Het had weinig gescheeld, of voor den lepelaar in Nederland was het
woord van Ruskin bewaarheid, dat de natuurlijke historie van menigen
vogel niet anders vermeldt, dan hoe en waar het dier voor ’t laatst
gezien is en wie of wiens jachtopziener de laatste heeft geschoten.
Nu de Vereeniging tot Behoud van Natuurmonumenten het Naardermeer
gekocht heeft, is er naar wij hopen voor zeer langen tijd een einde
gekomen aan de lijdensgeschiedenis van deze prachtige en interessante
dieren, tenminste wat ons land betreft. In de Rijndelta zijn ze nu
voortaan veilig; in de Donaudelta, waar ze hun Europeesch hoofdkwartier
hebben, schijnen de zaken minder goed te gaan en wordt hun aantal
allengs geringer.
Voor zoover wij uit vroegere eeuwen betrouwbare berichten hebben,
blijkt, dat niet alleen in ons land, maar ook in Engeland de lepelaar
in groot aantal voorkwam. In ons land is aan historisch onderzoek
aangaande onze Flora en Fauna nog niet veel gedaan. Mij dunkt, dat in
gemeente-archieven en oude rekeningboeken wel belangrijke vondsten
zouden gedaan kunnen worden, al waren het maar alleen opgaven omtrent
jachtdieren en zoogenaamd schadelijk gedierte.
De Engelsche zoölogische geschiedenis vermeldt reeds in 1300 de
benoeming van een commissie om na te gaan, wie de lepelaarsnesten in
Norfolk vernield heeft. In 1534 werd er een verbod uitgevaardigd tegen
het uithalen van eieren van reigers, lepelaars, kraanvogels, roerdompen
en trapganzen. Doordat echter het dooden van de oude vogels niet werd
verboden, zijn al deze soorten behalve de reigers in Engeland thans
uitgestorven. Nog omstreeks 1670 bezat Engeland een kolonie van
broedende lepelaars bij Trimley in Suffolk.
Voor Frankrijk wordt door Belon vermeld, dat daar omstreeks 1550
lepelaars broedden in Bretagne en Poitou.
Wat ons land betreft, danken wij ook weer de oudste en volledigste
berichten aan de Engelschen. John Ray vertelt in zijn „Observations
made in a Journey through part of the low Countries” van een bezoek,
dat hij bracht aan de moerassen in de nabijheid van Zevenhuizen. Daar
broedden in groot aantal gekuifde aalscholvers, kwakken, reigers en
lepelaars.
Het moeras behoorde aan den baron van Pelenberg te Leuven, die de jacht
en het grasgewas verpachtte voor drieduizend gulden ’s jaars. Wanneer
de jongen groot genoeg waren, dan werden zij door middel van lange
stokken met ijzeren haken uit de nesten geschud, om verkocht te worden.
Het schijnt dat men die beesten at.
Dan krijgen we in 1770 de beschrijving van het broeden van den lepelaar
in de Wollefoppenpolder nabij Rotterdam door Nozeman. Hij vond ze
broedende op een bijna ongenaakbare plaats in het moeras in de laagste
takken van de elzen, en ook op den moerasbodem zelf. Tegelijk vertelt
hij, dat ze ook broedden in de omgeving van het Haarlemmermeer en in de
Biesbosch.
Hoe het met de lepelaars ging van 1770 tot 1850, dat weten wij niet,
maar dan verschijnt Schlegel’s boek, de Vogels van Nederland, en die
vermeldt weer de Biesbosch, Nieuwerkerk a/d IJsel (dat is dezelfde
plaats van Nozeman) en het eiland Rozenburg als broedplaatsen.
Omstreeks 1870 werden de polders bij Nieuwerkerk en Rotterdam
drooggelegd en toen verstrooiden de lepelaars zich over ons land. De
hoofdmacht sloeg haar tenten op in het Horstermeer, en
hoogstwaarschijnlijk vestigden zich toen de kolonies aan het Zwanewater
bij Callantsoog en op Texel. Daar wordt ten minste voor dien tijd nooit
melding van gemaakt.
In het Horstermeer woonden ze tien jaar lang in druk en tegenspoed, als
we tenminste de berichten kunnen vertrouwen. In 1877 nestelden er
volgens Sclater en Forbes duizenden, in 1880 schatte Seebohm de troep
op driehonderd stuks. Kort daarna werd het Horstermeer drooggemalen en
nu trokken de lepelaars daarvandaan naar het Naardermeer ten getale van
ongeveer tweehonderd.
Indien dat bericht van Sclater waarheid bevat, dan was het voor den
lepelaar een groot geluk dat ’t Horstermeer is drooggemaakt, want ze
waren daar veel te veel blootgesteld aan vervolging. Als in drie jaar
tijds het aantal achteruitgaat van duizenden tot eenige honderden, dan
beteekent dat natuurlijk volledigen ondergang.
In ’t Naardermeer bleef tenminste het aantal vrijwel stationnair. Soms
was ’t meer, soms wat minder, enkele malen werden er jongen geroofd of
door de jagers van ’t Meer zelf verkocht, maar over ’t algemeen kan men
toch zeggen, dat zij er meer veiligheid genoten dan ooit voor dien tijd
in ons land. Wij zijn er nu natuurlijk zeer benieuwd naar, hoe het met
de kolonie gaan zal onder de zeer gunstige levensvoorwaarden, die haar
nu ten deel vallen.
De Texelsche lepelaars bouwden hun nesten in de uitgestrekte duinpannen
in het zuidwesten van het eiland achter het dorp Den Hoorn. Deze pannen
werden gedraineerd door het graven van de Moksloot en daardoor moesten
de vogels verdwijnen. In 1890 kwam een enkel paar nog eens kijken en in
1904 is zelfs een paar bezig geweest een nest te bouwen in een duinplas
benoorden het dorp De Koog, maar dat is verstoord.
De kolonie in ’t Zwanewater bij Callantsoog heeft zich ongestoord
kunnen ontwikkelen en geniet nog voortdurend de noodige bescherming.
Het heden is voor de lepelaars dus beslist gunstiger dan ’t verleden,
dat hun tot nu toe niets anders bracht, dan vervolging en vernieling.
En nu wordt het tijd, de natuurlijke historie der lepelaars te
bestudeeren, niet in de boeken, maar in het Naardermeer zelf. Doordat
onze twee kolonies de eenige zijn in West-Europa, kunnen wij met groote
juistheid gegevens verzamelen omtrent het gaan en komen van deze
vogels.
De sterntjes en meeuwen, kieviten en scholeksters bewonen een zoo
uitgestrekt gebied en verplaatsen zich in ’t najaar zoo weinig of zoo
geleidelijk, dat we van hen omtrent den eigenlijken grooten vogeltrek
niet veel kunnen leeren. Maar van de lepelaars weten we, dat ze
overwinteren in de Nijldelta en nu zou het uiterst interessant zijn,
als we eens konden ontdekken, langs welke wegen en in hoeveel tijd ze
hierheen komen.
Ze komen dikwijls reeds in ’t midden van Maart, als ’t jonge riet nog
pas een decimeter boven ’t water uitsteekt, of nog niet eens de
oppervlakte heeft bereikt. Het meer is echter zoo groot en sommige
gedeelten zijn zoo moeilijk te betreden, dat er nog heele plekken oud
riet staan en daarin vinden de vogels dan een voorloopige schuilplaats.
De heele troep komt niet in eens, het kan wel eenige weken duren, voor
de kolonie voltallig is.
Wie het eerst komen, de mannetjes of de wijfjes, de ouden of de jongen,
dat waag ik nog niet met zekerheid te zeggen, eigenlijk heb ik den
indruk, dat er telkens een gemengd gezelschap komt, maar dat kunnen we
over eenige jaren beter weten.
Het is niet zoo heel gemakkelijk, de mannetjes van de wijfjes te
onderscheiden, want doodschieten, dat doen we om zoo’n kleinigheid niet
en doode lepelaars hebben geen levensgeschiedenis meer. Op onze foto is
duidelijk te zien, dat het mannetje grooter is dan het wijfje, maar
daar heeft de perspectief ook schuld aan: in de werkelijkheid is het
verschil niet zóó groot. De man heeft naar verhouding een langer kuif
en de gele, soms oranjekleurige plek aan ’t begin van de borst is bij
hem veel grooter.
Maar nu nemen we in plaats van een geweer een roeibootje, een warmen
mantel, ruime schoenen, een trommel vol boterhammen en een verrekijker.
Van ’t visschershuis tot de broedplaats van de lepelaars is ’t meer dan
een uur roeiens, gelegenheid genoeg dus, om op dezen kouden Maartmorgen
warm aan te komen op de onderzoekingsplek.
Het water is leeg, waterlelies, gentiaan, veenwortel, fonteinkruid
sluimeren nog op den bodem of steken aarzelend bruine groeipiekjes
omhoog in ’t heldere koude water. Waar ’t riet gemaaid is, ziet de
vlakte groengrijs van de nieuwe toppen, daar achter verheft zich de
grijze muur van het oude riet. Lisschen en lischdodden steken groene
puntjes boven ’t water en op enkele plaatsen komt uit een dicht pakket
van frisch groene en glimmend bruine bladeren de eerste dotterbloem te
voorschijn.
De elzen strooien mild hun stuifmeel en de waterwilg wuift zijn
twijgen, met goudgele katjes bezet.
Alle heesters zijn bladerloos, alleen de kamperfoelie is uitgebot, maar
zijne grijsgroene bladeren, schaars gestrengeld om groote donkere
elzenstammen, geven eer een indruk van winter dan van lente. Rietgorzen
vliegen rond met veel staartparade en zwermen sijsjes in de elzen doen
denken aan meezen in den winter. Koeten en eenden zwemmen rond in de
verte en ook de bruine kiekendief is op zijn rooverspost.
Toch lijkt ’t nog in ’t geheel geen plaats noch tijd voor de vogels uit
het warme Zuiden. Wanneer deze, zooals zeer waarschijnlijk is, in één
of twee dagen hierheen trekken, dan hebben ze een zeer groote
verandering van temperatuur, klimaat, planten- en dierenwereld te
verduren: Zondag aan de oevers van den Nijl, bij palmen en papyrus,
Dinsdag aan ’t Naardermeer, waar de kikkers nog niet eens ontwaakt
zijn.
Want ze zijn er. Ze staan in een grooten troep op hun verzamelplaats
aan de Oostzijde van den grooten plas bezuiden de spoorlijn. Aan den
anderen kant liggen de eigenlijke broedplaatsen, een terrein, dat wel
wat overeenkomt met den grond, waarover Nozeman spreekt, alleen groeien
hier geen elzen. ’t Is echt verveend meer, een veenhoekje, dat los op
’t water drijft en bijeen gehouden wordt door de stengels en
wortelstokken van ’t riet. ’t Is niet raadzaam, het te betreden, dat
gaat alleen, als we er een paar planken of roeiriemen op leggen, die
dan den voet een wankelen steun verleenen.
Maar dat is vandaag niet noodig. We drijven de boot tusschen ’t riet en
gaan languit liggen onder onze mantels. Liggende wordt je niet zoo gauw
koud als zittend. En nu den kijker voor ’t oog.
Daar staan misschien een honderd lepelaars. Een dertigtal bezet de
droge plek, die het centrum vormt van het vergaderterrein, de andere
staan verspreid door ’t lage riet er omheen.
Er is heel wat beweging in den troep; ’t is weer het oude liedje.
Blijkbaar zijn de vogels reeds gepaard, het heele gezelschap lijkt in
tweetallen of viertallen verdeeld; telkens groote en kleine. De groote
zijn het drukst in beweging; niet een geeft er een kik, doch het is een
buigen en stappen zonder eind. En ’t mooist zijn de kuifgebaren of
liever de maanwuivingen.
Het voornaamste sieraad van de lepelaars is hun lange kuif, die van het
achterhoofd langs den nek neerhangt als het naar achter gekamde haar
van een jong meisje. ’t Zijn witte veeren, met een gelen tint
overtogen, die bij de oude mannetjes het sterkst is.
Die kuif, daar komt het op aan. De lepelaar kan heel eventjes
schreeuwen, en ook een beetje klepperen op zijn ooievaarsch, maar dat
doet hij toch niet dikwijls. Hij drukt zijn emoties uit met de kuif.
Elk veertje is beweeglijk en doordat het sieraad uit heel veel veeren
bestaat, is het hem mogelijk ze zoo op te zetten, dat ze een omhuiving,
een aureool vormen om het trotsche, breedgesnavelde aangezicht met de
roode oogen. ’t Is een paar koude voeten en een stijven nek waard, om
dat te zien.
Daar blijft het niet bij. Nu is de kuif omlaag, de vogel zet zich
schrap op zijn stevige zwarte beenen en heft zijn snavel in de lucht,
zoodat de oranje veeren aan de borst en vooral de groote oranje naakte
plek aan kin en keel te zien komen. Hoe ouder vogels, hoe dieper van
tint die kale plek is en daar zijn ze heel grootsch op. Ik kan dat
nooit zien, zonder een sterken indruk te krijgen van het Zuidelijk
karakter van dezen vogel. Bij Noordelijker vogels komen uitgestrekte
onbedekte huidvlekken slechts zelden voor.
Het hofmaken van den lepelaar is dus heel en al parade en pronk. Van
welsprekendheid of kunstigen zang is bij hem geen spoor. Misschien
heeft hij een liefdevlucht; maar die is van een geheel anderen aard dan
de buitelpartij van een dartele kievit. Soms gaat de heele troep zonder
blijkbare oorzaak de lucht in, met vluggen vleugelslag en lang
uitgerekten hals en pooten. Ze zweven door elkaar in wijde kringen, al
hooger, en hooger, totdat het wit der veeren in ’t bleekblauw van den
hemel wegsmelt. En tien minuten later daalt de troep weer statig neer
op de vergaderplaats, waar ’t kuivenspel opnieuw een aanvang neemt.
Het duurt eenige weken, eer er een begin gemaakt wordt met den
nestbouw. Soms worden nesten van ’t vorig jaar wat opgelapt, een ander
maal wordt de bouwstof van ’t oude nest gebruikt voor het optrekken van
een nieuw, maar even dikwijls wordt er een nieuw nest opgetrokken uit
kersversche bouwstoffen.
Wanneer de lepelaar werkt, hetzij hij rondstapt, om de
rietwortelstokken voor zijn nest bijeen te garen, of zijn voedsel
zoekt, maakt hij altijd een heel anderen indruk dan de trippelende
plevier of de deftig stappende of grappig hollende ooievaar. Bij hem is
geen sprake van nuffigheid, noch van maniertjes, hij is een flinke
stoere werker en anders niet.
Hij stapt op zijn lange, dikke, zwarte pooten rond als een grondwerker
in een heiput. Dat gaat al dieper en dieper tot zijn staart langs ’t
water sliert en als hij ’t noodig vindt, om nog verder te gaan, dan
zwemt hij er lustig op los.
De bewegingen van den snavel stemmen met die der pooten overeen. In
stevige breede halen steekt hij door modder en water, grijpt wat hem
lijkt en rukt het los met forsche nekbeweging. Zoo haalt hij zijn
rietstengels uit de modderkanten en als hij een bekvol bij elkander
heeft, dan draagt hij ze naar het uitverkoren plaatsje op de
trilmodder.
De oude berichten gewagen ervan, dat de lepelaar vroeger hoog in de
boomen bouwde, en in zijn Horstermeer-tijdperk deed hij het nog in lage
wilgenstoven. In ’t Naardermeer evenwel worden de nesten gebouwd op de
dunne veenkorst of den vasteren bodem heel diep in ’t rietbosch.
Hij bouwt langzaam maar con amore. Als het eerste onderlaagje zich
boven het water verheft, dan wordt het gevierd met een bescheiden
familiefeestje. Uren lang staan de echtgenooten op de fundamenten van
hun paleis, elkander complimenteerend en nu gaan ze zelfs wel zoo ver,
dat ze een paar rauwe kreten uitstooten en als de uiterste extase
nadert, dan wordt niet alleen de breede snavel omhoog geheven, maar er
weerklinkt zelfs een onzeker geklepper, een flauwe herinnering aan den
ooievaarsratel.
De vergaderplaats aan den oostoever wordt nu minder bezocht; huiselijke
vreugd vervangt de convivialiteit en achter het hooge dorre riet,
waartusschen de jonge groene spruiten nu reeds een halven meter zijn
opgeschoten, spelen zich de allerintiemste tooneeltjes af. Daarvan heb
ik echter nog lang niet genoeg gezien, om er over te kunnen uitweiden.
Al hooger en hooger verrijst het nest uit het moeras, de onderste lagen
bijna alleen opgebouwd uit de bontgevlekte taaie rietwortelstokken.
Hoogerop komen doode rietstengels en eindelijk komt daarboven een
laagje van dorre rietgrasbladeren. Daarna wordt het eerste ei gelegd,
een mooi, groot, welgevormd ei, soms zuiver wit, maar veelal met enkele
bruinroode en groenachtige vlekken en stippen.
Nu is voortaan altijd minstens één der beide vogels op het nest
aanwezig. Na eenige dagen komt het tweede ei, de vogels gaan broeden en
dan kan het nog een heelen tijd duren eer het derde, of in zeldzame
gevallen het vierde ei het legsel voltallig maakt. Deze lange
tusschenpoozen hebben natuurlijk het gevolg, dat de jongen niet
tegelijk uitkomen en het komt niet zelden voor, dat het derde ei wordt
uitgebroed met behulp van de beide eerstgeboren jongen. Beide ouders
kunnen dan het nest verlaten, zonder dat het ei gevaar van verkoeling
loopt. Op onze foto is het middelste van de drie jongen ook duidelijk
kleiner dan de beide andere.
Ze zijn bedekt met dicht vlokkig dons, de oogstreek is geheel kaal. De
snavel is wel reeds breed, maar vertoont nog lang niet den
karakteristieken lepelvorm. Bovendien is hij zeer buigzaam en ietwat
gekromd, waardoor de jonge lepelaars een geheel ander type van
gelaatsuitdrukking hebben dan de oude.
Het is niet goed, nu in den eersten tijd de nesten te verontrusten,
want de jonge vogels zijn zeer vreesachtig en loopen bij het minst
alarm van het nest af. Ik weet niet, of de ouden er dan wel altijd in
slagen, ze in het rietbosch op te sporen en ze weer op het ouderlijke
platform te brengen.
Wijd en zijd gaan nu de ouden voedsel zoeken, en langs de heele
Zuiderzee, van Schellingwoude tot Harderwijk kunt gij ze nu aantreffen.
Ze waden tot de enkels in ’t water en slaan dan links en rechts met de
snavel door de modder. Iedereen ziet in, dat zij op deze manier
hoofdzakelijk de bodembewonende schaaldieren moeten bemachtigen en dat
’t heel moeilijk voor hen zou zijn, zoo al het vischbroed te vangen,
dat hun in de boeken wordt voorgediend. Hun hoofdvoedsel zijn garnalen.
In ’t midden van Juli zijn de meeste jongen al vlug. Ze zijn heel
gemakkelijk van de ouden te onderscheiden, doordat hun kuif zoo goed
als niets te beduiden heeft, hun snavel is aan de bovenzijde glad en
eenkleurig en de groote slagpennen hebben zwarte schaften en zwarte
strepen, iets, dat aan vliegende vogels op een afstand van wel honderd
meters heel goed is te zien.
Tegelijkertijd zijn er nog heel jonge vogels en zelfs nog wel een enkel
ei, zoodat de Julimaand in zijn eerste helft de meest geschikte tijd is
om zooveel mogelijk van de lepelaars te zien.
In Augustus worden de broedplaatsen verlaten en dan zwerven de
lepelaars een korte poos door het heele land rond, hoogstwaarschijnlijk
nog in gezinnen vereenigd. De Zwanenwaterkolonie vervroolijkt dan de
heele Waddenstreek en de Naardermeerders vertoonen zich iederen dag in
den modderdriehoek bij den Schellingwouder afsluitdijk. Wie een avond
doorbrengt aan het strand bij Valkeveen mag er op rekenen een troep van
deze vogels te zien voorbijtrekken in rustige vlucht. Ze vliegen niet
hoog; misschien twintig meters boven ’t watervlak. De lange hals is
recht uitgerekt, de snavel gaat eventjes schuin omhoog, de pooten zijn
recht achterwaarts gestrekt en vormen een natuurlijke voortzetting van
het slanke lichaam. Zoo vliegen ze in rechte lijn vlak achter elkander
met zeer regelmatigen vleugelslag, veel vlugger en flinker dan reigers:
je zoudt zeggen een goed getrainde bemanning van een tienriemsgiek.
Langzamerhand versmelten hun witte gestalten in ’t nevelig verschiet.
Dat zijn nu nog eens echte trekvogels. Al dat zorgeloos gedoe van
grutto’s, tureluurs, scholeksters en wulpen maakt op de zoele
zomeravonden ook wel groote vertooning van troepenformeering en
trekmanoeuvres, maar ’t zou mij zeer verwonderen, als ze verder gingen
dan de Wester-Schelde. De lepelaars echter vereenigen zich tot een
grooten troep en rusten niet, voordat zij hun Nijldelta hebben bereikt.
Meer nog dan de ooievaars verbinden zij Amsterdam met Alexandrië.