Een paar weken zijn er verloopen sedert Allard's vertrek en de arme
Cilie was reeds ten einde raad.
In de eerste dagen was 't haar ook zeer droef te moede geweest, maar bij
nader inzien had zij toch begrepen, dat deze scheiding moest voorgaan
aan hunne vereeniging, en dat de woorden, door den heengaanden vriend
gesproken, toch ook veel troostrijks inhielden.
Hunne vereeniging, had hij gezegd, was in den hemel gesloten, en alzoo
zou geen menschelijke macht er zich tegen kunnen stellen.
Voorts zou de scheiding slechts kort zijn, want slaagde hij niet, om
het voorgenomen onderzoek naar hare familiebetrekkingen in korten tijd
ten einde te brengen, en liet de ziekte zijner moeder het maar even
toe,--hij zou haar komen afhalen, om haar in een of ander stil verblijf
in veiligheid te brengen.
En in allen gevalle zou hij haar terstond na zijne aankomst ginds
schrijven, en het beloofde bijbeltje toezenden; het Goddelijke boek,
waaruit zij troost en bemoediging zou kunnen putten, wanneer het donker
om haar heen wierd, en haar vertrouwen op de toekomst wankelde.
En thans was het veertien dagen geleden, sinds hij haar den laatsten kus
op de lippen drukte, en zij had taal noch teeken van hem ontvangen.
Dag noch nacht had zij rust meer!
De nachten bracht zij wakende door, of--sliep zij--haar slaap was kort
en vol van de ontrustendste en duisterste droomgezichten.
Des daags zwierf zij droevig en mistroostig om, en bezocht de plekjes,
die zij nog zoo kort geleden, aan zijne zijde bezocht had, en die er nu
somber en verlaten uitzagen, ook al bescheen de herfstzon ze met hare
vriendelijke stralen.
Zelve had zij reeds tweemalen geschreven, en hoewel het haar veel moeite
gekost had, hare gedachten in schrift te brengen--zij hanteerde zoo
zelden de pen!--meende zij het toch duidelijk genoeg gemaakt te hebben,
hoe vreeselijk angstig het haar om 't hart was, en hoe een enkele regel
schrifts van zijne hand--slechts eene enkele!--haar tot rust zou
brengen, en haar lot met onderwerping doen dragen.
En toch kwam er niets, letterlijk niets!
Elken Saterdag--de brieven uit Holland kwamen slechts eens in de week in
de kolonie aan--elken Saterdag had zij haar vertrouwde gezonden naar den
schatbeurder,[31] die belast was met het postbeheer voor de Velden, om
te vragen of er iets was voor haar, maar--het meisje bracht haar steeds
hetzelfde antwoord, en vergezelde dit met een zoo zonderlingen blik, dat
zij niet wist, wat er van te moeten denken.
[31] Ontvanger.
En--zonk zij schreiend neder op haren stoel, dan lachten haar voogd en
zijn bondgenoote de huishoudster schamperlijk, en beiden plaagden haar
met hare onnoozelheid.
Dan verzekerden zij haar, dat zij dwaas deed met te hopen op iets, dat
nooit zou verwezenlijkt worden.
De voorname heer had haar verlaten, en dat voor altijd! Hij had haar
gepaaid met ijdele beloften, om op eene aangename wijze met haar den
tijd te kunnen korten, en..... nu hij wellicht zijn doel bij haar had
bereikt, had hij haar weggeworpen, als een speeltuig, dat men moede is
geworden!
Met verontwaardiging wierp het jonge meisje deze beschuldigingen terug.
Nooit was haar iets gevergd, dat streed met de eerbaarheid!
Hunne verkeering was rein begonnen en rein gebleven, en...... bleef
Allard weg, dan was dat niet uit ontrouw, niet omdat hij haar niet lief
had als weleer, maar dan was hem het een of ander overkomen.
Dan was hij ziek.... ~te~ ziek om het haar te kunnen melden!
En dit laatste denkbeeld, vestigde zich voor goed in hare ziel.
Allard was ziek en kon dus, hoe gaarne hij ook wilde, haar zijn toestand
niet melden, en--zijne bloedverwanten weigerden dit voor hem te doen.
En was dat zoo, wat dan aan te vangen?
Een oogenblik had zij er over gedacht naar Holland te reizen.
Maar.... zij had geen geld, en al ware dit wel het geval geweest, wat
zou het gebaat hebben, want zij was zoo bijster onervaren!
Waar zou zij, ware 't haar ook al gelukt, de groote en gevaarlijke reize
over zee te volbrengen, waar zou zij in de--in hare verbeelding
ontzaglijk groote Hofstad--Allard vinden?
Uit hare kindsheid herinnerde zij zich nog, hoe zij, aan de hand van
haar voogd, door de straten van Amsterdam had gezworven, en hoe angstig
te moede het haar was geweest, toen zij--door het geweldig gedrang van
de menigte van hem gescheiden--een korten tijd door den menschenstroom
was weggesleept.
En ook deze stad zou zij thans--en dat alleen--moeten doorkruisen!
Dit ging alzoo niet, en toch, zij wilde en moest zekerheid hebben.
En om deze te verkrijgen, besloot zij naar »de Huizen" te gaan, en zich
bij de familie Bentinck, waar Allard gelogeerd geweest was, aan te
melden.
Wel wist zij--Allard had het haar meermalen gezegd--dat die familie haar
zeer ongenegen was, maar zij wilde haar dan ook volstrekt geen overlast
doen, en alleen maar vragen: wat men van den zieke wist, en.... of er
eenige hoop op zijn spoedig herstel bestond?
't Was een moeilijke gang voor haar--dien gang naar het dorp, want zij
wist, en maar al te vaak had zij het ondervonden! dat het volk in haar
zag eene dienaresse des duivels, die men beleedigen mocht naar
welgevallen.[e]
En thans..... nu men ook den dood van Marrije aan haar toeschreef.....
wie kon haar zeggen wat haar stond te wachten!
De beide meisjes ten minsten, die haar vroeger plachten te vergezellen,
weigerden thans met haar mede te gaan, en had zij weleer in het dorp
twee haar toegenegen vrienden, bij wie zij toevlucht zou kunnen zoeken,
dit was thans het geval niet meer.
Maar al die overwegingen hielden haar niet terug.
Haar onrust was zoo groot, dat zij haar niet langer kon verduren, en
toen ook de derde Saterdag geen bericht bracht, aanvaardde zij den
tocht, na langen tijd op hare knieën den goeden God te hebben gebeden
om zijne bescherming, als Allard haar had aanbevolen te doen, bij alle
bezwaren en nooden.
't Was tegen den avond, toen zij in het dorp aankwam, en daar zij, om
niet zoo gemakkelijk herkend te worden, haar wit kleedje onder eene
donkere falie hield bedekt, gelukte het haar onbemerkt het huis van den
heer Bentinck te bereiken.
Met bevende hand klopte zij hier aan.
De deur werd geopend, en--ongelukkiger kon het niet--juist door de jonge
dame, die ik vroeger vermeldde als hare bitterste vijandin.
Men kon denken, met welke oogen zij het rampzalig voorwerp van haar haat
aanstaarde, en welk antwoord het bevende kind ontving op haar met
nauwelijks hoorbare stem gedane vraag.
Ook was deze nog niet ten volle uitgesproken, of eene stortvloed
van verwenschingen en scheldwoorden barstte los, gevolgd door de
verzekering, »dat zij jonker Allard nooit weer zou zien, want dat hij
God gedankt had, toen hij--thuis gekomen--zich buiten 't bereik gevoelde
van de tooverijen en liefkozingen eener infame heks!"
Als vurige pijlen drongen deze bitse woorden in het hart der rampzalige
maagd, en, niet in staat om een enkel woord te antwoorden, kruiste zij
de armen op de borst, keerde zich wankelende om, en ging heen.
Onder de pijnlijkste gedachten vervolgde zij haar weg.
Verlaten.... verstooten door hem, die haar duizendmalen de verzekering
had gegeven, dat zij zijn alles was, en voor wiens behoud zij haar
laatsten droppel bloed zou veil gehad hebben! O, Vader in den Hemel!
Waarom haar in gindsche ure niet tot u genomen? Waarom haar een korte
wijle gespaard, om haar thans een dood te laten sterven, oneindig
pijnlijker, dan die haar gewacht zou hebben in den schoot der golven?
Vreeselijk waren de martelingen geweest, die zij verduurd had, van de
handen harer pijnigster op de heide, maar wat waren zij, vergeleken bij
het knagen van het venijn, dat thans haar hart doorwoelde?
Verstooten! beschimpt... door hem.
Werktuigelijk had zij den terugtocht aangenomen, werktuigelijk sloeg
zij den weg in, die naar de »Velden" geleidde, en zoo zeer was zij
verzonken in droevig gepeins, dat zij ter nauwernood hoorde, dat eenige
jongens, die haar herkend hadden, haar nariepen, en »hekse! hekse!
nevelhekse!" scholden.
Maar toen dat geroep sterker wierd, deed het haar toch hare schreden
verhaasten.
Weldra was zij de laatste huizen van het Haagje, eene destijds door
geringe lieden bewoonde buurt, genaderd, toen zij het ongeluk had, een
klein kind, dat onvoorziens uit eene deur kwam schieten, omver te
loopen.
Daar het kind schreide, nam zij het op, en poogde het door liefkozingen
te sussen.
Maar de moeder, die op het geschrei van het meisje was komen toeloopen,
zag niet zoodra haar kind in de armen van »Nevelhekse", of zij hief een
onzinnig geschreeuw aan, en riep daarmee de geheele buurt buiten.
»Haar kind"--riep zij--»werd behekst door deze duivelin, en zou nu
eerlang sterven, evenals de arme Marrije!" en--honderd keelen hieven
weldra denzelfden kreet aan.
De arme Cilie, verschrikt geworden door dit geweld, keerde zich om, en
poogde uit te leggen wat er gebeurd was, maar in plaats van naar haar te
luisteren, overlaadde men haar met scheldwoorden, en begonnen de jongens
met slijk en steenen naar haar te werpen. Een van de laatsten trof haar
boven het oog, en deed haar met een pijnlijken kreet neerstorten. Met de
gevouwen handen opgeheven, terwijl een stroom van bloed haar over het
oog gudste, lag zij op hare knieën, zag smeekend naar hare vervolgers
op, en bad om medelijden.
Maar wat weet een dom en door godsdienstwaanzin verblind gepeupel van
medelijden?
Haar val was een soort van triomf voor deze ellendigen.
Men bleek sterker te zijn dan de duivel, die deze heks beschermde, en
kon dus niet beter doen de aanvankelijk behaalde overwinning te
vervolgen.
Nieuwe verwenschingen en--nieuwe steenworpen alzoo!
Het arme kind uitte geen woord meer, maar toen een van de grootste
jongens met kracht een steen haar tegen het lijf slingerde, stiet zij
een kreet uit, stortte voorover en bleef--haar hoofd werktuigelijk met
de handen beschermende, roerloos liggen.
Een vroolijk gejuich steeg op uit de borst der zegevierende helden, en
men maakte zich gereed den laatsten beslissenden slag aan te brengen,
toen de dorpsschoolmeester, die niet verre van de martelplaats woonde,
kwam toeschieten.
Deze man, die soldaat geweest was en de wereld gezien had, bleek verre
verheven boven het akelig bijgeloof der menigte.
Moedig stelde hij zich voor het meisje in de bres, en het gelukte hem
door zijn woord en gezag, zooveel invloed uit te oefenen, dat de woeste
bende, althans vooreerst, afzag van verdere geweldpleging.
In zijn hoed putte hij water uit de vaart, en bevochtigde daarmede de
slapen van het nu bezwijmde meisje, en zond daarop een zijner kinderen
naar den chirurgijn.
Deze verscheen spoedig, en met zijne hulp gelukte het weldra, de gewonde
zoover bij te brengen, dat men haar naar het huis van den meester kon
vervoeren.
Hier werd zij door diens vrouw met liefde verzorgd, en toen de
chirurgijn verklaard had, dat de toegebrachte wonden en kneuzingen niet,
of althans niet terstond, doodelijk waren en bij zorgvuldige verpleging
zouden kunnen genezen, deed de goede schoolmeester een schuitje in
gereedheid brengen, en nam een man aan om het voort te trekken.
Toen bracht hij een bed daarin, lei het meisje er op, bedekte haar met
zijne oude ruitermantel en, zelf aan 't roer plaats nemende, voerde hij
haar te middernacht naar het schuthuis.
Bleek en ongedaan, en naar lichaam en geest ongesteld, kwam de arme
gefolterde daar aan, en legde zich op haar leger neder.
Den volgenden dag was zij doodziek, maar geen klacht ontglipte aan hare
lippen.
Zwijgende liet zij zich door haar voogd verbinden, en gebruikte de haar
toegediende medicijnen, maar--met gesloten oogen.
Meestal scheen zij verzonken in droeve gepeinzen, of in een toestand,
die aan bewusteloosheid grensde, maar dat zij toch wist, wat om haar
heen gebeurde, bleek aan den handdruk, waarmede zij meester van Xanten
bedankte, toen hij naar haar kwam vernemen.
Den schout, die hem vergezelde, en haar een verhoor wilde doen
ondergaan, gaf zij echter geen antwoord.
O, had de man, die de schrikkelijke oorzaak was van haar lijden, haar de
toedracht der zaken in Holland--hem maar al te wel bekend--destijds
medegedeeld, alles ware wellicht nog terecht gekomen!
Dat hij op het punt stond om het te doen, is zeker, maar hebzucht en
begeerte, gesterkt door valsche schaamte, sloten hem de lippen, en toen
hij eenige dagen later zoo gaarne had willen spreken, was het.... te
laat!
In den vierden nacht na haar terugkeer, verbrak de zieke eensklaps het
stilzwijgen, en verschrikte de huishoudster, die bij haar sliep, door
een zonderling gemompel, van tijd tot tijd onderbroken door vreemde en
met een schrille stem geslaakte kreten.
De sluiswachter die opgestaan was, dacht eerst aan een aanval van
koorts, en, was dit vermoeden wellicht niet ongegrond, hij merkte aldra,
dat hierbij iets ergers in 't spel was.
De schrikkelijkste kwaal, en die maar al te dikwijls een diepgaand
zielelijden volgt, vertoonde zich weldra in al hare akeligheid bij
Cilie: hare rede had haar begeven--zij was volslagen krankzinnig
geworden.
Des daags zat zij soms uren aaneen met het hoofd in de handen, naar
buiten of in het vuur te staren, maar tegen den avond verhieven zich
buien van waanzinnige woestheid.
Dan werd zij druk en levendig, sprak allerlei onzin, en was niet dan met
geweld binnenshuis te houden.
Tegen haar voogd bleek zij een geweldigen afkeer te hebben opgevat.
Zijne nadering was voldoende, om haar, zelfs gedurende hare betrekkelijk
kalme buien, in hevige woede te doen uitvaren, en hem met allerlei half
Fransche, half Hollandsche schimpnamen te overladen.
Meestal verwijderde hij zich dan ook zoo schielijk mogelijk en geen
wonder! want sommige van hare uitdrukkingen deden een vreemd licht
opgaan over zijne handelingen en bedoelingen, zoo jegens haar als
anderen.
Maar daarover straks.