Produced by Frank van Drogen, Jeroen van Luin and the
Online Distributed Proofreading Team at http://www.pgdp.net
(This file was produced from images generously made
available by the Bibliothèque nationale de France
(BnF/Gallica) at http://gallica.bnf.fr)
H E T
L E V E N
V A N
H U G O D E G R O O T,
GETROKKEN UIT DE VOORNAAMSTE HISTORIE-
SCHRYVERS EN DICHTERS; DOORMENGD
MET ONPARTYDIGE AANMERKINGEN,
EN VERSIERD MET
TWEE JUISTE AFBEELDINGEN
VAN HET
K O F F E R,
WAARIN DE GROOT ZYNE GEVANGENIS
ONTKOMEN IS:
GETEKEND NAAR HET ECHTE KOFFER ZELF,
THANS BERUSTENDE ONDER DEN HEER,
Mr. _JACOB KLINKHAMER_.
-----
_Te AMSTELDAM,_
By J.B. ELWE EN D.M. LANGEVELD.
MDCCLXXXV.
[Afbeelding: Hugo de Groot, met onderschrift van W. den Elger:
Door deugd des afgunst dood
Door geest een waerelds wonder
Door naam een schelle donder
Was de ed'le Huig de Groot
]
V O O R R E D E.
_Het in 't licht verschynen van de beide echte aftekeningen des koffers,
doormiddel van 't welk de beroemde _Hugo de Groot_, het bange Loevestein
ontkomen, en welk Vaderlandsch Gedenkstuk thans berustende is, onder den
Heer, Mr. _Jacob Klinkhamer_, heeft ons aanleiding gegeeven tot het
vervaardigen van deeze weinige bladen, bevattende alle de voornaamste
levensgebeurtenissen van den gemelden grooten Staats- en Letterheld: wy
hebben de Dichters te hulp geroepen om onzen styl te veraangenaamen, en
laaten ons voorstaan geene zaaken van belang overgeslagen, en tevens de
nietsbetekenende kleinigheden vermeld te hebben; indien dit bevonden
wordt zodanig te zyn, hebben wy hoop dat onze arbeid goedkeuring zal
verwerven, want by veelen is het leven van onzen _Hugo_ als, aangestipt,
terwyl anderen er een zwaar boekdeel van gemaakt hebben._
_De tydsomstandigheden welken wy belevenen, hebben ons byna op ieder
regel de voorzichtigheid voorgepredikt; wy hebben ons bepaald tot het
geeven van een beknopt verbaal van 't gebeurde, zonder over het gebeurde
te oordeelen; hier en daar hebben wy den Lezer op den weg gebragt, en
hem dan aan zyne eigene krachten overgelaaten;----wy hoopen dat zulks
goedgekeurd zal voor den:--men geloove echter niet dat wy om die reden
onzen naam verzweegen hebben; wy schaamen ons denzelven niet, ook niet
de gevoelens welken wy over den tyd van den grooten _HUGO_, zo min als
die welken wy over onzen tyd koesteren; geenzins; eene reden waarby de
Lezer geheel geen belang kan hebben, heeft ons tot dat verzwygen
verpligt._
_Met eene beknopte beschryving van het koffer te geeven, hebben wy
gemeend den Liefhebberen geenen ondienst te zullen doen? dat die
beschryving zeer juist is, is ons naderhand door den Tekenaar verzekerd,
alzo hy zelf alles naauwkeurig opgenomen, en zyne aantekeningen den
Graveerder medegedeeld heeft._
H E T
L E V E N
V A N
H U G O D E G R O O T,
Onder het aanzienlyk getal van voornaame mannen, welken, van tyd tot
tyd, op het tooneel van _Nederland_ hunne rol gespeeld hebben, is HUGO
DE GROOT één der uitmuntendsten, en zal, zo lang de Republiek, wier
lotgevallen de gantsche wereld zo menigmaal hebben doen verbaazen, zo
lang _Nederland_ bestaat, in gedachtenisse blyven by hen, die niet
onverschillig zyn omtrent her land dat zy bewoonen, en het navorschen
van deszelfs voorledenen en tegenwoordigen staat, voor eene ten hoogsten
nuttige, niet alleen, maar ook noodige bezigheid houden--zy die gewoon
zyn, den ongelukkigen grysaart, den beroemden OLDENBARNEVELD, met
traanen van medelyden naar het verachtelyke schavot te vergezellen--zy
die niet zonder innerlyke ontroering, dien grooten Vaderlander, op den
oever des grafs staande, kunnen hooren zeggen: _Mannen, gelooft het
niet, dat ik een Landtverrader ben, ik hebbe oprecht, en vroom
gehandelt, als een goed Patriot, en die zal ik sterven_--zy wier hart
scheurt, wanneer zy dien bukkenden grysaart, op een stoksken steunende,
en met zwakke treden, het blikzemende zwaard, dat opgeheven is om hem te
ontzielen, ten gemoete zien waggelen; hem zyne oogen ten hemel zien
slaan, onder het uitroepen van deze hartlyke woorden: _Jesus Christus
zal myn leidsman zyn: Heere God, Hemelsche Vader, ontvang mynen
Geest_----zy die zig by aanhoudendheid verwonderen, over de zonderlinge
bedaardheid van ziel, waarmede die onvoorbeeldige yveraar voor zyn
Vaderland, de kortstondige, maar niet te min geduchte reis, naar de
eeuwigheid, aangenomen heeft, zy kennen den Letterheld, met wiens
lotgevallen wy ons voor een oogenblik zullen bezig houden; zy kennen den
grooten HUGO, den tyd- en, gedeeltelyk, ook den ramp-genoot van den
voornoemden grysaart; zy zyn gewoon ook hem met traanen van medelyden
naar het bange _Loevestein_ te vergezellen, en met een hart, dobberende
tusschen hoop en vrees, hem, door een geoorloofde list zyne banden te
zien ontkomen: maar de groote man verdient dat ook de gantsche wereld
hem kenne; ieder Vaderlander is verpligt het zyne daartoe bytebrengen;
dit billykt ons voorneemen, en zal niet minder ons den arbeid aangenaam
maaken.
Om een algemeen denkbeeld van 's mans uitmuntendheid te verkrygen, is
zeer geschikt het vierregelig versje van W. DEN ELGER, geplaatst onder
een afbeeldzel van onzen held, door VAN GUNST in 't koper gebragt: dus
luidt het:
_Door deugd des afgunst dood,_
_Door geest een waerelds wonder,_
_Door naam een schelle donder,_
_Was de ed'le _HUIG DE GROOT_._
Onder een ander afbeeldzel, geschilderd door MIEREVELD, en gegraveerd
door VAN DER WENNE, leest men het volgende versje, van den beroemden
G. BRANDT, 't welk niet minder den lof van den edelen vluchteling
verbreidt:
_Dus leeft de Fenix der Geleerden, _HUIG DE GROOT_,_
_Des aartryx wonder, gift des hemels, die de doodt_
_De tydt en nydt beschaamt: die Neêrlandts Staatsgevaaren,_
_Het oorlogh en 't bestandt beschreef in gulde blaêren._
_Het vaderlandt, dat hem verstiet wordt hier verplicht:_
_En Hollandts vryheit trekt haar luister uit dit licht._
VONDEL schreef onder een derde afbeeldzel, door den beroemden HOUBRAKEN,
naar 't origineele van gezegden MIEREVELD vervaardigd, deze versen:
_De zon des Lants wert dus van Mierevelts penseel,_
_Geschildert, toenze gaf haer schynsel op 't panneel;_
_Doch niet gelykze straalt op 't heerlykste in onze oogen,_
_Maer met een dunne wolk van sterflykheit betogen,_
_Om Duitsch te spreken, dit 's de Fenix _HUIG DE GROOT_,_
_Wiens wyze Majesteit beschynt den Weereltkloot._
_Wie vraegt nu, wat Cefis of Delfos eertyts zeide?_
_Een Delfsch Orakel melt meer wysheit dan die beide._
Onder nog een ander afbeeldzel van onzen Held, schreef de geleerde
D. HEINSIUS, een zinryk _Latynsch Puntdichtje_, 't welk door den Heer
BRANDT dus vertaald is:
_Dit 's 't pand van 's hemels gunst, van Holland voortgebragt,_
_Dat zich met recht ontzette en by zich zelve dacht,_
_Heb ik dien grooten Huig wel voor my zelf gebaard?_
_Dit zichtbaar menschlyk is, de rest naar 't godlyk aart._
Immers doet dit alles ons denken op een' man, zo groot van verstand als
verheven van ziel? en onze HUGO was inderdaad zulk een zeldzaam
voorbeeld: DE GROOT was waarlyk _Groot_, en had dus dezen zynen eigen
naam ook als een' eernaam moge voeren: hem daardoor in den rang der
Vorsten te stellen, is niets minder dan vlyery--'t wordt by de
Historiekundigen ook geloofd, dat de voorzaaten van onzen Held, zig,
door uitmuntende diensten het Vaderland beweezen, den gezegden eernaam
verworven hebben, zynde het geslacht van DE GROOT eigenlyk
voordgesprooten uit dat van KRAAIJENBURG, welks adelyk huis van dien
naam, welëer gestaan heeft tusschen _Delft_ en _'s Gravenhagen_: de
gezegde afkomst van het geslacht onzes Helds, wordt bevestigd door
deszelfs wapen, 't welk 't zelfde is met dat van den huize KRAAIJENBURG
voornoemd.
Door de uitwerkzelen van den alles vernielenden twist, het monster dat
in ons lieve Vaderland zo menigmaal zyne haatelyke rol gespeeld heeft,
werden de voorzaaten van onzen HUGO genoodzaakt de wyk te neemen naar
het nabuurig _Delft_, alwaar zy vervolgends, onder den naam van DE GROOT,
de aanzienlykste eeramten bekleed hebben: op de regeringslysten van
_Delft_ voornoemd, vindt men, volgends de aantekening van zekeren
_Aper Melisz. van Melisdyk_, getrokken uit een oud register, op den
jaare 1485 reeds, Mr. HUGO HUGOSZ. DE GROOT, die gestorven is den 8 Mei
des jaars 1509: DIRK HUIGENSZ. DE GROOT, mede een vermaard man, dien wy
't laatst op den jaare 1521 als Burgemeester van _Delft_ vermeld vinden,
stierf omtrent den jaare 1530, zonder kinderen van het manlyke geslacht
natelaaten, waardoor derhalven de beroemde naam van DE GROOT welhaast
verlooren geraakt zou weezen, ware het niet dat ERMGARDT DE GROOT,
dochter van Heer DIRK voornoemd, daarin voorzien hadde; deze in 't
huwelyk zullende treeden met den Heere CORNELIS CORNETS, een man
afkomstig uit de Hertogen van _Bourgondiën_, werd zo sterk door de zucht
voor haar beroemd geslacht gedreeven, dat zy den voorgenomen echt niet
wilde voltrekken, dan onder beding, dat de zoonen, welken uit haar
geboren mogten worden, den naam van DE GROOT zouden voeren: volgends dit
voorbeding werd een zoon van vrouwe ERMGARDT, HUGO CORNELISZ. DE GROOT
genoemd, zynde de grootvader van onzen Held: deze HUGO voegde de wapens,
enz. van beide de geslachten, waaruit hy gesprooten was, CORNETS en
DE GROOT, byéén; ook werden de waardigheden, sedert zo veele jaaren
herwaards door de voorzaaten van vrouwe ERMGARDT bekleed, en die op
haaren man, CORNETS, niet overgebragt hadden kunnen worden, om dat hy
geen geboren _Hollander_ was, nu weder, met algemeene toejuichinge, aan
Heer HUGO opgedraagen: en niet alleenlyk de aanzienlykste waardigheden,
maar ook de weetenschappen scheenen in dit beroemd geslacht ervelyk te
weezen, waarvan wy de spreekendste bewyzen zullen opleveren; wat den
laatstgemelden HUGO desaangaande betreft, van dezen wordt gezegd, dat hy
was, "een man in de _Latynsche_, _Griexe_, en ook _Hebreeusche Taalen_
ervaaren, meer dan die tyden meêbraghten;" hy huwde met ELSELINGH
HEEMSKERK, (anderen geeven hem nog eene vroegere gemaalin, naamlyk,
MARIA STEFFENS,) een telg uit het doorluchtig en aloud _Nederlandsch
Geslacht_ van dien naam, waaruit zo veele groote mannen voordgesprooten,
en waarvan de nakomelingen nog heden in aanzien zyn: om slechts iets
tot lof der HEEMSKERKEN te zeggen, wyzen wy den Lezer op den beroemden
JACOB HEEMSKERK, of VAN HEEMSKERK, gelyk wy hem ook genoemd vinden, een
held, "die door verscheidene togten, in bekende en onbekende landen, en
naar de _Oostindiën_, den Vaderlande veele onwaardeerbaare diensten
beweezen heeft, tot dat hy voor _Gibralter_, in den jaare 1607, zyn
doorluchtig leven al vechtende afleide;" onze wereldstad roemt op het
bewaaren van 't overschot dezes helds: zyn grafstede, in de _Oude-Kerk_,
prykt met het volgende zinryke versje van den onstervelyken Ridder,
P.C. HOOFT:
_Heemskerk, die dwars door 't ys, en 't yzer dorste streeven,_
_Liet d'eer aan 't Land, hier 't lyf, voor Gibralter het leven._
HUGO DE GROOT, verwekte by vrouwe ELSELINGH, onder andere kinderen, twee
zoons, naamlyk, JAN en CORNELIS, beiden mannen, wier roem door onze
Vaderlandsche Historieschryvers mede ten breedsten uitgemeeten wordt;
volgends BOXHORN, is de laatstgemelde geboren te _Delft_, in den jaare
1546: in zyne vroege jeugd oefende hy zig te _Parys_ in de Wysbegeerte
en de Historiën; van daar vertrok hy naar _Orleans_, alwaar hy in de
rechten studeerde; weder t'huis gekomen zynde, werd hy, in 1575, tot
Leeraar in de rechten, op de Hooge School te _Leiden_, verkoozen; na
veele waardige diensten gedaan te hebben, is hy te dier stede overleden,
op den verjaardag zyner geboorte, dat is, op den 25 July des jaars 1610,
bekleedende toen voor de zesde maal de waardigheid van _Rector
magnificus_ der Universiteit: hy was by de geleerdste lieden van zynen
tyd, en boven all' by den vermaarden JUSTUS LIPSIUS, zeer gezien: zyn
broeder JAN DE GROOT was de vader van onzen Held; deze heeft op zyn
beurt mede de wetten en 't welzyn der Stad _Delft_ helpen handhaven; ook
werd hem de zorg voor _Leidens Hooge School_ aanbetrouwd; hy huwde met
ALIDA VAN OVERSCHIE, mede geboren uit een oud adelyk _Delftsch
Geslachte_: de Ambachtsheerlykheid van dien naam, wordt onder de oudste
eigendommen van _Delft_ geteld: een andere zoon van Heer JAN, een jonger
broeder van HUGO, 't voorwerp onzer tegenwoordige bemoeijingen, was
WILLEM DE GROOT: had gezegde HUGO welëer, en 't geen wy nader zien
zullen, geschreeven, de _Inleiding tot de Hollandsche Rechtsgeleerdheid_,
deze verledigde zig ter vervaardiginge van een werk, ten tytel voerende:
_Inleiding tot de praktyk van den Hove van Holland_, eerst in de
_Latynsche_, en daarna in de _Nederduitsche Taale_; hy droeg hetzelve op
aan de Burgemeesteren van _Delft_: de geestige J. WESTERBAAN maakte op
beide werken een dichtstukje, waarvan dit de laatste versen zyn:
_Aankomelingen, ziet hoe dese Groote mannen,_
_Uyt liefde t' uwer dienst sich hebben ingespannen,_
_En toont haar alle bey, dat u haar wel-doen raeckt:_
_'t Geen _HUGO_ had begost heeft _WILHEM_ opgemaeckt._
Deze WILLEM DE GROOT wordt by uitneemendheid een zeer vroom, nederig, en
oprecht man van leven genoemd; welken lof hem ook toegezwaaid is, door
den geleerden N. HEINSIUS, in een _Latynsch Vers_, door dien Dichter op
het afbeeldzel van Heer WILLEM gemaakt: HUGO's geleerde broeder stierf
den 12 Maart des jaars 1662, in den ouderdom van 65 jaaren, en ruim één
maand.
Zie daar het geen wy verkoozen vooraf te zeggen; thans zullen wy ons
nader bepaalen by onzen grooten HUGO, de eeuwige eer en 't orakel van
_Delft_, welken eertytel hem elders gegeeven wordt; en iets dergelyks
van onzen Letterheld geboekt te vinden, is waarlyk niets nieuws, gelyk
in het vervolg ten overvloede zal blyken: Professor BAUDIUS noemt hem,
_de allergrootste, de wonderbaare _GROTIUS_, het sieraad en puikjuweel
der Hollandsche jeugd_; ter gelegenheid dat CLAUDIUS SALMASIUS, den Heer
DE GROOT, na zyn overlyden, met eenige schriften, onder den naam van
_Simplicium Verinus_ aanrandde, schreef de schrandere VONDEL, in den
jaare 1646, desaangaande, aan den Heere HOOFT, onder anderen deze
regelen:
"onze _goede_ en WYZE GROTIUS is ook al heene; Salmasius kan dit
gebeente niet laaten rusten; de Bourgonjons hebben het altydt te
Delft op levenden of dooden geladen, Balthazar Gerards op Prins
Wilhem, en deeze op Grotius assche:"
het komt ons voor dat uit de zamenvoeging van misdaaden, die de Dichter
hier maakt, zonneklaar blykt, welk een hoog gevoelen hy van onzen HUGO
gehad moet hebben: de eer van dien Letterheld aanteranden, vindt hy
overeenkomstig met den gruwelyken moord, aan den grondlegger van
_Neêrlands Vryheid_ gepleegd; terwyl hy tevens den gezegden Held, en den
Vader des Vaderlands, nevens elkander plaatst: hoe VONDEL over GROTIUS
gedacht heeft, blykt niet minder uit het Dichtstukje, door dien
beroemden Dichter den gemelden lasteraar toegezongen; dus luidt het:
_ô Phariseeusche gryns, met schyngeloof vernist,_
_Die 't _Groote_ lyk vervolgt ook in zyn tweede kist;_
_Gy Helhont past het u dien Herkles na te bassen,_
_Te sleuren op 't autaer den Fenix in zyn asschen,_
_Den mond van 't Hollandsch Recht, by Themis zelf beweent?_
_Zo knaeg uw tanden stomp aan 't heilige gebeent._
Deze voortreffelyke Geleerde, onze HUGO, is dan geboren te _Delft_, op
den tienden van Grasmaand des jaars 1583: nog een kind zynde, gaf hy
reeds doorslaande blyken van zyn zonderling vernuft: dus doet de Dichter
DUIM hem, naar waarheid, tegen zyne kinderen spreeken:
_'k Schreef op myn achtste jaar al vaerzen in 't Latyn[1],_
_'k Wou, niet alleen des daags, maar, 's nachts ook werkzaam zyn._
In zyne nachtstudie werd hy echter door zyne zorgelyke moeder verhinderd,
waardoor hy genoodzaakt was, zyn _Zondagsgeld_, gelyk zekere schryver
zig uitdrukt, te besteeden, om kaarsen te koopen: nog naauwlyks den
ouderdom van elf jaaren bereikt hebbende, werd hy reeds bekwaam gekeurd
om naar de Hooge School te _Leiden_ gezonden te worden: in dien
kweektuin van geleerdheid arbeidde hy onvermoeid, oefenende zig in de
Wysbegeerte, Godgeleerdheid, Rechtsgeleerdheid, Sterreloopkunde en
Wiskunst: nog geen jaar lang dus bezig geweest zynde, ontwierp hy drie
versen, twee in de _Latynsche_ en één in de _Grieksche Taale_, die, in
't licht verschynende, de gantsche wereld deeden verstommen: met zyn
vyftiende jaar had hy den loop zyner studiën reeds volbragt, en verliet
niet alleenlyk _Leidens Hooge School_, maar ook het Vaderland, gaande
(1598) in het gevolg van den Heere OLDENBARNEVELD voornoemd, naar
_Frankryk_, werwaards die Heer, als Gezant van Hunne Hoog Mogende aan
Koning HENDRIK DEN VIERDEN, vertrok: OLDENBARNEVELD, de schranderheid en
zeldzaame geleerdheid van den zo veel beloovenden jongeling, op hoogen
prys stellende, beschikte hem gelegenheid, om voor zyne Majesteit den
Koning van _Frankryk_ eene redevoering te doen, in dewelke hy zyne
onvergelykelyke geleerdheid en verwonderlyke bekwaamheden, met zo veel
luisters ten toon spreidde, dat de Vorst, daardoor verbaasd, tegen zyne
aanwezende Hovelingen zeide: _Voila le miracle d'Hollande_; dat is:
_Ziet daar het wonder van Holland_; dees eertytel, hoe veel betekenende
ook, voldeed echter niet aan 's Konings hoogachting, derhalven beschonk
zyne Majesteit den jongen redenaar met een goudene keten, waaraan hing
's Vorsten beeldenis, op een medaille van 't zelfde metaal.
Na zig een jaar lang in _Frankryk_ opgehouden te hebben, binnen welken
tyd hy ook, te _Orleans_, den tytel van _Doctor in de Rechten_
verkreeg[2], keerde hy naar zyn vaderland te rug, alwaar zyne
bekwaamheden niet minder geacht werden; ten bewyze daarvan, dat hy op
zyn zestiende jaar reeds Advocaat voor den Hove van _Holland_ was; en
nog geen vier-en-twintig jaaren bereikt hebbende, (in 1607,) werd hy
door de Heeren Staaten van _Holland_, _Zeeland_ en _Westfriesland_ tot
Advocaat Fiscaal aangesteld.
Ons bestek verbiedt ons verslag te doen van alle 's mans geleerde
schriften, welken hy van tyd tot tyd in 't licht gaf, wy moeten ons
alleenlyk tot de hoofdpunten van zyne levensbeschryving bepaalen; des
staat ons te melden dat hy zig, in den jaare 1608, in 't huwelyk begaf
met _Maria van Reigersbergen_, dochter van den Heere _Pieter van
Reigersbergen_, Burgemeester der Stad _Veere_, een man, van wien getuigd
wordt, dat hy den Lande, en niet minder den Huize van _Nassau_, groote
diensten beweezen had; welke trouw echter met schande is betaald
geworden; want in de _Leicestersche tyden_ is hy ter Stad uitgezet, en
heeft vervolgends als balling moeten omzwerven.
In 1613, het dertigste jaar zyns ouderdoms, aanvaardde de beroemde HUGO
het gewigtig amt van Pensionaris der Stad _Rotterdam_:
_Wat zyn my in dien dienst al woedende zeebaaren_
_Gevlogen over 't hooft,_
dus laat de meergemelde Dichter DUIM hem, desaangaande, zeggen; dan,
geen dier woedende baaren heeft hem kunnen doen bezwyken: hy vond reden
om het gemelde moeijelyke amt niet aanteneemen, dan onder voorwaarde,
dat het in de magt der Magistraat van _Rotterdam_ niet zou staan, hem
immer, tegen zyn' wil, van hetzelve aftezetten: de inwilliging van dit
voorbeding, 't welk eene volstrekte beperking van het gezegde vermogen
insloot, bewyst andermaal welke gedachten men van onzen HUGO gevoed, en
hoe groot het vertrouwen was dat men op zyne bekwaamheid gesteld heeft.
Terwyl men bezig was met deze en geene voorwaarde te beraamen, werd hy,
met nog drie andere Heeren, in gezantschap naar het nabuurig _Engeland_
gezonden, ter vereffeninge van eenige geschillen, ontstaan tuschen
JACOBUS DEN EERSTEN, die toen den _Britschen Zetel_ bekleedde, en de
_Hollandsche Oostïndische Maatschapy_, van welke bezending hy zig
ongetwyfeld mede by uitneemendheid verdienstelyk gekweeten moet hebben,
aangezien hy, niettegenstaande zyne nederigheid, van zig zelven,
desaangaande, zulk een hoog gevoelen had, dat hy naderhand betuigde,
_van die Compagnie wel zoveel verdiend te hebben, dat, al ware het dat
alle anderen sliepen, zy voor hem behoorde te waaken_: het hevige
geschil tusschen de _Remonstranten_ en _Contraremonstranten_, 't welk,
ten dien tyde, ons lieve Vaderland beroerde en dat, niettegenstaande het
een kerklyk geschil was, een twist over den Godsdienst, of liever eene
betwisting van een vryen Godsdienst, dat zalige genot waarop alle
menschen aanspraak hebben; niettegenstaande Christenen met Christenen,
allen belyders van een' God van liefde, twistten, oorzaak werd van de
smaadelykste en verachtelykste handelwyzen; dat hevige geschil, 't welk
wy niet behoeven voor te draagen, aangezien het reeds menigvuldigmaal en
met de natuurlykste verwen afgebeeld en dus by ieder bekend is, dat
geschil werd door onzen HUGO, by zyne _Britsche Majesteit_ verhandeld,
en mede met een goed gevolg:--_hy sprak in alles ten voordeele van de
Remonstranten_.
Zyn gedrag omtrent deze vredelievende menschen, over 't algemeen
genomen, bragt hem in groote opspraak; men vond het onbegrypelyk, en
althans ten hoogsten te bejammeren, dat een man, die, wegens zyne veele
kundigheden, voor iets vreemds in de Natuur mogt gehouden worden, die
den onsterfelyken _Erasmus_ in veele opzichten gelyk was; in weinigen
hem moest wyken, en in eenigen overtrof; dat zulk een man de
_Remonstranten_ toegedaan scheen te weezen: ondertusschen beoogde hy in
alles niet anders dan de bevordering der kerklyke eendragt; dit
betuigde hy in een' brief aan zynen vertrouwden vriend, VOSSIUS,
zeggende: _Dat hy eeniglyk, waarvan _GOD_ zyn getuige was, daarop
toelei, dat 'er omtrent de kerklyke verschillen eene gemaatigde vryheid
mogt vergund worden, dewyl zonder dezelve de eene scheuring uit de
andere moest groeien._
Onder alle de bezigheden en zorgen, welken deze onrustige tyden hem
verschaften, vergat hy zyne geliefde studiën niet: de edele Dichtkunst,
zulk eene verhevene ziel dubbeld waardig, was zyne verkwikkende
uitspanning; ja hy verliet zyne boekoefening niet, hoewel zyne
staatsbemoeijingen ook van tyd tot tyd nog vermeerderden, 't geen onder
anderen mede veroorzaakt werd door dat de _Rotterdamsche Vroedschap_
hem, in den jaare 1616, benoemde, tot het Collegie der Gecommitteerde
Raaden, mits evenwel dat hy het Pensionarisschap tevens bleef
waarneemen. Zyn letterarbeid moest hy niet zelden besteeden tot het
wederleggen van deze en geene geschriften, en tot het rechtvaardigen van
het gedrag, by sommige Regenten gehouden: het beroepen van een Synode,
ter vereffeninge der verschillen, was een der voornaamste pointen
waarover men het niet eens kon worden, en dat den arbeidzaamen HUGO veel
werks verschafte: de meeste Steden van _Holland_ hadden staatswyze
beslooten, dat het byeenroepen van zulk eene vergadering niet raadzaam
was, en hadden tevens de Magistraaten magt verleend, om meer volk van
wapenen, of Waardgelders, tot haare verzekering en tot afweering van
daadlykheden aanteneemen: deze resolutie werd door anderen afgekeurd;
waarop agt Steden beslooten zig desaangaande te verdedigen, en daartoe
gebruikten zy "wel voornaamlyk de pen van onzen DE GROOT:" deze zag niet
dan gevaar in het houden van een Synode, zo wel als in het afdanken der
Waardgelders: zyn Exell. Prins MAURITS, was in beide opzichten van het
tegengesteld gevoelen, meenende _dat de Waardgelders erger waren dan de
_SPAANSCHE KASTEELEN_, en dat ze af moesten_, al het welk wy thans niet
breeder kunnen verhandelen; het zy voor het tegenwoordige genoeg,
aangeweezen te hebben, wat eigenlyk de oorzaak was, dat onze groote HUGO
in ongenade verviel, want die ongenade had niets anders dan het
voorgemelde ten grondslage, en had ten gevolge, dat hy, benevens de
Advocaat, VAN OLDENBARNEVELD, en HOGERBEETS, Pensionaris van _Leiden_,
op den 29, (BRAND en anderen zeggen den 28,) Augustus des jaars 1618, te
_'s Gravenhagen_ in hechtenis genomen werd: ten zelfden dage viel ook
het zelfde lot te beurt aan den Heere LEDENBERG, Secretaris van de
Staaten van _Utrecht_, die mede naar _'s Gravenhagen_ gebragt werd.
Vermits de gevangenneeming geschied was uit naame van de Staaten
Generaal, waren de Staaten van _Holland_ daarover niet weinig gebelgd,
aangezien zy alleen de wettige Heeren en Meesters over de gevangenen
oordeelden te zyn: men begeerde dat hunne huizen hun ter gevangenisse
zouden verstrekken: de _Remonstranten_ waren neêrslagtig, ziende dat
hunne voornaamste begunstigers ontwapend waren; de _Contra-Remonstranten_,
integendeel, hieven daarover een triumphlied aan: de vrouwen der
gevangenen leverden requesten in, ter verkryginge van 't geen de Staaten
van _Holland_ begeerd hadden: de _Rotterdammers_ verlieten hunnen
geliefden DE GROOT niet, zy vorderden van zyne Excellentie, dat hy, by
de Staaten Generaal, het ontslag van dien waardigen man zoude bewerken,
maar deze gaf ten antwoord: _het is myn zaak niet_; en ook waren alle
andere pogingen vruchtloos.
Onze held zat mede niet stil om zyne verlossing te verkrygen, en zyne
reeds bezoedelde eer, (wat heeft een braaf man toch waardigers!) te
zuiveren, doch mede te vergeefsch; zelfs liet men, om zyn misdryf
schynbaar te maaken, zyne papieren uit zyn logement haalen; men
verplaatste hem in eene andere kamer, en gaf bevel, dat hy niemand mogt
zien.--Hy verviel in ziektens; zyne onvergelykelyke Gemalin wendde alle
moeite aan, om by hem te mogen komen, ja ook zelfs met aanbieding van
mede gevangen te willen blyven; edel voorwerp!--met hoe veel gronds
heeft de Prins der _Nederlandsche Dichteren_ niet gezongen:
_Waer wert oprechter trou,_
_Dan tusschen man en vrou_
_Ter werelt ooit gevonden?_
_Twee zielen, gloênde aan een gesmeet,_
_Of vast geschakelt en verbonden_
_In lief en leedt._
Deze braave vrouw, eenen Echtgenoot als de groote HUGO overwaardig, mogt
echter het zoete byzyn van haar lieven man niet genieten, ook niet,
schoon hy korts daarna zo gevaarlyk ziek werd, dat men hem twee
Geneesheeren moest zenden--was dit eene geoorloofde handelwys, of was
het wreedheid? de staatkunde zal hier anders oordeelen, dan de
menschlykheid: wy oordeelen niet: Prins MAURITS heeft gesteld, _dat men
op het recht niet moest zien, als het gevaar groot was_; mogelyk heeft
de staatkunde ook stelregels, volgends welken zy de menschlykheid mag
doen zwygen! wat hier van zy, onze doorluchtige Gevangene had niemand
anders tot gezelschap, dan zynen Dienaar, WILLEM VAN DE VELDE: in eenige
ons ter hand gestelde berichten, vinden wy dezen Dienaar, CORNELIS VAN
DE VELDE genoemd, en by VONDEL ontmoeten wy nog een andere Dienaar van
onzen grooter letterheld, in het volgende vierregelig versje, ten
opschrifte voerende: _In het Stamboek van _CHRISTIAEN KAS_, Dienaar van
zyne Excellentie _HUGO DE GROOT_:_
_Een Kristen Kas bewaert ter noot_
_Ons heilig Lantjuweel, de Groot,_
_Toen 't Vaderlant hem viel te kleen_
_O blintheit! ô verkeerde zeên!_
Wy zullen ons vergenoegen, met dit alleenlyk aangetekend te hebben.--Op
den derden September eerstkomende, werden de gevangenen voor de
eerstemaal verhoord, door eenigen uit de vergadering der Staaten
Generaal, niettegenstaande de _Rotterdamsche Vroedschap_ begeerd had,
dat sommige leden uit de vergadering van _Holland_ daar by tegenwoordig
zouden weezen: te vergeefsch ook zeide DE GROOT, begrypende dat hy niet
voor zyn competenten rechter zou staan; _dat hy, als geboren in Holland,
een dienaar van een Stad van Holland, en gevangen genomen op den grond
van Holland, geen Rechters kende dan van Holland; doch_, voegde hy, om
de bewustheid van zyne onschuld, en de gerustheid van zyn hart te doen
blyken, daar by; _ik wil des onverminderd, myne daaden voor ieder wel
verantwoorden._
Op den gezegden dag werden hem, zo vóór als na den middag zestien
vraagen gedaan, die alle voldoende door hem beantwoord werden.
Na dien tyd ontving hy verscheidene bezoeken, en moest weder op
veelerleije ondervraagingen antwoorden; veele schynbezwaaren deeden zig
voor hem op, die hy, de vryheid verlooren hebbende, niet kon oplossen,
waarover hy zig eenige jaaren daarna ook beklaagde, zeggende:
_ongelukkig zyn ze, die, zonder toegang van Vrienden gevangen zittende,
zig tegen zulke slinksche slagen niet kunnen verweeren._
Den 9den November werd het geval in de vergadering der Staaten van
_Holland_ in overweeginge genomen, en beslooten, dat 'er eenigen uit die
vergadering zouden gecommitteerd worden, om, benevens de Gedeputeerden
der andere Provinciën, over de examinatie te staan: onze Held moest
wederom een en andermaal op de vraagen van dezen voldoen, en zelfs had
men zo weinig medelyden met hem, dat hy genoodzaakt werd, staande eenen
hevigen aanval van koorts, voor zyne ondervraagers te verschynen.
Op den 21 February des volgenden jaars, (1619), werden vier-en-twintig
Rechters over de Gevangenen benoemd, aan elk van die Heeren werd
verleend een bezegelde acte, dat niemant hun over deze zaak iets zou
miszeggen of misdoen; en na gedaanen eed van getrouwheid en oprechtheid,
leiden zy onderling in elkanders handen ook eenen eed af, behelzende dat
zy aan niemand zouden openbaaren, iets "van 't geen in deze handelinge
voor haar zoude passeeren."--Zeldzaame voorzorg!--kan eene rechtvaardige
zaak...... maar wy verkiezen hier liefst geene aanmerkingen te
maaken.--Op den 5 Maart, werd de ongelukkige voor de gezegde rechters
gebragt, en den 16 April daaraanvolgende, voor de tweedemaal, door
dezelven ondervraagd: wy vinden aangetekend, dat onze Held in dat
verhoor verzocht, om zyne Deductie op het papier te mogen stellen; dat
hem zulks eindelyk toegestaan werd; maar, (welk een zonderling
voorbeding!) dat hy niet meer dan vyf uuren tyds, en niet meer dan één
vel papiers daartoe mogt gebruiken: men begrype hoe hinderlyk deze
bepaalingen hem hebben moeten weezen; evenwel omhelsde hy die bekrompene
vergunning, en vervaardigde een geschrift, over welke inëengedrongenheid
en kleinheid van letter, ieder verbaasd stond.
Zo lang hem het gebruik van pen en inkt vergund werd, verliet hy zyne
geliefde studie niet, in weêrwil van alle de smartlykheden welken hem
drukten, en die eene minder kloekmoedige ziel dan de zyne, zouden hebben
doen kweinen.
Eindelyk werd de volle vierschaar over de gevangene Heeren gespannen, en
hun vonnis geveld: wy zullen kortheids halven ons alleenlyk by onzen
DE GROOT bepaalen, en denken den Lezer geen ondienst te zullen doen, met
de Sententie, over hem uitgesproken, woordelyk over te neemen; dus luidt
dezelve: