet dien
morgen.
Haar bed zou ze maar laten, zooals het was, Moes was er wel op gesteld,
dat ze het zelf afhaalde, voor ze naar beneden ging, maar Moes was
niet thuis, die was nu bij Vader in 't Nieuwediep.
Arme Moes, het was toch wel vreeselijk voor haar, zoo alleen
achter te blijven, dat zien wegvaren van de boot was toch eigenlijk
afschuwelijk! Moes kwam vanmiddag tegen etenstijd weer thuis, ze zou
dan erg lief voor haar zijn, want ze zou wel heel bedroefd wezen.
Wies, die juist op het punt was geweest, haar kamer te verlaten,
stond in gepeins voor zich uit te staren.
Ze had Vader beloofd, haar best te doen, heel lief voor Moeder te
zijn en goed naar haar te luisteren. Dat zou ze ook zeker doen, ze
moest iets bedenken, waarmee ze haar plezier kon doen, een verrassing,
als ze thuiskwam.
Wacht, ze wist wat, ze zou het groote portret van Vader in de huiskamer
met bloemen versieren, er een mooien krans om heen maken. Had ze nog
geld genoeg om bloemen te koopen?
Even kijken, ja, ze had in den laatsten tijd nog al eens een extraatje
van Vader gekregen, het zou wel gaan.
Wat was dat, sloeg het daar geen half negen?
Met een kleur van schrik vloog Wies naar beneden, ze had Moeder beloofd
op het ontbijt van de kinderen te zullen letten, waar bleef de tijd,
ze was toch erg vroeg op geweest.
In de huiskamer vond ze alleen Stan en Jantje, samen bezig een
prentenboek te bekijken, terwijl Betje hen om beurten een lepel
havermout in de mondjes duwde.
"U mag wel een beetje voortmaken," zei deze, "'t is al over half
negen."
"Waar zijn Henk en Marietje?" vroeg Wies.
"Al lang weg, de jongeheer heeft een briefje op uw bord gelegd."
Wat lachte die Bet valsch, zeker een hatelijkheid van Henk.
Ze nam het briefje op, vouwde het open en las het met quasi
onverschillig gezicht.
Toen verscheurde ze het in kleine stukjes,
Akelige jongen, dat sarkastische van hem kon ze niet uitstaan. Had
hij gewoon gezegd, dat hij het niet aardig vond, dat ze zoo laat was,
maar zoo'n hatelijk briefje.
Wat stond er ook weer?
"Lieve Wies, hartelijk dank voor je goede zorgen, nu Moeder er niet
is. Marietje en ik hebben nog nooit zoo gezellig ontbeten,
je dankbare Henk.
Ze zuchtte diep.
Dat was weer echt iets voor haar.
Ze was expres dadelijk rechtop in bed gaan zitten, met haar gezicht
naar het licht gekeerd, om toch maar gauw goed wakker te worden en
nu was er weer van alles gebeurd, waardoor ze opgehouden was.
"Mot u niet naar school vandaag?" klonk de stem van Bet, die dadelijk
daarop in een verontwaardigd gebrom overging, omdat Janneman een
duw had gegeven tegen zijn lepel pap, waardoor de inhoud op zijn
prentenboek was terecht gekomen.
Ze kleedde zich haastig aan, kuste de kinderen, die haar vastgrepen
en voor de grap niet los wilden laten, vergat een boek, waardoor ze
weer terug moest, toen ze al een paar huizen ver was en--kwam te laat
op school.
"Mag ik nog binnenkomen?" vroeg ze benepen aan de juffrouw, die bezig
was met de les.
Deze keek op haar horloge.
"Jawel, maar je bent tien minuten te laat, dus blijf je om twaalf
uur dertig minuten school."
Met een boos gezicht nam Louise haar plaats in de klasse in.
Dat was weer wat moois, nu was ze op koffietijd ook niet thuis en dan
had ze nog bloemen willen koopen, om Vaders portret te versieren. Maar
misschien was het beter, dat ze dat om vier uur deed. Moeder kwam
eerst tegen zes uur thuis, dat kon dus best, dan waren de bloemen
ook frisscher, ja zeker, dat was veel beter.
"Ben je nog niet goed wakker, Louise?" hoorde ze eensklaps, "dat
komt van dat lange slapen, daar blijf je den heelen dag van onder
den indruk. Maar ik zou je toch aanraden, nu op te letten."
Met een kleur zette Wies zich schrap. Ja, ze moest nu opletten, anders
kreeg ze nog strafwerk ook en vanavond wilde ze niet te veel te doen
hebben, ze moest dan tijd hebben, om Moes wat gezelschap te houden,
die zou behoefte hebben aan wat afleiding.
Daar zat ze alweer in gedachten, ze voelde de oogen van de juffrouw
op zich gericht en met groote inspanning dwong ze zich bij de les te
blijven. Ze slaagde er werkelijk in, niet te veel af te dwalen en toen
ze na afloop van de les de juffrouw naliep en haar vroeg, of ze voor
dezen keer niet behoefde te blijven, omdat Moeder niet thuis was en
ze op de kinderen moest letten bij het koffiedrinken, begon deze te
lachen en haar over het hoofd strijkend, zei ze, dat ze dan voor dezen
keer maar eens genade voor recht zou laten gelden. Ze had vanochtend
zeker ook voor de kinderen moeten zorgen en was daardoor te laat
gekomen. Had ze dat maar ineens gezegd, dan had ze geen standje gehad.
Wies kleurde weer hevig en aarzelde. Zou ze vertellen, hoe ze juist
niet voor hen gezorgd had?
Dat zou wel eerlijk zijn, maar ... ze had er den moed niet toe,
de juffrouw moest haar dan maar voor beter houden, dan ze was.
Toen de school uit was, liep ze zóó hard naar huis, dat ze er nog voor
de anderen was en Henk haar lachend vroeg, of ze maar niet naar school
was geweest. Ze was nu in een best humeur en plaagde vroolijk terug,
ze was opgewonden door de gedachte aan haar plannetje met het portret.
Zou ze het Henk en Marietje vertellen?
Neen, ze zou er maar niet vooruit over spreken, het was leuker, als
het voor hen ook een verrassing was. Ze kon het natuurlijk niet in
het geheim doen, want het portret hing in de huiskamer, maar vooruit
zou ze er toch niets van vertellen, dan wilden ze misschien meedoen
en ze zou zoo graag dit nu eens alleen voor Moeder doen, ze had het
ook zelf verzonnen.
Dien middag na schooltijd haastte ze zich naar den bloemist, en
besteedde al haar zakgeld aan bloemen.
Het viel haar niet mee, dat ze zoo duur waren, maar de bloemist
verzekerde haar, dat juist het voorjaar zoo'n dure tijd was. Het
moest alles nog uit het zuiden of uit de kas komen, van den kouden
grond had hij nog zoo goed als niets.
Enfin, dan maar een beetje minder nemen, dan ze gedacht had, ze
wilde bloemen hebben om Moeder te verrassen en had ze, dat was het
voornaamste.
Thuis gekomen legde ze haar schat voorzichtig op de tafel en ging even
haar goed af doen. De kleintjes waren zeker nog uit en Henk en Marietje
nog niet uit school. Ze wilde maar, dat ze nog een poosje wegbleven,
ze zou het heerlijk vinden, als ze klaar was, voor ze thuiskwamen. Ze
spoedde zich weer naar de huiskamer, waar ze juist bij tijds kwam,
om Stan en Jantje te beletten, hare bloemen te vernielen. Ze hadden
zich al ieder van een tak meester gemaakt en liepen nu triomfant
achter elkander de kamer rond, kleine Jan iedere beweging van zijn
broertje namakend.
Hoewel bang voor hare bloemen, liet Wies ze toch een oogenblik begaan,
ze zagen er zoo snoezig uit in hun donkerblauwe truitjes, met hun
blonde krullebollen en roode wangetjes.
"Ziezoo, jongens, nu is het mooi geweest, geef ze me nu terug."
Maar dat was niet naar den zin van haar broertjes.
Stan drukte zijn tak seringen stevig tegen zich aan, zoodat de paarse
bloempjes over den grond gestrooid werden en verklaarde:
"Neen, we geven ze niet terug."
Jantje volgde zijn voorbeeld en zijn tak witte seringen aan zijn
hartje drukkend, zei hij beslist:
"Neen, dat doen we niet, hoor."
Wies werd er zenuwachtig van.
Haar mooie bloemen, waarvoor ze zooveel betaald had.
"Geef ze dadelijk hier, dadelijk," zei ze driftig, Stan bij een arm
grijpend, terwijl ze trachtte hem de seringen af te nemen.
Ze scheen hem wat heel stevig te hebben beetgepakt, tenminste, hij
zette het op een schreeuwen en den tak woest van zich afgooiend,
riep hij: "Betje, Bet!"
Jantje zette nu ook een keel op, ofschoon hij met geen vinger was
aangeraakt en schreeuwde mee: "Betje, Bet!"
Verschrikt kwam het meisje aanloopen, wat was er gebeurd?
Ze vond de kinderen nog steeds huilend en Wies, die met een boos
gezicht de gehavende bloemtakken bekeek.
Zoodra de jongens Betje zagen, vlogen ze op haar af en klemden zich
aan haar vast.
"Wat is er, kinders, wie heeft jullie wat gedaan?"
"Wies heeft ons geknepen," snikte Stan.
"Wies heeft ons geknepen, hoor," herhaalde onder dikke tranen Jantje.
"Dat u zich niet schaamt, zulke kleine schapen te knijpen," en met
een verontwaardigd gezicht knielde ze tusschen de kinderen in en
trachtte hen te sussen.
Wies, toch al driftig om het gebeurde met de bloemen, viel uit:
"Zeg, zorg jij liever, dat zulke kleine kinderen niet alleen in de
kamer zijn. Waarom was je niet bij hen? Zeker weer aan het babbelen
met Ant."
Betje's gezicht werd rood van kwaadheid.
"Wel ja, nou nog een mond ook tegen mijn! Dat zul je altijd zien,
zelf niks uitvoeren en alles aan mijn overlaten en dan snauwen,
maar ik dank je...."
Het verdere ging in gebrom verloren, want Betje had met de twee
jongetjes de kamer verlaten.
Met een zucht van verlichting liep Wies naar de kamerdeur, om die
dicht te doen. Ze zou den sleutel maar omdraaien, dan kon er niemand
in om haar te hinderen, het was hoog tijd, dat ze begon.
Het portret hing wat hoog, maar als ze er met een stoel bij klom,
zou het wel gaan.
Maar wacht, ze zou eerst den krans vlechten en hem dan rond het
portret hangen.
De seringen waren niet mooi meer, de trossen waren geknakt, maar dat
was niet erg, ze kon ze toch ook moeielijk in hun geheel in een krans
gebruiken, ze zou ze stuk knippen, er kleine takjes van maken.
Met ijver ging ze aan het werk en daar ze smaak had en niet onhandig
was, als ze iets doen kon, wat ze graag deed, was er al spoedig een
aardig kransje gereed.
Met verrukte oogen keek ze er naar, hoe mooi zou dat staan, als ze
hem om het portret gehangen had.
Bons, bons op de deur.
"Zeg, mankeer je het, waarom sluit je je op?"
Dat was Henk's stem.
Zenuwachtig stond Wies op, waren ze toch nog maar even weggebleven,
dan hadden ze de verrassing ineens in volle glorie kunnen zien.
"Toe, wacht nog even, ik zal je dadelijk inlaten."
"Waarom doe je niet open? Wat voer je uit?"
"Dat zal je zoo meteen wel zien."
Nu kwam Marietjes stem tusschenbeide.
"Maar er moet gedekt worden."
Verschrikt keek Wies op de pendule. Zoo laat al?
"Ja, dat moet dan maar wachten, ik doe niet open," antwoordde ze
zenuwachtig.
Bons, bons, klonk het weer.
Haastig sleepte Louise een stoel tot onder het portret.
"Zeg, breek je de boel af?" riep Henk.
"Je maakt toch niets kapot?" vroeg Marietje.
Daartusschen klonk Bet's stem, die haar schijnbare onaardigheid tegen
de kleintjes vertelde.
Dat gaf een oogenblik rust en Wies haastte zich haar versiering aan
te brengen.
De stoel bleek niet hoog genoeg, vlug zette ze er nog een voetenbankje
op.--Zoo, nu kon ze er bij.
Hè, wat mooi stond dat!
Verrukt stond ze er naar te kijken.
Bons, bons.
Ze schrikte zoo hevig van dat onverwachte geluid, dat ze kantelde,
haar hand uitstrekte en onwillekeurig het portret greep, dat van den
spijker gleed, waaraan het was opgehangen.
Ze verloor nu heelemaal haar evenwicht, rolde met voetenbankje en
al van den stoel en kwam met een smak op den grond terecht. Een
oogenblik zat ze versuft terneer, toen keek ze naar het portret,
dat ze nog altijd in haar hand hield en zag, dat het glas gebarsten
was. De krans lag naast haar en had ook geleden door den val.
De gewaarwording van pijn, die ze eerst gehad had, loste zich op in
een gevoel van wanhoop.
Dat had ze nu voor al haar moeite en kosten, dat was nu het resultaat.
Intusschen was het bonzen op de deur steeds heviger geworden en
echte angst klonk in haar zusjes stem, toen ze smeekte, toch open te
doen. Wat deed ze toch, wat gebeurde er, wat was er omgevallen met
zoo'n smak?
Henk dreigde een smid te halen, om het slot open te breken en Betje
verzekerde, nog nooit zoo iets bijgewoond te hebben en deed intusschen
haar best, de kleintjes te bedaren, die door al het lawaai bang
geworden, hard om Moesje riepen.
Met een pijnlijk gezicht stond Wies op uit haar zittende houding. Au,
wat deed haar been pijn en haar hand had ze ook bezeerd.
Ze strompelde naar den stoel, plaatste het voetenbankje er weer op
en hing niet zonder moeite portret en krans op.
Daarna opende ze eindelijk de deur.
Dadelijk stormden Henk en Marietje naar binnen, spiedend rondkijkend,
wat er gevallen kon zijn, terwijl Betje bromde, dat ze hoopte, nog
bijtijds met dekken klaar te komen.
Henk's oog viel het eerst op het portret.
"O, dat is aardig," riep hij uit, maar toen eensklaps den barst in
het glas ziende: "Was dat glas kapot? Neen toch?"
Marietje, die nu ook de leelijke streep gewaar werd, dwars over Vaders
gezicht, drukte van schrik beide handen tegen haar mond.
"Oooo!" was alles, wat ze zei.
Wies begon te huilen.
"Ik heb Moes willen verrassen, ik heb er al mijn zakgeld voor gegeven."
"Moeder zal zeker heel verrast zijn," zei Henk, op zijn sarkastische
manier. Maar het bedroefde gezichtje van zijn zusje ziende, kwam zijn
goed hart boven.
"Ik zou er maar niet langer om huilen. Ik heb nog wel een kleinigheid
en als Marietje dan ook wat geeft, kunnen we er een nieuw glas op
laten maken. De krans staat heel leuk," voegde hij er goedig bij.
Marietje knikte toestemmend. Ze had intusschen den stoel recht en
het voetenbankje op zijn plaats gezet.
"Hoe is het eigenlijk gekomen?" vroeg ze.
"Ik schrok zoo van jullie bonzen op de deur en toen ben ik gevallen."
"Van den stoel af? Heb je je geen pijn gedaan?"
Wies werd zich hoe langer, hoe meer bewust, dat ze zich wel degelijk
pijn gedaan had.
"Of ik, ik had best een arm of een been kunnen breken."
"Ja," merkte Henk op, "het is eigenlijk een wonder, dat het niet
gebeurd is, dat was net iets voor Wies Ongeluk."
Marietje lachte, maar Wies nam de zaak heel ernstig op.
"Jullie lacht er om, maar zeg nu zelf eens, ben ik niet voor het
ongeluk geboren? Alles loopt altijd mis met me, als ik iets aardigs
wil doen, komt er iets naars van, dat zie je nu weer. Ik had me zóó
verheugd op die verrassing voor Moeder en nu zal ze nog boos zijn om
dat gebroken glas."
Ze had al weer tranen in haar oogen en Henk had oprecht medelijden
met haar.
Hij klopte haar zoo hartelijk op haar schouder, dat een "au" haar
ontsnapte, en verklaarde:
"Daar zijn we het dus over eens, voortaan heet je niet meer Louise
Schotter, maar Wies Ongeluk. Goed?"
Hij trok, dit zeggend, zoo'n komisch gezicht, dat Wies door hare
tranen heen, lachen moest.
Daar mengde zich opeens Betje in het gesprek.
"Waarom jullie nou lachen, dat gaat mijn verstand te boven. Ik vind
het ijselijk griezelig, dat dat glas gebroken is. Jullie Pa op zee,
waar je zoo gemakkelijk verdrinken kunt en dan een ongeluk met zijn
portret, dat is kasueel hoor, ik ben er niet zoo gerust op."
Verbaasd hadden de kinderen naar haar geluisterd.
Toen ze uitgesproken had, lachte Henk hartelijk.
"'t Is kasueel, daar heb je gelijk aan, ouwetje. En op zee verdrink je
gemakkelijker, dan op het land, dat is ook al niet tegen te spreken."
"Spot maar, ik weet, wat ik weet, en ik heb meer beleefd, dan zoo'n
jong ventje, als u is. Mijn moeders zuster der man zijn portret is
ook op een dag gevallen en kort daarop werd ie ziek. Gelukkig was
het glas toen niet gebroken, anders was ie bepaald doodgegaan."
"Dus hij bleef in leven, niettegenstaande zijn portret gevallen
was? Hoe is het mogelijk," lachte Henk.
"Het glas was niet kapot," zei Bet hoogst ernstig.
"Weet je wat mij overkomen is, Bet? Het waterfonteintje van de kooi
van het kanarievogeltje van mijn neef zijn overgrootvaders achterneef
is gebroken en toen is mijn sijsje gestorven. Is dat niet kasueel?"
Bet begon er nu achter te komen, dat de jongen haar voor den gek hield.
"Ik hoop, dat u gelijk zult hebben," zei ze somber, de laatste lepels
en vorken recht leggend en daarna de kamer verlatend.
Henk keek haar lachend na en gaf toen Wies een vroolijk knipoogje.
"Wat een type, hè?" zei hij.
Wies lachte even terug, maar keek dadelijk weer ernstig.
"Ze heeft me bang gemaakt."
"Wat? Laat jij je door zoo'n nonsens bang maken? Maar Wies, dat meen
je toch niet, je bent toch niet zoo bespottelijk bijgeloovig?"
Wies kleurde.
"Neen, ik geloof niet, dat ik bijgeloovig ben, maar ik vind het toch
een akelig idee, dat het portret nu juist vandaag beschadigd is,
en dat ik dat gedaan heb. Je weet, ik ben Wies Ongeluk."
"Dat komt er nu van, Henk, met je gekke gezegdes," viel Marietje in,
"nu zet ze zich dat in haar hoofd, ze verbeeldt zich toch al, dat ze
alles verkeerd moet doen, omdat ze nu eenmaal niet anders kan. Moeder
zal wel dadelijk komen, zoo echt iets voor Moes, om liever niet van
den trein gehaald te worden," voegde ze er bij.
Daar klonk de bel.
"Hoera, daar is ze!" en Henk stormde de gang in, om zijn moeder open
te doen.
DERDE HOOFDSTUK.
DE STORM.
Mevrouw Schotter werd in triomf door de kinderen naar de huiskamer
gebracht.
Ze waren zoo weinig gewoon, dat hun moeder niet thuis was, dat ze een
onveilig gevoel gehad hadden, toen ze een nacht zonder haar hadden
moeten doorbrengen en nu ze weer in hun midden stond, waren ze allen
even blij.
De kleintjes klemden zich aan haar vast en wilden beiden tegelijk
gekust worden, terwijl Henk met zijn lange beenen als een dolleman
om haar heen sprong en Wies zelfs een oogenblik vergat er aan te
denken, wat Moeder wel zeggen zou van haar verrassing en.... van het
gebroken glas.
Marietje bleef het kalmst, maar haar ernstig gezichtje stond heel
tevreden, toen ze te midden van al die drukte Moeders hoed en mantel
aannam en netjes op een stoel legde.
"Of wil ik het goed liever naar boven brengen," vroeg ze, "gaat u
zich nog wat opknappen, of wilt u dadelijk aan tafel?"
"Laten we maar eerst gaan eten, mijn handen kan ik wel aan het
fonteintje wasschen," zei haar moeder, voor den spiegel haar gescheiden
haar gladstrijkend.
Daar viel in den spiegel haar oog op de weerkaatsing van het versierde
portret.
Verrast bleef ze een oogenblik staan kijken.
"Wie heeft dat zoo mooi gedaan?" vroeg ze.
"Wies," riep Henk.
"Wies? Jij? Dat is een lief idee van je geweest," en zich omkeerende
wilde ze haar dochtertje tot dank een kus geven, toen haar oog
onwillekeurig op het versierde portret viel.
Wat was dat?
Zag ze dat goed?
Liep daar midden over het glas een barst?
Ze liep er naar toe, om het wat nader te bekijken, misschien was
het een speling van het licht, die haar deed denken, dat het portret
beschadigd was.
Louise's hart klopte haar in de keel, wat zou Moeder zeggen? Zou ze
er verdrietig over zijn, of boos? Moeder, die zelf zoo handig was en
nooit iets brak, kon niet velen, dat een ander iets vernielde.
Mevrouw Schotter keerde zich langzaam om, met een verdrietige
uitdrukking om haar mond.
"De bloemen zijn mooi, Louise, ik dank je wel voor de verrassing,"
zei ze, maar veel minder hartelijk dan zooeven.
Wies slikte haar tranen in en antwoordde niet, ze durfde niet spreken,
ze zou dan zeker beginnen te schreien.
"Willen we nu maar gaan eten," vroeg haar moeder en gaf zelf het
voorbeeld door haar plaats aan het hoofd der tafel in te nemen.
Wies en Marietje zetten zich ieder aan een kant naast haar neer, de
kleintjes, die nog niet aan tafel aten en hun maal op hadden, zetten
hun spelletje op den grond voort, tot ze naar bed gebracht zouden
worden en Henk stond aarzelend bij zijn gewone zitplaats, naast Wies.
"Zal ik soms daar gaan zitten?" vroeg hij weifelend aan zijn moeder,
op den stoel tegenover haar wijzend.
Deze knikte toestemmend.
"Ja, dat is gezelliger, zoo'n leege stoel maakt zoo'n treurigen
indruk," zei ze zacht.
Wies schokte op, alsof haar iets onaangenaams trof.
Ze opende hare lippen, om wat te zeggen, maar er kwam geen geluid.
"Is er iets, wou je wat zeggen?" vroeg haar moeder, maar daar Betje
juist binnenkwam met het vleesch, behoefde Wies niet te antwoorden.
Gelukkig maar, als Moeder er niets aan vond, een ander op Vaders
plaats te zien zitten, dan zou ze toch niet begrijpen, dat Wies die
plaats daar te heilig voor was. Ze zou haar maar weer overdreven
genoemd hebben. Ze wilde vanavond geen enkel onaangenaam woord met
Moeder hebben, het was lief van haar, niets van dat gebroken glas
te zeggen, wel was Wies er niet heelemaal zeker van, dat ze bij een
andere gelegenheid er nog niet het een en ander van hooren zou, maar
het was toch aardig van haar, er nu over te zwijgen. Morgen zou ze er
zelf over beginnen en zeggen, dat het haar speet en dat ze allemaal
samen er een nieuw glas op zouden laten maken.
Het middagmaal verliep onder druk gepraat. Moeder had veel te vertellen
van Vader, hoe hij hen allen nog hartelijk liet groeten en hoe mooi
het weer was geweest dien morgen, toen het schip wegvoer.
Wat een prachtig gezicht was dat geweest, dat vertrekkende
oorlogsschip, de heele bemanning had gejuicht en gegroet, totdat het
langzaam uit het gezicht verdwenen was.
De kinderen zaten stil te luisteren, zelfs de kleintjes waren bij
hun moeder komen staan en probeerden te begrijpen, wat ze vertelde.
Henk werd opgewonden bij de voorstelling van dat vertrekkende schip
en Marietje was ook onder den indruk van het verhaal.
Wies zat doodstil met neergeslagen oogen, schijnbaar was ze er minder
bij, dan de anderen. Ze hoorde niet eens dat haar moeder het woord
tot haar richtte.
Henk stootte haar aan.
"Luister je niet, naar wat ik vertel?" vroeg haar moeder.
Wies keek haar aan en barstte toen los:
"Maar Moeder, hoe kond u dat verdragen, dat aanzien, dat schip, dat
langzaam verdween, steeds kleiner en kleiner werd, tot er eindelijk
niets meer van te zien was en dan te weten, dat op dat schip Vader
meegevoerd werd. O, Moes, Moes!" en haar gezicht in haar servet
verbergend, snikte ze het uit.
Haar moeders oogen waren ook vochtig geworden, toen ze zacht haar
hand op Louise's schouder legde.
"Bedaar, kind, en tracht je wat in te houden. Je hebt gelijk, het
was iets vreeselijks, dat weggaan, maar het moest, er was niets aan
te doen en dus moest ik me wel schikken. Je begrijpt wel, dat ik me
tusschen al die menschen niet kon aanstellen en mijn vrienden waren
goed en hartelijk voor me. Bij hen ben ik toen nog wat gebleven,
zooals je weet en natuurlijk kon ik hen niet vervelen met mijn
verdriet, dat gaat nu eenmaal niet."
Wies keek met hare vochtige oogen haar moeder aan.
Ze had de tranen niet gezien, die een oogenblik haar moeders blik
verduisterd hadden en vond haar nu onverschillig, met haar kalm
gezicht en rustige manieren.
Je niet aanstellen, je schikken, het was goed en wel, maar je
moest maar kunnen. Ze was er zeker van, dat zij het bij dat vertrek
had uitgesnikt, ze zou niet tot bedaren te brengen geweest zijn,
totaal overstuur, maar ze was nu eenmaal niet zoo kalm van natuur,
zoo beredeneerd.
Daar kwam Moes maar altijd op neer, je kalm houden, je beheerschen,
nooit mocht je eens je gevoel toonen, dan stelde je je aan, jawel,
dat was maar, naar je het nemen wilde. De een voelde nu eenmaal dieper,
dan de ander.
Waar hadden ze het nu over?
Daar spraken ze al over onverschillige dingen, Vader had al afgedaan,
natuurlijk, Vader was weg, uit de oogen uit het hart, maar niet bij
haar, neen, niet bij haar!
Hare tranen vloeiden weer rijkelijk. De kleintjes waren nu naar
bed gebracht en het gesprek tusschen Moeder en de anderen drong bij
brokstukken tot haar door. Waarom lachte Henk nu en Moeder ook?
Nu al lachen!
Het was niet om uit te houden.
"Hoe is het mogelijk, om nu al te kunnen lachen," zei ze scherp.
Haar moeder keek haar verbaasd aan.
"Wat een toon. Wat ben je weer in een lief humeur."
"Ik ben niet uit mijn humeur, heelemaal niet, maar ik vind u en Henk
en Marietje afschuwelijk onverschillig," klonk het heftig.
Henk trok zijn schouders op.
"Ze is weer half gek," zei hij.
"Ik half gek, ik half gek, jij zelf bent...."
"Is 't uit, Louise," viel haar moeder in. "Je bent blijkbaar
overspannen door het vertrek van Vader en daarom zal ik je je
brutaliteit niet kwalijk nemen. We zijn klaar met eten, ga dus je
schoolwerk maken en dan vlug naar bed. Als je eens flink geslapen hebt,
zul je wel wat minder prikkelbaar zijn en er dan misschien eens aan
denken, wat je Vader beloofd hebt. Dat is ook een manier om te toonen,
dat je veel van hem houdt."
Wies stond op en verliet schoorvoetend de kamer om hare schoolboeken
te halen.
Ze voelde zich geslagen.
Moeder had gelijk, ze kon het best haar liefde voor Vadertje toonen,
door aan zijne woorden te denken.
Dat was juist zoo vreeselijk, dat Moeder zoo akelig kalm kon spreken,
zoo hard zelfs, vond ze, en ze bij slot van rekening toch dikwijls
gelijk had.
Ze had zich zóó voorgenomen, lief voor allemaal te zijn, niet
prikkelbaar, geen scherp woord te zeggen en nu had ze al dadelijk
weer haar innerlijke belofte gebroken en was onaangenaam geweest.
Ze leunde in de gang met haar voorhoofd tegen den muur en beet op
haar zakdoek, om zich in te houden. Ze voelde zich zoo wanhopend,
dat ze het 't liefst zou hebben uitgegild.
Alles was weer verkeerd gegaan, de verrassing, waarvan ze zich zooveel
had voorgesteld, grootendeels mislukt door het breken van het glas,
ze was brutaal en onaardig geweest en Moeder zou haar natuurlijk weer
de minste van de kinderen vinden, terwijl ze juist vandaag de liefste
had willen zijn.
O, het was om wanhopend onder te worden.
"Wies!" galmde Henk's stem door de gang, "waar blijf je, kom je je
werk niet maken?"
"Ja, ik kom al."
Haastig veegde ze haar oogen af en stak haar natten zakdoek tusschen
haar ceintuur.
Wat kon het haar ook eigenlijk schelen, niemand begreep haar, niemand
kende haar, zooals ze was, nu dacht Moeder weer aan niets, dan aan
het maken van haar schoolwerk, terwijl ze hier in de gang stond te
krimpen van verdriet.
Goed, ze zou ook onverschillig worden en koud, als ze dat liever
hadden, haar goed en hare boeken opnemend, liep ze met opgeheven hoofd
naar binnen en ging met zoo'n air aan de tafel zitten, dat Henk het
uitschaterde en Moeder glimlachend haar hoofd schudde.
Ze maakte zwijgend haar werk en deed haar best niet te luisteren naar
de woorden, die nu en dan tusschen de anderen gewisseld werden.
Marietje was al klaar met hare lessen en zat nu te haken, Henk praatte
telkens, hij beweerde vanavond haast niets te doen te hebben.
Het was toch zoo gezellig, nu Moeder weer achter het theeblad zat,
als ze aan de saaiheid van gisteravond dacht, kreeg ze een gevoel
van dankbaarheid, dat Moes weer thuis was. Ze had nu wel graag mee
willen praten, maar als niemand zich met haar bemoeide, kon zij niet
beginnen, vond ze.
"Nog een kopje thee, Wies? Ben je nog niet klaar? Maak een beetje
voort, dan kun je naar bed, je ziet er zoo moe uit."
"Ik ben niet moe."
"Niet? Maak dan toch maar wat voort, dan kun je ook eens een woordje
meepraten, dat is gezellig."
Wies voelde zich al wat prettiger, niet meer zoo eenzaam.
"Ik ben eigenlijk klaar," zei ze, "ik zat maar zoowat te suffen."
"De meest geliefkoosde bezigheid van mijn oudste zuster," lachte Henk.
Wies keek hem boos aan, die jongen met....
Maar neen, nu niet weer beginnen. Ze legde hare boeken en schriften
bij elkaar, bergde ze in haar tasch en nam haar plaats weer in,
beide ellebogen op tafel en haar hoofd in hare handen gesteund.
Nu was ze bereid tot een gezellig praatje.
"Zou je niet wat breien ondertusschen," zei haar moeder, "die
kousjes van Janneman komen anders nooit klaar. Je moet er eens wat
mee voortmaken, kind, hij heeft ze noodig."
Met een zucht stond Wies op, om haar werk te krijgen.
Dat afschuwelijke breien, dat behoefde geen van haar vriendinnetjes
te doen, die mochten gerust eens een poosje leegzitten, wie breide
er nu tegenwoordig nog kousen.
Maar Moeder vond koopkousen prullegoed, daar waren de wilde jongens
dadelijk doorheen en dus moesten de kousen gebreid worden en daar ze
zelf niet alles doen kon, moest Wies haar helpen. Dat was goed voor
haar, vond Moeder, een meisje moest leeren practisch werkzaam te zijn
en nooit met leege handen te zitten.
En ons Wiesje deed niets liever.
Zoo eens heerlijk niets doen, alleen je gedachten vrij spel laten,
dat was een genot, een heerlijkheid!
Maar dat mocht je nooit bij Moeder, altijd moest je bezig zijn, je
handen gebruiken, akelige kousen breien, of stukjes leeren inzetten,
wat nog erger was, of kopjes en glazen afwasschen, waarbij je
doodsangsten uitstond, dat je wat breken zoudt.
Een diepe zucht was het resultaat van deze overpeinzingen.
"Wat ben je toch gezellig," merkte Henk op, "als je onder je meisjes
bent, heb je ook meer praats."
"Natuurlijk, dat spreekt vanzelf, de meisjes zijn ook aardig,
maar jij...."
"Wat is het weer veranderd," viel Moeder ter afleiding in, "vanochtend
was het zoo prachtig en nu regent het en het begint te waaien ook."
"Ja," beaamde Henk, "dat zijn zoo van die grillen van onze lieve
Meimaand. Moet die peuter nog niet naar bed?" voegde hij er, op
Marietje wijzend, bij.
Het kind had juist haar haakwerk in haar taschje geborgen en stond
nu kalm op.
"Je zag, dat ik ging, je aanmerking was dus niet noodig," zei ze,
haar moeder een nachtkus gevend.
Toen ze de kamer verlaten had, zei deze:
"Zoo'n zeldzaam lief en gemakkelijk kind als dat toch is, daar heb
ik nu letterlijk geen oogenblik moeite mee."
Henk keek bedenkelijk.
"Een beetje saai, hè?" zei hij.
"Saai?"
Zijn moeder keek verwonderd.
"Waarom saai? Omdat ze weet wat haar plicht is en dien doet? Noem je
dat saai?"
"Nou, ze is pas twaalf, een beetje te jong, om al zoo volmaakt te zijn,
dunkt me. Neen, dan is ons Wiesje anders," plaagde hij.
"Jij hebt goed praten, in de eerste plaats ben je Moeders bedorven
kindje, altijd geweest trouwens, en...."
"Maar Louise," viel haar moeder lachend in, terwijl Henk het
uitschaterde van pret over het verongelijkt gezicht van zijn zusje.
"Ja, je bent altijd het bedorven oudste zoontje geweest en daarenboven
ben je geen meisje en mag je dus over je vrijen tijd beschikken,
terwijl ik dingen doen moet, die ik vervelend vind."
"Arm schaap," spotte haar broer, maar liet er op volgen:
"Eerlijk gezegd ben ik heel blij, geen meisje te zijn."
"Zie je wel, dat wist ik wel. Maar heusch, andere meisjes behoeven
niet altijd zulke vervelende dingen te doen. Wanneer heb ik nu eens
tijd om te lezen? Alleen Zondags een uurtje."
Haar moeder keek naar haar verontwaardigd gezichtje en begon te lachen.
"Dat is maar goed ook, al die malle geschiedenissen brengen je hoofd
maar in de war. Als een meisje de school goed doorloopt, naaien,
breien, koken en de huishouding besturen leert, is dat volkomen
voldoende. En dan leer je nog muziek ook, omdat Vader daarop gesteld
is, dat vergeet je heelemaal."
"Nu ja, ik zou natuurlijk graag mooi pianospelen, maar dat studeeren is
heusch geen pretje, die vingeroefeningen zijn een nachtmerrie voor me."
"Vooral als Moeder dan binnenkomt en je met je handen in je schoot
vindt zitten droomen, in plaats van te studeeren," plaagde Henk.
"Dan hoor ik muziek."
Nu lachte haar moeder hartelijk.
"Doe toch zoo gek niet, kind, je maakt je bespottelijk. Als je dan
toch die dure muzieklessen hebben moet, maak dan ten minste, dat je
er wat van leert. Toen ik je laatst op het partijtje van Marietje
vroeg, wat dansen te spelen, deedt je dat zoo mooi, dat de kinderen
er onmogelijk op dansen konden. Of je al over muziek zit te droomen,
zooals je beweert, daar kom je niet verder mee. Ik heb Vader beloofd,
er goed op te letten, dat je studeert en het hem te schrijven, daar
mag je wel aan denken."
Wies staarde voor zich uit. Tot ergernis van haar moeder, lag haar
breiwerk weer rustig in haar schoot.
"Ja, ziet u," zei ze peinzend, "ik wil wel goed studeeren, ik neem het
me altijd voor, maar ik kan het niet volhouden, ik vergeet het. Weet u,
wat ik wou? Dat er een fee was, die me een ring cadeau gaf, die me,
telkens als ik afdwaalde, een prikje in mijn vinger gaf. Heusch dat
wou ik."
"Ik denk, dat je dien ring gauw af zoudt leggen. Maar zou het niet
hetzelfde effect hebben, als ik je eens een flinken tik op je vingers
gaf, als ze werkeloos op de toetsen lagen?"
Nu moest Wies zelf lachen.
"Hoe vreeselijk prozaïsch, neen hoor, ik had liever mijn ring."
"Als het hielp, wilde ik, dat ik je hem bezorgen kon. Maar nu wordt
het tijd, om naar bed te gaan. Toe, rol dat werk wat netter op. Zoo,
geef maar hier. Slaap lekker!"