PAUL’S TWEEDE MOEDERLOOSHEID.

Des morgens had Polly zooveel bekommeringen, dat zij zonder het

onophoudelijk aandrijven harer zwartoogige gezellin alle gedachten aan

de onderneming zou hebben laten varen, en formeel verlof gevraagd om

nommer honderd zeven en veertig onder de schaduw van Dombey’s dak te

mogen zien. Maar Suze, die zelve grooten lust in het tochtje had, en

die (gelijk Tony Lumpkin), al kon zij de teleurstellingen van anderen

met vrij veel standvastigheid dragen, volstrekt geen zin had om zich

zelve te leur te stellen, wierp deze tweede gedachte zoovele schrandere

twijfelingen in den weg, en beval het eerste plan met zoovele

schrandere redenen aan, dat Dombey bijna niet zoodra zijn statigen rug

gekeerd had en zich op zijn dagelijkschen weg naar de City bevond, of

zijn van niets bewuste zoon was insgelijks op weg naar Staggs’s

Gardens.

De plek met dezen welluidenden naam was in eene voorstad gelegen, die

bij de bewoners van Staggs’s Gardens als Camberling Town bekend stond,

eene benaming welke de “kaart van Londen voor vreemdelingen” gelijk zij

(tot grooter gemak en gerief) op zakdoeken gedrukt is, niet zonder

schijn van reden, tot Camden Town verkort. Hierheen richtten min en

kindermeid, door de haar toevertrouwde panden vergezeld, hare schreden;

Richards, gelijk reeds van zelf spreekt, droeg Paul, en Suze had de

kleine Florence bij de hand, die zij van tijd tot tijd zooveel duwen en

rukken gaf als zij noodig en nuttig oordeelde.

De eerste schok eener groote aardbeving had juist op dien tijd den

geheelen omtrek omgewoeld. Sporen daarvan waren aan alle kanten

zichtbaar. Huizen waren onder den voet gesmeten, straten doorgebroken

en verstopt, diepe putten en greppels in den grond gegraven,

ontzaglijke hoopen klei en aarde opgeworpen, ondermijnde en verzakte

gebouwen met groote balken onderstut. Hier lag een chaos van karren,

verward onder en over elkander geworpen, aan den voet van een

onnatuurlijk steilen heuvel; daar lagen schatten ijzer te roesten in

iets dat toevallig een vijver was geworden. Overal waren bruggen die

nergens heen voerden; doorgangen die geheel onbegaanbaar waren;

Babelsche torens van schoorsteenen die de helft van hunne hoogte

misten; tijdelijke houten huizen en afschuttingen op de

onwaarschijnlijkste plaatsen; geraamten van armoedige woningen, en

stukken van onvoltooide muren en bogen, en hooge steigers, en

wildernissen van bouwsteenen, en reusachtige gedaanten van kranen en

stellingen waar zij geheel niet noodig schenen te zijn. Men zag het

onvoltooide in honderd duizend gedaanten en stoffen, alles van zijne

plaats en ondereengemengd, ten onderste boven, in den grond gezonken,

in de lucht opstekende, in het water vergaande, even onbegrijpelijk als

een droom. Heete bronnen en vurige uitbarstingen, de gewone

bijomstandigheden van aardbevingen, leenden hare bijdragen tot de

verwarring van het tooneel. Kokend water borrelde en siste binnen

vervallene muren, waaruit ook de gloed en het gebrul van vlammen

opsloeg, en hoopen asch verstopten hier en daar den doorgang waarop men

vanouds recht had, en veranderden alle wetten en gebruiken van die

streek.

Kortom, de nog onvoltooide en ongeopende spoorweg was in aanleg, en uit

het hart van al die gruwelijke wanorde gleed hij waterpas voort op

zijne machtige baan van beschaving en vooruitgang.

Maar tot nog toe was de buurt beschroomd om den spoorweg te erkennen.

Een of twee stoute speculanten hadden straten ontworpen, en een van hen

had een weinigje gebouwd, maar was in den modder en de asch blijven

stilstaan om er nog eens over te denken. Eene splinternieuwe herberg,

naar verschen kalk en verf riekende, en met een uitzicht op niemendal,

had Spoorweg’s Welvaren tot uithangbord genomen; maar dit kon wel eene

roekelooze onderneming zijn—en men hoopte ook drank aan de werklieden

te slijten. Zoo was de Delvers Ververschingsplaats uit eene oude

bierkroeg ontstaan, en was de oude Ham- en Vleeschwinkel in de Spoorweg

Restauratie veranderd, om baatzuchtige redenen van dergelijken

onmiddellijken en populairen aard. De slaapsteehouders waren insgelijks

welgezind en om dezelfde redenen niet te vertrouwen. Het algemeene

geloof was zeer traag. Er waren weilanden, koestallen, mest- en

aschhoopen, slooten, tuinen, zomerhuisjes en tapijtenklopperijen tot

vlak bij den spoorweg. In den oestertijd lagen er hoopjes

oesterschelpen, in den kreeftentijd kreeftenschalen, en op alle tijden

potscherven en rotte koolbladen verspreid. Scheidspalen, en hekken, en

oude waarschuwingen van voetangels en klemmen, en achterzijden van

gemeene huizen, en met onkruid begroeide plekjes land schenen er den

draak mede te steken. Niets was door den spoorweg bevoordeeld of dacht

dit te worden. Als het ellendige stuk braakland, dat er bij lag, had

kunnen lachen, zou het den spoorweg hebben uitgelachen, gelijk velen

van de ellendige buren deden.

Staggs’s Gardens was buitengemeen ongeloovig. Het was eene kleine rij

huizen, met akelige plekjes grond er voor, met oude deuren, duigen van

vaten, lappen geteerd zeildoek en doode heesters afgeheind; met

bodemlooze blikken ketels en brokken oud ijzer in de openingen

gestoken. Hier kweekten de tuiniers van Staggs’s Gardens roode

klimboomen, hielden zij kippen en konijnen, bouwden zij wrakke

zomerhuisjes (een daarvan was eene oude boot), droogden zij kleeren en

rookten zij een pijpje. Sommigen waren van gevoelen dat Staggs’s

Gardens zijn naam ontleende van een overleden kapitalist, zekeren

mijnheer Staggs, die het voor zijn vermaak had gebouwd. Anderen, die

een landelijken smaak hadden, hielden den naam voor afkomstig uit den

landelijken tijd toen de herten hier onder het geboomte de schaduw

zochten. Dit zij gelijk het wil, Staggs’s Gardens werd door zijne

bevolking voor een heilig bosch gehouden, dat niet door spoorwegen zou

worden uitgeroeid; en zoo vast geloofde men algemeen dat het alle zulke

belachelijke uitvindingen lang zou overleven, dat de schoorsteenveger

op den hoek, die voor den toongever der plaatselijke politiek werd

gehouden, openlijk had verklaard, dat op den dag wanneer de spoorweg

geopend werd, als dit ooit gebeurde, twee van zijne jongens op de

schoorsteenen zouden klimmen, met last om van die hoogte de mislukte

onderneming uit te jouwen.

Naar deze onheilige plek, waarvan de naam tot dusverre zorgvuldig voor

Dombey door zijne zuster was verborgen gehouden, werd kleine Paul nu

door het Noodlot en Richards heen gevoerd.

“Dat is mijn huis, Suze,” zeide Richards, er naar wijzende.—“Ei, is

het, jufvrouw Richards!” zeide Suze goedgunstig.—“En daar staat

waarlijk mijne zuster Jemima aan de deur,” riep Polly, “met mijn eigen

kostbaar kind op den arm!”

Dit gezicht gaf Polly’s ongeduld een paar zulke groote vleugelen, dat

zij op een draf voortliep, naar Jemima toestoof en in een oogenblik van

kinderen met haar verwisselde, tot groote verbazing dier jonge maagd,

voor welke de erfgenaam der Dombey’s uit de wolken scheen te zijn

gevallen.

“Wel, Polly!” riep Jemima. “Gij! Wat hebt ge mij doen schrikken! Wie

zou dat gedacht hebben! Kom binnen, Polly! Wat ziet gij er goed uit! De

kinderen zullen half razend worden als zij u zien, Polly; dat zullen

zij waarlijk.”

Dat werden zij ook waarlijk, als men oordeelen mocht naar het leven dat

zij maakten, en naar de manier waarop zij Polly aanvlogen en naar een

stoel in het hoekje van den haard trokken, waar haar eigen goedig

appelrond gezicht dadelijk het middelpunt van een tros kleine

pippelingen werd, die allen hunne roode wangen dicht daarbij duwden en

allen blijkbaar vruchten van denzelfden boom waren. Wat Polly betreft,

zij was even luidruchtig en woest als de kinderen; en het was niet

voordat zij geheel buiten adem was en de haren haar langs het gloeiende

gezicht zwierden, en haar doopgoed erg gehavend was, dat het oproer

eenigszins bedaarde. Ook toen nog bleef de kleinste Toodle op een na op

haar schoot en hield zich met beide armpjes om haar hals vast, terwijl

de kleinste Toodle op twee na achter op haar stoel klom en, met het

eene been in de lucht, wanhopige pogingen aanwendde om haar over haar

schouder te zoenen.

“Kijk! Daar is een lief klein dametje, dat naar u komt zien,” zeide

Polly; “en zie hoe stil zij is! Wat een mooi dametje, niet waar?”

Dit gezegde richtte aller aandacht op Florence, die dit tooneel bij de

deur was blijven staan aanzien, en had ook het gelukkige gevolg dat men

nu ook behoorlijk op jonge jufvrouw Nipper lette, die reeds begon te

denken dat men haar over het hoofd zag.

“O kom toch binnen en ga even zitten, Suze,” zeide Polly. “Dit is mijne

zuster Jemima, hier. Jemima, ik weet niet hoe ik het maken zou, als ik

Suze Nipper niet had. Zonder haar zou ik nu niet hier zijn geweest.”—“O

ga toch zitten, jufvrouw Nipper, als het u belieft,” zeide Jemima.

Suze zette zich met een zeer stijf en deftig gezicht op het uiterste

kantje van een stoel.

“Ik ben nog nooit in mijn leven zoo blij geweest dat ik iemand zag;

waarlijk niet, jufvrouw Nipper,” zeide Jemima.

Suze liet zich vermurwen, nam wat meer van haar stoel, en glimlachte

genadig.

“Maak toch uw hoed los en doe alsof gij thuis waart, als het u belieft,

jufvrouw Nipper,” smeekte Jemima. “Ik vrees dat het hier armoediger is

dan gij gewoon zijt, maar dat zult gij zeker wel inschikken.”

De zwartoogige liet zich door deze eerbiedige behandeling zoodanig

verzachten, dat zij het oudste meisje, dat haar juist voorbijliep,

oppakte en op haar schoot nam.

“En waar is mijn lieve jongen?” zeide Polly. “Mijn arm kereltje? Ik ben

dien heelen weg gekomen om hem met zijn nieuw pakje te zien.”—“O hoe

jammer!” riep Jemima uit. “Wat zal het hem spijten, als hij hoort dat

zijne moeder hier geweest is. Hij is naar school, Polly.”—“Al daar naar

toe!”—“Ja. Hij is gisteren voor het eerst gegaan, om geene lessen te

verzuimen. Maar het is een halve vacantiedag, Polly. Als ge nu maar

blijven kondt totdat hij thuis komt, ten minste als jufvrouw Nipper ook

wel wil blijven,” zeide Jemima, bijtijds bedacht op de waardigheid der

zwartoogige.—“En hoe ziet hij er uit, Jemima?” zeide Polly

haperend.—“Wel, hij ziet er waarlijk zoo kwaad niet uit als ge zoudt

denken,” antwoordde Jemima.—“Och,” zeide Polly, met aandoening, “ik

wist wel dat zijne beentjes te kort moesten zijn.”—“Zij zijn wel wat

kort,” antwoordde Jemima, “vooral van achteren; maar zij zullen met

iederen dag langer worden, Polly.”

Dit was eene langzame, ver vooruitziende soort van troost; maar de

vroolijkheid en goedhartigheid waarmede hij werd toegediend, gaf er

eene waarde aan, die hij op zich zelf niet bezat. Na een oogenblik van

stilzwijgen vroeg Polly op levendiger toon: “En waar is vader, Jemima

lief?” Want bij dezen patriarchalen naam was baas Toodle in zijn

huishouden bekend.—“Daar alweer!” zeide Jemima. “Hoe jammer! Vader

heeft van morgen zijn eten meegenomen, en komt niet voor van avond

thuis. Maar hij spreekt aldoor over u, Polly, en vertelt de kinderen

van u, en is de goedigste, geduldigste ziel van de wereld, zooals hij

altijd geweest is en zijn zal.”—“Dank daarvoor,” riep de eenvoudige

Polly uit, opgetogen over het gezegde en te leur gesteld door de

afwezigheid.—“O, gij hebt mij niet te bedanken,” zeide hare zuster, die

haar een klinkenden kus op de wang gaf, en toen kleinen Paul vroolijk

liet dansen. “Ik zeg wel eens hetzelfde van u, en ik denk het ook.”

In spijt van de dubbele teleurstelling, was het onmogelijk een bezoek,

dat met zulk eene ontvangst werd begroet, voor mislukt te houden. De

zusters praatten dus vergenoegd over huiselijke zaken, en over Biler,

en over al zijne broertjes en zusjes; terwijl de zwartoogige het oudste

meisje op haar schoot liet koetsje rijden, en scherpe waarnemingen deed

op het huisraad, de houten klok, het hoekbuffet, het kasteeltje op den

schoorsteenmantel met groene en roode vensters, dat met een eindje

kaars van binnen kon geïllumineerd worden, en de twee zwarte fluweelen

katjes, met eene damesreticule in den bek, die door de bewoners van

Stagg’s Gardens als wonderen van nabootsende kunst beschouwd werden.

Daar het gesprek spoedig eene meer algemeene wending nam, opdat de

zwartoogige niet stekelig zou worden, gaf deze jonge dame aan Jemima

een kort verslag van alles wat haar van mijnheer Dombey, zijne familie,

vooruitzichten, levenswijs en karakter bekend was, benevens een

getrouwen inventaris van hare eigene garderobe, en eenig bericht van

hare betrekkingen en vriendinnen. Nadat zij door deze mededeelingen

haar gemoed had verlicht, verkwikte zij zich met garnalen en porter, en

legde zij eene neiging aan den dag om eeuwige vriendschap te zweren.

Kleine Florence zelve verzuimde niet van deze gelegenheid om pleizier

te hebben zooveel mogelijk gebruik te maken, want toen zij door de

jeugdige Toodle’s naar buiten was gebracht om eenige paddestoelen en

andere merkwaardigheden der Gardens te bezichtigen, was zij met hart en

ziel behulpzaam tot het aanleggen van een dijkje door een groenachtigen

waterplas, die zich in een hoek had verzameld. Zij was nog ijverig aan

dien arbeid toen Suze haar kwam opzoeken, die zulk een diep gevoel van

plicht had, dat zij zelfs onder den vermurwenden invloed der garnalen,

het meisje eene met stompen aangedrongen zedepreek over hare goddelooze

ondeugendheid liet hooren, terwijl zij haar gezichtje en handjes

waschte, en voorspelde dat zij hare geheele familie van verdriet ten

grave zou brengen. Na eenig dralen, veroorzaakt door een vertrouwelijk

onderhoud over geldzaken, dat op het bovenkamertje tusschen Polly en

Jemima plaats had, werden de kinderen nogmaals uitgewisseld—want Polly

had al dien tijd haar eigen kind, en Jemima kleinen Paul gehouden—en

namen de bezoeksters afscheid.

Doch eerst werden de jeugdige Toodle’s, slachtoffers van een vroom

bedrog, verleid om zich gezamenlijk naar een naburigen komenijswinkel

te begeven, zoo het heette om daar een stuiver te besteden; en toen de

baan schoon gemaakt was, nam Polly de vlucht, terwijl Jemima haar nog

nariep dat, als zij om weer naar huis te gaan den City Road konden

nemen, zij zeker den kleinen Biler zouden ontmoeten, die van school

kwam.

“Denkt ge dat wij nog tijd zouden hebben om zoover om te gaan, Suze?”

vroeg Polly, toen zij bleven stilstaan om adem te scheppen.—“Waarom

niet, jufvrouw Richards?” antwoordde Suze.—“Het loopt al tegen onzen

etenstijd, weet ge,” zeide Polly.

Maar de genoten hartsterking had hare gezellin meer dan onverschillig

voor deze gewichtige bedenking doen worden, en men besloot dus nog

zoover om te gaan.

Nu was het geval dat het leven van den armen Biler hem sedert den

vorigen ochtend tot een last was geworden, alleen door het costuum der

Liefdadige Slijpers. De straatjeugd kon dit niet uitstaan. Geen kwade

jongen kon het een oogenblik zien, zonder den onschuldigen drager te

lijf te willen. Zijn maatschappelijk aanzijn had meer gelijkenis naar

dat van een Christen uit den oudsten tijd, dan naar dat van een

onschuldig kind uit de negentiende eeuw. Hij was op de openbare straat

gesteenigd, in de goot gesmeten, met modder bespat, met geweld tegen

palen geduwd. Volslagen vreemdelingen, die niets van hem wisten, hadden

hem zijne opzichtige pet afgenomen en die verder weggegooid. Zijne

beentjes waren niet alleen bespot en uitgejouwd, maar ook aangepakt en

geknepen. Dien zelfden ochtend had hij onderweg naar de Slijperschool

geheel ongevraagd een blauw oog gekregen en was hij daarvoor nog door

den meester gestraft, een bejaarden Slijper van kwaadaardig karakter,

die tot schoolmeester was aangesteld omdat hij niets wist en tot niets

deugde, en wiens gruwelijke rotting eene ware toovermacht over alle

welgevleeschde kleine jongens uitoefende.

Zoo kwam het dat Biler om naar huis te komen de minst begane wegen

zocht, en door nauwe stegen en achterstraatjes sloop, om zijne

pijnigers te ontwijken. Eindelijk genoodzaakt om weder in de groote

straat te komen, bracht zijn ongeluk hem daar juist op een punt, waar

een troepje jongens, met een bloeddorstigen jongen slager aan het

hoofd, op de loer stond om op een of ander pretje te wachten. Toen deze

een Liefdadigen Slijper vlak bij zich zagen—als het ware door het

noodlot in hunne handen overgeleverd—vlogen zij met een algemeen gejoel

op hem aan.

Maar nu gebeurde het dat Polly, die na eene wandeling van een goed uur

hopeloos voor zich had uitgezien en gezegd, dat het toch niet baten zou

verder te gaan, ook juist dit schouwspel in het oog kreeg. Niet zoodra

zag zij het, of zij gaf met een haastigen uitroep den kleinen Paul aan

Suze over, en snelde heen om haar ongelukkigen zoon te ontzetten.

Verrassingen, gelijk ongelukken, komen zelden alleen. De verbaasde Suze

en de twee kinderen werden door de omstanders bijna onder de wielen van

een juist voorbijkomend rijtuig vandaan gehaald, eer zij zelven wisten

wat er gebeurd was; en op hetzelfde oogenblik (het was marktdag) werd

de onrustbarende kreet van “een dolle stier!” aangeheven.

In die wilde verwarring, terwijl de menschen schreeuwend heen en weder

liepen, wagens hen overreden, jongens vochten, dolle stieren kwamen

aanloopen, en de min onder al die gevaren misschien reeds verloren was,

liep Florence gillend weg. Zij liep tot zij geheel buiten adem was,

Suze gedurig toeroepende om mee te loopen; en toen angstig stilstaande,

daar zij bedacht dat zij de min hadden achtergelaten, zag zij, met

onbeschrijfelijken schrik, dat zij geheel alleen was.

“Suze! Suze!” riep Florence, met woesten angst in hare handjes

klappende. “O, waar zijn zij! Waar zijn zij!”—“Waar zijn zij?” riep

eene oude vrouw, die zoo gauw zij kon van den overkant der straat kwam

aanstrompelen. “Waarom zijt ge van hen weggeloopen?”—“Ik was bang,”

antwoordde Florence. “Ik wist niet wat ik deed. Ik dacht dat zij bij

mij waren. Waar zijn zij?”

De oude vrouw nam haar bij den arm en zeide: “Ik zal het u wijzen.”

Zij was een allerleelijkst oud wijf, met roode randen om de oogen, en

een mond die van zelf mummelde en fluisterde, al sprak zij niet. Zij

was ellendig gekleed en droeg eenige beestenvellen over den arm. Zij

scheen Florence reeds eenigen tijd gevolgd te hebben, want zij was

buiten adem, en dit maakte haar nog leelijker, terwijl zij daar stond

te hijgen en haar geheel gerimpeld gezicht stuipachtig verdraaide,

alsof zij zou stikken.

Florence was bang voor haar en keek angstig de straat in, die zij bijna

ten einde was geloopen. Het was eene eenzame plek, meer een achterslop

dan eene straat, en er was niemand dan zij zelve en die oude vrouw.

“Gij behoeft nu niet meer bang te zijn,” zeide de oude vrouw, haar nog

stijf vasthoudende. “Kom maar met mij mee.”—“Ik—ik ken u niet. Hoe heet

gij?” zeide Florence.—“Vrouw Brown,” zeide de vrouw. “Goede vrouw

Brown.”—“Zijn zij dichtbij?” vroeg Florence medegaande.—“Suze is niet

ver weg,” zeide vrouw Brown; “en de anderen zijn dicht bij haar.”—“Is

er iemand bezeerd?” vroeg Florence schreiende.—“Wel neen, geheel niet,”

antwoordde vrouw Brown.

Florence schreide tranen van blijdschap toen zij dit hoorde, en ging

daarop gewillig met de oude vrouw mede; schoon zij niet kon nalaten

haar nu en dan in het gezicht te zien—vooral naar dien bewegelijken

mond—en zich te verwonderen of Kwade Vrouw Brown, als er zoo iemand

was, ook eenigszins op haar geleek.

Zij hadden nog niet ver gegaan, maar waren toch reeds eenige leelijke

onaangename plaatsen, zooals steen- en pannenbakkerijen,

voorbijgekomen, toen de vrouw een laantje insloeg, waar de modder zoo

hoog lag dat men er slechts met moeite doorheen kon. Zij bleef staan

voor een armoedig huisje, zoo dicht gesloten als een huisje vol spleten

en scheuren maar zijn kon. De deur openende met een sleutel, dien zij

uit haar hoed haalde, duwde zij het kind voor zich uit naar eene

achterkamer, waar op den vloer eene groote hoop vodden van allerlei

kleur lag, met twee kleinere hoopen beenderen en sintels; maar er was

in het geheel geen huisraad, en de muren en de zolder waren even zwart

als de vloer.

Florence schrikte zoodanig dat zij de spraak verloor en scheen te

zullen flauwvallen.

“Kom, wees nu niet ezelachtig,” zeide Goede Vrouw Brown, haar met

schudden bijhelpende. “Ik zal je geen zeer doen. Ga op die vodden

zitten.”

Florence gehoorzaamde en stak stil smeekend hare gevouwene handjes op.

“Ik zal u niet houden, zelfs geen uur lang,” zeide vrouw Brown.

“Verstaat ge wat ik zeg?”

Het kind antwoordde met groote moeite: “Ja!”

“Maak mij dan niet kwaad,” zeide Goede Vrouw Brown, zelve op de

beenderen plaats nemende. “Als ge dat niet doet, zeg ik u dat ik u geen

zeer zal doen. Maar als ge dat doet, zal ik u vermoorden. Ik had u

altijd kunnen vermoorden, al waart ge in uw eigen bed. Laat nu hooren

wie ge zijt en wat ge zijt, en alles.”

De dreigementen en beloften der oude vrouw, de vrees om haar boos te

maken, en de gewoonte, zeldzaam bij een kind, maar bij Florence reeds

bijna natuurlijk, om zich stil te houden en te smoren wat zij gevoelde,

vreesde en hoopte, waren oorzaak dat het haar mogelijk was dit bevel te

gehoorzamen, en hare geschiedenis, of wat zij daarvan wist, te

vertellen. Vrouw Brown luisterde oplettend tot zij gedaan had.

“Dus heet gij Dombey, he?” zeide vrouw Brown.—“Ja, jufvrouw.”—“Ik wou

dat mooie jurkje hebben, jonge jufvrouw Dombey,” zeide Goede Vrouw

Brown, “en dat hoedje, en een paar rokjes, en wat ge nog meer kunt

missen. Kom aan! Trek uit!”

Florence gehoorzaamde zoo gauw als hare bevende handjes haar

veroorloofden, ondertusschen met angst vrouw Brown in het oog houdende.

Toen zij zich van al de genoemde kleedingstukken had ontdaan, keek

vrouw Brown die op haar gemak na, en scheen tamelijk wel met de waarde

daarvan tevreden.

“Hm!” zeide zij, hare oogen over het tengere figuurtje latende

heengaan. “Nu zie ik niets meer—behalve de schoenen. Ik moet die

schoentjes hebben, jonge jufvrouw Dombey.”

De arme Florence trok ze even gewillig uit, maar al te blijde dat zij

nog middelen had om haar tevreden te stellen. De oude vrouw zocht nu

uit den hoop vodden het een en ander op, dat in de plaats van het

afgelegde kon dienen—een paar ellendige schoenen, een meisjes

manteltje, zeer oud en versleten, en het ineengeknepen overschot van

een hoed, waarschijnlijk van een mesthoop opgeraapt. Met dezen fraaien

opschik beval zij Florence zich te kleeden; en daar dit de

voorbereiding tot hare loslating scheen te zullen zijn, gehoorzaamde

het kind, zoo mogelijk, met nog meer gewilligheid dan te voren. Toen

zij haastig den zoogenaamden hoed opzette, bleef deze in hare welige

haren hangen, en kon zij hem niet zoo spoedig los krijgen. Goede Vrouw

Brown haalde dadelijk eene groote schaar uit en sloeg tot eene

onverklaarbare opgewondenheid over.

“Waarom kondt ge mij niet met vrede laten, toen ik tevreden was? Gij

zottinnetje!” zeide zij.—“Neem het mij niet kwalijk. Ik weet niet wat

ik gedaan heb,” bracht Florence uit. “Ik kon het niet helpen.”—“Kon het

niet helpen,” riep vrouw Brown. “En ik kan het ook niet helpen, en niet

laten ook. Wel Heere,” vervolgde zij, met woedend genot in hare krullen

woelende, “een ander dan ik zou ze allereerst hebben afgeknipt.”

Florence was zoo blijde dat vrouw Brown slechts op hare haren en niet

op haar hoofd belust was, dat zij geen tegenstand bood en om geene

verschooning bad, maar alleen hare zachte oogen naar die goede ziel

opsloeg.

“Als ik niet zelve eens eene dochter had gehad—nu over zee—die grootsch

op hare haren was,” zeide vrouw Brown, “zou ik alles hebben afgeknipt.

Zij is ver weg, ver weg! O ho! O ho!”

De jammerkreet van vrouw Brown was niet welluidend, maar, evenals het

woeste slingeren met hare magere armen, vol hartstochtelijke smart, en

deed Florence opnieuw schrikken en aan het schreien gaan. Dit droeg er

evenwel misschien toe bij om hare krullen te redden; want nadat vrouw

Brown hare schaar, gelijk een nieuwe soort van vlinder, een oogenblik

daarboven had laten zweven, beval zij haar ze onder den hoed weg te

stoppen, zoodat er niets van te zien was om haar te verzoeken. Nadat

zij deze zelfoverwinning had behaald, hernam vrouw Brown hare plaats op

de beenderen en ging een zeer kort zwart pijpje zitten rooken,

aanhoudend mummelende, alsof zij den steel opat.

Toen de pijp was uitgerookt, gaf zij het meisje een konijnevel te

dragen, om haar meer den schijn van een harer gewone geleidsters te

geven, en zeide haar toen dat zij haar nu ergens op straat zou brengen,

van waar zij den weg naar hare familie kon vragen. Maar zij waarschuwde

haar, met dreigementen van doodelijke wraak in geval van

ongehoorzaamheid, om tegen geene vreemdelingen te spreken en niet naar

haar eigen huis te gaan, (hetwelk vrouw Brown misschien te dichtbij

vond) maar naar haar vader in de stad; en om ook op den hoek van de

straat, waar zij zou gelaten worden, te blijven staan tot het drie uur

sloeg, met verzekering dat er geduchte oogen en ooren zouden zijn, die

alles zouden zien en hooren wat zij deed; en Florence beloofde trouw en

oprecht te zullen gehoorzamen.

Eindelijk ging vrouw Brown de deur uit en bracht haar geheel veranderd

en in vodden gewikkeld vriendinnetje door een doolhof van nauwe

straatjes en stegen, die na langen tijd op een stalplein uitliepen, met

eene poort aan het einde, waardoor men het gerucht eener drukke straat

hoorde. Vrouw Brown wees naar deze poort en onderrichtte Florence, dat

zij, als de klokken drie sloegen, linksaf moest gaan, pakte nog eens

hare haren, hetgeen zij niet scheen te kunnen laten, en zeide dat zij

nu wist wat zij doen moest, en dat maar moest doen, en onthouden dat er

op haar gelet werd.

Met een lichter hart, maar toch nog bang, voelde Florence zich

losgelaten en trippelde naar den hoek. Toen zij daar gekomen was keek

zij om, en zag het hoofd der Goede Vrouw Brown uit het houten gangetje

turen, waar zij hare laatste bevelen had gegeven, en ook de vuist der

Goede Vrouw Brown haar dreigend toehouden. Maar hoewel zij naderhand

nog dikwijls omkeek—elke minuut ten minste, in haar zenuwachtigen angst

voor de oude vrouw—kon zij haar niet weerzien.

Florence bleef daar staan, naar het gewoel op straat kijkende en al

meer en meer daardoor verbijsterd; en ondertusschen schenen de klokken

zich te hebben voorgenomen om nooit meer drie te slaan. Eindelijk

klonken de drie slagen van de kerktorens; er was er eene dichtbij,

zoodat zij zich niet kon bedriegen; en na dikwijls over haar schouder

te hebben omgekeken, een eindje te zijn voortgegaan en weder

teruggekomen, uit vrees dat de geduchte spionnen van vrouw Brown het

nog kwalijk mochten nemen—snelde zij voort, met zooveel spoed als hare

wijde schoenen toelieten en met het konijnevel stijf in de hand

geklemd.

Al wat zij van haar vaders kantoor wist was, dat het aan Dombey en Zoon

behoorde, en iets zeer voornaams in de City was. Zij kon dus slechts

den weg naar Dombey en Zoon in de City vragen; en daar zij deze vraag

doorgaans aan kinderen deed—dewijl zij bang was om volwassen menschen

aan te spreken—kreeg zij zeer weinig inlichting. Door echter na eenigen

tijd alleen naar de City te vragen, en vooreerst het overige harer

vraag achterwege te laten, kwam zij werkelijk langzamerhand nader bij

het hart van dat uitgestrekte gebied, dat door den geduchten Lord Mayor

wordt geregeerd.

Moede van het loopen, telkens geduwd en gestooten, versuft door het

rumoer en gewoel, angstig over haar broertje, de min en hare oppasster,

onthutst door hetgeen zij had doorgestaan, benauwd om haar vader in

zulk een veranderden toestand onder de oogen te komen; verschrikt

evenzeer door hetgeen er was omgegaan, nu nog omging, en zij nog voor

zich had, zwoegde Florence met de oogen vol tranen voort, en kon niet

nalaten een paar malen te blijven stilstaan en haar barstend hart te

verlichten door bitterlijk te schreien. Slechts weinige menschen gaven

dan acht op haar, in de kleeding die zij droeg; of zoo zij dit al

deden, dachten zij dat zij was afgericht om medelijden te wekken en

gingen voorbij. Florence riep ook al de vastheid te hulp van een

karakter, dat hare droevige ondervinding reeds vroeg gevormd en gehard

had, en hield onafgewend haar doel in het oog.

Het was twee volle uren later in den namiddag dan toen zij op haar

avontuurlijken tocht was uitgegaan, toen zij, het gewoel en gerucht

eener smalle straat vol karren en wagens ontwijkende, eene soort van

werf of landingplaats aan den waterkant opkeek, waar eene menigte

balen, kisten en vaten verstrooid lagen, bij eene groote houten schaal

en een houten huisje op wielen, waar buiten een zwaarlijvig man, met

eene pen achter het oor en de handen in de zakken, fluitend naar de

masten en booten in de nabijheid stond te kijken, alsof zijn dagwerk

haast gedaan was.

“Wat moet ge?” zeide de man, toevallig omkijkende.—“Wij hebben hier

niets voor u, kind. Maak maar dat ge weg komt.”—“Neem mij niet kwalijk,

is dit de City?” vroeg het bevende dochtertje der Dombey’s.—“Ja zeker

de City. Dat weet ge ook wel. Ga maar heen. Wij hebben hier niets voor

u.”—“Ik wil ook niets hebben—wel bedankt,” was het bedeesde antwoord.

“Behalve dat ik den weg naar Dombey en Zoon wilde weten.”

De man, die onverschillig naar haar was toe gekomen, scheen verwonderd

over dit antwoord, en haar oplettend aanziende, zeide hij:

“Wat kunt gij bij Dombey en Zoon te maken hebben?”—“Ik wilde den weg

maar weten, als het u belieft.”

De man keek haar nog eens aan, en wreef in zijne verwondering zijn

achterhoofd zoo hard dat hij zijn eigen hoed afstiet.

“Jo!” riep hij een ander man toe—een werkman—terwijl hij zijn hoed

opraapte.—“Wat moet Jo?” zeide deze.—“Waar is dat jonge maatje van

Dombey, die naar het inladen van dat goed heeft gezien?”—“Gaat daar net

heen, de andere poort uit.”—“Roep hem eens even terug.”

Jo liep de poort uit, luidkeels roepende, en kwam weldra terug met een

frisschen lustigen knaap.

“Gij zijt immers een snaphaan van Dombey, niet waar?” zeide de eerste

man.—“Ik ben bij Dombey op het kantoor, mijnheer Clark,” antwoordde de

knaap.—“Zie dan eens hier.”

Mijnheer Clark wees met de hand naar Florence, en de knaap kwam naar

haar toe, zich verwonderende, gelijk hij wel mocht, wat hij met haar

kon te maken hebben. Maar zij, die de woordenwisseling had gehoord, en

behalve de verademing dat zij zich zoo onverwacht veilig en aan het

eind van haar tocht mocht achten, zich door het levendige en jeugdige

van zijn gezicht en stem geheel gerustgesteld gevoelde, kwam met drift

naar hem toeloopen, waarbij een van hare wijde schoenen op den grond

bleef liggen, en vatte zijne hand met hare beide handjes.

“Ik ben weggeraakt, als ’t u belieft,” zeide Florence.—“Weggeraakt!”

riep de knaap uit.—“Ja, van morgen ben ik weggeraakt, heel ver van

hier—en toen heeft men mij mijne kleeren afgenomen—en ik heb nu mijne

eigene kleeren niet aan—en ik heet Florence Dombey, de eenige zuster

van mijn broertje—en och, och, bezorg mij toch weerom!” snikte

Florence, de kinderlijke aandoeningen, die zij zoolang gesmoord had,

lucht gevende en in tranen uitbarstende. Te gelijk viel haar leelijke

hoed af, en kwamen hare krullende lokken over haar gezichtje rollen,

waardoor de jonge Walter, neef van Samuel Gills, den

scheepsinstrumentmaker, tot sprakelooze bewondering en even sprakeloos

medelijden werd bewogen.

Mijnheer Clark stond verbaasd en zeide binnensmonds dat hij daar op de

werf nog nooit zoo iets beleefd had. Walter raapte den schoen op en

stak hem aan het voetje, gelijk de prins in het sprookje

Asschepoetsters muiltje mocht hebben aangestoken. Hij hing het

konijnevel over zijn linkerarm, gaf zijn rechter aan Florence; en het

was hem te moede, niet gelijk Richard Whittington—dat is eene lamme

vergelijking—maar gelijk Sint George van Engeland, toen de draak dood

voor hem lag.

“Schrei toch niet, jonge jufvrouw Dombey,” zeide Walter in eene vlaag

van geestverrukking. “Hoe gelukkig voor mij dat ik hier ben! Ge zijt nu

zoo veilig alsof gij door een heelen troep uitgelezen volk van een

oorlogsschip werdt bewaakt. O schrei toch niet.”—“Ik zal niet meer

schreien,” zeide Florence. “Ik schrei maar van blijdschap.”—“Schreien

van blijdschap!” dacht Walter. “En ik ben de oorzaak daarvan! Kom nu

maar voort, jonge jufvrouw Dombey. Daar valt de andere schoen! Neem de

mijne, jonge jufvrouw Dombey.”—“Neen, neen,” zeide Florence, hem

stuitende toen hij driftig zijne schoenen wilde uittrekken. “Deze zijn

beter. Deze zijn heel goed.”—“Wel zeker ook,” zeide Walter, naar haar

voetje ziende: “de mijne zijn veel te groot. Waar denk ik aan. Gij

zoudt de mijne niet kunnen aanhouden. Kom maar voort, jonge jufvrouw

Dombey. Laat ik nu den deugniet eens zien, die u durft molesteeren.”

Zoo leidde Walter, met een geweldig fier gezicht, Florence voort, wier

gezichtje zeer vergenoegd stond; en zij gingen arm in arm langs de

straten, geheel onverschillig voor de verbazing die hun voorkomen kon

veroorzaken.

Het werd donker en mistig, en begon ook te regenen; maar zij gaven hier

niet om, daar zij beiden geheel in de avonturen van Florence verdiept

waren, welke zij met de onschuldige oprechtheid en vertrouwelijkheid

harer jaren vertelde, terwijl Walter luisterde alsof zij, ver van den

modder van Thames-Street, onder de breede bladeren en hooge boomen van

een onbewoond eiland tusschen de keerkringen wandelden—gelijk hij zich

waarschijnlijk wel verbeeldde dat zij deden.

“Hebben wij nog ver te gaan?” zeide Florence eindelijk, hare oogen naar

haar metgezel opslaande.—“Ja, dat is ook waar!” zeide Walter

stilstaande, “laat eens zien. Waar zijn wij? O, ik weet het al. Maar

het kantoor is nu gesloten, jonge jufvrouw Dombey. Daar is niemand

meer. Mijnheer Dombey is al lang naar huis. Ik denk dat wij dus ook

maar naar huis moeten gaan. Of wacht. Als ik u eens naar mijn oom

bracht, waar ik woon—dat is heel dichtbij—en dan met eene koets naar uw

huis reed om hun te zeggen dat ge veilig zijt, en wat kleeren voor u te

halen. Zou dat niet best wezen?”—“Ik denk wel ja,” antwoordde Florence.

“Gij ook niet? Wat denkt gij?”

Terwijl zij op straat stonden raad te nemen, kwam er iemand aan, die in

het voorbijgaan snel naar Walter omkeek, alsof hij hem herkende, maar

van die eerste gedachte scheen terug te komen, en zonder zich op te

houden verder ging.

“Wel, ik geloof dat daar mijnheer Carker is,” zeide Walter. “Carker van

ons kantoor. Niet Carker de chef. Jonge jufvrouw Dombey—de andere,

Carker junior. Heila, mijnheer Carker!”—“Is dat Walter Gay?” zeide de

ander, omkeerende en terugkomende. “Ik kon het niet gelooven, met zulk

vreemd gezelschap.”

Toen hij bij eene lantaren stond en met verwondering naar Walter’s

haastige opheldering luisterde, vormde hij een opmerkelijk contrast met

de twee jeugdige gedaanten, die zoo gearmd voor hem stonden. Hij was

niet oud, maar zijn haar was grijs; zijn rug was gekromd of gebogen,

als ware het door den druk van een zwaar verdriet, en diepe rimpels

kenteekenden zijn vervallen gezicht. De glans zijner oogen, de

uitdrukking zijner trekken, zelfs de stem waarmede hij sprak, alles was

gedoofd en gesmoord, alsof de geest in zijn binnenste tot asch was

verteerd. Hij was fatsoenlijk hoewel zeer eenvoudig gekleed, in het

zwart; maar zijne kleeren schenen het karakter van geheel zijne

gestalte aan te nemen, zich aan zijn lijf in te krimpen en te verlagen,

en zich te vereenigen in de droevige bede, welke de geheele man van het

hoofd tot de voeten uitsprak, dat men hem maar onopgemerkt zou laten,

en alleen in zijne nederigheid.

En toch was zijne belangstelling in jeugd en levenslust niet uitgedoofd

met de andere vonken zijner ziel, want hij sloeg het ernstige gezicht

van den knaap, terwijl hij sprak, met innige deelneming gade, hoewel

met zekere onrust en een even onverklaarbaar medelijden, dat zich in

zijne blikken vertoonde, hoeveel moeite hij ook deed om het te

ontveinzen. Toen Walter hem ten slotte dezelfde vraag deed, die hij

Florence had gedaan, bleef hij hem nog met dezelfde uitdrukking staan

aanzien, alsof hij op zijn gezicht een dreigend noodlot las, dat in

droevige tegenspraak met zijne tegenwoordige helderheid stond.

“Wat zoudt gij raden, mijnheer Carker?” zeide Walter met een glimlach.

“Gij geeft mij altijd goeden raad, weet ge wel, als gij met mij

spreekt; dat evenwel niet dikwijls is.”—“Ik houd uwe eigene gedachte

voor de beste,” antwoordde hij, en liet zijne oogen tusschen Florence

en Walter heen en weder gaan.—“Mijnheer Carker,” zeide Walter, door

eene edelmoedige gedachte in vuur gebracht. “Kom aan! Daar is een

kansje voor u. Ga gij naar mijnheer Dombey en wees de bode van goede

tijding. Dat zal u misschien voordeel doen, mijnheer. Ik zal thuis

blijven. Gij moet gaan.”—“Ik!” zeide de ander.—“Ja. Waarom niet,

mijnheer Carker?” hervatte de knaap.

Tot antwoord drukte hij hem slechts de hand; hij scheen eenigszins

beschaamd en bevreesd om zelfs dit te doen; en hem goeden avond

wenschende en nogmaals aanradende om haast te maken, ging hij heen.

“Kom aan, jonge jufvrouw Dombey,” zeide Walter, hem nog even

nakijkende, “nu zullen wij maar zoo gauw als wij kunnen naar mijn oom

gaan. Hebt gij ooit mijnheer Dombey van mijnheer Carker junior hooren

spreken, jonge jufvrouw Florence?”—“Neen,” antwoordde het kind

zachtzinnig. “Ik hoor papa niet dikwijls spreken.”—“Wel waar, en wel

schande voor hem,” dacht Walter.

Na het lieve geduldige gezichtje naast hem eene poos te hebben

aangezien, zocht hij met zijne gewone levendigheid naar een ander

onderwerp; en daar juist een van die ongelukkige schoenen weder

uitging, stelde hij Florence voor om haar in zijne armen naar zijn oom

te dragen. Florence, hoewel zeer vermoeid, wees dit voorstel lachend

af, uit vrees, gelijk zij zeide, dat hij haar zou laten vallen; en daar

zij reeds dicht bij den houten adelborst waren, en Walter verscheidene

voorbeelden aanhaalde van schipbreuken en andere ongelukken, waarbij

jongere knapen dan hij oudere meisjes dan Florence hadden gered en

zegevierend weggedragen, waren zij nog levendig in gesprek toen zij de

deur des instrumentmakers bereikten.

“Heila, oom Sam!” riep Walter, den winkel binnenstuivende, en van dien

tijd af, zoolang de avond duurde, zeer afgebroken en kortademig

sprekende. “Daar is een verbazend avontuur! Daar is mijnheer Dombey’s

dochtertje op straat verdwaald en van hare kleeren beroofd door eene

oude heks van een wijf—door mij gevonden—en naar huis gebracht om te

rusten—kijk maar!”—“Goede hemel!” zeide oom Sam, terugdeinzende tegen

zijn liefste kompaskistje aan. “Is het mogelijk! Wel, ik...”—“Neen, en

niemand anders ook,” zeide Walter, het overige voorkomende. “Dat zou

ook niemand, en kon ook niemand. Hier, help mij eens even dat

kanapeetje bij het vuur schuiven, als ge wilt, oom Sam—pas op voor de

borden—snijd vast wat vleesch voor haar, wilt ge wel, oom Sam—gooi die

schoenen maar onder den haard, jonge jufvrouw Florence—zet uwe voeten

op den rand te drogen—wat zijn ze vochtig—dat is een avontuur, niet

waar, oom?—Wel mijn tijd, wat ben ik warm!”

Samuel Gills was even warm geworden, en ongemeen verbijsterd bovendien.

Hij klopte Florence zachtjes op het hoofd, drong haar om te eten en te

drinken, wreef hare voetzolen met zijn voor het vuur gewarmden zakdoek,

volgde zijn beweeglijken neef met oogen en ooren, en had geen duidelijk

begrip van iets, behalve dat die opgewonden jonge heer gedurig tegen

hem aanliep, terwijl hij door de kamer heen en weer stoof om twintig

dingen te gelijk te doen en eigenlijk geheel niets uitvoerde.

“Hier, wacht een oogenblikje, oom,” vervolgde hij, eene kaars

opnemende, “tot ik naar boven loop en een ander buis aantrek; en dan

vlieg ik voort. Zeg toch eens oom, is dat geen avontuur?”—“Mijn beste

jongen,” zeide Samuel, die zich, met den bril op het voorhoofd, gedurig

heen en weder draaide tusschen Florence op het kanapeetje en zijn neef

die overal in de kamer te gelijk scheen te zijn, “het is het

buitengewoonste...”—“Neen maar, oom, maak toch—toe, jonge jufvrouw

Florence—eten, oom, weet ge!”—“Ja, ja, ja!” zeide Samuel, en begon

terstond van een schapenbout te snijden, alsof de portie voor een reus

bestemd was. “Ik zal wel voor haar zorgen, Walter. Ik begrijp het wel.

Het lieve kind! Uitgehongerd, natuurlijk. Maak u maar gauw klaar! Wel

Heere, Heere! Sir Richard Whittington, driemaal Lord Mayor van Londen!”

Het duurde niet lang of Walter was naar zijn zolderkamertje geloopen en

weder beneden; maar ondertusschen was Florence, door vermoeienis

overweldigd, toch voor het vuur ingesluimerd. Die korte poos van

stilte, schoon zij maar weinig minuten duurde, stelde Samuel Gills in

staat zijne zinnen in zooverre bijeen te halen dat hij eenige

schikkingen voor haar gemak bedacht, de kamer donkerder maakte en haar

voor den gloed van het vuur beschutte. Toen de knaap terugkwam lag zij

dus gerust te slapen.

“Dat is heerlijk!” fluisterde hij, Samuel zoodanig in zijne armen

knellende, dat hij op het gezicht des ouden mans eene geheel nieuwe

uitdrukking perste. “Nu loop ik heen. Ik zal maar even een stuk brood

nemen, want ik heb een geweldigen honger—en—maak haar vooral niet

wakker, oom Sam.”—“Neen, neen,” zeide Samuel. “Lief kind!”—“Hoe lief,

niet waar!” riep Walter uit. “Ik heb nooit zulk een gezichtje gezien,

oom Sam. Nu loop ik heen.”—“Heel goed,” zeide Samuel, met groote

verademing.—“Zeg eens, oom Sam!” zeide Walter, zijn hoofd weder

binnenstekende.—“Daar is hij alweer,” zeide Samuel.—“Hoe ziet zij er nu

uit?”—“Heel vergenoegd,” zeide Samuel.—“Allerbest. Nu loop ik

heen.”—“Ik hoop van ja,” zeide Samuel bij zich zelven.—“Zeg eens, oom

Sam,” riep Walter, nog eens voor de deur komende.—“Daar is hij alweer,”

zeide Samuel.—“Wij zijn mijnheer Carker junior op straat tegengekomen,

nog wonderlijker dan ooit. Hij zeide mij goedendag, maar ging ons toch

na—dat is het rare!—want toen wij hier aan de deur kwamen, keek ik om

en zag hem stilletjes heengaan, evenals een knecht die mij had thuis

gebracht, of als een trouwe hond. Hoe ziet zij er nu uit, oom?”—“Zoo

wat eveneens als te voren, Walter,” antwoordde Samuel.—“Goed zoo! Nu

loop ik heen.”

Ditmaal deed hij dit werkelijk, en Samuel Gills, die geen trek had om

te eten, bleef bij het vuur Florence in haar sluimer zitten bewaken en

eene menigte allergrilligste luchtkasteelen bouwen, zoodat hij er in

het schemerlicht en in de nabijheid van al die instrumenten uitzag als

een toovenaar, met eene gepoeierde pruik en een koffiebruin lakensch

pak vermomd, die het kind in een tooverslaap hield geboeid.

Ondertusschen reed Walter naar het huis van Dombey met een spoed gelijk

een huurkoetsiers paard maar zelden maakt, en toch stak hij elke twee

of drie minuten zijn hoofd uit het portier om den koetsier eene

ongeduldige aanmaning te geven. Aan het eind van zijn tocht gekomen,

sprong hij af, gaf den knecht, nog buiten adem van het haasten, zijne

boodschap en volgde hem op den voet naar de bibliotheek, waar eene

groote verwarring van tongen heerschte, en waar mijnheer Dombey, zijne

zuster, jufvrouw Tox, Richards en Suze Nipper op dat oogenblik allen

bij elkander waren.

“O, neem mij niet kwalijk, mijnheer,” zeide Walter, naar hem

toestuivende; “maar ik ben zoo blij dat ik u kan zeggen dat alles wel

is, mijnheer. Jonge jufvrouw Dombey is gevonden!”

De knaap met zijn rondborstig gezicht, zijne zwierende haren en

schitterende oogen, hijgende van blijdschap en aandoening, vormde een

verbazend contrast met Dombey, die in zijn leuningstoel tegenover hem

zat.

“Ik heb u wel gezegd, Louise, dat zij zeker gevonden zou worden,” zeide

Dombey, even over zijn schouder naar die dame omziende, die in

gezelschap van jufvrouw Tox zat te schreien. “Laat de bedienden weten

dat er verder geene moeite noodig is. Deze knaap, die mij het bericht

brengt, is de jonge Gay, van het kantoor. Hoe is mijne dochter

gevonden, mijnheer? Ik weet hoe zij is weggeraakt.” Hier zag hij

majestueus naar Richards om. “Maar hoe is zij gevonden? Wie heeft haar

gevonden?”—“Wel, ik geloof dat ik jonge jufvrouw Dombey zoo goed als

gevonden heb, mijnheer,” zeide Walter zeer bescheiden; “ten minste, ik

weet niet of ik mij wel de verdienste kan geven dat ik haar eigenlijk

gevonden heb, maar ik was toch het gelukkige werktuig om...”—“Wat meent

gij er mee, mijnheer?” viel Dombey hem in de rede, die de zichtbare

blijdschap en trotschheid des jongelings over zijn aandeel in het

gebeurde met instinctmatig misnoegen beschouwde, “dat gij mijne dochter

niet eigenlijk gevonden hebt en toch het gelukkige werktuig zijt? Wees

duidelijk en geregeld, als het u belieft.”

Geregeld te wezen was geheel boven Walter’s vermogen; maar hij maakte

zich toch zoo duidelijk als hij in zijn ademloozen toestand kon, en

vermeldde de redenen waarom hij alleen gekomen was.

“Gij hoort dit, meisje?” voegde Dombey de zwartoogige met barschheid

toe. “Neem wat er noodig is, en ga dadelijk met dit jonge mensch mee om

Florence naar huis te halen. Gay, gij zult morgen beloond worden.”—“O,

ik dank u wel, mijnheer,” zeide Walter. “Gij zijt wel goed. Ik heb

waarlijk aan geene belooning gedacht, mijnheer.”—“Gij zijt nog een

jongen,” zeide Dombey stroef, bijna toornig, “en waar gij aan denkt of

zegt te denken is van weinig belang. Gij hebt wel gedaan, mijnheer.

Bederf het niet weder. Louise, wees zoo goed om hem een glas wijn te

geven.”

Dombey’s blik volgde Walter Gay met bitter ongenoegen, toen hij onder

het geleide van mevrouw Chick de kamer verliet; en misschien volgden de

oogen van zijn geest hem met geen grooter welgevallen, toen hij met

Suze Nipper naar zijn oom terugreed.

Daar vonden zij dat Florence, door het slapen zeer verkwikt, reeds

gegeten had, en ook reeds beter met Samuel Gills kennis had gemaakt,

met wien zij nu zeer gemeenzaam en vertrouwelijk praatte. De

zwartoogige (die zooveel geschreid had, dat zij nu wel de roodoogige

mocht genoemd worden, en zeer stil en neerslachtig was) sloot haar

zonder een woord van bestraffing of verwijt in hare armen, en maakte de

ontmoeting tot een zeer zenuwachtig tooneel. Toen het winkelkamertje

voor behulp tot eene toiletkamer makende, kleedde zij Florence zeer

zorgvuldig in hare eigene kleeren, en was toen gereed om haar weg te

brengen, zoo gelijk aan eene Dombey als zij, met hare natuurlijke

ongeschiktheid daartoe, kon gemaakt worden.

“Goeden nacht!” zeide Florence, naar Samuel toeloopende. “Ge zijt heel

goed voor mij geweest.”

De oude Sam was opgetogen en kuste haar als een grootvader.

“Goeden nacht, Walter!” zeide Florence toen.—“Goeden nacht!” zeide

Walter, haar beide handen gevende.—“Ik zal u nooit vergeten,” vervolgde

Florence. “Neen, waarlijk, dat zal ik nooit. Goeden nacht, Walter!”

In de onschuld van haar dankbaar hart lichtte zij haar gezichtje naar

het zijne op. Walter boog zijn hoofd, en toen hij het weder ophief, was

hij gloeiend rood en keek hij om naar zijn oom Sam, met een zeer

schaapachtig gezicht.

“Waar is Walter?—Goeden nacht, Walter!—Dag Walter!—Nog eens de hand,

Walter!” Zoo riep Florence nog toen zij reeds met Suze in de koets zat.

En toen de koets eindelijk voortreed, beantwoordde Walter op de stoep

vroolijk het wuiven van haar zakdoek, terwijl de houten adelborst, even

als hij, alleen op die koets scheen te letten, en alle andere

voorbijrijdende koetsen van zijne observatiën uit te sluiten.

Na verloop van tijd bereikte men wederom het huis van Dombey, en

wederom heerschte het verwarde gerucht van tongen in de bibliotheek.

Wederom ook werd den koetsier gelast te wachten—“voor vrouw Richards,”

fluisterde een van Suze’s mededienstboden haar onheilspellend toe, toen

zij met Florence voorbijging.

Het binnenkomen van het verloren kind veroorzaakte eenige beweging,

maar niet veel. Haar vader, die haar nooit gevonden had, gaf haar een

kus op het voorhoofd, en waarschuwde haar om niet weder weg te loopen

of met ontrouwe dienstboden ergens heen te gaan. Mevrouw Chick staakte

hare jammerklachten over de bedorvenheid der menschelijke natuur, zelfs

wanneer zij door een Liefdadigen Slijper naar het pad der deugd werd

gewenkt; en ontving haar met eene welkomst, een weinig minder dan die

welke alleen aan volmaakte Dombey’s toekwam. Jufvrouw Tox regelde hare

aandoeningen naar de modellen die zij voor zich had. Richards alleen

stortte haar hart in afgebrokene woorden van welkomst uit, en boog zich

over het weggedwaalde hoofdje alsof zij het waarlijk liefhad.

“O Richards!” zeide mevrouw Chick met een zucht. “Het zou diegenen, die

gaarne goed over hunne evennaasten denken, veel meer voldoening hebben

gegeven, en u veel beter hebben gestaan, als gij bijtijds behoorlijk

gevoel hadt getoond voor het kind, dat nu ontijdig van zijn natuurlijk

voedsel zal beroofd worden.”—“Afgesneden,” zeide jufvrouw Tox met een

klagend gefluister, “van eene gemeenschappelijke bron.”—“Als het mijn

geval was, dat ik zoo ondankbaar was geweest,” zeide mevrouw Chick

plechtig, “en ik zoo denken moest als gij, Richards, zou het mij wezen

alsof de kleeding van de Liefdadige Slijpers mijn kind ongeluk zou

aanbrengen en de opvoeding van die instelling het zou doen stikken.”

Wat dat betrof—maar mevrouw Chick wist het niet—die kleeding had hem al

genoeg kwaad gedaan, en ook de opvoeding kon door den tijd aan hare

wraakzucht beantwoorden, want zij was een gestadig onweder van slaan en

huilen.

“Louise,” zeide Dombey. “Het is niet noodig die aanmerkingen voort te

zetten. De vrouw heeft haar ontslag en is betaald. Gij verlaat dit

huis, Richards, omdat gij mijn zoon—mijn zoon,” hij herhaalde die twee

woorden met nadruk, “naar plaatsen en in gezelschap hebt gebracht,

waaraan men niet zonder huiveren kan denken. Wat het ongeluk aangaat,

dat jonge jufvrouw Florence dezen morgen getroffen heeft, dit beschouw

ik, in één gewichtig opzicht, als eene gelukkige omstandigheid; dewijl

ik zonder die gebeurtenis nooit had kunnen vernemen—en dat wel uit uw

eigen mond—waaraan gij u hadt schuldig gemaakt. Ik denk, Louise, dat de

andere, dat meisje,” hier snikte jonge juffer Nipper hardop, “daar zij

zooveel jonger, en natuurlijk door de min van Paul verleid is, wel

blijven kan. Wees zoo goed om te zorgen dat de koets voor die vrouw

betaald wordt tot aan—” hier haperde hij voor een oogenblik eer hij met

walgenden tegenzin vervolgde, “tot aan Staggs’s Gardens.”

Polly ging naar de deur, terwijl Florence haar bij haar kleed vasthield

en haar op de aandoenlijkste manier toeriep om toch niet heen te gaan.

Het was een dolksteek in het hart van haar trotschen vader, een pijl

door zijn brein, te zien hoe vleesch en bloed, dat hij niet

verloochenen kon, zich aan deze geringe vreemde hechtte, terwijl hij

daarbij zat. Niet dat hij er om gaf tot wien zijne dochter zich keerde,

of van wien zij zich afkeerde. De gedachte die hem door de ziel sneed

was, wat zijn zoon eens zou kunnen doen.

Zijn zoon schreeuwde en huilde dien nacht, in allen gevalle, luidkeels.

Om de waarheid te zeggen, de arme Paul had eene betere reden voor zijne

tranen dan zonen van dien ouderdom dikwijls hebben, want hij had zijne

tweede moeder verloren—zijne eerste zooveel hij wist—door een slag even

plotseling als het verlies dat het begin van zijn leven had verdonkerd.

Door denzelfden slag had zijne zuster, die zich zoo droevig in slaap

schreide, ook eene even goede en trouwe vriendin verloren. Maar dit is

geheel buiten bedenking. Laten wij daarover geene woorden verspillen.

Dombey en Zoon · 第 13 / 125 题