dan sterren; alleen aan één kant de zon, aan den mond van een vurigen
oven gelijk, zich zonder lichtkrans scherp afteekenend op den zwarten
achtergrond des hemels. Aan den anderen kant de Maan, onbeweeglijk
stil staande te spiegelen te midden van talrijke sterren. Voorts
een vrij groote ronde vlek met een zilverachtige franje omzet; het
was de Aarde. Hier en daar waren nevelachtige vlokken door de ruimte
verspreid, en van het toppunt naar het voetpunt liep een onmetelijke
ring, uit sterren als stofgoud bestaande, de melkweg, waarin de zon
slechts een sterretje van de vierde grootte is.
Onze vrienden konden zich aan dit onbeschrijfelijk schoon schouwspel
niet verzadigen. Welk een rijke stof tot opmerkingen! Welke
onbekende gewaarwordingen wekte het in hun geest? Barbicane wilde
zijn reisverhaal onder deze indrukken aanvangen; hij teekende van uur
tot uur alles op wat hem 't meest waardig scheen. Het ging alles met
groote letters en in een stijl, die min of meer den koopman verried.
Inmiddels maakte Nicholl zijn berekeningen en cijferde met
onbegrijpelijke vlugheid. Michel Ardan koutte, nu met Barbicane, die
hem bijna niet antwoordde; dan met Nicholl, die hem niet verstond;
op een anderen tijd met Diana, die hem niet begreep; eindelijk met
zichzelven, die er zich bij verveelde. Maar hij was en bleef de
levendige, praatzieke Franschman.
De dag, of liever--want de uitdrukking is niet nauwkeurig--een
twaalftal uren, naar de Aarde gerekend, eindigde met een fijnen
avondmaaltijd. De reizigers lieten zich dien wel smaken en eindigden
met in slaap te vallen en zich in de hemelruimte met steeds afnemende
snelheid te laten voortdrijven.
DERTIGSTE HOOFDSTUK.
EEN BEREKENING EN EEN BEGRAFENIS.
Nog niet lang was het ontbijt weggeruimd, of onze drie vrienden
geraakten ongevoelig, naar 't scheen, onder den indruk der ledige
hemelruimte om hen heen. Ook zij gevoelden iets ledigs. In een enge
ruimte besloten en niets te doen hebbende, waren Barbicane en Nicholl
ineens in een gansch andere wereld verplaatst dan die bedrijvigheid,
waaraan de voorzitter der Gun-club in de laatste maanden zoo gewoon
geworden was en die te zeer in het gestel van den kapitein lag om haar
ineens te verloochenen. Ook had het iets onbegrijpelijk vervelends,
dat zij geen de minste beweging bemerkten. Het was zonder de geringste
afwisseling: de maan boven, de zon onder hen. Het eenige waaraan dan
nog een weinig verandering te zien was, bestond in het grooter worden
der maanschijf--een gevolg en een blijk tevens van hun beweging in
de richting naar de Maan.
Maar bij Michel Ardan kwam er nog iets bij. Hij twijfelde wel niet
aan den goeden uitslag der onderneming, maar zijn levendigheid als
Franschman begon hem toch met vragen te kwellen, waarvan den volgenden
dag, 3 December, de uitroep een blijk was: »Wat is het toch ellendig,
dat ik zulk een sukkelaar in de wiskunde ben!"
»Waarom?" vroeg Barbicane.
»Omdat ik nu onmogelijk raden kan hoe de geleerden der sterrenwacht
te Cambridge hebben kunnen berekenen met welke snelheid het projectiel
uit de Columbiad moest vliegen om op de Maan terecht te komen."
»'t Is toch zeer eenvoudig," antwoordde Barbicane.
»Kunt gij het mij dan zeggen?"
»Zeggen--ja; maar of ge het begrijpen zoudt?"
»Ben ik dan zoo dom?"
Dat niet, maar, ziet ge, daartoe behoort algebra."
»Wat is dat voor een ding?"
»Dat is geen ding, maar een wetenschap, die zulke dingen leert
berekenen. Dit geschiedt door de integraal-rekening."
»Ik heb de eer niet, die dame te kennen," zei Michel Ardan met een
buiging. »Wees zoo goed mij aan haar te presenteeren."
»De integraal-rekening," antwoordde Barbicane zeer ernstig, »is het
tegendeel van de differentiaal-rekening."
»Zeer verplicht." Bij dit woord boog Michel Ardan nogmaals.
»Door die berekening zoekt men eindige grootheden, tusschen welke
het verschil bekend is."
Barbicane nam een stuk papier en potlood. »Stel," zoo begon hij,
»den afstand tusschen het middelpunt der Aarde en dat der Maan =
_d_, den straal der aarde = _r_, de massa der aarde = _m_, de massa
der maan = _m_, de snelheid verkregen door een lichaam dat na éene
seconde vallens op de aarde valt = _g_, de kracht...."
»Ik dank u zeer, mijn beste vriend, maar mijn geheugen kan al die
»gelijken" niet onthouden. Mijn hoofd staat er van in brand. Mag ik
u verzoeken ter zake zelve te komen?"
»Wij zijn juist bezig. Rekent gij het uit, kapitein?" vroeg Barbicane,
Nicholl druk aan het cijferen ziende.
»Ja," zei deze kortaf.
Na een poos drukte hij het potlood tegen zijn voorhoofd en zei
langzaam, als tot zich zelven: »ja, zoo kom ik uit. Drie maal 5 is 15,
driemaal 8 = 24.... De snelheid, die dus ons projectiel moest hebben
om buiten het overwicht van de zwaartekracht der aarde te geraken en
bijgevolg de maan te kunnen bereiken is...."
»Elf duizend yard in de eerste seconde," viel Barbicane in.
»Met uw verlof 11001," antwoordde Nicholl.
»Onmogelijk!" riep Barbicane met een gebaar van afgrijzen uit.
»Wat scheelt er aan?" vroeg Michel Ardan.
»Wat er aan scheelt? Op vermindering van de eigenlijke snelheid
door den tegenstand der lucht en de daardoor veroorzaakte wrijving
is niet gerekend; de eigenlijke snelheid moet zijn 16575 meter,"
antwoordde Nicholl.
»En de sterrenwacht te Cambridge verklaarde dat een aanvankelijke
snelheid van 11000 meter in de seconde toereikend was! Wij zijn met
die snelheid vertrokken."
»Welnu?"
»Welnu? Die snelheid zal ontoereikend zijn."
»'t Is wel."
»Dan komen wij er niet."
»Te drommels!"
»Zelfs niet halfweg, en bovendien, vallen wij dan op de Aarde terug."
De vrienden stonden als door den bliksem getroffen? Wie had zulk
een misrekening verwacht? Barbicane wilde het niet gelooven: Nicholl
herhaalde zijn becijferingen. De formule was juist, de berekening kwam
uit. Hij zag alles nog eens na. Michel Ardan verklaarde kort en goed,
dat hij twintig pistolen gaf om op de sterrenwacht te Cambridge neder
te komen en den heelen toren met al de cijferaars te verpletteren."
Nicholl merkte op, dat er nog geen reden was tot moedeloosheid.
Hij was van oordeel, dat, daar zij nu 32 uren onderweg waren, de
grootste helft moest zijn afgelegd, zoodat alle vrees voor terugvallen
noodeloos was. Barbicane mat met zijn werktuigen den hoek onder
welken zich de Aarde vertoonde, en leidde daaruit af, dat zij reeds
ruim 50.000 mijlen hadden afgelegd; zij waren dus het punt voorbij,
waar het projectiel had moeten ophouden voort te schieten.
De anderen stemden daarmede in, en allen begrepen nu te kunnen gaan
ontbijten, hetgeen geschiedde.
Nadat zij zich, dank zij de uitmuntende wijze waarop Michel Ardan
het hofmeesterschap waarnam, het voorgezette goed hadden laten
smaken, zouden ook de honden hun deel krijgen. Maar--treurige
ontdekking? Wachter was dood.
»Wat nu?" vroeg Barbicane. »Wij kunnen het lijk hier niet houden,
en hoe komen wij er af?"
»Er zit niets anders op," meende Nicholl, »dan het scharnier van een
der kijkglazen even open te doen en den dooden hond in de hemelruimte
weg te werpen."
»Wij zullen wel moeten," merkte Barbicane aan, »maar--zeer
voorzichtig?"
»Waarom?" vroeg Michel Ardan.
»Om twee redenen. Vooreerst, dat wij met onze lucht in het projectiel
zuinig moeten zijn en daarom niets mag ontsnappen. En ten tweede,
omdat de koude van buiten geen tijd mag hebben om binnen ons vertrekje
te sluipen, want dan bevriezen wij in een oogenblik."
»Zou het dan daarbuiten zoo koud zijn?" vroeg Michel Ardan.
»Vroeger," zei Barbicane, »meende men dat de temperatuur der
hemelruimte zeer laag was. Bij thermometerhoogte berekend, kwam
men tot millioenen graden beneden nul. Fourier, een landgenoot van
onzen vriend Michel Ardan, heeft de wetenschap van dit uiterste
teruggebracht. Volgens hem staat de temperatuur der hemelruimte
niet beneden de 60°, en dit is omtrent zooals in de poolstreken,
op Melville-eiland of het fort Reliance, waar de honderddeelige
thermometer ook omtrent 56° onder nul staat."
»'t Is dus de vraag of Fourier zich niet vergist heeft. Bedrieg ik
mij niet, dan heeft een andere Franschman, Pouillet de temperatuur
der ruimte bepaald op 160° onder nul. Wij zullen zien wat er van is."
»Nu niet," antwoordde Barbicane, »want de zonnestralen vallen
rechtstreeks op onzen thermometer en zouden dien veeleer doen
rijzen. Maar als wij op de maan zijn, hebben wij gedurende den
daar heerschenden veertiendaagschen nacht overvloedig gelegenheid
om te onderzoeken, want de wachter onzer aarde zweeft in de ledige
hemelruimte. Ofschoon ledig, ondergaat die ruimte toch trillingen,
blijkens het licht, en deze moeten een snelheid hebben van millioenen
meters in de seconde."
»Dat zijn cijfers die gij kunt noemen, maar van welke een eenvoudig
mensch niets begrijpt. Zoo is het ook met de planeten. Als gij mij
vertelt, dat Uranus 66 maal grooter is dan de Aarde, Jupiter 3100 maal,
de Zon anderhalf millioen maal, dan zijn dat holle woorden. Maak het
liever aanschouwelijk, zeg: de zon is een bol van 2 voet doorsnede,
dan is Jupiter een oranjeappel, Uranus een kers, de aarde een erwt,
enz. dan verstaat men u."
Na dezen uitval van Michel Ardan tegen de geleerden met hunne
millioenen en billioenen en trillioenen, werd Wachter begraven;
hetwelk eenvoudig hierin bestond, dat men hem in de hemelruimte wierp,
gelijk de zeelieden een lijk over boord zetten.
Dit deed men volgens den raad van Barbicane met alle mogelijke
voorzichtigheid, want er mocht geen aasje lucht te loor gaan. Alles
geschiedde dan ook, dank zij mede de kracht der veren en de goede
werking der scharnieren, zoo vlug, dat men er niet het minste letsel
van had. Barbicane nam daaruit aanleiding om voor te stellen, dat
men zich op diezelfde wijze van alle overtolligheden zou ontdoen.
EENENDERTIGSTE HOOFDSTUK.
WACHTER IS WACHTER GEWORDEN.
Den 4den December bleek aan den chronometer, dat het op Stone's
Hill 5 uur in den morgen was toen de vrienden ontwaakten, na 54 uren
reis. Naar den tijd gerekend, waren zij slechts 5 uren 20 minuten over
de helft van hun verblijf in het projectiel; maar naar den afstand was
bijna 7/10 der reis afgelegd--een gevolg van het regelmatig afnemen
hunner snelheid.
Toen zij door het benedenste glas naar de Aarde keken, scheen hun
deze niet meer dan een duistere vlek, te midden der zonnestralen. Van
sikkel of aschgrauw licht was niets meer te bespeuren. Den volgenden
middernacht was de aarde Nieuw, de maan Vol. Boven hen scheen deze meer
en meer te naderen, als om hen te bestemder ure te ontvangen. Overigens
niets dan de zwarte achtergrond der ruimte, bezaaid met sterren,
die zich langzaam schenen te bewegen. Van betrekkelijke grootte
waren zij niet merkbaar veranderd. Zon en sterren hadden hetzelfde
voorkomen als van de aarde gezien. De Maan was aanmerkelijk grooter;
maar de kijkers van onze reizigers waren niet krachtig genoeg om
gelegenheid te geven tot bruikbare waarnemingen of iets aangaande
haar oppervlakte te doen kennen.
Aan gesprek ontbrak het hun niet. De maan was het voorname onderwerp
van hun gekout. Ieder zei er het zijne van; Barbicane en Nicholl altijd
in ernst. Michel Ardan altijd luchtig en kluchtig. Het projectiel,
de richting, de snelheid, de ongevallen die zouden kunnen plaats
hebben, de voorzorgen te nemen bij het nederdalen op de Maan--dat
alles leverde onuitputtelijke stof.
Een voorbeeld. Michel Ardan wilde weten wat er op loopen zou, indien
het projectiel eens plotseling in zijn vaart was gestuit, terwijl
het zijn eerste snelheid nog had.
»Maar ik begrijp niet waardoor het projectiel zou hebben kunnen
gestuit worden," zei Barbicane.
»'t Is maar een onderstelling," antwoordde Michel Ardan.
»Een onmogelijke," meende Barbicane, »namelijk indien de snelheid
zelf niet weggevallen ware. Maar die snelheid moest langzamerhand
afnemen en zou niet plotseling gestuit zijn."
»Aangenomen dat het projectiel tegen een of ander lichaam in de
hemelruimte stuitte."
»Welk?"
»Den grooten vuurbol dien wij ontmoet hebben."
Nicholl meende, dat in dit geval het projectiel in duizend stukken
zou gesprongen zijn.
»Wij zouden levend verbrand zijn," voegde Barbicane er ernstig bij.
»Verbrand," sprak Michel Ardan, »'t is jammer; dat zou mooi zijn
geweest om te zien."
»En gij zoudt het gezien hebben," antwoordde Barbicane. »Men weet nu,
dat warmte niets anders is dan een wijziging van beweging. Wanneer men
water verhit, dat wil zeggen: wanneer men warmtestof bij water voegt,
beteekent dit, dat men beweging geeft aan de stofdeeltjes waaruit
het water bestaat."
»Zeer fraai!" merkte Michel Ardan aan.
»Niet alleen fraai, maar ook juist, mijn vriend, want dit verklaart
alle warmteverschijnselen. De warmte is niets dan een beweging der
stofdeeltjes, een eenvoudige slingering dier deeltjes. Wanneer men
in een plank een gat boort, wordt de boor verhit: waardoor? Door
beweging. Waarom smeert men de assen van rij- en voertuigen? Om te
beletten dat zij te zeer verhit worden."
»Als ik het dan wel begrijp," sprak Michel Ardan met gemaakten ernst,
»hoe komt het dan dat ik moet stilhouden, wanneer ik lang geloopen
heb en dat het zweet mij van het voorhoofd druipt? Eenvoudig omdat
mijn beweging in warmte is veranderd."
Barbicane liet zich door dezen kwinkslag niet van zijn stuk
brengen. Hij ging voort: »In geval van een botsing zou ons projectiel,
bij de verandering van beweging in warmte, door dien hevigen schok
dermate zijn verhit geworden, dat het geheel gesmolten, ja verdampt
ware."
»Maar," voegde Nicholl er bij, »wat zou dan wel gebeuren indien de
aarde eens plotseling in haren omloop om de zon werd gestuit?"
»Zoo verhit," antwoordde Barbicane, »dat alles in damp zou opgaan."
Michel Ardan was van oordeel, dat deze wijze van een einde aan de
wereld te maken al zeer eenvoudig was.
»En als de aarde op de zon viel?" vroeg Nicholl.
»Volgens de berekeningen," antwoordde Barbicane, »zou die val een
hitte ontwikkelen als van 1600 kolenbollen zoo groot als de aarde."
»Een aardig buitenkansje aan warmte voor de zon," verklaarde Michel
Ardan, en ook voor Uranus en Neptunus, want daar moeten de lui wel
sterven van koude."
»Derhalve," merkte Barbicane op, »geeft elke hevige beweging een
verhooging van hitte. En dit leidt tot de onderstelling dat de hitte
der zon wordt onderhouden door zwermen vuurbollen, die onophoudelijk
op de zon vallen. Men heeft zelfs berekend...."
»Pas op," liet Michel Ardan zich hooren, »daar komen de cijfers."
Barbicane liet zich door dezen uitval niet uit den zadel lichten,
maar ging voort: »Men heeft zelfs berekend, dat de schok door elken
vuurbol op de zon veroorzaakt, een hitte moet voortbrengen, zooals
een 4000 maal grootere hoeveelheid steenkolen geven zou."
»En hoe groot is de hitte der zon?" vroeg Michel Ardan.
»Ze is gelijk aan die, welke zou worden ontwikkeld door een laag
gloeiende kolen om de zon ter dikte van 27 kilometer."
»En die hitte?"
»Die hitte zou ieder uur 2900 millioen kubiek myriameter water
doen koken."
»En toch verbrandt die hitte ons niet?"
»Neen, dewijl de dampkring der aarde 2/5 van de hitte der zon
opslorpt. Overigens bedraagt de hoeveelheid zonnehitte die door de
aarde wordt opgevangen, slechts een twee milliardste gedeelte der
geheele uitstraling."
»Ik zie wel," antwoordde Michel Ardan, »dat alles in den haak is; de
dampkring is een nuttige uitvinding, want zij geeft ons niet alleen
gelegenheid om te ademen, maar belet ook dat wij aan de kook raken."
»Jammer maar," voegde Nicholl er bij, »dat het op de Maan zoo niet
zijn zal."
»Kom, kom," zei Michel Ardan, »als er bewoners zijn, halen zij
adem. Als zij er zijn, zullen zij wel voor drie man meer zuurstof te
missen hebben, al was het in de diepten waar deze door de zwaarte zal
zijn opeengehoopt. Welnu, wij zullen dan niet over de bergen klauteren;
dat is alles!"
Michel Ardan stond op en bekeek de schitterende maanschijf.
»Verduiveld!" riep hij uit. »Wat moet het daar heet zijn!"
»En reken dan nog eens er bij," liet Nicholl volgen, »dat de dag daar
360 uren duurt."
»Daartegenover staat," sprak Barbicane, »een nacht van gelijken duur,
en daar de warmte door terugkaatsing wordt teruggegeven, moet de
temperatuur gelijkstaan met die der hemelruimte.
»Een aardig landje!" sprak Michel Ardan. »Maar dat maakt niets uit! Ik
wenschte maar dat ik er was. 't Zal grappig zijn de Aarde tot wachter
te hebben en als zij opgestaan is te kunnen zeggen: daar heb je
Amerika, en daar Europa! En haar dan na te oogen als zij verdwijnt
in de stralen der zon! Maar zeg eens, Barbicane, zien de maanbewoners
ook eclipsen?"
»Ja," was het antwoord, »zon-eclipsen wanneer de middelpunten van
zon, aarde en maan zoo in een rechte lijn staan, dat de Aarde zich
in het midden bevindt. Maar het zijn slechts ringvormige eclipsen,
in welke de Aarde bij wijze van een vuurscherm vóór de zon geplaatst
is, en slechts een klein gedeelte van de zonneschijf bedekt."
»En waarom geen totale eclips?" vroeg Nicholl. »Strekt de schaduwkegel
der Aarde zich dan niet uit voorbij de Maan?"
»Gewis, indien men de straalbuiging, veroorzaakt door den dampkring
der aarde, buiten rekening laat. Neen, indien men die straalbuiging
in aanmerking neemt. Stellen wij de horizontale parallaxis = _p_,
de schijnbare halve middellijn = _m_...."
»Al genoeg van dat »stellen" en »gelijk!""
»In gewone menschentaal dan! schoon de middelbare afstand tusschen
de maan en de aarde 60 stralen der aarde bedraagt, is de lengte
van den schaduwkegel tengevolge der straalbreking beneden de 42
stralen. Daaruit volgt dus, dat tijdens een eclips de maan zich
bevindt buiten den zuiveren schaduwkegel, en dat de zon haar tot
zelfs de stralen van haar middelpunt toezend."
»En waarom," vroeg Michel Ardan niet zonder ruwheid in zijn toon,
»is er dan eclips, als er geen zijn moet!"
»Alleen dewijl deze zonnestralen verzwakt zijn door de straalbreking,
terwijl de dampkring der Aarde, door welken zij heen gaan er het
grootste getal van uitdooft."
»Dat gaat goed op," vond Michel Ardan; »overigens zullen wij het wel
zien als wij er zijn."
»Zeg eens, Barbicane, gelooft gij dat de maan een oude komeet is!" Bij
deze vraag voegde Nicholl nog de opmerking dat volgens getuigenis der
Ouden de Arkadiërs beweerden, dat hunne voorouders de aarde hadden
bewoond eer de maan haar wachter was geworden. Daarvan uitgaande,
hebben sommige geleerden de Maan gehouden voor een voormalige
komeet, welker loopbaan eenmaal zoo nabij de Aarde zal komen, dat de
aantrekking van deze haar doet nedervallen."
»Niets daarvan," antwoordde Barbicane: »dit blijkt hieruit, dat de
maan geen spoor heeft overgehouden van dat nevelomkleedsel waarin de
kometen altijd gehuld zijn."
»Maar zou," vroeg Nicholl weder, »de maan, eer zij wachter der
aarde geworden is, in het punt harer zonsnabijheid niet dicht genoeg
voorbij de zon hebben kunnen vliegen om daar door uitdamping haar
geheel nevelkleed achter te laten?"
»Dat zou kunnen, vriend Nicholl, maar waarschijnlijk is het niet."
»Waarom niet?"
»Omdat .... ik weet het niet."
»Met dat: ik weet het niet! zou men honderden boekdeelen kunnen
vullen," merkte Michel Ardan aan.
»Hoe laat is het?" vroeg Barbicane.
»Drie uur," antwoordde Nicholl.
»Wat vliegt de tijd toch om," merkte Michel Ardan op, »in het gesprek
met zulke geleerden als gij zijt! Waarachtig, ik leer veel!"
Bij deze woorden sprong Michel Ardan bijna tegen de zoldering van
het projectiel, zooals hij zeide om beter de maan te kunnen zien. De
anderen zwegen een oogenblik.
Michel Ardan keek door een der zijraampjes en uitte een kreet van
verbazing.
»Wat is er?" vroeg Barbicane.
De voorzitter der Gun-club naderde het glas ook en zag een soort
van platten zak, die op eenige meters afstand nabij het projectiel
zweefde. Dit voorwerp scheen even onbeweeglijk als het projectiel,
zoodat het zich op gelijke wijze als dit bewoog.
»Wat is dat voor een ding?" herhaalde Michel Ardan. »Is het een
lichaampje dat in de hemelruimte zweeft, maar nu door de aantrekking
van ons projectiel genoodzaakt wordt bij ons te blijven en mede naar
de maan te trekken?"
»Mij verbaast het," antwoordde Nicholl, »dat de specifieke zwaarte
van dat voorwerp het met ons gelijk doet blijven, hoewel die zeer
zeker geringer is dan die van ons projectiel."
»Nicholl," zei Barbicane na een oogenblik peinzens, »wat het voor
een ding is, weet ik niet; maar wel weet ik waarom het naast ons
projectiel blijft."
»En dat is?"
»Dewijl wij in de ledige hemelruimte zweven, mijn waarde kapitein,
en in dat ledige de lichamen vallen of zich bewegen--wat hetzelfde
is--met een gelijke snelheid, onafhankelijk van gewicht of
gedaante. Het is de lucht, die, door haren tegenstand, het verschil
in gewicht veroorzaakt. Wanneer gij in het luchtledige--door een
luchtpomp--voorwerpen laat vallen, zult gij ze met dezelfde snelheid
zien vallen, veertjes en stukjes lood. Dezelfde oorzaak heeft hier
hetzelfde gevolg."
»Dan zal", voegde Nicholl er bij, »al wat wij buiten het projectiel
werpen, ons op onze reis naar de maan blijven vergezellen."
»Ezels die wij zijn!" riep Michel Ardan uit.
»Waartoe die vleiende benaming?" vroeg Barbicane.
»Omdat wij ons projectiel hadden moeten vullen met nuttige voorwerpen,
boeken, instrumenten, gereedschappen en wat dies meer zij. Wij hadden
dan alles overboord kunnen zetten, want alles zou ons toch hebben
blijven vergezellen. Maar daar valt mij iets in. Waarom zouden wij
geen uitstapje naar buiten kunnen doen? Wat zou het prettig wezen
zoo in den wereldether te hangen, gelukkiger dan de vogel, die altijd
met zijn vleugels moet slaan om niet op den grond te vallen!"
»Fraai bedacht!" zei Barbicane, »maar hoe maakt gij het met de
ademhaling?"
»Ach! die beroerde lucht bederft alles!"
»Maar als er lucht was, Michel, zou uw dichtheid kleiner zijn dan
die van het projectiel, en gij zoudt diensvolgens achterblijven."
»Wij moeten dus binnen blijven?"
»Niet anders."
»Ik geloof te zien wat dat ding is," riep Michel Ardan uit. »Het is
geen hemellichaam, geen stukje van een planeet, maar...."
»Nu maar...."
»'t Is niets anders dan onze ongelukkige hond!"
Inderdaad: dat misvormde, onherkenbare, ineengedrukte voorwerp was
het stoffelijk overschot van Wachter!
TWEEËNDERTIGSTE HOOFDSTUK.
ZIJN ZIJ DRONKEN?
Er had derhalve een verschijnsel plaats, dat, hoe zonderling ook
schijnende, echter een zeer natuurlijke oorzaak had: dat ieder
voorwerp, buiten het projectiel geworpen, denzelfden weg bleef houden
alsof het er in gebleven ware. Dat was een onderwerp van levendig
gesprek voor den geheelen avond. De reizigers geraakten bovendien
reeds in grooter spanning naarmate zij meer naderden aan het doel
hunner reis. Zij verwachtten onvoorziene verschijnselen, onbekende
voorwerpen, maar verwonderen zou hen in hunne tegenwoordige stemming
niets. Hun opgewekte verbeelding streefde het projectiel voorbij, welks
snelheid aanmerkelijk verminderde zonder dat zij het bemerkten. Maar
de maan werd telkens grooter in hun oog; 't was als behoefden zij de
hand maar uit te steken om haar te grijpen.
Den volgenden dag, 5 December, waren alle drie reeds 's morgens te
5 uur bij de hand. Het moest, indien de berekeningen niet faalden,
de laatste dag van hun tocht zijn. Dien avond, juist te middernacht,
dus binnen 18 uren, juist op het oogenblik van Volle Maan, zouden
zij die schitterende schijf bereiken. Middernacht--en het doel zou
bereikt wezen van de buitengewoonste reis, in oude en nieuwe tijden
gedaan. Zij begroetten de maanschijf met levendig gejuich.
Statig zette de Maan haar loop aan het uitspansel voort. Nog eenige
graden, en zij zou het punt bereiken, waar het projectiel haar
ontmoeten zou. Barbicane had berekend, dat zij zouden nederkomen
op het noordelijk halfrond, juist waar de bergen schaarsch, maar de
vlakten uitgestrekt zijn. Die omstandigheid was zeer gunstig, indien,
gelijk zij dachten, de maanlucht alleen in de laagten opeengehoopt was.
»Overigens," merkte Michel Ardan aan, »is een vlakte geschikter
om neder te dalen dan een berg. Een maanbewoner zou het niet
treffen, indien hij de Aarde bereikte op den Montblanc of het
Himalaya-gebergte."