Het zal niet lang duren, of ook dit vogeltje komt in het gedrang. Deze
bewering moge wat pessimistisch lijken, vooral voor hen, die de zwarte
stern kennen en weten, hoevele honderden er ’s zomers ons drassig land
bewonen en hoe veelzijdig het diertje zelf is.
Maar met die drassigheid van ons land wordt het al minder en minder,
stuk voor stuk worden door landbouw en veeteelt de verwaarloosde
terreinen opgeëischt. De droogmaking van de Zuiderzee, de regulatie van
de Vecht, de draineering van Friesland, ’t is alles slechts een kwestie
van tijd. Het turfbaggeren geschiedt met groote activiteit en overal
verandert het laagveenlandschap met zijn poelen en breede slikkige
slooten in netjes verkavelde kleipolders met een zoo gering mogelijk
wateroppervlak.
En als nu de zwarte stern niet bijtijds de huik naar den wind hangt,
dan zal het hem hier gaan als in Engeland, waar hij, ook al tengevolge
van draineering en intensieve cultuur, sedert een halve eeuw het
broeden heeft moeten opgeven.
Ik moet eerlijk zeggen, dat het mij moeite kost, mij daarvan een
voorstelling te maken: heel Engeland zonder zwart sterntje. ’t Is haast
ongelooflijk. Maar ’t staat in de boeken, en als die zoo iets erkennen,
dan zijn ze wel te gelooven. En er staat bij, dat ieder jaar enkele
paren zich langs de Oostkust vertoonen, om een broedgelegenheid te
zoeken, maar die vallen meestal als slachtoffers van verzamelaars en
rariteiten-jagers.
Over het algemeen worden de menschen nog al eens tamelijk bezorgd,
wanneer er cholera of pest in de buurt is. Nu hebben wij hier iets in
de buurt, dat wel niet zoo onmiddellijk ons hachje raakt, maar toch
heel onaangenaam aandoet: een land, dat slag op slag zijn broedvogels
verliest, zonder dat er zich nieuwe soorten vestigen.
Ziehier het lijstje van de Engelsche verliezen in de laatste eeuwen:
kraanvogel, trapgans, ooievaar, kwak, woudaapje, roerdomp, kluit,
kemphaan, grutto, wielewaal, spotvogel, snor, wouw, buizerd, havik,
bruine kiekendief, geoorde fuut, zwarte stern. En dan kunnen nog wel
een tiental soorten genoemd worden, die er zoo goed als niet meer
broedend voorkomen.
Ik heb mij vroeger wel eens vroolijk gemaakt over de naargeestige
declamaties van al te ijverige vogelbeschermers—en ik houd nog altijd
vol, dat ze rare dingen beweerd hebben—maar in den laatsten tijd is er
bij mij den schrik ook ingekomen en heb ik wel eens medelijden met mijn
achterkleinkinderen. Dat moet toch niet aardig zijn, als de mooie
verscheidenheid van dieren- en plantenleven vermindert en de zoo
levendig gestoffeerde vogellandschappen van tegenwoordig zullen
verdwijnen. Die achterkleinkinderen zullen vechten om een roeibeurt in
’t Naardermeer.
Na de koeten is er niet een vogel, die ’t Meer zoo aardig stoffeert als
’t zwarte sterntje. Van zijn aankomst in ’t laatst van April tot zijn
vertrek in September zwerft hij rond over plassen en poelen, langs
waterlanen en kreken, den heelen langen zomerdag, spiedend naar zijn
veelvormig voedsel, zorgend voor zijn steeds hongerig kroost.
Hij lijkt nog meer op een zwaluw dan de andere sterntjes, zijn staart
is iets korter, zijn vleugels langer en de nek niet zoo geprononceerd.
Het gewone witte vischdiefje en vooral de groote stern vertoonen onder
’t vliegen een heel stuk nek, wat soms niet mooi is. Bij het zwarte
sterntje is de aansluiting van kop en romp mooi gelijkmatig en daardoor
wordt het mooie vogeltje een echte compacte vliegmachine.
Toch bestaat er een groot verschil tusschen zwaluwvlucht en
sterntjesvlucht. Zwaluwen slaan hun vleugels uit in een veel sneller
tempo, om telkens weer geruimen tijd op uitgespreide wieken te zweven.
Nu zweven de zwarte sterntjes ook wel, maar nooit lang achtereen en hun
vleugelslag is dikwijls zoo langzaam en bedaard, dat iedere beweging is
na te gaan. Je kunt de slagen tellen en dat lukt bij de zwaluw nooit.
Door dien langzamen slag lijkt het sterntje zeer gemakkelijk te
vliegen. ’t Is, alsof het hem in ’t geheel geen inspanning kost en
alsof hij alleen uit speelschheid zijn loodkleurige wieken veerend op
en neer slingert.
Dat zou ik zijn wandelvlucht willen noemen. Anders is het, wanneer hij
druk werk heeft: kikkervischjes vangen, schrijvertjes en
schaatsenloopers oppikken, muggenlarven en watertorren verschalken,
visschen, vliegende insecten ophappen, wormen zoeken en wat al meer,
want zoo’n sterntje doet van alles.
Kikkervischjes vangt hij aan den waterkant, net als een schooljongen,
met dit onderscheid evenwel, dat hij niet aan den waterkant gaat zitten
met een schepnetje, maar klapwiekend in de lucht even stilstaat, tot
hij zijn prooi goed in ’t zicht heeft, om dan bliksemsnel neer te
schieten in ’t ondiepe water en den bullekop in zijn zwarten snavel te
pakken. De mondhoeken zijn rood.
Hij heeft een zoo groote juistheid van blik en een zoo zekere vlucht,
dat hij de schaatsenloopers, die op hun ranke pooten rondloopen op het
wateroppervlak er afpikt, zonder dat hij ’t water zelf raakt: een
verschilletje van een millimeter. En dat hij schrijvertjes kan vangen
moet ieder met verbazing vervullen, die weet hoe snel deze wezentjes
elk naderend gevaar bespeuren en op hoeveel manieren zij zich uit de
voeten kunnen maken.
Het spreekt vanzelf, dat voor zoo’n vogel het vangen van watertorren,
muggenlarven en kleine vischjes kinderspel is.
Hij is veel meer insectenvanger dan visscher en wordt dan ook op bouw-
en weiland meer aangetroffen, dan eenig andere sterntjessoort. Evenals
de zwaluwen vliegen ze meestal in gezelschap en al naar den aard en
hoeveelheid van de prooi kunt ge ze dan in wolken zien dwarrelen of in
rijen onstuimig zien voorwaarts schieten. Haften, schietmotten en
elzenvliegen worden zonder moeite vermeesterd, maar de groote libellen,
vlugge zweefvliegen of grillige vlinders vereischen veel zwenken,
draaien en stilstaan, met veel vleugelgeklep en staartgesprei.
Sprinkhanen pakken ze heel netjes van den grond op, zelfs de veldkrekel
is aan den ingang van zijn hol niet voor hem veilig. Heel dikwijls heb
ik gezien, wat bij Naumann verteld wordt, nl. dat ze langs hoopen
paardenmest of koevla heenvliegen, om de insecten op te schrikken en
dan ineens rechtsomkeert maken om ze te vangen. Dat is eigenlijk
kwikstaartjeswerk.
Ofschoon het zwarte sterntje bij het bouwen van zijn nest een minder
groote verscheidenheid vertoont dan het gewone vischdiefje, volgt hij
toch ook niet een vast schema en zijn er zelfs in ’t Naardermeer drie
verschillende typen op te merken, terwijl elders in ons land nog een
vierde wordt aangetroffen.
Het meest traditioneel, maar niet ’t meest algemeen is het zwarte
sterntjesnest op levende waterplanten. In het meer vinden we dan ook in
één vaart de nesten op de dicht opeen groeiende rozetten van de
water-aloe of krabbeschaar en op een andere plek rusten ze op een
mooien effen vloer van waterleliebladeren. Het nest zelf bestaat dan
uit weinige dorre stengels en bladeren, ligt zeer dicht op ’t water en
gaat bij iederen golfslag op en neer. Dat is nu niet zoo heel erg, want
de golfslag heeft in zulke dichtbegroeide slooten niet veel te
beduiden.
Verreweg de meeste nesten worden gevonden op saamgewaaide hoopen van
stengels en bladeren van oeverplanten, voornamelijk van riet, egelskop,
kalmoes en lischdodden. Deze planten vermenigvuldigen zich door hun
uitloopers zoo sterk, dat men genoodzaakt is telkens de kanten der
vaarten af te steken, anders zou er in korten tijd geen doorkomen aan
zijn. De afgesneden stengels laat men ronddrijven en die vormen dan in
rustige en beschutte hoekjes uitgestrekte vlotten.
Hierop nestelden nu de zwarte sterntjes en we hebben gezien, dat ook de
zwartkopmeeuw zijn voordeel er mee doet. Steenhuizen geeft hiervan in
zijn stereoscoop-collectie een zeer mooi en uiterst leerzaam voorbeeld.
Niet minder belangrijk echter is de foto van Tepe, die het derde type
bijzonder gelukkig illustreert. Dit is een zeer verlaten uithoek van
het Meer, geheel begroeid met egelskop, dat nu weer opnieuw zijn
donkergroene stijve bladeren omhoog steekt. De planten ontwikkelen zich
daar ongestoord, niemand komt het vergeten modderhoekje bezoeken en
tegen den winter sterft alles af, zooals het stond.
De afgestorven bladeren en stengels blijven gedurende den winter staan,
knikken bij hevigen wind door en vormen dan verwarde bundels, zooals in
den linker-bovenhoek van de plaat, schuin boven het nest met de eieren
heel mooi te zien is.
De sterntjes hebben nu niets anders te doen, dan die massa nog wat
ineen te drukken, hier en daar een stengel of blad door te breken en
dan hebben ze een onderlaag voor een nest, even ongenaakbaar als
krabbeschaar of rommelvlot en veel steviger, want de oude stengels en
bladeren zijn nog in verbinding met den modderbodem, terwijl nieuwe
bladbundels door het nest heengroeien en het zoo op twee, drie plaatsen
vaststeken.
Sommige individu’s zijn hiermee tevreden, andere sleepen nog een massa
materiaal er bovenop, waardoor zoo’n nest van het derde type ook weer
een zeer aanzienlijken omvang kan krijgen.
Een groot contrast met deze drie typen vormt een vierde, dat wij op
Texel aantroffen. Daar nestelt het zwarte sterntje op natte hooilanden.
Geen vlot, geen trilbodem, geen waterplanten: de eieren liggen op een
klein bodempje van doode stengels en dorre grasjes vlak op den grond,
haast net als kievitseieren. Toch is het altijd niet zonder eenige
moeite te bereiken, daar het dier steeds de laagste plekken van het
hooiland kiest, die altijd min of meer overstroomd zijn.
Het legsel bestaat in den regel uit drie eieren, dikwijls uit twee, een
heel enkele maal uit vier. De eieren zijn betrekkelijk groot, meer
peervormig dan de andere sterntjeseieren en zeer donker van kleur:
bruin met bijna zwarte vlekken.
Zoodra de zwarte stern eieren of jongen heeft, stormt hij als een
kleine zwarte furie op alles los, wat hem te dicht naar zijn zin in de
buurt van zijn nest komt. Er komt geen eind aan hun geschreeuw van
„krie-ie, krie-ie” en ze chargeeren zonder ophouden. Ik geloof dan ook
niet, dat de kraaien en bruine kiekendieven er dikwijls in slagen hun
een ei te ontfutselen, vooral omdat ze elkander trouw bijstaan.
De jongen blijven niet heel lang op ’t nest. Ze kunnen, zoodra ze uit
’t ei komen al wel een beetje loopen, maar daar maken ze heel weinig
gebruik van, als wisten ze, dat het niet goed met hen zou afloopen, als
ze van hun vlotje rolden. Want al die meeuwen en sterntjes zijn een
heel ander genre van zwemvogels dan eenden en ganzen. Deze kunnen
dadelijk zwemmen, maar een sternjong of een meeuwenjong zou al heel
gauw nat worden en verdrinken.
Wanneer nu de sterntjes en meeuwen nestelen op de weilanden of
zandvlakten van den polder, dan is voor de jongen ’t gevaar van
verdrinken niet zoo groot, maar in ’t Naardermeer hebben de ouden er
steeds voor te zorgen, dat de jongelui niet van ’t nest afdwalen. Wie
de broedplaatsen bezoekt, mag daar wel om denken, want die jonge vogels
zijn zeer schuw en als ze worden opgeschrikt, loopen ze om een
haverklap van ’t nest af.
Dan gaan de ouden allerjammerlijkst te keer en wij hebben wel gezien,
dat ze zoo’n reislustig jong met stompen en duwen weer op het nest
brachten.
Het liefst brengen ze hun jongen naar de plaatsen waar de waterlelies
dicht opeen groeien. Daar kun je dan in Juli de jonge zwarte sterntjes
bij troepen op de groote groene plompeblaren zien zitten, wachtend op
’t voedsel dat de ouden hun brengen. Als ze wat vlugger worden, gaan ze
met de ouden meevliegen, als die op jacht zijn, en dat ziet er dan wel
naar uit, alsof ze onderricht genoten.
In Augustus zijn de jongen groot. Ze hebben dan een wit voorhoofd,
witte wangen en ook veel wit aan de onderzijde van ’t lichaam. Nog
eenige dagen blijven ze in ’t Meer rondzwerven, tot troepen vereenigd.
Ze houden ervan, om in rijtjes stil te zitten op schuttingen en palen,
en op den middag en ’s nachts slapen ze op de nu ongebruikte
woonvlotten, die bij langdurig droog weer weldra wit zien van de
uitwerpselen.
Als ze de groote reis gaan aanvaarden, dan verlaten ze hun
geboorteplaats in het uur na zonsondergang.