EEN BLIK IN DE WONING VAN JUFVROUW TOX, ALSMEDE IN DEN STAAT VAN HAAR
GEMOED.
Jufvrouw Tox bewoonde een donker huisje, dat, in een of ander
verwijderd tijdperk der Engelsche geschiedenis, in eene aanzienlijke
buurt van het West einde der stad was ingeschoven, waar het in de
schaduw stond als eene arme nabestaande der groote straat om den hoek,
en de trotsche huizen daar er met koude minachting op neerzagen. Het
was niet juist in een hofje, en niet juist in een slop, maar het was in
den stilsten van alle doodloopende inhammen, gedurig verontrust door
het aankloppen aan de voorname huizen in de verte. De naam dezer
afgelegene plek, waar het gras tusschen de steenen groeide, was
Princess’s Place. Men had daar een kerkje met eene tinkelende klok,
waar somtijds op een zondag wel vijf en twintig menschen den dienst
bijwoonden, en eene herberg, die veel door prachtige lakeien werd
bezocht. Binnen het hek voor die herberg stond een draagstoel, dien men
echter zoolang iemand heugde nog nooit daar vandaan had zien komen; en
op een fraaien ochtend was elke punt van dat hek (er waren er acht en
veertig, gelijk jufvrouw Tox dikwijls geteld had) met eene tinnen kan
versierd.
Er was nog een gesloten huis behalve dat van jufvrouw Tox in Princess’s
Place, om niet van eene ontzaglijke dubbele deur te spreken, met een
ontzaglijk paar leeuwenkoppen als kloppers daarop, die nooit geopend
werd en voor den ongebruikten ingang van iemands stal werd gehouden.
Inderdaad had de lucht van Princess’s Place een reuk van stallingen; en
de slaapkamer van jufvrouw Tox, die achter in huis was, had het
uitzicht op een pleintje, waarop stalknechts, met wat voor werk ook
bezig, zich daarbij gedurig met bruisende geluiden accompagneerden, en
waar de huiselijkste en geheimste kleedingstukken van koetsiers en
hunne vrouwen en kinderen gewoonlijk, gelijk de banieren van Macbeth,
aan de muren uithingen.
In dat andere gesloten huis in Princess’s Place, door een gewezen
bottelier bewoond, die eene huishoudster had getrouwd, werden
gemeubileerde kamers verhuurd aan een nog ongetrouwd heer, namelijk aan
een majoor, met een houten gezicht van blauwe kleur, en uit het hoofd
puilende oogen, in wien jufvrouw Tox, gelijk zij het uitdrukte, “iets
zoo echt militairs” ontdekte; en tusschen wien en haar zelve nu en dan
eene uitwisseling van nieuwsbladen, vlugschriften en dergelijke
Platonische galanterieën plaats had, door tusschenkomst van een bruinen
knecht van den majoor, wien jufvrouw Tox zich vergenoegde een
“inboorling” te noemen, zonder daaraan eenig geographisch denkbeeld
hoegenaamd te verbinden.
Misschien is er nooit een kleiner voorhuis en trap geweest dan het
voorhuis en de trap van jufvrouw Tox. Misschien was er over het geheel
geen ongemakkelijker huisje in Engeland; maar dan, zeide jufvrouw Tox,
welk een stand! Er was in den winter zeer weinig daglicht te krijgen,
geen zon in den besten tijd zelfs, en lucht en levendigheid kwamen in
geene bedenking. Evenwel zeide jufvrouw Tox, bedenk welk een stand! Zoo
zeide ook de majoor met het blauwe gezicht en de uitpuilende oogen, die
grootsch was op Princess’s Place, en in zijne club gaarne het gesprek
op de groote lui in de groote straat om den hoek bracht, om de
zelfvoldoening te kunnen hebben van te zeggen dat zij zijne buren
waren.
Het donkere huisje, door jufvrouw Tox bewoond, was haar eigendom, daar
het haar was nagelaten en vermaakt door den overleden eigenaar van het
vischachtige oog in het medaillon, van wien ook een miniatuurportretje,
met een gepoeierd hoofd en een staart, in het voorkamertje hing. De
meeste meubelen waren uit den poeier- en staartentijd; waaronder een
bordenwarmer, die zijne vier dunne kromme pooten iemand altijd in den
weg stak, en een oud klavier, om den naam van den maker met een krans
van doperwtjes versierd.
Hoewel majoor Bagstock over de middelbare jaren was gekomen, en nu
bijna zonder hals, met een paar zeer strakke kaken, lange
olifantsooren, en eene kleur en oogen in den reeds gemelden
kunstmatigen toestand van geprikkeldheid, zijne reis benedenwaarts
voortzette, was hij er machtig trotsch op dat hij de belangstelling van
jufvrouw Tox had doen ontwaken, en streelde hij zijne ijdelheid met den
waan dat zij eene brillante dame was, die een goed oog op hem had.
Hiervan had hij reeds verscheidene malen in zijne club een wenk
gegeven, gepaard met andere schertsende aardigheden, waarvan oude Joe,
of Joey, of J. of Josh. Bagstock, enz. gestadig het onderwerp was; want
het was als het ware het bolwerk van des majoors geestigheid, zoo
vrijpostig mogelijk met zijn eigen naam om te springen.
“Joey B., mijnheer,” placht de majoor te zeggen, met zijn rotting
zwaaiende, “is alleen zooveel waard als een dozijn van u. Als ge wat
meer van den Bagstock-stam onder u hadt, mijnheer, zoudt gij er niet te
minder om zijn. Oude Joey, mijnheer, zou zelfs nu niet ver naar eene
vrouw behoeven te zoeken, als hij daarnaar uitkeek; maar hij is hard
van bast, mijnheer, dat is Joe—hij is taai, mijnheer, taai, en
verduiveld slim!” Na zulk eene verklaring hoorde men veelal een benauwd
hijgen, terwijl het blauw des majoors in purper overging en de oogen
hem geheel uit het hoofd schenen te zullen springen.
In weerwil van zijn milden eigenlof, was de majoor toch zelfzuchtig.
Het is zelfs te betwijfelen of ooit iemand meer geheime eigenliefde
bezat. Het kwam niet bij hem op dat iemand hem zou over het hoofd zien
of minachten, vooral kon hij zich volstrekt niet verbeelden dat
jufvrouw Tox dit zou doen.
En toch, naar het scheen, jufvrouw Tox vergat hem langzamerhand. Kort
nadat zij de familie Toodle had ontdekt, begon zij hem te vergeten. Zij
bleef hem vergeten tot aan den tijd dat Paul gedoopt werd, en naderhand
scheen zij hare vergetelheid op saamgestelden interest te hebben gezet.
Iets of iemand had hem uit hare belangstelling verdrongen.
“Goeden morgen, mejufvrouw,” zeide de majoor, toen hij, eenige weken na
de voorvallen in het laatste hoofdstuk geboekt, jufvrouw Tox in
Princess’s Place ontmoette.—“Goeden morgen, mijnheer,” zeide jufvrouw
Tox zeer koel.—“Joe Bagstock, mejufvrouw,” hervatte de majoor, met
zijne galanterie, “heeft sedert geruimen tijd het geluk niet gehad om
voor u aan het venster te buigen, Joe is hard behandeld, mejufvrouw.
Zijne zon is achter eene wolk geweest.”
Jufvrouw Tox antwoordde met eene hoofdbuiging maar zeer koel.
“Joe’s gesternte is misschien uit de stad geweest, mejufvrouw,” zeide
de majoor vragenderwijs.—“Ik? uit de stad? O neen, ik ben niet uit de
stad geweest,” antwoordde jufvrouw Tox. “Maar ik ben toch sedert kort
veel uit geweest. Mijn tijd is bijna geheel aan eenige zeer intieme
vrienden gewijd. Ik vrees dat ik zelfs nu geen tijd overheb. Goeden
morgen, mijnheer.”
Toen jufvrouw Tox met haar sierlijksten tred en hare bekoorlijkste
houding uit Princess’s Place verdween, bleef de majoor haar staan
nazien met een gezicht, blauwer dan ooit, onder het brommen en mompelen
van eenige lang niet vleiende gezegden.
“Wel, verd...md, mijnheer,” zeide de majoor, en liet zijne bolle oogen
in Princess’s Place rondgaan, “zes maanden geleden had die vrouw den
grond wel willen kussen waarover Joe Bagstock ging. Wat beduidt dat
nu?”
Na eenig bedenken begreep de majoor, dat het eene listige toelaag op
zijn hart beduidde, dat jufvrouw Tox hem strikken spande. “Maar ge zult
Joe toch niet vangen, mejufvrouw,” zeide de majoor. “Hij is taai,
mejufvrouw; J. B. is taai. Taai en verduiveld slim!” over welke
gedachte hij het overige van den dag bleef grinniken.
Maar toen die dag en nog vele andere dagen verloopen waren, scheen het
toch dat jufvrouw Tox zich hoegenaamd niet om den majoor bekommerde en
geheel niet aan hem dacht. Eens was zij gewoon geweest nu en dan
toevallig voor een van hare donkere venstertjes te komen en den groet
des majoors met een blosje te beantwoorden; maar nu gaf zij den majoor
volstrekt geene gelegenheid meer daartoe, en stoorde zij er zich geheel
niet aan of hij naar den overkant keek of niet. Nog andere
veranderingen hadden plaats gehad. De majoor kon, in de schaduw zijner
eigene kamer staande, waarnemen dat het huis van jufvrouw Tox sedert
onlangs iets meer opgeschikts had gekregen; dat er eene kooi met
vergulde traliën voor het oude kanarievogeltje was gekomen; dat
verschillende ornamenten, uit gekleurd carton en papier geknipt, den
schoorsteenmantel en de tafels schenen te versieren; dat eensklaps een
paar bloemstruikjes voor de vensters waren opgegroeid; dat jufvrouw Tox
nu en dan op het klavier speelde, welks krans van doperwtjes altijd
pronkerig was opgeslagen, bekroond met een muziekboek, opengelegd bij
ouderwetsche walsen, die jufvrouw Tox zelve had gekopieerd.
Bovenal, jufvrouw Tox was nu sedert lang buitengewoon elegant in
lichten rouw gekleed. Maar dit hielp den majoor uit zijne verlegenheid,
en hij begreep dat zij een legaatje had gekregen en trotsch was
geworden.
Het was des anderen daags nadat hij zijn gemoed had verruimd door tot
dit besluit te komen, dat de majoor, aan zijn ontbijt gezeten, in de
voorkamer van jufvrouw Tox eene verschijning zag, zoo verbazend en
geducht, dat hij eene poos op zijn stoel geworteld bleef, en toen, naar
de naaste kamer snellende, met een dubbelen tooneelkijker terugkwam,
waardoor hij die verschijning eene poos oplettend beschouwde.
“Het is een kind, een bakerkindje, mijnheer,” zeide de majoor, den
kijker weder inschuivende; “daarop wil ik vijftig duizend pond
verwedden.”
De majoor kon dit niet vergeten. Hij kon niets anders doen dan fluiten
en zoodanig staren, dat zijne oogen, bij hun tegenwoordigen staat
vergeleken, voorheen hol en ingezonken waren geweest. Dag na dag,
twee-, drie-, viermaal in de week, verscheen dit kind alweder. De
majoor bleef staren en fluiten. Anders had hij niets meer te doen.
Jufvrouw Tox lette geheel niet meer op hem. Hij had evengoed zwart als
blauw kunnen zijn, en zij zou het zich niet hebben aangetrokken.
De volharding waarmede zij uitging om dit kind en de draagster te
halen, en daarmede uit wandelen ging, en er weder mede terugkwam, en er
gedurig de wacht over hield; en de volharding waarmede zij hetzelve
verschoonde, en eten gaf, en er mee speelde, en zijn jeugdig bloed door
airtjes op het klavier deed stollen, was iets buitengemeens. Te
gelijker tijd werd zij aangetast door eene zucht om zekeren armband te
bekijken, alsmede door eene zucht om naar de maan te turen, waarop zij
uit haar venster lange waarnemingen deed. Maar waar zij ook naar keek,
naar zon, maan, sterren of armbanden, zij keek niet meer naar den
majoor. En de majoor floot en staarde, en drentelde in zijne kamer
rond, en kon er niet wijs uit worden.
“Gij zult heel en al mijn broeder Paul’s hart winnen, dat is de
waarheid, lieve vriendin,” zeide mevrouw Chick eens.
Jufvrouw Tox verbleekte.
“Hij begint met elken dag meer op Paul te gelijken,” zeide mevrouw
Chick.
Jufvrouw Tox gaf geen antwoord dan door kleinen Paul in hare armen te
nemen, en den strik op zijn mutsje met hare liefkoozingen geheel plat
te drukken.
“Zijne moeder, lieve,” zeide jufvrouw Tox, “met wie ik door u in kennis
zou gebracht zijn, gelijkt hij ook eenigszins op haar?”—“Geheel niet,”
antwoordde Louise.—“Zij was—zij was mooi, geloof ik?” stamelde jufvrouw
Tox.—“Ja, die arme lieve Fanny was wel interessant,” zeide mevrouw
Chick, na rijp overleg. “Zekerlijk interessant. Maar zij had dat air
van iets verhevens en gebiedends niet, dat men eenigermate, bijna als
iets natuurlijks, bij mijn broeders vrouw zou verwacht hebben, en had
ook de geestkracht niet die zulk een man verlangt.”
Jufvrouw Tox slaakte een zwaren zucht.
“Maar zij was zeer innemend,” zeide mevrouw Chick, “buitengemeen. En
zij meende het—och lieve, die arme Fanny meende het zoo goed!”—“Gij
engeltje!” riep jufvrouw Tox den kleinen Paul toe. “Gij schilderijtje
van uw eigen papa!”
Indien de majoor had kunnen weten hoevele wenschen en uitzichten, welk
eene menigte van plannen en berekeningen op dat kinderhoofdje gevestigd
waren; en ze in een bonten drom om het geborduurde mutsje van den nog
geheel argeloozen kleinen Paul had kunnen zien zweven, dan had hij wel
mogen staren. Dan had hij onder dien drom eenige zonnestofjes kunnen
herkennen, die aan jufvrouw Tox behoorden; dan zou hij misschien
begrepen hebben naar welke soort van compagnieschap met de firma Dombey
en Zoon die dame verlangde.
Als het kind zelf, des nachts wakker wordende, om zijn bedje de flauwe
afspiegelingen had kunnen zien van de droomen, die anderen van hem
hadden, had hij er wel bang van mogen worden. Maar hij sluimerde voort,
evenzeer onbewust van de goede voornemens van jufvrouw Tox, de
verwondering van den majoor, het jeugdig harteleed zijner zuster en de
ernstiger hersenschimmen van zijn vader, onbewust zelfs dat er ergens
op de wereld een Dombey of een Zoon bestond.