GILLS EN CUTTLE.

De houten adelborst doet wel geene grootere zaken dan hij vroeger deed,

maar men zegt, dat eenige speculatiën van mijnheer Gills verbazend goed

afloopen, en dat hij, in plaats van in die opzichten bij zijn tijd ten

achteren te zijn, dien eigenlijk een weinigje vooruit was, en hij moest

afwachten tot hij rijp werd. Men vertelt, dat het geld, hetwelk

mijnheer Gills in die speculatiën had gezet, hem nu goede renten begint

op te brengen, die zelfs al hooger en hooger worden. Zeker is het, dat

hij, als hij met zijn koffiebruin pak, zijn chronometer in den zak en

zijn bril op het voorhoofd, aan zijne winkeldeur staat, het zich

volstrekt niet schijnt aan te trekken dat er geene klanten komen, maar

er zeer vroolijk en weltevreden uitziet, hoewel nog even nevelachtig

als vroeger.

Wat zijn compagnon, den kapitein, betreft, deze leeft in eene

verbeelding van drukte, die nog beter is dan de werkelijkheid. Hij is

zoo overtuigd, dat de adelborst van het grootste gewicht is voor den

handel en de zeevaart des lands, als hij met mogelijkheid wezen kon,

indien geen schip zonder bijstand van den adelborst de haven van Londen

verliet. Zijne blijdschap in zijn eigen naam boven de deur is

onuitputtelijk. Twintigmaal op een dag stapt hij de straat op, om van

den overkant naar dien naam te kijken, en telkens zegt hij dan: “Edward

Cuttle, mijn jongen, als uwe moeder eens had kunnen weten, dat gij ooit

een man van wetenschap zoudt worden, dan zou de goede oude ziel toch

versteld hebben gestaan!”

Maar daar komt Toots met geweldige vaart op den adelborst aan, en met

een hoogrood gezicht stuift hij het achterkamertje binnen.

“Kapitein Gills en mijnheer Sams,” zegt Toots, “ik ben verheugd u te

kunnen berichten, dat mevrouw Toots eene vermeerdering van hare familie

heeft gehad.”—“Dat strekt haar tot eer,” roept de kapitein.—“Ik

feliciteer u, mijnheer Toots,” zegt Sam.—“Wel bedankt,” grinnikt Toots.

“Ik ben u zeer verplicht. Ik wist wel dat ge blij zoudt zijn het te

hooren, en daarom kwam ik zelf maar eens aanloopen. Wij komen nu

vooruit. Daar is Florence, en Suze, en nu nog een kleintje.”—“Een

meisje?” vraagt de kapitein.—“Ja, kapitein Gills,” antwoordde Toots,

“en daar ben ik ook blij om. Hoe meermalen wij die buitengemeene vrouw

kunnen herhalen, zooveel te beter, naar mijn gevoelen!”—“Sta vast,”

zegt de kapitein, zich naar de oude vierkante flesch zonder hals

keerende—want het is avond en de tafel is volgens gewoonte van pijpen

en glazen voorzien. “Dat is op hare gezondheid, en mag zij er nog eens

zoo veel krijgen!”—“Wel bedankt, kapitein Gills,” zegt de verheugde

Toots. “Dat wensch ik ook. Als gij er niet tegen hebt, daar het nu toch

niemand hinderen kan, zal ik eene pijp nemen, dunkt mij.”

Toots begint te rooken, en wordt zeer spraakzaam.

“Van alle merkwaardige voorbeelden van haar uitmuntend verstand, die

mij die buitengemeene vrouw gegeven heeft, kapitein Gills en mijnheer

Sams,” zegt Toots, “is er geen opmerkelijker, dunkt mij, dan de

volmaaktheid, waarmede zij mijne vereering van jufvrouw Dombey heeft

begrepen.”

Beide hoorders stemmen dit toe.

“Omdat ik, weet ge,” zegt Toots, “nooit van gevoelens ten aanzien van

jufvrouw Dombey ben veranderd. Die zijn nog dezelfde als ooit voorheen.

Zij is nog hetzelfde heerlijke verschijnsel voor mij, als voordat ik

met Walters kennis maakte. Toen mevrouw Toots en ik het eerst daarvan

begonnen te spreken—van de liefde, weet ge wel, kapitein Gills.”—“Ja,

ja, mijn jongen,” zegt de kapitein, “die iedereen wel eens in de war

brengt—zooals gij in het boek kunt nazien—”—“Dat zal ik zeker doen,

kapitein Gills,” zegt Toots met grooten ernst. “Toen wij het eerst van

zulke dingen begonnen te praten, zeide ik haar, dat ik was, wat men

eene verdorde bloem zou noemen.”

De kapitein is zeer ingenomen met deze figuurlijke uitdrukking en

mompelt, dat geene bloem, die er bloeit, bij de roos kan halen.

“Maar, och Heere,” vervolgt Toots, “zij was evengoed bekend met den

staat van mijn gevoel als ik zelf. Ik kon er haar niets meer van

vertellen. Zij was de eenige, die zich tusschen mij en het stille graf

kon plaatsen, en dat deed zij op eene manier, die mij tot eene eeuwige

bewondering moet dwingen. Zij weet, dat er niemand in de wereld is,

tegen wie ik zoo opzie, als tegen jufvrouw Dombey. Zij weet, dat er

niets in de wereld is, dat ik niet voor jufvrouw Dombey zou willen

doen. Zij weet, dat ik haar voor de schoonste, de beminnelijkste, de

engelachtigste van hare sekse houd. En wat zegt zij daarvan? Het

verstandigste dat iemand zou kunnen zeggen: “Gij hebt gelijk, beste. Ik

denk eveneens.”—“Ik ook,” zegt de kapitein.—“Ik ook,” zegt Sam

Gills.—“En dan,” hervat Toots, nadat hij eene poos peinzend aan zijne

pijp heeft getrokken, terwijl zijn gezicht de innigste tevredenheid

uitdrukt, “hoe oplettend is mijne vrouw! En hoe schrander! Welke

aanmerkingen kan zij maken! Pas gisteravond, toen wij in het genot

onzer echtelijke zaligheid bij elkander zaten—dat, op mijn woord van

eer, nog maar eene flauwe uitdrukking is om mijn gevoel in het

gezelschap van mijne vrouw aan te duiden—zeide zij, hoe opmerkelijk het

was, die tegenwoordige positie van onzen vriend Walters. “Daar is hij,”

zegt mijne vrouw, “van het zeevaren bevrijd, na die eerste lange reis

met zijne jonge vrouw;” dat was hij ook, weet gij wel, mijnheer

Sams.”—“Dat is waar,” zegt de oude instrumentmaker, in zijne handen

wrijvende.—”“Daarvan,” zegt mijne vrouw, “wordt hij dadelijk bevrijd,

krijgt thuis een post van groot vertrouwen bij hetzelfde kantoor, toont

zich dat wederom waardig, klimt verbazend snel al hooger en hooger op;

bemind door iedereen; door zijn oom bijgestaan op den tijd toen hem dat

juist zoo goed te pas kwam als maar mogelijk was,”—dat ook zoo is,

geloof ik, mijnheer Sams? Mijne vrouw heeft het altijd recht.”—“Ja,

ja,” zegt de oude Sam lachende. “Dat is waar. Menige van onze verlorene

schepen, met goud bevracht, zijn nog thuis gekomen. Kleine vaartuigjes,

mijnheer Toots, maar die mijn jongen toch wel te pas kwamen.”—“Juist

zoo!” zegt Toots. “Gij zult nooit vinden dat mijne vrouw het verkeerd

heeft. “Hier is hij nu, in die omstandigheden,” zegt die buitengemeene

vrouw—“en wat volgt er nu uit? Wat volgt er nu?” zegt zij. Let nu eens

op, kapitein Gills en mijnheer Sams, hoe diep haar verstand doordringt.

“Wel, dat,” zegt zij, “onder de oogen van mijnheer Dombey, de grondslag

wordt gelegd van een gebouw,” dat was hare uitdrukking,” zegt Toots met

opgetogenheid, “van een gebouw, dat het kantoor misschien nog zal

overtreffen, waarvan hij eens aan het hoofd stond, en waarvan hij (een

gewoon gebrek, maar een groot gebrek, zegt mijne vrouw), de kleine

beginselen had vergeten. Zoo,” zeide mijne vrouw, “zal er uit zijne

dochter toch nog een andere Dombey en Zoon opkomen—neen opstaan,” was

haar woord, “en zegepralen!””

Toots geeft, met behulp van zijne pijp—die hij gaarne bezigt om

oratorische gebaren te maken, daar het eigenlijke gebruik hem

onaangename gewaarwordingen veroorzaakt—zooveel nadruk aan de

voorspelling zijner vrouw, dat de kapitein, op den hoogsten trap van

opgewondenheid, zijn blinkenden hoed wegwerpt en uitroept:

“Sam Gills, gij man van wetenschap en mijn oude compagnon, wat heb ik

Walter gezegd om na te lezen op dien avond toen hij pas op het kantoor

was gekomen? Was het niet deze aanhaling: “Keer terug, Whittington, en

als gij oud geworden zijt, zult gij er niet van afwijken.” Waren dat de

woorden niet, Sam Gills?”—“Zekerlijk waren zij het, Ned,” antwoordde de

oude instrumentmaker. “Ik herinner het mij nog wel.”—“Dan zal ik u eens

wat zeggen,” hervat de kapitein, in zijn stoel achteroverleunende en

zijne borst uitzettende om eens geducht te schreeuwen. “Ik zal u Mooie

Peggy laten hooren, van het begin tot het eind; en sta vast, allebei

voor het koor!”

Andere bespaarde wijn wordt ouder, gelijk de oude madera in zijn tijd

deed; en stof en spinrag verzamelen zich om de flesschen.

De najaarsdagen zijn nog zacht en helder; en op het zeestrand wandelen

dikwijls eene jonge dame en een oud heer met sneeuwwitte haren. Zij

hebben twee kinderen, een jongetje en een meisje bij zich, en doorgaans

houdt een oude hond hen gezelschap.

De oude heer met witte haren wandelt met het knaapje, praat met hem,

helpt hem bij zijn spel, bewaakt hem, alsof hij het doel van zijn leven

was. Als het kind nadenkend is, is de oude heer ook nadenkend; en

somtijds, als het bij hem zit, en naar hem opkijkt, en allerlei vragen

doet, neemt hij het zachte handje in zijne hand, en vergeet, het zoo

vasthoudende, antwoord te geven. Dan zegt het kind:

“Wat, grootpapa? Gelijk ik weder zoo naar mijn armen kleinen oom?”—“Ja,

Paul. Maar hij was zwak, en gij zijt heel sterk.”—“O, ja, ik ben heel

sterk.”—“En hij lag op een bedje bij de zee, en gij kunt rondloopen.”

En dan wandelen zij weder op, want de heer met witte haren ziet het

kind liefst in beweging; en daar men hen zooveel bij elkander ziet,

wordt er veel van gesproken dat zij zoo aan elkander gehecht zijn.

Maar niemand behalve Florence weet hoe innig die heer met sneeuwwitte

haren aan het meisje is gehecht. Daarvan wordt nooit gesproken. Het

kind zelf verwondert zich bijna over het geheim, dat hij in zeker

opzicht daarvan maakt. Hij bewaart haar als een schat in zijn hart. Hij

kan haar nooit alleen zien zitten. Hij verbeeldt zich, dat zij zich

verwaarloosd gevoelt, als er toch geene de minste reden daarvoor is.

Hij sluipt heen om naar haar te zien als zij ligt te slapen. Hij heeft

gaarne dat zij hem des morgens komt wakker maken. Hij is het teederst

voor haar, en toont dat ook het meest, als er niemand anders bij is.

Somtijds zegt het kind:

“Lieve grootpapa, waarom krijgt gij tranen in de oogen als gij mij een

zoentje geeft?”

Dan antwoordt hij slechts: “Kleine Florence! Kleine Florence!” en

strijkt de krullen weg, die hare ernstige oogen beschaduwen.

Dombey en Zoon · 第 124 / 125 题