SCHEEPSTIJDINGEN EN KANTOORZAKEN.

Het kantoor van Dombey was in eene blindloopende straat of pleintje,

waar op den hoek een stalletje met eene keur van fijne fruit was

gevestigd, en tusschen tien en vijf uur wandelende kooplieden, van

beide seksen, pantoffels, zakportefeuilles, sponsen, halsbanden voor

honden, en stukjes zeep te koop boden; en somtijds ook een brak of eene

schilderij in olieverf.

Als de brak dien weg kwam, was het met het oog op de effectenbeurs,

waar een smaak voor jachtvermaken (doorgaans uit weddenschappen om

nieuwe hoeden spruitende) zeer in de mode is. De andere dingen waren

voor het publiek in het algemeen bestemd; maar zij werden door de

kooplieden nooit aan Dombey aangeboden. Als hij kwam gingen zij

eerbiedig op zijde. De voornaamste pantoffel- en halsbandman—die zich

zelven voor een publiek persoon hield, en wiens portret in Cheapside op

de deur van een schilder was geschroefd—wees, als mijnheer Dombey

voorbijkwam, met zijn voorvinger naar den rand van zijn hoed. De kruier

van de buurt liep, als hij niet met eene boodschap uit was, altijd

gedienstig vooruit, om de deur van het kantoor zoo wijd mogelijk open

te doen, en hield ze met den hoed in de hand open, terwijl Dombey

binnenging.

De klerken daarbinnen waren vooral niet achterlijk met hunne bewijzen

van eerbied. Er heerschte eene plechtige stilte, wanneer Dombey het

buitenkantoor door kwam. De grappenmaker onder den troep werd in een

oogenblik even stom als de rij lederen brandemmers, die omhoog achter

hem hing. Het flauwe daglicht, dat door de vensters en lantarens van

dof geslepen glas heendrong, vertoonde de boeken en papieren, en de

daarover gebogene gedaanten, in eene deftige schemering, zoozeer van de

buitenwereld afgezonderd, alsof zij op den bodem van den oceaan

verzameld waren; terwijl een duf, gewelfd brandkamertje in het duistere

verschiet, waar altijd eene lamp met een schermpje brandde, de grot van

een zeemonster had kunnen verbeelden, dat met een vurig oog deze

geheimen der diepte verspreidde.

Wanneer Perch, de boodschaplooper, die zijne vaste plaats op een bankje

had, dat hem eenigszins naar eene staande klok op eene console deed

gelijken, Dombey zag binnenkomen—of liever als hij hem voelde aankomen,

want hij werd meestal door zeker instinct voor zijne nadering

gewaarschuwd—haastte hij zich naar Dombey’s kamer, pookte het vuur op,

schudde er versche kolen uit den emmer bij, hing de courant op den

haardrand te drogen, zette den stoel gereed en het vuurscherm op zijne

plaats, en draaide, juist op het oogenblik dat Dombey binnenkwam, op

zijn hiel rond, om hem zijne overjas en hoed af te nemen en op te

hangen. Dan nam Perch de courant, zwaaide ze nog een paar malen voorbij

het vuur, en legde ze eerbiedig bij Dombey’s elleboog. En zoo weinig

bezwaar had Perch in het betoonen van den uitersten eerbied, dat het

hem des te beter zou hebben bevallen als hij zich zelven voor Dombey’s

voeten had mogen werpen, en hem met zulke titels aanspreken als men den

Kalif Haroun Alraschid placht te geven.

Daar dit eerbewijs echter eene gewaagde nieuwigheid zou zijn geweest,

moest Perch zich vergenoegen met zoo goed hij kon door zijne houding

uit te drukken: gij zijt het licht van mijne oogen; gij zijt de adem

mijner ziel; gij zijt de beheerscher van den geloovigen Perch! Door dit

onvolmaakte geluk opgebeurd, sloot hij zachtjes de deur, ging op de

teenen heen, en liet zijn grooten meester onder den glazen koepel in

het plat zitten, aangestaard door leelijke schoorsteenen en achtermuren

van huizen, en vooral door een onbeschaamd venster van een

haarsnijsalon, waar een wassen borstbeeld, des morgens zoo kaal als een

Turk, en na elf uur met den weligsten haartooi volgens de laatste

christelijke mode versierd, hem eeuwiglijk den achterkant van zijn

hoofd toonde.

Tusschen Dombey en de gewone wereld, gelijk zij door het buitenkantoor

toegankelijk was, bestonden twee trappen van afdaling. Mijnheer Carker

in zijn eigen kantoor was de eerste trap; mijnheer Morfin in zijn eigen

kantoor was de tweede. Ieder van deze heeren had een vertrekje gelijk

een badkamertje, dat bij de deur van Dombey in den gang uitkwam.

Carker, als Groot Vizier, bewoonde het vertrek dichtst bij den Sultan.

Morfin, als van lager rang, had de kamer dichtst bij de klerken.

De laatstgenoemde heer was een tamelijk bejaard oud vrijer, met een

vroolijk uitzicht en lichtbruine oogen; deftig gekleed, wat zijne

bovenste helft betrof, in het zwart, en wat de beenen aanging, in

peper- en zoutkleur. Zijne donkere haren hadden hier en daar een vlekje

grijs, alsof de voetstap van den tijd ze bespat had, en zijn bakkebaard

was reeds wit. Hij had een grooten eerbied voor Dombey en bewees hem

verplichte hulde; maar daar hij zelf van een vroolijk temperament was,

en nooit geheel op zijn gemak in het bijzijn van zijn statigen patroon,

kwelde hem geene jaloezie op de vele mondgesprekken die Carker ten deel

vielen, en was hij zelfs heimelijk vergenoegd dat hij een post waarnam,

welke hem slechts zelden er aan blootstelde om tot zulk eene

onderscheiding te worden uitgekozen. Hij was op zijne manier een groot

muziekliefhebber—na de zaken; en koesterde eene vaderlijke genegenheid

voor zijne violoncel, die eens in de week van Islington, zijne

woonplaats, naar zeker salon dicht bij de Bank werd gebracht, waar eene

vereeniging van liefhebbers elken woensdagavond de gruwelijkste en

martelendste quartetten speelde.

Carker was een heer van acht en dertig of veertig jaren, met eene

blozende kleur, en twee ongeschonden rijen glinsterende tanden, welker

regelmatigheid en witheid iets hinderlijks hadden. Het was onmogelijk

er niet op te letten, want hij liet ze altijd zien wanneer hij sprak,

en had zulk een breeden glimlach (die zich echter zeer zelden verder

dan zijn mond uitstrekte) dat zijn gezicht bij het lachen eenigszins

naar dat van eene blazende kat geleek. Hij droeg eene stijve witte das,

op het voorbeeld van zijn principaal, en was altijd spannend gekleed en

dicht toegeknoopt. Zijne houding tegenover Dombey was diep doordacht.

Hij was gemeenzaam met hem, juist om het uiterste van zijn gevoel van

den afstand tusschen hen uit te drukken. “Mijnheer Dombey, voor iemand

in uwe positie van iemand in de mijne, is er geene vertooning van

onderdanigheid, zoover maar met het behandelen van zaken vereenigbaar

is, die ik genoegzaam kan achten. Ik zeg u daarom rondborstig,

mijnheer, ik zie er geheel van af. Ik gevoel dat ik mij zelven niet zou

kunnen voldoen, en gij, mijnheer Dombey, kunt mijne ontoereikende

pogingen wel missen.” Als hij deze woorden op een biljet gedrukt op de

borst van zijn rok had gedragen, om ze Dombey telkens te laten lezen,

had hij niet duidelijker kunnen zijn.

Dit was Carker de chef. Carker junior, Walter’s vriend, was zijn

broeder, twee of drie jaren ouder dan hij, maar ver beneden hem in

stand. De jongste broeder stond op de bovenste sport van de ladder, de

oudste geheel onderaan. De oudste broeder klom nooit eene sport hooger,

lichtte zelfs nooit een voet op om dat te doen. Jongelieden sprongen

hem voorbij en kwamen al hooger en hooger; maar hij bleef altijd

onderaan. Hij was volkomen tevreden met dien lagen rang, klaagde er

nooit over en had zeker nooit gehoopt er zich boven te verheffen.

“Hoe vaart gij van morgen?” zeide Carker de chef, op zekeren ochtend de

kamer van Dombey binnenkomende, met eenige papieren in de hand.—“Hoe

vaart gij, Carker?” zeide Dombey, van zijn stoel opstaande en zich met

den rug naar het vuur plaatsende. “Hebt ge daar iets voor mij?”—“Ik

weet niet of ik u wel behoef lastig te vallen,” antwoordde Carker, de

papieren in zijne hand naziende. “Gij hebt vandaag om drie uren eene

vergadering, zooals gij weet.”—“En nog eene kwartier voor vieren,”

zeide Dombey.—“Laat men u eens betrappen dat gij iets vergeet!” riep

Carker uit, nog zijne papieren naziende. “Als jonge heer Paul uw

geheugen erft, zal hij een lastige patroon zijn. Wij hebben al genoeg

aan één zoo.”—“Gij hebt zelf een goed geheugen,” zeide Dombey.—“O, ik,”

antwoordde Carker. “Dat is het eenige kapitaal van iemand als ik.”

Dombey keek niet minder statig, en ook geheel niet misnoegd, terwijl

hij, tegen den schoorsteenmantel leunende, zijn (natuurlijk hiervan

geheel onbewusten) boekhouder, van het hoofd tot de voeten opnam. De

stijfheid en netheid van Carker’s kleeding, en zekere aanmatiging in

zijne manieren, die hem of natuurlijk of naar een niet ver verwijderd

model gevolgd was, gaven zijne nederigheid iets nog meer in het oog

loopends. Hij scheen een man te zijn, die, als hij kon, wel had willen

kampen tegen de macht, die hem overwon, maar door de grootheid van

Dombey geheel overstelpt werd.

“Is Morfin hier?” vroeg Dombey na eene korte poos van stilte, waaronder

Carker in zijne papieren had gebladerd en bij zich zelven het een en

ander daaruit gepreveld.—“Ja, Morfin is hier,” antwoordde hij met zijn

breedsten glimlach opziende, “en neuriet muzikale herinneringen—uit de

quartetten van gisteravond denk ik,—door den muur tusschen ons, dat ik

er half dol van word. Ik wenschte dat hij een vreugdevuurtje van zijn

violoncel stookte en daarin zijne muziekboeken verbrandde.”—“Gij

respecteert toch niemand, Carker,” zeide Dombey hierop.—“Niet?” zeide

Carker, met nog eene breede en allerkatachtigste vertooning van zijne

tanden. “Wel! Niet veel menschen, geloof ik. Misschien,” prevelde hij,

alsof hij dit maar bij zich zelven dacht, “niet meer dan een.”

Eene gevaarlijke eigenschap, indien zij echt, en niet minder gevaarlijk

als zij maar geveinsd is. Maar Dombey scheen zoo niet te denken,

terwijl hij, tot zijne volle lengte uitgerekt, met zijn rug naar het

vuur stond, en zijn eersten boekhouder aanzag met eene deftige

bedaardheid, waarin een nog sterker gevoel van macht dan gewoonlijk

scheen te schuilen.

“Van Morfin gesproken,” hervatte Carker, een papier uit de anderen

uitzoekende, “hij rapporteert dat er aan het hulpkantoor op Barbados

een jongste klerk dood is, en stelt voor in de Zoon en Erfgenaam, die

over eene maand of zoo moet uitzeilen, eene passagiersplaats voor zijn

opvolger open te houden. Het zal u niet kunnen schelen wie er gaat,

denk ik. Wij hebben niemand van die soort hier.”

Dombey schudde met statige onverschilligheid zijn hoofd.

“Het is geen beste post,” merkte Carker aan, eene pen opnemende om de

beslissing op den achterkant van het papier aan te teekenen. “Ik hoop

dat hij een zoon of neef van een muzikalen vriend heeft om er mee te

begeven. Dat zal hem misschien van de viool afhouden, als hij er

liefhebberij in heeft. Wie daar? Binnen!”—“Neem mij niet kwalijk,

mijnheer Carker. Ik wist niet dat gij hier waart, mijnheer,” antwoordde

Walter, die zich nu vertoonde, met eenige pas aangekomene brieven in de

hand. “Mijnheer Carker junior...”

Op het hooren van dien naam scheen Carker de chef zich door schaamte

overstelpt te gevoelen. Hij sloeg zijne oogen met een blik van

verlegenheid en verontschuldiging naar Dombey op, daarop naar den grond

en zweeg een oogenblik alsof hij verstomd was.

“Ik dacht,” zeide hij eensklaps, zich gramstorig naar Walter keerende,

“dat u al meer verzocht was om mijnheer Carker Junior buiten uw gesprek

te laten.”—“Neem mij niet kwalijk, mijnheer,” antwoordde Walter, “ik

wilde maar zeggen, dat mijnheer Carker junior mij gezegd had te denken

dat gij uit waart, of ik zou niet aan de deur geklopt hebben terwijl

gij bij mijnheer Dombey waart. Dit zijn brieven voor mijnheer Dombey,

mijnheer.”—“Goed,” zeide Carker de chef, hem de brieven driftig uit de

hand rukkende. “Ga maar weer heen.”

Maar door zijne ruwheid liet hij een van de brieven, zonder dat hij of

Dombey het zag, op den grond vallen. Walter aarzelde een oogenblik, om

te zien of een van beiden dien brief zou opmerken, en toen dit niet zoo

was, bleef hij staan, keerde terug, raapte hem op en legde hem zelf op

Dombey’s lessenaar. Toevallig was deze brief juist het wekelijksche

rapport van mevrouw Pipchin, volgens gewoonte—daar mevrouw Pipchin eene

slechte schrijfster was—door Florence geadresseerd. Dombey, wiens

aandacht door Walter stilzwijgend op den brief werd gevestigd, zag hem

driftig en gramstorig aan, als dacht hij dat Walter dien met opzet uit

de anderen had gezocht.

“Gij kunt heengaan,” zeide Dombey trotsch.

Hij kneep den brief in zijne hand samen, en stak hem, toen hij Walter

de deur had zien uitgaan, ongeopend in zijn zak.—“Gij hadt iemand

noodig, hebt gij daar gezegd, om naar West-Indië te zenden,” merkte

Dombey haastig aan.—“Ja,” antwoordde Carker.—“Zend den jongen

Gay.”—“Goed, heel goed. Niets gemakkelijker,” zeide Carker, zonder

eenig blijk van verwondering, en de pen weder opnemende, schrapte hij

zijne eerste aanteekening uit, en schreef, even koel als te voren: “Gay

zenden.”—“Roep hem eens terug,” zeide Dombey.

Carker deed dit snel, en Walter was even snel weder binnen.

“Gay,” zeide Dombey, zich eenigszins omkeerende om hem over zijn

schouder aan te zien. “Er is...”—“Eene plaats open,” zeide Carker, met

zijn mond zoo breed mogelijk uitgerekt.—“In West-Indië. Op Barbados. Ik

zal u daarheen zenden,” zeide Dombey, het beneden zich achtende om de

naakte waarheid eenigszins op te sieren, “als jongste klerk op het

kantoor daar. Zeg uw oom van mij, dat ik u gekozen heb om naar

West-Indië te gaan.”

Walter was zoo verbaasd, dat hij niets anders kon doen dan het woord

“West-Indië” te herhalen.

“Er moet iemand gaan,” zeide Dombey, “en gij zijt jong en gezond, en uw

ooms omstandigheden zijn niet gunstig. Zeg uw oom dat gij benoemd zijt.

Gij behoeft niet terstond te gaan. Het zal nog eene maand duren,—twee

misschien.”—“Zal ik daar blijven, mijnheer?” vroeg Walter.—“Of gij daar

blijven zult!” herhaalde Dombey, zich een weinig meer naar hem

omkeerende. “Wat meent gij? Wat meent hij, Carker?”—“Voor vast,

mijnheer,” stamelde Walter.—“Zekerlijk,” antwoordde Dombey.

Walter boog.

“Dat is alles,” zeide Dombey, zich weder naar zijne brieven keerende.

“Gij zult hem wel eens van de gewone uitrusting en zoo voort spreken,

Carker. Hij behoeft niet te wachten, Carker.”—“Gij behoeft niet te

wachten, Gay,” zeide Carker, die nu zelfs zijn tandvleesch liet

zien.—“Of,” zeide Dombey, met het lezen ophoudende, maar zonder van

zijn brief op te zien, en alsof hij luisterde, “of hij moest iets te

zeggen hebben.”—“Neen, mijnheer,” antwoordde Walter, onthutst en

verlegen, bijna versuft zelfs door de menigte van schilderijen die hem

op eens voor den geest kwamen, en waaronder kapitein Cuttle met zijn

blinkenden hoed, versteend van verbazing, en zijn oom in het

achterkamertje zijn verlies beklagende, voorname plaatsen

bekleedden.—“Ik weet haast niet—ik—ik ben u wel dankbaar,

mijnheer.”—“Hij behoeft niet te wachten, Carker,” zeide Dombey.

En toen Carker deze woorden nog eens herhaalde, en zijne papieren

opzamelde, alsof hij ook heenging, gevoelde Walter dat het eene

onvergeeflijke lompheid zou zijn als hij langer bleef dralen—vooral

daar hij niets te zeggen had—en ging dus geheel verbijsterd de kamer

uit.

Hij was nog in den gang, evenals in een droom, maar half bewust van

hetgeen er gebeurd was, toen hij Dombey’s kamerdeur nog eens hoorde

openen en sluiten. Carker kwam er uit en riep hem na:

“Breng uw vriend, mijnheer Carker Junior, eens bij mij in de kamer,

jonge heer, als het u belieft.”

Walter ging naar het groote kantoor en bracht zijne boodschap aan

Carker Junior over, die daarop van achter het schut kwam, waar hij

alleen in een hoek zat, en met hem naar de kamer van Carker den chef

ging.

De heer stond, met zijn rug naar het vuur en de handen onder de

rokspanden, zoo stijf over zijne witte das te kijken als Dombey zelf

had kunnen doen. Hij ontving hen zonder eenigszins van houding te

veranderen of de dreigende uitdrukking van zijn gezicht te verzachten,

en gaf slechts Walter een wenk om de deur te sluiten.

“John Carker,” zeide de chef, toen dit geschied was zich plotseling

naar zijn broeder keerende, met een paar rijen tanden alsof hij hem

wilde bijten, “welk verbond bestaat er toch tusschen u en dit jonge

mensch, om mij met uw naam te vervolgen en te kwellen? Is het u niet

genoeg, John Carker, dat ik uw naaste bloedverwant ben en mij niet kan

losmaken van die...”—“Zeg maar schande, James,” zeide de ander met eene

zachte stem, toen hij zag dat de spreker om een woord verlegen was.

“Gij meent dat toch, en hebt er wel reden toe. Zeg maar schande.”—“Van

die schande dan,” zeide zijn broeder met scherpen nadruk, “maar moet de

zaak weder gedurig worden opgehaald en uitgebazuind—voor den patroon

zelven—en dat in oogenblikken van vertrouwen? Denkt gij dat uw naam

hier eenigszins met het woord vertrouwen harmonieert, John

Carker?”—“Neen,” was het antwoord. “Neen, James. God weet dat ik dat

niet denk.”—“Wat denkt gij dan, en waarom komt gij mij gedurig in den

weg? Hebt ge mij niet al genoeg benadeeld?”—“Ik heb u nooit met opzet

benadeeld, James.”—“Gij zijt mijn broeder,” zeide de chef. “Dat is al

erg genoeg.”—“Ik wenschte dat ik het onwaar kon maken.”—“Dat wenschte

ik ook.”

Onder dit gesprek had Walter, vol smart en verbazing, nu den een en dan

den ander aangezien. Hij, die de oudste in jaren en de jongste op het

kantoor was, stond, met gebogen hoofd en met op den grond gevestigde

oogen, nederig naar de verwijten van den ander te luisteren. Hoezeer

deze ook door toon en blik, en vooral door de tegenwoordigheid van

Walter, werden verbitterd, hij bracht er niets tegen in, behalve dat

hij even zijne rechterhand smeekend ophield, als wilde hij zeggen:

“Spaar mij!”

Edelmoedig en vurig in al wat hij deed, viel Walter, die zich zelven

voor de onschuldige oorzaak dezer verwijten hield, er nu op in:

“Mijnheer Carker, het is waarlijk alleen mijne schuld. Door eene

onbedachtzaamheid, die ik mij zelven niet genoeg kan verwijten, heb ik

zeker meermalen van mijnheer Carker Junior gesproken dan noodig was, en

mij somtijds wel zijn naam laten ontvallen, waar gij mij uitdrukkelijk

daarvoor gewaarschuwd hadt. Maar dat was geheel mijn bedrijf, mijnheer.

Wij hebben nooit een woord daarover gewisseld,—wij hebben over het

geheel maar zeer weinig met elkander gesproken. En het is ook,”

vervolgde hij na een oogenblik zwijgens, “niet geheel onbedachtzaamheid

van mij geweest, mijnheer; want zoolang ik hier ben, heb ik veel

belangstelling voor mijnheer Carker gevoeld, en zoo kon ik somtijds

haast niet nalaten van hem te spreken, omdat ik zooveel om hem dacht.”

Walter zeide dit met oprechtheid en vuur; want hij zag het gebogene

hoofd, en de neergeslagene oogen, en de opgehevene hand, en dacht: “Ik

heb het gevoeld; en waarom zou ik het niet bekennen, als het dien armen

daar, die door iedereen miskend schijnt te worden, misschien iets kan

baten.”

“Waarlijk, gij hebt mij altijd vermeden, mijnheer Carker,” zeide

Walter, met tranen in de oogen; zoo hartelijk was zijn medelijden, “dat

weet ik tot mijne spijt. Toen ik pas hier kwam, en op den duur, heb ik

altijd uw vriend willen zijn, zooveel iemand van mijne jaren zich dat

kon laten voorstaan; maar het heeft niet gebaat.”—“En onthoud, Gay,”

viel de chef er snel op in, “dat het nog minder baten zal, als gij

voortgaat met mijnheer Carker iedereen onder de aandacht te willen

dwingen. Dit is de manier niet om mijnheer John Carker’s vriend te

zijn. Vraag hem zelven maar of hij dat wel denkt.”—“Het doet mij geen

dienst,” zeide de broeder. “Het geeft maar aanleiding tot zulk een

gesprek als dit, en ik behoef niet te zeggen dat ik dit gaarne had

willen missen. Niemand kan zich beter mijn vriend toonen,” hier sprak

hij zeer duidelijk, alsof hij het Walter wilde inprenten, “dan door mij

te vergeten, en mij mijn weg te laten gaan, zonder op mij te letten of

mij iets te vragen.”—“Daar gij geen sterk geheugen hebt, Gay, voor

hetgeen anderen u zeggen,” zeide Carker de chef, beter tevreden naar

het scheen, “dacht ik dat gij dit eens uit de beste bron moest hooren;”

naar zijn broeder knikkende. “Gij zult het nu niet meer vergeten, hoop

ik. Dat is alles Gay. Gij kunt gaan.”

Walter ging de deur uit, en wilde ze juist achter zich sluiten, toen

hij weder de stemmen der broeders hoorde en zijn eigen naam hoorde

noemen. Nu bleef hij staan met de hand aan de kruk, in twijfel of hij

zou terugkeeren of heengaan, en kon dus niet nalaten te hooren wat er

volgde.

“Denk zachter over mij, als gij kunt, James,” zeide John Carker, “als

ik u zeg—hoe kon het anders, met mijne geschiedenis, hier

geschreven”—met deze woorden gaf hij zich een slag op de borst—“als ik

u zeg dat het mij tot in de ziel roerde toen ik dien Walter Gay zag. Ik

zag in hem, toen hij pas hier kwam, bijna een evenbeeld van mij

zelven.”—“Van u zelven!” herhaalde James met minachting.—“Niet zooals

ik nu ben, maar zooals ik was toen ik ook pas hier kwam; even los,

vurig, jongensachtig en onervaren; vol van dezelfde onrust en

avontuurlijke inbeeldingen, met denzelfden aanleg voor goed en

kwaad.”—“Ik hoop van neen,” zeide zijn broeder, met eene verborgene

smadelijke beteekenis in zijn toon.—“Gij raakt mij diep,” zeide de

ander, met eene stem (dacht Walter) alsof hij werkelijk een steek met

een dolk had gekregen. “Maar ik verbeeldde mij dat, toen hij nog een

jongen was. Ik geloofde het. Ik hield het voor waarheid. Ik zag hem

onbezorgd langs den rand der onzichtbare diepte gaan, waar velen even

vroolijk wandelen, en zoovelen....”—“De oude verontschuldiging,” zeide

zijn broeder, het vuur oppokende. “Zoovelen.—Ga maar voort. Zeg:

zoovelen in neerstorten.”—“Waarin één reiziger neerstortte,” zeide de

ander, “die evenals hij op weg ging toen hij nog een knaap was, al meer

en meer uitglipte, en lager en lager afgleed, tot hij in den afgrond

stortte en voor altijd kreupel op den bodem lag. Verbeeld u wat ik

geleden heb toen ik dien knaap zoo zag.”—“Dat hebt gij alleen aan u

zelven te danken,” antwoordde James.—“Alleen aan mij zelven,” zeide

John met een zucht. “Ik zoek de schuld of de schande niet te

deelen.”—“Gij hebt de schande gedeeld,” prevelde James Carker tusschen

zijne tanden; en door zoovele en zoo dicht geslotene tanden kon hij

zeer duidelijk prevelen.—“Ach, James,” antwoordde zijn broeder, voor de

eerste maal een toon van verwijt aannemende, schoon hij, naar den klank

zijner stem, de handen voor zijn gezicht scheen te houden, “ik ben u

sedert altijd nuttig geweest als een contrast. Gij hebt gerust op mij

getrapt om hooger te klimmen. Schop mij nu niet nog met den voet!”

Er volgde eene poos van stilte. Men hoorde Carker den chef onder zijne

papieren ritselen, alsof hij een eind aan het gesprek wilde maken. Te

gelijk kwam zijn broeder dichter naar de deur.

“Dat is alles,” zeide hij. “Ik heb hem zoo met vreezen en beven

gadegeslagen, dat dit wel reeds eenige straf voor mij was, tot hij de

plaats voorbij was waar ik de eerste maal viel, en toen, al was ik zijn

vader geweest, geloof ik dat ik God niet hartelijker had kunnen danken.

Ik durfde hem niet waarschuwen of raad geven; maar als ik er bepaalde

reden voor had gezien, zou ik hem mijn voorbeeld getoond hebben. Ik was

bang dat men mij met hem zou zien spreken, opdat men niet denken zou

dat ik hem kwaad deed of bedierf—opdat ik dat niet werkelijk zou doen.

Er kan wel iets besmettelijks in mij zijn; ik weet het niet. Breng

mijne geschiedenis met dien Walter Gay in verband, en verbeeld u wat

hij mij heeft doen gevoelen; en denk dan zachter over mij, James, als

gij kunt.”

Met deze woorden kwam hij de deur uit. Hij werd nog wat bleeker toen

hij Walter zag staan, en nog wat bleeker, toen deze hem bij de hand

vatte en fluisterend zeide:

“Mijnheer Carker, laat ik u mogen danken! Laat ik u mogen zeggen wat ik

voor u gevoel! Hoe spijt het mij dat ik de ongelukkige oorzaak van dit

alles geweest ben! Ik houd u nu bijna voor mijn bewaker en beschermer.

Hoe dankbaar ben ik u, en hoe beklaag ik u!” zeide Walter, hem bij

beide handen vattende, en van ontroering nauwelijks wetende wat hij

zeide of deed.

Daar de kamer van Morfin ledig was en de deur wijd openstond, gingen

beide van zelf daarbinnen; want in den gang werd gedurig heen en weder

geloopen. Daar in de kamer zag Walter op Carker’s gezicht eenige sporen

der beweging in zijn binnenste, en het was hem bijna alsof hij dat

gezicht nog nooit had gezien, zoozeer was het veranderd.

“Walter,” zeide hij, zijne hand op des jonkmans schouder leggende, “ik

ben ver van u af; en moge ik dat altijd blijven! Weet gij wel wat ik

ben?”—“Wat gij zijt!” scheen op Walter’s lippen te zweven, terwijl hij

hem oplettend aanzag.—“Het begon voor mijn een en twintigsten

verjaardag,” zeide Carker. “De grond werd er al vroeger toe gelegd,

maar het begon niet voor tegen dien tijd. Toen ik meerderjarig werd had

ik hen bestolen. Ik bestal hen nog naderhand. Voor mijn twee en

twintigsten verjaardag was alles uitgekomen; en toen, Walter, was ik

voor allen omgang met menschen dood.”

Wederom zweefden zijne laatste woorden Walter bevend op de lippen, maar

hij kon ze niet uitspreken, en ook zelf niets zeggen.

“De patroon was zeer goed voor mij! God beloone den ouden man voor

zijne barmhartigheid! Ook deze, zijn zoon, die toen pas in de zaak was

gekomen, waarin ik een post van groot vertrouwen had gehad. Ik werd in

die kamer geroepen, die nu de zijne is—ik ben er sedert nooit weder in

geweest—en toen ik er uitkwam was ik, wat gij weet en kent. Vele jaren

lang heb ik op mijne tegenwoordige plaats gezeten, alleen, evenals nu,

maar toen een bekend en erkend voorbeeld voor de anderen. Zij waren

allen barmhartig voor mij, en ik bleef leven. De tijd heeft dit

gedeelte van mijne boete gewijzigd, en ik geloof dat er, behalve de

drie hoofden van het kantoor, niemand hier is, die mijne geschiedenis

recht weet. Eer de kleine jongen groot is, en ze hem verteld wordt, zal

mijn hoek misschien wel ledig zijn. Ik mag wel lijden dat het zoo is.

Dit is de eenige verandering voor mij sedert dien dag, toen ik alle

hoop, jeugd, en gezelschap van goede menschen, in die kamer daar

achterliet. God zegene u, Walter! Moge Hij u en allen die u dierbaar

zijn eerlijk doen blijven, of hen laten sterven!”

Eene herinnering, dat hij van het hoofd tot de voeten beefde, alsof het

van koude was, en toen in tranen uitbarstte, was al wat Walter hierbij

kon voegen, toen hij zich naderhand nauwkeurig poogde te bezinnen wat

er tusschen hen was voorgevallen.

Toen Walter hem de volgende maal zag, zat hij, als vanouds, stil en

nederig over zijn lessenaar gebogen. Toen ziende hoe hij blijkbaar

wenschte dat er geen verdere omgang tusschen hen zou plaats hebben, en

nog eens denkende over alles wat hij dien morgen in zulk een korten

tijd van de geschiedenis der beide Carkers’s had vernomen, kon Walter

nauwelijks gelooven dat hij last had gekregen om naar West-Indië te

vertrekken, en spoedig voor oom Sam en kapitein Cuttle zou verloren

zijn, en zelfs die enkele blikken van Florence Dombey—neen, hij meende

Paul—en alles wat hij in zijn dagelijksch leven liefhad en met

verlangen te gemoet zag, zou moeten missen.

Maar het was toch waar, en het nieuws had reeds het groote kantoor

bereikt; want terwijl hij met een beklemd hart over al die dingen zat

na te denken, en zijn hoofd in zijne hand liet rusten, kwam Perch, de

boodschaplooper, van zijn bankje, stiet hem aan den elleboog, en

verzocht hem het niet kwalijk te nemen, maar wenschte hem toch in het

oor te fluisteren, of hij geene kans zag om hem goedkoop een pot

geconfijte gember over te zenden, tegen den tijd dat jufvrouw Perch na

hare aanstaande bevalling weder op de been kwam.

Dombey en Zoon · 第 26 / 125 题