PAUL WORDT HOE LANGER HOE MEER OUDMANNETJESACHTIG EN GAAT MET DE
VACANTIE NAAR HUIS.
Toen de zomervacantie naderde, legden de jonge heeren bij doctor
Blimber door geene onvoegzame vreugdebetooningen hunne blijdschap aan
den dag. De krachtige uitdrukking van “opbreken” zou op dat beschaafde
instituut geheel ontoepasselijk zijn geweest. Met ieder halfjaar gingen
de jonge heeren een voor een stilletjes naar huis; nooit braken zij op.
Zij zouden dit beneden zich hebben geacht.
Tozer, die op den duur door eene gesteven witte das werd gemarteld,
welke hij op uitdrukkelijk verzoek van mevrouw Tozer, zijne moeder,
droeg—welke, daar zij hem voor den geestelijken stand bestemde, van
meening was dat hij niet te vroeg daartoe kon worden voorbereid—Tozer
zeide, dat hij, als hij tusschen twee kwaden te kiezen had, nog liever
zou willen blijven waar hij was, dan naar huis gaan. Hoe onvereenigbaar
die verklaring ook mocht schijnen met Tozer’s thema over dat onderwerp,
waarin hij had aangemerkt “dat de gedachte aan het ouderlijke huis en
al de daaraan verbondene herinneringen de streelendste gewaarwordingen
en het vurigste verlangen in zijn gemoed opwekten,” en zich zelven ook
bij een Romeinsch veldheer had vergeleken, die, brallende op eene
overwinning over de Iceni, of met den buit van Karthago beladen, tot op
weinige uren afstands van het Kapitool was genaderd,—hetwelk om de
vergelijking vol te houden, de woonplaats van mevrouw Tozer moest
wezen—was zij echter zeer oprecht. Want het scheen dat Tozer een
geduchten oom had, die hem niet alleen, onder de vacantie, ongevraagd
over punten van geleerdheid kwam examineeren, maar zelfs de
onschuldigste dingen en gebeurtenissen zoodanig wist te verdraaien, dat
hij ze tot hetzelfde barbaarsche oogmerk deed strekken; zoodat, indien
zijn oom hem mede naar de komedie nam, of hem met dezelfde geveinsde
vriendelijkheid een reus, een dwerg, een goochelaar, of iets anders
liet zien, Tozer wel wist dat hij vooruit eene classische aanhaling
over zoo iets had opgezocht, en dus in gedurige benauwdheid verkeerde,
daar hij niet kon voorzien, wanneer die zou uitbarsten, of welke
schrijver tegen hem in de wapens zou worden gebracht.
Wat Briggs betrof, zijn vader wond er geene doekjes om. Hij liet hem
nooit met rust. Zoo talrijk en zwaar waren de beproevingen van dien
ongelukkigen jongeling in den vacantietijd, dat de vrienden der familie
(die toen bij Bayswater woonde) zelden den vijver in den tuin van
Kensington naderden, zonder aan de mogelijkheid te denken om den hoed
van den jongen heer Briggs op het water te zien drijven, en eene
onafgemaakte thema op den kant te vinden. Briggs verlangde dus geheel
niet naar de vacantie; en deze twee deelgenooten van Paul’s slaapkamer
waren getrouwe staaltjes van de jonge heeren in het algemeen, zoodat
zelfs de luchthartigste onder hen dien feestelijken tijd met
welvoeglijke gelatenheid te gemoet zag.
Geheel anders was het met kleinen Paul. Het eind dier eerste vacantie
zou zijne scheiding van Florence medebrengen, maar wie dacht ooit aan
het eind van iets waarvan het begin nog moest komen. Paul zeker niet.
Toen die gelukkige tijd naderde, werden de leeuwen en tijgers, die
tegen de muren der slaapkamers opklauterden, zoo mak en speelsch als
hondjes. De grijnzende gezichten in de ruiten van het vloerkleed
ontspanden zich en keken hem met minder booze oogen aan. De deftige
oude klok had meer den toon van persoonlijke belangstelling in hare
onveranderlijke vraag; en de rustelooze zee bleef den geheelen nacht
voortruischen, op de wijs van eene treurige melodie—maar het was toch
streelend—die met de golven rees en daalde, en hem als het ware in
slaap wiegde.
Mijnheer Feeder scheen insgelijks te denken dat hem de vacantiedagen
bijzonder zouden bevallen. Toots zag van dien tijd af een geheel leven
van vacantiedagen te gemoet; want, gelijk hij Paul geregeld elken dag
onderrichtte, het was zijn laatste halfjaar bij doctor Blimber, en hij
zou nu haast beginnen te gaan krijgen wat hem toekwam.
Het was tusschen Paul en Toots uitgemaakt dat zij vertrouwde vrienden
waren, ten spijt van hun verschil in stand en jaren. Toen de vacantie
naderde keek Toots, als hij in Paul’s gezelschap was, hem nog strakker
aan en ademde hij nog zwaarder dan voorheen; en Paul wist wel dat dit
beduidde, dat het hem speet dat zij elkander uit het oog zouden
verliezen, en was hem dankbaar voor zijne gunst en goede meening.
Ook doctor Blimber, mevrouw Blimber, Cornelia en de jonge heeren in het
algemeen, begrepen dat Toots zich zelven tot beschermer en voogd van
Dombey had aangesteld, en mevrouw Pipchin hoorde zooveel daarvan, dat
de goede oude ziel eene bittere jaloezie tegen Toots opvatte, en hem in
de veiligheid van haar eigen huis meermalen voor een “ingebeeld
uilskuiken” uitschold. Waartegen de onschuldige Toots even weinig
denkbeeld had om mevrouw Pipchin boos te maken, als van eenige andere
bepaalde mogelijkheid of gebeurlijkheid. Integendeel, hij hield haar
voor iemand die wel iets aardigs en veel belangwekkends over zich had.
Om deze reden zag hij haar met zulk een beleefden glimlach aan, en
vroeg hij haar staande hare bezoeken bij den kleinen Paul zoo dikwijls
hoe zij voer, dat zij hem op een avond ronduit zeide, dat zij, wat hij
zich ook mocht verbeelden, niet daaraan gewoon was, en het ook niet kon
of wilde velen, evenmin van hem als van ieder anderen mallen kwast op
de wereld; van welken onverwachten dank voor zijne beleefdheden Toots
zoodanig schrikte, dat hij zich op eene afgelegene plaats verschool tot
zij weg was, en nooit meer den moed had om de manhaftige mevrouw
Pipchin onder doctor Blimber’s dak onder de oogen te komen.
Men was nog twee of drie weken van de vacantie af, toen Cornelia den
kleinen Paul eens in hare kamer riep en zeide: “Dombey, ik zal uwe
analyse naar huis zenden.”—“Dankje wel, jufvrouw,” antwoordde
Paul.—“Gij weet toch wel wat ik meen, Dombey?” vroeg Cornelia, hem
scherp door haar bril aanziende.—“Neen, jufvrouw,” antwoordde
Paul.—“Dombey, Dombey,” zeide Cornelia, “ik vrees, dat er nooit veel
van u zal komen. Als gij de beteekenis van eene uitdrukking niet
verstaat, waarom vraagt ge dan niet om onderrichting?”—“Mevrouw Pipchin
heeft mij gezegd, dat ik nooit naar iets moest vragen,” antwoordde
Paul.—“Ik moet u verzoeken om mij nooit van mevrouw Pipchin te spreken,
Dombey,” zeide Cornelia hierop. “Dat kan ik onmogelijk toelaten. De
regel van studie hier is geheel anders. Als ik weder zoo iets van u
mocht hooren, zoudt ge mij noodzaken u te verzoeken om morgen voor het
ontbijt, zonder eene enkele fout, alles van verbum personale tot aan
simillima cygno voor mij op te zeggen.”—“Ik had niet gemeend,
jufvrouw,” begon kleine Paul.—“Ik moet u verzoeken om mij nooit te
zeggen, dat gij iets gemeend hadt, Dombey, als het u belieft,” zeide
Cornelia, die bij hare bestraffingen eene geduchte beleefdheid in acht
nam. “Dat is eene manier van redeneeren, die ik volstrekt niet kan
toelaten.”
Paul achtte het veiligst niets meer te zeggen, en keek dus maar naar
Cornelia’s bril. Cornelia schudde nog eens ernstig haar hoofd, en las
van een papier dat voor haar lag:
““Analyse van het karakter van P. Dombey.” Als ik mij wel herinner,”
zeide zij, afbrekende, “is analyse, in tegenoverstelling van Synthese,
volgens de definitie van Walker, de oplossing van een object, hetzij
zinnelijk of intellectueel, in zijne eerste elementen. In
tegenoverstelling van Synthese, moet gij wel opmerken. Nu weet gij wat
eene analyse is, Dombey.”
Dombey scheen wel niet geheel verblind te worden door het licht dat
zijn verstand bestraalde, maar maakte toch eene buiging voor Cornelia.
““Analyse van het karakter van P. Dombey,”” hervatte zij, het papier
weder inziende. “Ik heb opgemerkt dat de natuurlijke vatbaarheid van
Dombey zeer goed is, en zijn aanleg voor de studie daarmede in eene
rechte evenredigheid kan worden gesteld. Aldus acht als ons hoogste
nommer nemende, meende ik dat deze eigenschappen bij Dombey op zes en
drie vierden kunnen geraamd worden.”
Cornelia hield even op, om te zien hoe Paul deze tijding ontving. Daar
hij onzeker was of zes en drie vierden de beteekenis had van zes pond
en zestien shillings, of van zes stuivers en drie farthings, of van zes
voet en drie duim, of van zes uur en drie kwartier, of van zes dingen
die hij nog niet geleerd had, met nog drie anderen waar hij niet van
wist, wreef Paul zijne handen maar en keek Cornelia strak aan.
Toevallig was dit evengoed als iets anders dat hij had kunnen doen, en
Cornelia vervolgde:
““Heftigheid twee. Eigenliefde twee. Neiging tot gemeen gezelschap,
gebleken in het geval met zekeren Glubb, oorspronkelijk zeven, maar
sedert verminderd.” Waarop ik vooral uwe aandacht wilde vestigen,
Dombey, is de algemeene opmerking aan het slot van deze analyse.”
Paul luisterde oplettend toe.
““In het algemeen mag van Dombey worden opgemerkt,”” las Cornelia met
eene zeer luide stem, en om het andere woord de kleine gedaante door
haar bril aanziende, ““dat zijn aanleg en wil goed zijn, en dat hij
zooveel vorderingen heeft gemaakt als men onder de omstandigheden had
kunnen verwachten. Maar het is van dezen jongen heer te bejammeren, dat
hij iets zonderlings (met eene gemeenzame uitdrukking zou men het
oudmannetjesachtig kunnen noemen) in zijn karakter en zijn gedrag
heeft, en dat hij zonder in een van beiden iets te vertoonen dat
bepaaldelijk te berispen is, zich dikwijls geheel anders voordoet dan
andere jonge heeren van zijn ouderdom en stand in de maatschappij.”
Verstaat gij dat Dombey?” zeide Cornelia, het papier neerleggende.—“Ik
geloof wel van ja, jufvrouw,” zeide Paul.—“Deze analyse, ziet ge,
Dombey,” hervatte Cornelia, “moet aan uw hooggeachten vader gezonden
worden. Het zal hem natuurlijk veel verdriet doen, als hij hoort dat
gij zonderling in uw karakter en gedrag zijt. En het is natuurlijk ook
verdrietig voor ons, want wij kunnen dan niet zooveel van u houden,
weet ge, Dombey, als wij wel zouden wenschen.”
Hier trof zij bij het kind eene teedere plek. Hij was, terwijl de tijd
van zijn vertrek naderde, van dag tot dag meer bezorgd geworden dat
iedereen in huis van hem mocht houden. Eene verborgene reden, die hij
maar onvolkomen begreep—zoo hij er al iets van begreep—deed hem eene
langzamerhand toenemende gehechtheid gevoelen aan alles en ieder die
daar was. Hij kon de gedachte niet verdragen, dat hij hun geheel
onverschillig zou zijn, als hij weg was. Hij wenschte, dat zij met
genegenheid aan hem zouden denken; en hij had er zelfs werk van gemaakt
om den grooten ruigen hond te verzoenen, die achter het huis aan een
ketting lag en waarvoor hij voorheen doodelijk bang was, opdat zelfs
dit beest hem zou missen als hij er niet meer was.
Weinig denkende dat hij hierin al weder toonde hoezeer hij van zijne
makkers verschilde, deed de arme Paul zijn best om dit Cornelia te
verklaren, en bad haar zoo goed te willen zijn om, in spijt van de
officieele analyse, toch maar van hem te houden. Aan mevrouw Blimber,
die bij hem was gekomen, deed hij hetzelfde verzoek; en toen deze dame
niet nalaten kon, zelfs in zijn bijzijn, hare dikwijls geuite meening
te herhalen, dat hij een “raar” kind was, zeide Paul haar dat zij zeker
wel gelijk zou hebben; dat hij dacht dat het van zijn gebeente kwam,
maar het niet zeker wist; en dat hij hoopte dat zij het door de vingers
zou zien, want dat hij van allen heel veel hield.
“Niet zooveel,” zeide Paul, met eene mengeling van beschroomdheid en
openhartigheid, die een der eigenaardigste en innemendste hoedanigheden
van het kind was, “niet zooveel als ik van Florence houd, natuurlijk;
dat zou nooit kunnen. Dat kondt gij ook niet denken, niet waar,
mevrouw?”—“O, welk een ouderwetsch oud kereltje!” riep mevrouw Blimber
fluisterend uit.—“Maar ik houd hier toch veel van iedereen,” zeide
Paul, “en het zou mij spijten als ik heenging en denken moest, dat
iemand blij was dat ik weg was, of er niet om gaf.”
Mevrouw Blimber was nu volkomen overtuigd dat Paul het raarste kind van
de wereld was, en toen zij den doctor vertelde wat er was voorgevallen,
sprak hij hare meening niet tegen. Maar hij zeide, gelijk hij reeds
gezegd had, toen Paul pas kwam, dat het studeeren veel zou doen; en
evenals bij die gelegenheid spoorde hij Cornelia aan om hem voort te
zetten.
Cornelia had hem altijd zoo sterk voortgezet als zij maar kon, en Paul
had het waarlijk zwaar genoeg gehad. Maar behalve het afwerken van
zijne dagtaak, had hij altijd nog een ander doel voor de oogen, waaraan
hij nog getrouw bleef. Hij wilde een stille, zachtzinnige, gedienstige
kleine jongen zijn, en altijd zijn best doen om de genegenheid en de
welwillendheid van de anderen te verwerven. Hoewel men hem dus nog
dikwijls op zijn ouden post op de trap vond, of hem uit zijn eenzaam
venster naar de wolken en golven zag turen, vond men hem toch meermalen
bij de andere jongens, die hij met stille bescheidenheid allerlei
kleine vrijwillige diensten bewees. Zoo kwam het dat, zelfs onder die
stroeve jonge kluizenaren, die onder doctor Blimber’s dak hun vleesch
kastijdden, Paul een voorwerp van algemeene belangstelling was; een
broos stukje speelgoed, waarvan zij allen veel hielden, en dat niemand
ruw had willen behandelen. Maar hij kon zijn aard niet veranderen of de
analyse doen overschrijven; en zoo waren allen het eens dat Dombey een
oud mannetje was.
Er waren echter aan dien naam eenige voorrechten verbonden, die niemand
anders genoot. Een kind dat geen oud mannetje was had men veel beter
kunnen missen, en dit alleen was reeds veel. Wanneer de anderen, des
avonds heengaande, slechts voor doctor Blimber en zijne familie bogen,
stak Paul zijn mager handje uit en schudde cordaat de hand des doctors,
en ook die van mevrouw Blimber en van Cornelia. Als iemand straf
bedreigde en die straf moest worden afgebeden, was Paul altijd de
afgezant. Zelfs het jonge mensch met zwakke oogen had hem eens
geraadpleegd ten aanzien van een ongelukje met glas en porselein; en er
werd een gerucht rondgefluisterd, dat de bottelier, die hem met zulke
gunstige oogen aanzag als die barsche man nog nooit een jongen had
gedaan, somtijds porter bij zijn tafelbier schonk opdat hij maar sterk
zou worden.
Boven en behalve deze uitgebreide voorrechten, had Paul nog vrijen
toegang tot mijnheer Feeder’s kamer, uit welk vertrek hij Toots
tweemaal erg misselijk in de opene lucht bracht, ten gevolge eener
mislukte poging om eene zeer lichte sigaar te rooken, uit het pakje dat
deze jonge heer op het strand heimelijk van een desperaten smokkelaar
had gekocht, die hem in vertrouwen had bekend, dat tweehonderd pond,
levend of dood, de prijs was, dien het tolkantoor op zijn hoofd had
gezet. Het was een gezellig kamertje, dat van Feeder, met zijn ledikant
in een ander kamertje daarachter, en, boven den schoorsteenmantel
opgehangen, eene fluit, waarop Feeder nog niet kon spelen, maar waarop
hij binnen kort zou gaan leeren, zeide hij. Er waren ook eenige boeken,
en een hengel; want Feeder zeide, dat hij zeker zou gaan leeren
visschen, als hij er maar tijd toe kon vinden. Met hetzelfde voornemen
had Feeder zich een fraaien klephoorn, een schaakbord met stukken, eene
Spaansche spraakkunst, een kistje met teekengereedschap en een paar
bokserhandschoenen aangeschaft. Allereerst, zeide Feeder, zou hij van
de edele kunst van vuistvechten werk maken, gelijk hij meende dat de
plicht van ieder man was, dewijl men zich daardoor in staat kon stellen
om, als het noodig was, eene hulpelooze vrouw te beschermen.
Feeder’s grootste schat was echter een groene pot met snuif, dien Toots
hem na de laatste vacantie als een present had medegebracht, en
waarvoor hij een hoogen prijs had betaald, daar die snuif nog uit den
voorraad van den prins-regent afkomstig was. Toots en Feeder konden
geen van beiden snuiven, zonder bijna de stuipen te krijgen van het
niezen; maar het was toch hun grootste vermaak eene doos, vol van die
krachtige snuif, met koude thee te bevochtigen en ze daar te zitten
verorberen. Het was eene marteling voor hen, er den neus mede vol te
stoppen, maar dit hadden zij er voor over, en daar zij er tusschenbeide
tafelbier bij dronken, hadden zij al het genot van een bacchanaal.
Voor kleinen Paul, die naast Toots, zijn voornaamsten beschermer, stil
bij hen zat, had zulk een roekeloos feest zekere geduchte
bekoorlijkheid; en wanneer Feeder van de donkere verborgenheden van
Londen sprak en Toots vertelde, dat hij die in de aanstaande vacantie
zelf in alle bijzonderheden zou gaan onderzoeken, en met dat oogmerk
reeds bij twee ongetrouwde oude jufvrouwen te Peckham eene kamer had
gehuurd, zag Paul hem aan alsof hij de held uit een boek met reizen of
wilde avonturen was, en werd bijna bang voor zulk een dolleman.
Op een avond, toen de vacantie reeds zeer nabij was, naar deze kamer
gaande, vond Paul Feeder bezig met eenige gedrukte brieven in te
vullen, terwijl andere, reeds ingevuld, door Toots gevouwen en
gecacheteerd werden. “Ha, Dombey, zijt ge daar?” zeide Feeder, want zij
waren altijd vriendelijk voor hem en verheugd als zij hem zagen—en hem
een van die brieven toewerpende, vervolgde hij: “En daar zijt gij ook,
Dombey. Dat is de uwe.”—“De mijne, mijnheer?” zeide Paul.—“Uwe
invitatie,” antwoordde Feeder.
Toen Paul den brief las—die geplaatdrukt was, met uitzondering van zijn
eigen naam en den datum, welke door Feeder waren ingevuld—bevond hij
dat doctor en mevr. Blimber het genoegen verzochten van den heer P.
Dombey’s tegenwoordigheid op een partijtje op woensdagavond, den
zeventienden dezer, tegen acht ure, en dat er quadrilles zouden gedanst
worden. Toots liet Paul den voor hem bestemden brief zien, ten blijke
dat hij ook was verzocht, en voor Briggs, Tozer, kortom voor al de
jonge heeren, lagen insgelijks invitatiën gereed.
Feeder zeide hem toen, tot zijne groote blijdschap, dat zijne zuster
ook was gevraagd, en dat het eene halfjaarlijksche gebeurtenis was, en
dat hij, daar de vacantie dien dag begon, terstond na de partij met
zijne zuster kon medegaan, als hij wilde; hetgeen Paul zeide dat hij
zeer gaarne zou willen. Feeder onderrichtte hem verder dat hij doctor
en mevr. Blimber, met een keurig net geschreven briefje, behoorde te
kennen te geven, dat de heer P. Dombey gaarne de eer zou hebben om aan
hunne beleefde invitatie te voldoen. Eindelijk zeide Feeder, dat hij
ten aanhoore van den doctor en mevrouw Blimber liefst maar niet van dit
feest moest spreken, daar al deze toebereidselen en de geheele zaak
evenals in de groote wereld werd behandeld, en de jonge heeren, in
hunne hoedanigheid van scholieren, geacht werden er niets van te weten.
Paul bedankte Feeder voor deze wenken, stak de invitatie in zijn zak,
en zette zich volgens gewoonte naast Toots op een stoeltje. Maar zijn
hoofd, dat hem al lang had gehinderd, en somtijds zeer zwaar en gedrukt
was geweest, was dien avond zoo lastig, dat hij het op zijne hand moest
laten rusten. En toch zonk het hoe langer hoe dieper neer, tot het
eindelijk op de knie van Toots bleef liggen, alsof het niet voornemens
was zich ooit weder op te beuren.
Dit was wel geene reden waarom hij doof moest wezen; maar hij moest dit
toch geweest zijn, dacht hij, want kort daarna hoorde hij Feeder in
zijn oor roepen, en voelde hij zich door dezen zacht schudden om zijne
aandacht te trekken. En toen hij zijn hoofd ophief en verschrikt
rondkeek, bevond hij dat doctor Blimber in de kamer was gekomen, en het
venster was opengezet, en dat zijn voorhoofd met water was nat gemaakt;
schoon het vreemd was, hoe dat alles gebeurd kon zijn, zonder dat hij
er iets van wist.
“Ha! Zoo, zoo! Dat is goed! Hoe gaat het mijn vriendje nu?” zeide
doctor Blimber bemoedigend.—“O, heel wel; dankje, mijnheer,” antwoordde
Paul.
Maar er scheen toch iets aan den vloer te haperen, want hij kon er niet
vast op staan, en aan de muren ook, want zij wilden zich gedurig
ronddraaien, en bleven alleen stilstaan als hij er heel strak naar
keek. Het hoofd van Toots scheen te gelijk veel grooter en veel verder
weg te zijn dan natuurlijk was; en toen hij Paul in zijne armen opnam
om hem naar boven te dragen, merkte Paul met verwondering op dat de
deur op eene geheel andere plaats was dan hij gemeend had, en dacht in
het eerst bijna dat Toots recht op den schoorsteen afging.
Het was heel vriendelijk van Toots dat hij hem zoo naar boven droeg, en
Paul zeide hem dit. Maar Toots antwoordde dat hij nog wel meer zou
willen doen, als hij maar kon; en hij deed ook meer; want hij hielp
Paul allervriendelijkst om zich uit te kleeden en in bed te komen, en
bleef toen bij het bed zitten grinniken; terwijl Feeder, over het
voeteinde van het ledikantje gebogen, al de stoppels op zijn hoofd met
zijne beenderige handen door elkander wreef, en toen zich hield alsof
hij met Paul wilde boksen, omdat hij nu weer geheel in orde was,
hetgeen Paul zoo buitengemeen comisch, en te gelijk zoo vriendelijk
vond, dat hij, niet wetende, of hij er om zou lachen of schreien, beide
te gelijk deed.
Hoe Toots wegsmolt, en hoe Feeder in mevrouw Pipchin veranderde, vroeg
Paul niet eens; hij was er ook niet nieuwsgierig naar, maar toen hij
mevrouw Pipchin, in plaats van Feeder, aan het voeteinde van zijn
ledikantje zag staan, riep hij: “Mevrouw Pipchin, zeg het maar niet aan
Florence!”—“Wat moet ik niet aan Florence zeggen, mijn kleine Paul?”
zeide mevrouw Pipchin, om het ledikant heengaande en zich daarnaast op
een stoel zettende.—“Van mij,” zeide Paul.—“Wel neen,” zeide mevrouw
Pipchin.—“Wat denkt ge dat ik voornemens ben te doen als ik groot word,
mevrouw Pipchin?” vroeg Paul, zijn gezichtje op zijn kussen naar haar
omkeerende, en haar, met zijne kin op zijne gevouwene handjes oplettend
aanziende.
Mevrouw Pipchin kon het niet raden.
“Ik denk dan al mijn geld in eene Bank te zetten,” zeide Paul, “en
nooit moeite te doen om meer te krijgen, en met mijn lieve Florence
naar buiten te gaan, en een huis te nemen met een mooien tuin er bij,
en velden en bosschen, en daar al mijn leven met haar te wonen.”—“Zoo
waarlijk!” zeide mevrouw Pipchin.—“Ja,” zeide Paul. “Dat denk ik te
doen, als ik—” Hij zweeg en dacht een oogenblik na.
Mevrouw Pipchin’s grijze oogen poogden in zijn peinzend gezichtje te
lezen.
“Als ik groot word,” zeide Paul; en terstond daarop begon hij mevrouw
Pipchin van het partijtje te vertellen, en dat Florence gevraagd was,
en hoe trotsch hij zou zijn als al de jongens haar zoo mooi en lief
vonden, en dat zij allen zoo goed voor hem waren en zooveel van hem
hielden, en hij zooveel van hen hield, en daar zoo blij om was. En toen
vertelde hij mevrouw Pipchin van de analyse, en dat hij
oudmannetjesachtig werd gevonden, en vroeg hoe mevrouw Pipchin daarover
dacht, en of zij wist wat dat was, en waarom hij het was. Mevrouw
Pipchin wilde er niets van weten, als de kortste manier om uit de
verlegenheid te komen; maar Paul was lang niet tevreden met dit
antwoord, en keek mevrouw Pipchin zoo strak uitvorschend aan, dat zij
genoodzaakt was op te staan en uit het venster te kijken, om zijne
oogen te vermijden.
Er was een zeker altijd bedaarde apotheker, die geroepen werd als een
van de jonge heeren ongesteld was, en deze man verscheen nu in de kamer
en bij het bed, met mevrouw Blimber. Hoe zij daar kwamen, en hoelang
zij er al geweest waren, wist Paul niet; maar toen hij hen zag, kwam
hij in het bed overeind en beantwoordde al de vragen des apothekers
zeer uitvoerig, en fluisterde hem toe dat Florence er toch niets van
weten moest, en dat hij er zoo op gesteld was dat zij op de partij
kwam. Hij was zeer spraakzaam met den apotheker, en zij scheidden als
beste vrienden. Toen hij weder met gesloten oogen was gaan liggen,
hoorde hij den apotheker zeggen, buiten de kamer en heel ver weg—of hij
droomde het maar—dat er gebrek aan levenskracht was (Paul verwonderde
zich wat dit was) en een zeer zwak gestel. Dat, daar de kleine patiënt
er zoo op gesteld was op den zeventienden van zijne schoolmakkers
afscheid te nemen, het best zou zijn, als hij niet erger werd, hem
daarin zijn zin te geven. Dat hij zich verheugde van mevrouw Pipchin te
hooren, dat hij den achttienden naar zijne familie te Londen zou gaan.
Dat hij, zoodra hij beter over het geval kon oordeelen, maar zeker voor
dien tijd, aan mijnheer Dombey zou schrijven. Dat er geene reden was
tot onmiddellijke—wat? Dit woord ontsnapte Paul. En dat de kleine
patiënt zeer schrander en gevoelig was, maar heel oudmannetjesachtig.
Paul lag zich met een kloppend hart te verwonderen, wat dat
oudmannetjesachtig toch was, dat zoovele menschen zoo duidelijk aan hem
zagen.
Hij kon er niet achter komen, maar deed er ook niet lang moeite toe.
Mevrouw Pipchin was weder bij hem, als zij ooit weg was geweest (hij
dacht dat zij met den doctor was heengegaan, maar dat was een droom
misschien) en had weldra, als door tooverij, eene flesch en een glas in
de handen en schonk iets voor hem in. Daarop kreeg hij wat lekkere
gelei, die mevrouw Blimber zelve hem bracht; en toen gevoelde hij zich
zoo wel, dat mevrouw Pipchin, op zijn dringend verzoek, naar huis ging,
en Briggs en Tozer naar bed kwamen. De arme Briggs bromde erg over
zijne eigene analyse, maar was heel vriendelijk voor Paul, en Tozer
ook, en al de anderen insgelijks; want ieder kwam eens naar hem kijken,
eer hij naar bed ging, en zeide: “Hoe gaat het nu, Dombey?”—“Houd u
maar goed, kleine Dombey!” Nadat Briggs in bed was gegaan, lag hij nog
lang wakker en over zijne analyse te zuchten, zeggende dat er niets van
waar was, en dat zij een moordenaar niet erger hadden kunnen uitmaken,
en—hoe het doctor Blimber zelf zou bevallen als zijn zakgeld er van
afhing? Het was heel gemakkelijk, zeide Briggs, een jongen het heele
halfjaar door tot een galeislaaf te maken en dan te zeggen dat hij lui
was; en hem tweemaal in de week zijn middageten te onthouden, en dan te
zeggen dat hij gulzig was; maar dat was immers toch niet uit te houden?
O! en ach!
Eer het jonge mensch met zwakke oogen den volgenden morgen op den gong
sloeg, kwam hij boven om Paul te zeggen dat hij maar stil moest blijven
liggen, hetgeen Paul zeer gaarne deed. Mevrouw Pipchin verscheen weder,
een weinig voor den apotheker, en een weinig nadat de goede meid, welke
Paul op dien eersten ochtend de kachel had zien potlooden (hoelang
scheen dat nu al geleden!) hem zijn ontbijt had gebracht. Er werd nog
eens consult gehouden, heel ver weg, of anders droomde Paul het weder;
en toen kwam de apotheker met den doctor en mevrouw Blimber terug en
zeide:
“Ja, ik denk, doctor Blimber, dat deze jonge heer zijne boeken nu wel
mocht laten liggen, daar de vacantie zoo nabij is.”—“Wel ja,” zeide
doctor Blimber. “Lieve, zult gij Cornelia eens daarvan onderrichten,
als het u belieft?”—“Wel zeker,” zeide mevrouw Blimber.
De apotheker bukte laag om Paul in de oogen te zien, en voelde hem den
pols, en legde zijne hand op zijn hart, met zooveel zorg en
belangstelling, dat Paul zeide: “Dankje wel, mijnheer.”—“Onze kleine
vriend heeft nooit geklaagd,” merkte doctor Blimber aan.—“Neen!”
antwoordde de apotheker. “Het was ook niet te denken.”—“Gij vindt hem
nu veel beter?” zeide doctor Blimber.—“O ja. Hij is veel beter,
mijnheer,” antwoordde de apotheker.
Paul lag er op zijne zonderlinge manier over te denken, welk onderwerp
des apothekers geest op dat oogenblik toch wel bezig hield; zoo
verstrooid had hij die twee vragen van den doctor beantwoord. Maar daar
de apotheker juist den blik van den kleinen patiënt ontmoette, en toen
terstond met een opgeruimden glimlach uit zijne verstrooiing opkeek,
beantwoordde Paul dien glimlach en dacht er niet meer aan.
Dien geheelen dag lag hij in bed te dommelen en te droomen, en naar
Toots te kijken; maar den volgenden dag stond hij op en ging naar
beneden. En zie daar, er haperde juist iets aan de groote klok, en een
man, die op een trapje stond, had de wijzerplaat afgenomen en peuterde
met instrumentjes in het werk, bij het licht van een eindje kaars! Dit
was eene zaak van gewicht voor Paul, die zich op den ondersten trap
zette en oplettend naar het werk bleef kijken; nu en dan een blik
werpende naar de wijzerplaat der klok, die dicht bij hem schuin tegen
den muur stond te leunen, daar hij zich niet kon ontdoen van het
vermoeden, dat die wijzerplaat naar hem keek.
De man op het trapje was zeer beleefd, en daar hij, toen hij Paul zag,
zeide: “Hoe gaat het, jonge heer?” raakte Paul met hem in gesprek en
vertelde hem dat hij eenigen tijd niet heel wel was geweest. Toen het
ijs aldus was gebroken, deed Paul hem eene menigte vragen over klokken
en uurwerken, en of er des nachts in de eenzame kerktorens menschen
waakten om ze te laten slaan, en hoe de klokken werden geluid als er
iemand stierf, en of dat andere klokken waren, dan die men bij het
trouwen luidde, dan of zij maar in de verbeelding der levenden zoo
akelig klonken. Daar hij bevond dat zijn nieuwe bekende niet wel
onderricht was op het punt van de avondklok in den ouden tijd, gaf Paul
hem eenige inlichtingen daarover, en vroeg hem ook, als een man van het
vak, wat hij dacht van koning Alfred’s denkbeeld om den tijd te meten
door het afbranden van kaarsen; waarop de man antwoordde, dat het, naar
zijne gedachte, eene ruïne voor de klokkenmakers zou zijn, als dat ooit
weder in de mode kwam. Kortom Paul bleef toekijken tot de klok weder
haar gewoon voorkomen had herkregen, en hare onveranderlijke vraag liet
hooren; waarop de man, na zijn gereedschap in eene lange mand te hebben
geborgen, hem goedendag wenschte en heenging. Vlak bij de deur
fluisterde hij echter nog even met den knecht, en in dit gefluister
kwam het woord oudmannetjesachtig—want Paul hoorde dit.
Wat kon dat oudmannetjesachtige wezen, dat de menschen altijd zoo
scheen te spijten?
Daar hij nu niet behoefde te leeren, dacht hij dikwijls daarover,
schoon niet zoo dikwijls als hij wel zou gedaan hebben, indien hij
minder dingen had gehad om aan te denken. Maar hij had er heel veel, en
dacht altijd, den geheelen dag lang.
Vooreerst, Florence zou op de partij komen. Florence zou zien dat de
jongens veel van hem hielden, en dat zou haar zulk een genoegen doen.
Dit was het voornaamste voor hem. Als Florence maar zeker was dat zij
goed en vriendelijk voor hem waren, en hij een kleine gunsteling onder
hen geworden was, zou zij altijd aan den tijd, dien hij daar had
doorgebracht, kunnen denken, zonder er heel bedroefd om te zijn.
Misschien zou zij er ook des te geruster om zijn, als hij weer
terugkwam.
Als hij weer terugkwam! Vijftigmaal daags ging hij stil naar boven naar
zijne kamer, ten einde zijne boeken en alle kleinigheden bij elkander
te zoeken, om alles, tot het minste toe, mede naar huis te nemen. Hij
scheen er geheel niet op te rekenen dat hij ooit weder terug zou komen;
niets van hetgeen hij dacht of deed stond daarmede in het minste
verband, behalve die enkele gedachte die op zijne zuster betrekking
had. Hij had integendeel, terwijl hij zoo peinzend en mijmerend door
het huis dwaalde, om alles wat hem gemeenzaam was te denken, als iets
waarvan hij afscheid moest nemen; en daardoor had hij aan zooveel te
denken, den geheelen dag lang.
Hij moest boven die kamers binnenkijken en denken hoe eenzaam zij
zouden zijn als hij weg was, en zich verwonderen hoeveel stille dagen,
weken, maanden en jaren lang zij nu ernstig en ongestoord zouden
blijven. Hij moest denken—zou daar ooit een ander kind
oudmannetjesachtig, evenals hij, rond dwalen, en dezelfde groteske
figuren in de behangsels en meubelen zien; en zou iemand dien jongen
dan van kleinen Dombey vertellen, die daar voorheen geweest was?
Hij moest aan het portret op de trap denken, dat hem altijd zoo ernstig
nazag als hij heenging en er over zijn schouder naar omkeek; en dat,
als hij het met iemand anders voorbijging, nog altijd naar hem en niet
naar dien anderen scheen te zien. Hij had veel te denken over die
plaat, die ergens anders hing, waarop in het midden eener verwonderde
groep eene gedaante stond, die hij kende, eene gedaante met een krans
van licht om het hoofd—zachtmoedig, goedertieren, barmhartig—en naar
boven wijzende.
Voor het venster van zijne slaapkamer kreeg hij nog andere gedachten,
die zich met deze vermengden, en elkander opvolgden gelijk de rollende
golven. Waar die wilde vogels woonden, die met onstuimig weder altijd
over de zee zweefden; waar de wolken oprezen en eerst begonnen, waar de
wind vandaan kwam en waar hij ophield; of de plek waar hij en Florence
zoo dikwijls over die dingen hadden zitten praten, wel ooit weder juist
dezelfde kon zijn, nu zij er niet meer waren; of zij ooit weder
dezelfde voor Florence kon zijn, als hij ver weg was en zij daar alleen
zat.
Hij moest ook aan Toots, en mijnheer Feeder, en aan al de jongens
denken; en aan doctor Blimber en mevrouw Blimber en Cornelia; aan
thuis, en aan zijne tante en jufvrouw Tox; aan zijn vader, Dombey en
Zoon, aan Walter met zijn armen ouden oom, die nu het geld had dat hij
noodig had, en aan dien kapitein met zijne grove stem en met zijne
ijzeren hand. Bovendien had hij in den loop van den dag nog een aantal
bezoeken te brengen: aan de schoolzaal, aan doctor Blimber’s
studeerkamer, aan mevrouw Blimber’s kamer, aan die van Cornelia, en aan
den hond. Want hij mocht nu vrij door het geheele huis gaan gelijk hij
wilde, en in zijn verlangen om van allen op een vriendschappelijken
voet te scheiden, poogde hij ieder nog eenige diensten te bewijzen. Nu
zocht hij plaatsen in boeken op voor Briggs, die nooit zelf iets kon
vinden; dan woorden in dictionnaires voor jonge heeren, die er mede
verlegen waren; dan hield hij eene streng voor mevrouw Blimber op als
zij zijde moest winden; dan legde hij de papieren in Cornelia’s
lessenaar te recht; somtijds sloop hij zelfs des doctors studeerkamer
binnen, en daar, aan zijne geleerde voeten gezeten, liet hij zachtjes
de globes draaien, en reisde zoo den aardbol rond, of nam eene vlucht
tusschen de verste sterren.
In die dagen onmiddellijk voor de vacantie, toen al de andere jonge
heeren aan eene algemeene repetitie der studiën van het gansche
halfjaar zwoegden, was Paul zulk een bevoorrecht leerling als men daar
in huis nog nooit gezien had. Hij kon het zelf haast niet gelooven;
maar zijne vrijheid bleef van uur tot uur, en van dag tot dag,
voortduren, en kleine Dombey werd door iedereen geliefkoosd. Doctor
Blimber was zoo oplettend voor hem, dat hij eens Johnson onder den
maaltijd van de tafel zond, omdat hij hem onbedacht dien armen kleinen
Dombey had genoemd; hetgeen Paul zelf wat al te hard vond, schoon hij
er op dat oogenblik van had geschrikt en zich verwonderd waarom Johnson
hem beklaagde. De rechtvaardigheid des doctors was te meer
twijfelachtig, dacht Paul, omdat hij dien grooten man zelven den
vorigen avond toestemmend had hooren antwoorden op een gezegde van
mevrouw Blimber, dat die arme lieve kleine Dombey hoe langer hoe meer
een oud mannetje werd. Paul begon nu te denken dat dit
oudmannetjesachtige daarin moest bestaan, dat iemand mager en licht
was, en heel gauw moede werd, en daarom gaarne overal ging liggen
rusten; want hij kon niet nalaten te gevoelen dat hem dit van dag tot
dag meer tot eene gewoonte werd.
Eindelijk kwam de dag van de partij; en toen zeide doctor Blimber bij
het ontbijt: “Jonge heeren, op den vijf en twintigsten van de volgende
maand zullen wij onze studiën hervatten.” Toots verzaakte
oogenblikkelijk alle onderdanigheid, en stak zijn ring aan zijn vinger;
en kort daarop in een toevallig gesprek van den doctor melding makende,
noemde hij dezen zelfs eenvoudig “Blimber!” Deze vrijpostigheid
vervulde de oudste leerlingen met bewondering en afgunst; maar de
jongere waren ontzet en schenen zich te verwonderen, dat er geen balk
kwam neervallen om hem te verpletteren.
Geen woord werd er aan het ontbijt of diner van het feest van dien
avond gerept; maar er was den geheelen dag eene buitengewone drukte in
huis, en op zijne omwandelingen maakte Paul kennis met verscheidene
vreemde banken en kandelaren, en ontmoette hij eene harp met eene
groene jas aan, die bij de deur van het salon op het portaal stond. Er
was bij het diner ook iets wonderlijks aan mevrouw Blimber’s hoofd,
alsof zij hare haren al te stijf had opgebonden; en hoewel Cornelia aan
beide slapen eene sierlijke vlecht ten toon droeg, scheen zij daaronder
toch hare eigene krulletjes in papillotten te hebben, en dat wel in
stukken van een tooneelbiljet, want boven een van hare schitterende
brilleglazen las Paul “Theatre Royal,” en boven het andere “Brighton.”
Er was, toen de avond naderde, eene groote tentoonstelling van witte
vesten en dassen in de slaapkamers der jonge heeren, en zulk een reuk
van gezengd haar, dat doctor Blimber den knecht naar boven zond, om met
zijn compliment te vragen of het huis ook in brand stond. Maar het was
slechts de kapper, die de jonge heeren friseerde en in zijne drukte
zijne tang wat al te heet had laten worden.
Toen Paul gekleed was—dat men zeer vlug deed, want hij gevoelde zich
niet wel en slaperig, en kon het niet lang uithouden—ging hij beneden
naar het salon, waar hij doctor Blimber vond op- en neerstappen,
bijzonder net gekleed, maar met een deftig en onverschillig gezicht,
alsof hij het niet meer dan mogelijk achtte, dat hij dien avond een
paar visites zou krijgen. Kort daarop verscheen mevrouw Blimber, en zag
er allerliefst uit, dacht Paul, met zulk eene wijdte van rok, dat het
eene heele wandeling was om haar heen te gaan. Cornelia kwam kort na
hare mama, en zag er uit alsof zij wat te sterk was ingeperst, maar
anders bekoorlijk.
Toots en mijnheer Feeder waren de volgenden die kwamen. Beide hadden
den hoed in de hand, alsof zij ergens anders woonden, en toen zij door
den bottelier werden aangediend, zeide doctor Blimber: “Zoo, zoo! Wel
heb ik ooit!” en scheen buitengemeen verheugd hen te zien. Toots
schitterde overal van juweelen en knoopen, en gevoelde dit zoo sterk,
dat hij, na den doctor de hand gegeven en voor mevrouw en Cornelia
gebogen te hebben, Paul ter zijde nam, en vroeg: “Wat vindt gij er nu
van, Dombey?”
Maar in weerwil van dit bescheiden zelfvertrouwen, scheen Toots in
groote onzekerheid te verkeeren, of het wel behoorlijk was den
ondersten knoop van zijn vest dicht te hebben, en of het, alle
omstandigheden in aanmerking nemende, beter was zijne witte mouwboorden
op- of neergeslagen te dragen. Toen hij zag dat die van Feeder waren
opgeslagen, sloeg Toots ook de zijne op; maar toen de volgende heer de
zijne neer had, sloeg hij ze ook neer. De verscheidenheden in het
knoopen van het vest, niet alleen van onderen maar ook van boven,
werden, toen er meer heeren kwamen, zoo talrijk en ingewikkeld, dat
Toots gedurig met zijne vingers langs dat kleedingstuk vloog alsof hij
op een instrument speelde, en eindelijk niet meer scheen te weten hoe
zich te helpen.
Toen al de jonge heeren, met stijve dassen, gefriseerd haar,
dansschoenen aan en hun besten hoed in de hand, een voor een aangediend
waren, kwam Baps, de dansmeester, vergezeld door mevrouw Baps, voor
welke mevrouw Blimber buitengemeen vriendelijk was. Baps was een zeer
deftig en ernstig heer, met eene langzame, afgemetene manier van
spreken, en eer hij vijf minuten onder den lustre had gestaan begon hij
met Toots (die stilzwijgend hunne schoenen had staan vergelijken) er
over te praten, wat gij met uwe ruwe grondstoffen doen zoudt als zij
naar uwe havens kwamen om uw goud uit het land te halen. Toots, wien
die vraag zeer netelig voorkwam, gaf aan de hand ze “te koken;” maar
Baps scheen niet te denken dat dit baten zou.
Paul liet zich nu van de gekussende sofa glijden, die zijn observatie
post was geweest, en ging naar beneden in de kamer waar thee geschonken
werd, om op Florence te wachten, die hij in bijna veertien dagen niet
had gezien, daar hij den vorigen zaterdag en zondag bij doctor Blimber
was gebleven, uit vrees dat hij kou zou vatten. Weldra kwam zij, en zag
er met haar eenvoudig balkleedje en frissche bloemen in de hand zoo
heerlijk uit, dat, toen zij op den grond knielde om Paul om den hals te
pakken en te kussen (want er was daar niemand behalve zijne vriendin en
nog een jong dienstmeisje, om thee te schenken), hij er nauwelijks toe
kon besluiten om haar weder los te laten, en haar hare heldere,
liefdevolle oogen van de zijne te laten afwenden.
“Maar wat scheelt er aan, Flore?” vroeg Paul, bijna zeker dat hij een
traan in die oogen zag.—“Niets, broertjelief, niets,” antwoordde
Florence.
Paul raakte met zijn vinger zacht hare wang aan—en het was een traan!
“Waarom, Flore?” zeide hij.
“Wij zullen samen naar huis gaan, en ik zal u wel oppassen, lieve
Paul,” zeide Florence.—“Mij oppassen!” herhaalde Paul.
Paul kon niet begrijpen hoe dit te pas kwam, of waarom de twee
dienstmeisjes zoo ernstig toekeken, of waarom Florence even haar hoofd
omkeerde, en hem toen weder helder glimlachend aanzag.
“Flore,” zeide Paul, eene lok van haar donker haar tusschen zijne
vingers houdende. “Zeg mij toch, lieve! Vindt gij dat ik
oudmannetjesachtig ben geworden?”
Zijne zuster lachte en liefkoosde hem, en zeide: “Neen!”—“Omdat ik wel
weet dat zij dat van mij zeggen,” hervatte Paul, “en ik wilde weten wat
zij daarmede meenen, Flore.”
Maar er werd nu hard aan de deur geklopt, en Florence snelde naar de
tafel, en er werd niets meer tusschen hen gezegd. Paul verwonderde zich
weder toen hij zijne vriendin met Florence zag fluisteren, alsof zij
haar troostte; maar de komst van een nieuw troepje gasten bracht hem
dit spoedig uit het hoofd.
Het waren Sir Barnet Skettles, Lady Skettles en jonge heer Skettles. De
laatste zou na de vacantie op het instituut komen, en de faam was in
Feeder’s kamer reeds met zijn vader bezig geweest, die lid van het
parlement was, en van wien Feeder zeide dat hij, als hij eens het woord
nam (hetgeen men reeds drie of vier jaren van hem verwacht had), de
Radicalen denkelijk geducht zou raken.
“En wat is nu deze kamer, bij voorbeeld?” zeide Lady Skettles tot
Paul’s vriendin, Melia.—“Doctor Blimber’s studeerkamer, mevrouw,” was
het antwoord.
Lady Skettles nam het vertrek door haar lorgnet op, en zeide, met een
goedkeurend knikje, tot Sir Barnet: “Heel wel!” Sir Barnet stemde dit
toe, maar de jonge heer keek achterdochtig en twijfelachtig.
“En dit jongetje nu,” zeide Lady Skettles, zich naar Paul keerende; “is
hij een van de....”—“Jonge heeren, mevrouw; ja, mevrouw,” zeide Paul’s
vriendin.—“En hoe heet gij, mijn bleek jongetje?” zeide Lady
Skettles.—“Dombey,” antwoordde Paul.
Dadelijk viel Sir Barnet Skettles er op in, en zeide, dat hij de eer
had gehad van Paul’s vader aan een openbaar diner te zien, en dat hij
hoopte dat hij nog wèl voer. Daarna hoorde Paul hem tegen Lady Skettles
zeggen: “City—heel rijk—hoogst respectabel—de doctor heeft er mij van
gesproken.” En toen zeide hij tot Paul: “Wilt gij uw goeden papa wel
zeggen dat Sir Barnet Skettles zeer verheugd was te hooren dat hij nog
wèl voer, en hem zijn beleefd compliment laat doen?”—“Ja, mijnheer,”
antwoordde Paul.—“Dat is een cordate jongen,” zeide Sir Barnet
Skettles. “Barnet,” tot den jongen heer, die zich voor de aanstaande
studiën bij voorraad op den tulband wreekte, “dit is een jonge heer met
wien gij wel kennis kunt maken. Dit is een jonge heer met wien gij
kennis moogt maken, Barnet;” zeide hij, met bijzonderen nadruk op dit
verlof.—“Welke oogen! Welke krullen! Wat een lief gezichtje!” riep Lady
Skettles zachtjes uit, terwijl zij Florence door haar lorgnet
opnam.—“Mijne zuster,” zeide Paul.
De Skettles’sen waren nu opgetogen; en daar Lady Skettles reeds op het
eerste gezicht veel zin in Paul had gekregen, gingen allen te zamen
naar boven. Sir Barnet Skettles leidde Florence, en de jonge Barnet
kwam achteraan.
Toen zij het salon hadden bereikt bleef deze jonge heer echter niet
lang op den achtergrond; want doctor Blimber had hem dadelijk naar
voren en met Florence aan het dansen. Het kwam Paul voor dat hij niet
bijzonder vergenoegd, maar integendeel tamelijk slecht in zijn humeur
was; maar daar hij Lady Skettles, die met haar waaier de maat sloeg,
tot mevrouw Blimber hoorde zeggen, dat haar lieve jongen duidelijk al
smoorlijk verliefd was op het engelachtige kind, jonge jufvrouw Dombey,
scheen het wel dat Skettles Junior niet wilde toonen hoe zalig hij was.
Kleine Paul vond het iets vreemds dat niemand zijne plaats tusschen de
kussens op de sofa had ingenomen, en dat, toen hij weder in de kamer
kwam, iedereen ruimte voor hem maakte om er weder naar toe te gaan. Ook
bleef er niemand voor hem staan toen men opmerkte dat hij Florence
gaarne zag dansen, maar men liet de plaats geheel vrij, zoodat hij haar
met zijne oogen kon volgen. Zij waren zoo vriendelijk ook, zelfs de
vreemdelingen, die er spoedig in groot aantal waren, dat zij hem
telkens kwamen aanspreken, en hem vroegen hoe hij het maakte, en of hij
hoofdpijn had, en of hij niet moe was. Hij was hun wel dankbaar voor al
die goedheid en oplettendheid, en door kussens gesteund in zijn hoekje
zittende, met Lady Skettles en mevrouw Blimber op dezelfde sofa,
terwijl Florence op het eind van elken dans naast hem kwam zitten,
bleef hij zeer vergenoegd toekijken.
Florence had den geheelen avond bij hem willen blijven en liever geheel
niet dansen, maar Paul bewoog haar daartoe door haar te zeggen hoeveel
behagen hij daarin had. En hij zeide haar de waarheid; want zijn hartje
verhief zich en zijn gezichtje gloeide, als hij zag hoe iedereen haar
bewonderde en zij het schoonste rozeknopje der danszaal was.
Van zijne rustplaats tusschen de kussens kon Paul bijna alles zien en
hooren wat er omging, alsof alles alleen voor zijn vermaak gedaan werd.
Onder andere kleine voorvallen merkte hij op dat mijnheer Baps, de
dansmeester, met Sir Barnet Skettles in gesprek trad, en hem al zeer
spoedig vroeg, evenals hij Toots had gedaan, wat hij met zijne ruwe
grondstoffen doen zou als zij naar zijne havens kwamen en het goud
wegliep—hetgeen voor Paul zoo iets raadselachtigs was, dat hij zeer
verlangde te hooren wat er toch eigenlijk mee gedaan moest worden. Sir
Barnet Skettles had er veel over te zeggen, en zeide dit ook, maar het
scheen toch de vraag niet op te lossen, want Baps hervatte: “Ja, maar
als Rusland dan ook met zijn talk aankwam?” hetgeen Sir Barnet bijna
deed verstommen, want toen kon hij slechts zijn hoofd schudden en
zeggen, wel dan moest men zich maar aan zijne katoenen stoffen houden,
dacht hij.
Sir Barnet Skettles keek Baps na, toen hij mevrouw Baps wat ging
opvroolijken (die, daar zij geheel verlaten was, zich hield alsof zij
het muziekboek doorkeek van den heer die de harp bespeelde) alsof hij
hem voor een merkwaardig persoon hield; en zeide dit ook kort daarop
met zoovele woorden tot doctor Blimber, er bijvoegende of hij wel zoo
vrij mocht zijn om te vragen wie hij was, en of hij ooit in den Raad
van Koophandel had gezeten. Doctor Blimber antwoordde van neen, dat hij
dit niet geloofde, dat hij eigenlijk een vak had....
“Dat met de statistiek in verband staat, zou ik durven zweren?” viel
Sir Barnet er op in.—“Dat juist niet, Sir Barnet,” antwoordde doctor
Blimber, zijne kin wrijvende. “Om de waarheid te zeggen, mijnheer Baps
is een braaf man, Sir Barnet; maar eigenlijk is hij—onze dansmeester.”
Paul verwonderde zich zeer dat dit bericht Sir Barnet eene geheele
andere meening van mijnheer Baps deed opvatten, dat hij zelfs woedend
kwaad scheen te worden, met gloeiende oogen naar Baps omkeek, en
naderhand, toen hij het geval aan Lady Skettles vertelde, zeide dat de
kerel wel een dansmeester moest zijn om zoo verd...d onbeschaamd te
wezen.
Er was nog iets dat Paul opmerkte. Mijnheer Feeder begon, nadat hij
verscheidene glaasjes bisschop had gedronken, bijzonder vroolijk te
worden. Het dansen was over het geheel zeer stijf en de muziek
plechtig—zij geleek eenigszins naar kerkmuziek—maar na die glaasjes
bisschop zeide Feeder tegen Toots, dat hij er wat leven in zou brengen;
en daarna begon hij niet alleen te dansen, zoodat het werkelijk dansen
mocht heeten, maar de muziek ook heimelijk op te stoken om wilde
deuntjes te spelen. Verder werd zijne oplettendheid voor de dames zeer
in het oog loopend; en met Cornelia dansende fluisterde hij haar iets
in het oor—haar iets in het oor!—maar niet zoo zacht of Paul verstond
deze buitengemeene dichtregelen:
“Had ik een hart dat valsch kon zijn,
U kon ik nooit bedriegen!”
Dit hoorde Paul hem vier jonge dames achter elkander toefluisteren. Wel
mocht hij tot Toots zeggen, dat hij vreesde dat het hem morgen zou
opbreken.
Mevrouw Blimber maakte zich een weinig ongerust over
dit—vergelijkenderwijs—losbandige gedrag, en vooral over de verandering
in de muziek, die, daar zij nu ook gemeene straatdeuntjes begon te
laten hooren, Lady Skettles wel aanstoot zou kunnen geven. Maar deze
dame was zoo goed om mevrouw Blimber te verzoeken, dat zij er maar niet
van zou spreken, en nam hare verontschuldiging dat mijnheer Feeder’s
levendigheid van geest hem bij zulk eene gelegenheid somtijds tot
kleine buitensporigheden verleidde, zeer beleefd en vriendelijk op,
aanmerkende dat hij voor zijn stand een heel aardig man scheen te zijn,
en haar vooral de netheid beviel waarmede hij zijn haar droeg, dat
(gelijk reeds gezegd is) ongeveer een kwartduim lang was.
Eens, bij eene pauze in het dansen, zeide Lady Skettles tot Paul, dat
hij veel van muziek scheen te houden. Paul antwoordde dat dit zoo was,
en dat zij, als zij er ook zooveel van hield, zijne zuster Florence
eens moest hooren zingen. Terstond ontdekte Lady Skettles dat zij bijna
stierf van verlangen naar dit genot; en hoewel Florence er eerst van
schrikte dat men haar vroeg om voor zooveel menschen te zingen, en
ernstig verzocht dat men haar toch daarvan zou verschoonen, liet zij
zich echter overhalen toen Paul haar bij zich riep en zeide: “Och toe,
Flore! voor mij lieve Flore!” Zij ging dadelijk naar de piano en begon;
en toen allen wat op zijde gingen, zoodat Paul haar kon zien, en hij
haar daar alleen zag zitten, zoo jong, en zoo goed, en zoo schoon, en
zoo vriendelijk voor hem; en hare heldere stem hoorde, zoo natuurlijk
en bevallig, zulk een gouden band tusschen hem en alle liefde en geluk
in zijn leven, moest hij zijn hoofd omkeeren om zijne tranen te
verbergen. Niet, gelijk hij zeide, toen men hem aansprak, omdat de
muziek te treurig of te aandoenlijk was, maar omdat zij hem zoo lief
was.
Iedereen kreeg Florence lief. Hoe konden zij het laten. Paul had vooraf
wel geweten dat zij moesten en zouden; terwijl hij daar tusschen de
kussens in zijn hoekje zat, met kalm gevouwene handjes, en het eene
been los onder zich geslagen, hadden weinigen kunnen raden welke
trotsche blijdschap zijne kinderlijke borst deed zwellen, of welk eene
zoete rust hij gevoelde. Lofspraken op “Dombey’s zuster” klonken hem
van al de jongens in de ooren; iedereen verwonderde zich over het
bescheidene zelfvertrouwen der jonge schoone; gedurig sprak men over
hare geestigheid en hare talenten; en, als ware het zwevende in de
lucht van een zomernacht, spreidde zich een half begrepen gevoel voor
Florence en hem in het rond, dat hem roerde en streelde.
Hij wist niet waarom. Want al wat hij dien avond opmerkte, gevoelde en
dacht—al het tegenwoordige en afwezige, het heden en verleden—smolt in
elkander weg gelijk de kleuren van een regenboog, of van de pluimage
van fraaie vogelen wanneer de zon ze beschijnt, of gelijk de zacht
geschakeerde tinten der lucht wanneer die zon ondergaat. De vele
dingen, waaraan hij in den laatsten tijd had moeten denken, zweefden
hem in de muziek voorbij, niet alsof zij nogmaals zijne aandacht
eischten, of dat zij die waarschijnlijk ooit weder zouden bezig houden,
maar als vreedzaam afgedaan en bezorgd. Een eenzaam venster, waarvoor
hij jaren geleden had staan turen, zag uit over een oceaan, mijlen en
mijlen ver; op de golven lagen de invallende gedachten, die hem
gisteren nog zoo woelig bezig hadden gehouden, nu rustig te slapen.
Hetzelfde geheimzinnig gemurmel, waarover hij zich verwonderd had, toen
hij in zijn wagentje op het strand lag, meende hij nog door het gezang
zijner zuster, het gebrom van stemmen en het gescharrel van voeten te
hooren klinken; het was alsof het zelfs eenig deel had aan de
gezichten, die hem voorbijdwarrelden, en aan de botte vriendelijkheid
van Toots, die hem dikwijls de hand kwam geven. Door de algemeene
welwillendheid heen meende hij het nog te hooren; zelfs zijn naam van
oudmannetjesachtigheid scheen er, hij wist niet hoe, in verband mede te
staan. Zoo zat kleine Paul te luisteren, te mijmeren en te droomen, en
was zeer vergenoegd.
Tot het tijd werd om afscheid te nemen; en toen kwam het geheele
gezelschap in beweging. Sir Barnet Skettles bracht Skettles junior bij
hem om hem de hand te geven, en vroeg hem of hij wel zou willen
onthouden om zijn goeden papa te zeggen, met zijne bijzondere
complimenten, dat hij, Sir Barnet Skettles, gezegd had te hopen dat de
twee jonge heeren gemeenzame bekenden zouden worden. Lady Skettles gaf
hem een kus, en streek het haar van zijn voorhoofd weg en sloot hem in
hare armen, en zelfs mevrouw Baps—die arme mevrouw Baps! Paul was er
blijde om—kwam van het muziekboek van den heer, die de harp speelde af,
en nam even hartelijk afscheid van hem als iemand anders in de kamer.
“Goedendag, doctor Blimber,” zeide Paul, zijn handje
toereikende.—“Goedendag, mijn vriendje,” antwoordde de doctor.—“Ik
blijf u wel verplicht, mijnheer,” zeide Paul, hem argeloos in het
geduchte gezicht kijkende. “Zult gij hun vragen, als het u belieft, dat
zij goed voor Diogenes zorgen?”
Diogenes was de hond,—die nooit vóór Paul een vriend in zijn vertrouwen
had genomen. De doctor beloofde dat men, gedurende Paul’s afwezigheid,
alle mogelijke oplettendheid voor Diogenes zou hebben; en nadat Paul
hem nog eens bedankt en de hand gegeven had, zeide hij mevrouw Blimber
en Cornelia vaarwel, met zulk eene hartelijkheid en ernst, dat mevrouw
Blimber van dat oogenblik af vergat om Lady Skettles van Cicero te
spreken, hoewel zij het den geheelen avond vast voornemens was geweest.
Cornelia nam Paul’s beide handjes in de hare en zeide: “Dombey, Dombey,
gij zijt altijd mijn liefste leerling geweest. God zegene u!” En dit
bewees, dacht Paul, hoe licht men iemand onrecht kon doen; want
Cornelia, hoewel zij hem het leven zoo zuur had gemaakt, meende het en
gevoelde het.
Een gemompel liep onder de jonge heeren de kamer door: “Dombey gaat
heen!—Kleine Dombey gaat heen!” en er ontstond een algemeen gedrang de
trap af naar het voorhuis, achter Paul en Florence. De geheele familie
Blimber ging mede. Zoo iets, zeide Feeder hardop, was, zoover hij zich
kon herinneren, nog nooit met een jongen heer gebeurd; maar het zou
moeielijk te zeggen zijn of dit de nuchtere waarheid of de bisschop
was. De dienstboden, met den bottelier aan het hoofd, stelden er allen
belang in om kleinen Dombey te zien heengaan; zelfs het jonge mensch
met zwakke oogen, dat zijne boeken en koffers naar de koets droeg,
welke hem en Florence voor dien nacht naar mevrouw Pipchin zou brengen,
was zichtbaar aangedaan.
Zelfs niet de invloed van den meest verteederenden hartstocht op de
jonge heeren—en allen waren op Florence verliefd—kon hen weerhouden om
een luidruchtig afscheid van Paul te nemen, hem met hoeden na te
wuiven, elkander te verdringen om hem de hand te geven, een voor een te
roepen “Dombey, vergeet mij niet!” en zich meer dergelijke zulke
uitbarstingen van gevoel te veroorloven, zeer ongewoon bij deze
jeugdige Chesterfield’s. Toen Florence Paul inbakerde, eer de deur werd
opengedaan, fluisterde hij haar toe—Had zij dat gehoord? Zou zij het
ooit vergeten? Was zij er niet blij mee? En uit zijne oogen straalde de
levendigste blijdschap toen hij dit zeide.
Nog eens keerde hij zich om, en wierp een laatsten blik op de naar hem
gerichte gezichten, en verwonderde zich hoe helder en hoe talrijk zij
waren, en hoe zij boven elkander waren opgestapeld, gelijk de gezichten
in eene volle schouwburgzaal. Terwijl hij nog keek, dwarrelden zij voor
zijne oogen alsof hij ze in een spiegel zag, die niet stil hing, en een
oogenblik later was hij buiten in de donkere koets en klemde hij zich
aan Florence vast. Wanneer hij naderhand aan het huis van doctor
Blimber dacht, kwam het hem altijd weder voor den geest gelijk hij het
toen voor het laatst had gezien; nooit scheen het weder een werkelijk
huis te zijn, maar altijd een droom, en vol oogen.
Dit was echter het laatste afscheid nog niet. Onverwacht schoof Toots
een van de portierglazen neer, keek binnen en zeide giggelend: “Is
Dombey daar?” en schoof het dadelijk weder op, zonder naar antwoord te
wachten. Zelfs dit was het laatste nog niet; want eer de koetsier kon
oprijden, schoof Toots even onverwacht het andere portier neer, keek
met hetzelfde gegiggel binnen, zeide met dezelfde stem: “Is Dombey
daar?” en verdween evenals te voren.
Wat lachte Florence! En hoe dikwijls dacht Paul daar nog aan en wat
lachte hij dan ook!
Maar er was veel, kort daarop—des anderen daags en naderhand—dat Paul
zich slechts verward kon herinneren. Zooals, waarom zij dagen en
nachten bij mevrouw Pipchin bleven, in plaats van naar huis te gaan;
waarom hij in bed lag en Florence daar naast bleef zitten; of het zijn
vader was geweest in de kamer, of maar eene lange schaduw op den muur;
of hij zijn dokter van iemand had hooren zeggen, dat, als zij hem
hadden weggebracht vóór den dag waarvan hij zich zooveel had
voorgesteld, met eene verbeelding te krachtiger omdat hij zelf zoo zwak
was, het wel mogelijk was dat hij zich zou hebben doodgetreurd.
Hij kon zich zelfs niet herinneren of hij dikwijls tot Florence gezegd
had: “Och Flore, breng mij naar huis en verlaat mij nooit weer!” maar
hij dacht het wel. Hij verbeeldde zich somtijds dat hij zich zelven had
hooren herhalen: “Breng mij naar huis, Flore, breng mij naar huis!”
Maar hij kon zich herinneren, toen hij thuis kwam en de welbekende trap
werd opgedragen, dat hij vele uren lang het rommelen van eene koets had
gehoord, terwijl hij op de bank lag, met Florence nog naast hem en de
oude mevrouw Pipchin aan den overkant. Hij herinnerde zich ook zijn
vroeger ledikantje, toen men hem weder daarin legde, en zijne tante,
jufvrouw Tox en Suze. Maar er was nog iets anders, en dat wel kort
geleden, dat hem verbijsterde.
“Ik wilde Florence spreken, als het u belieft,” zeide hij. “Florence
alleen, voor een oogenblik.”
Zij boog zich over hem heen, en de anderen bleven achteruit.
“Flore, mijn liefje, was dat niet papa, in het voorhuis, toen ze mij
uit de koets haalden?”—“Ja, broertje lief.”—“Hij schreide toch niet, en
ging niet naar zijne kamer, deed hij wel, Flore, toen hij mij zag
binnenkomen?”
Florence schudde haar hoofd, en drukte hare lippen op zijne wang.
“Ik ben blij dat hij niet schreide,” zeide Paul. “Ik dacht dat hij dat
gedaan had. Zeg hem maar niet, dat ik er naar gevraagd heb.”