Eene flesch, die in langen tijd geen daglicht heeft gezien en ruig is
van stof en spinrag, is in den zonneschijn gebracht, en de goudkleurige
wijn daarin verspreidt een glans over de tafel.
Het is de laatste flesch van dien ouden madera.
“Gij hebt volkomen gelijk, mijnheer Gills,” zegt Dombey, “dit is een
zeer zeldzame en keurige wijn.”
De kapitein, die van het gezelschap is, straalt van blijdschap. Er
speelt een lichtkrans van verrukking om zijn gloeiend voorhoofd.
“Wij hadden ons altijd beloofd, mijnheer,” hervat de oude man, “Ned en
ik, meen ik—”
Dombey knikt den kapitein toe, die al meer en meer blinkt van
sprakeloos genoegen.
“—dat wij die flesch op een of anderen dag zouden drinken op Walter’s
behoudene thuiskomst, hoewel wij nooit aan zulk een thuis hadden
gedacht. Als gij er niet tegen hebt, mijnheer, dat wij dien ouden gril
involgen, laten wij dan dit eerste glas aan Walter en zijne vrouw
wijden.”—“Aan Walter en zijne vrouw!” zegt Dombey. “Florence, mijn
kind,” en keert zich naar haar toe, om haar een kus te geven.—“Aan
Walter en zijne vrouw!” zegt Toots.—“Aan Walter en zijne vrouw!” roept
de kapitein. “Hoera!” en daar de kapitein een sterk verlangen toont om
met zijn glas tegen een ander glas te klinken, houdt Dombey hem
bereidvaardig het zijne toe. De anderen volgen dit voorbeeld, en er
ontstaat een vroolijk geklingel, als werden er schelle trouwklokjes
geluid.
Andere bespaarde wijn wordt ouder, gelijk de oude madera in zijn tijd
deed; en stof en spinrag verzamelen zich om de flesschen.
Dombey is een man met sneeuwwitte haren, wiens gelaat diepe sporen van
zorg en lijden vertoont; maar het zijn sporen van een storm, die voor
altijd voorbij is, en die een helderen avond heeft achtergelaten.
Eerzuchtige plannen ontrusten hem niet meer. Zijn eenige trots is zijne
dochter en haar echtgenoot. Hij is stil en peinzend, en zit altijd bij
zijne dochter. Jufvrouw Tox komt niet zelden in den familiekring,
waarmede zij zeer is ingenomen, en wordt daarin gaarne gezien. Hare
bewondering voor haar eenmaal statigen begunstiger is, sedert den
ochtend van haar schrik in Princess’s Place, geheel platonisch geweest,
maar in het minste niet verzwakt.
Niets is hem uit de schipbreuk van zijn vermogen overgebleven, dan
zekere jaarlijksche som, die hij weet niet waar vandaan komt, met een
ernstig verzoek, dat hij dit niet wil pogen te ontdekken, en eene
verzekering dat het eene schuld en eene daad van vergoeding is. Hij
heeft met zijn ouden boekhouder daarover geraadpleegd, die overtuigd
is, dat hij dat geld met eere kan aannemen, en niet twijfelt of het
spruit uit eene nu lang vergetene zaak uit den tijd der oude firma.
Die oude vrijer, geen oud vrijer meer, is thans getrouwd, en dat wel
met de zuster van den grijsharigen junior. Hij komt somtijds, maar
zelden, zijn ouden patroon bezoeken. Er bestaat eene reden in de
geschiedenis van den grijsharigen junior en eene nog sterkere reden in
zijn naam, waarom hij van zijn ouden patroon verwijderd moet blijven,
en daar hij bij zijne zuster en haar man woont, deelen deze in zijne
afzondering. Walter bezoekt hen somtijds—Florence insgelijks—en dan
galmen kunstige duetten voor piano en violoncel door het vroolijke
huis.
En hoe gaat het den houten adelborst in deze veranderde dagen? Wel, hij
staat daar nog, met den rechtervoet vooruit, observatiën op huurkoetsen
doende, en wakkerder dan ooit, daar hij nieuw geschilderd is van zijn
steekhoed af tot aan zijne schoenen met gespen; en boven hem blinken,
met gouden letters, deze namen: