Ziehier, wat Cilie--met moeite en afgebroken woorden evenwel--verhaalde
van hare ontmoeting met hare booze vijandin:
Ze had voor een ziek kind in de buurt iets gekookt, en was, nadat zij
dit had aangereikt, in gedachten verzonken, naar het meer gewandeld.
Niet ver van den dijk was haar een jongen tegemoet gekomen, die haar
zeide, dat Caro (de hond van den ~Stroeve~, en waarmee zij veel ophad)
door een jager was aangeschoten, en achter een boschje, dat hij haar
aanwees, lag te sterven.
IJlings was zij daarheen gesneld, maar in plaats van den hond, vond zij
de moeder van Marrije, en wel bezig met russchen te vlechten.
Hevig ontsteld, wilde zij vluchten, maar met een sprong had het wijf
haar bereikt, en onder zich neer geworpen.
Nadat zij haar handen en voeten had vastgebonden, met de banden die zij
bezig geweest was van de russchen te vlechten, had zij de nu gansch
en al weerlooze, het lichaam ontbloot, om daarin met tijgerwellust te
knijpen, onder de verzekering, dat haar schreeuwen zoo min als hare
duivelskunstenarijen, haar iets zouden baten, want dat zij op die plak
zou sterven.
Daar zij waarschijnlijk vreesde, dat het luide gekerm van haar
slachtoffer, toch zou kunnen gehoord worden, wilde zij haar een doek
voor den mond binden, en het was op dat oogenblik, dat Allard verscheen
en verdere marteling deed ophouden.
Het bewustzijn van naderende hulp, had Cilie nieuwen moed en kracht
gegeven, en zoo was het haar gelukt hare handen vrij te maken, en
daarmee den strop te grijpen, waarmede de moordenares haar den hals
wilde dichtsnoeren.
Onder tranen en pijnlijke bewegingen bracht het arme kind dit verhaal
ten einde, en zoo levendig trof het Allard, dat hij, de tegenwoordigheid
van den »voogd" vergetende, haar handen greep en die overdekte met
kussen.
Maar de ~Stroeve~, die met een zeer donkeren blik deze daad aanschouwde,
maakte kortweg aan alle verdere betuigingen van sympathie een einde.
Met de verklaring, dat het meisje voor alle dingen rust noodig had,
wenkte hij de huishoudster, voor haar bed plaats te nemen, en verzocht
Allard hem te volgen.
Er bleef dezen dan ook niets anders over, dan een vluchtig afscheid van
de zieke te nemen, echter niet, dan na haar toegefluisterd te hebben,
dat hij den volgenden morgen zoo vroeg mogelijk weer bij haar zou zijn.
Hij dacht nu huiswaarts te keeren, maar de schutbaas verzocht hem, nog
eenige oogenblikken te vertoeven.
»Uwe kleeren," zeide hij, »zijn nog niet droog genoeg om ze te kunnen
aantrekken, en--terwijl zij drogen, willen we een ernstig woordje met
elkander wisselen."
Allard wenschte niets liever, en nadat hij zich verkwikt had aan een
glas sterk gekruiden heeten wijn, door den schutbaas in der haast gereed
gemaakt, zette hij zich tegen hem over bij het helder brandende vuur.
»Mijnheer!" dus begon de ~Stroeve~, terwijl hij een doordringenden blik
op zijn' gast vestigde--»wat is uwe bedoeling met uwe herhaalde bezoeken
aan mijne pupil? Ik weet, dat gij behoort tot eene familie, die eene
wettige verbintenis van een harer leden met een ~burgermanskind~, als
eene diepe vernedering zou aanmerken, en dat gij dus betrekkelijk Cilie
plannen moet koesteren, die..... niet overeenkomen met de verwachtingen,
die uwe aanzoeken bij haar zullen hebben opgewekt."
»Jansen!" sprak Allard met verontwaardiging, »ik verzoek u voorzichtig
te zijn met uwe uitdrukkingen, want ik ben nooit gewoon geweest,
dergelijke voor mijne eer en karakter honende uitdrukkingen ongestraft
te aanhooren!"
»Ik sprak als ik denk, jonker Allard! en heb te lang in de wereld
verkeerd, om niet te weten, wat gewoonlijk de gevolgen zijn van
dergelijke..... hm! verbindtenissen."
»Maar wanneer ik zeg, dat uwe onderstellingen ten mijnen opzichte geheel
valsch zijn!....."
»Wil dat zeggen, dat jonker Allard Bentinck, in alle oprechtheid de hand
zoekt te verkrijgen van een meisje--zonder vermogen, zonder stand,
zonder godsdienst, en......"
»Spreek uit!"
»Zonder naam!" sprak de ~Stroeve~ met een vloek.
»Zonder naam? dat is: zonder een naam, dien de wereld acht en
eerbiedigt? En, zoo ik nu eens zeide, dat ik voor mij, vrij ben van alle
vooroordeelen, aan lieden van mijne geboorte en stand gewoonlijk eigen,
en dat ik, bij het zoeken naar eene vrouw, alleen te rade denk te gaan
met de wenschen van mijn hart?"
»En hoe weet gij, dat uw hart u hier niet bedriegt?" vroeg de ~Stroeve~
schamper. »Maar," voegde hij er eenigszins zachter bij, »al waart gij
overtuigd, dat Cilie is, wat zij u toeschijnt te zijn, dan zoudt gij u
toch driemalen bedenken, om toe te slaan."
»Dat dunkt u, maar uwe onderstelling is valsch."
»Ik zal oprecht jegens u wezen! Ik zal u het geheim van Cilie's geboorte
onthullen, en ik twijfel volstrekt niet, of gij zult daarna erkennen,
dat een meisje als zij, nooit deel van uwe familie kan uitmaken, en dat,
zoo ge haar zoudt willen trouwen, gij genoodzaakt zoudt wezen, met uwe
ouders en àl uwe bloedverwanten te breken."
Daar was iets in de laatste opmerking, dat Allard pijnlijk aandeed, en
dat hem een oogenblik het stilzwijgen deed bewaren.
De man had met ruwe hand eene gevoelige plaats in zijn gemoed
aangeraakt, en de donkere blik, dien hij van onder zijne borstelige
wenkbrauwen op hem vestigde, getuigde maar al te zeer, dat hij des
bewust was.
»Zie," vervolgde hij na een oogenblik zwijgens, en nadat hij opnieuw de
glazen gevuld had, »ik kèn uwe familie, en dat van zeer nabij, want--ik
heb in 't huis uws vaders eenigen tijd gewoond als bediende. Maar dat
was vóór uwe geboorte."
»En hoe is uw naam?"
»Of weet jonker Bentinck niet, dat ik Jansen heet?" was de spottende
wedervraag van de ~Stroeve~, en, na een oogenblik zwijgens, vervolgde hij:
»gij beseft nu te wel, dat ik niet van ~hooren zeggen~ spreek, wanneer ik
verzeker, dat ik de trots der Bentinck's en van die tot hen behooren,
ken. Maar ter zake!
»Ongeveer twintig jaren geleden, was ik Bastiaan[28] op eene plantage in
Suriname. Die plantage was het eigendom van een Franschman, die zich
»Marquis" noemde, en met de dochter getrouwd was van een Hollandschen
planter--zekeren meneer Deleman.
[28] Slavenmeester.
De Franschman, mijn patroon--hij heette de Renneval--was een zeer lastig
heerschap, en een wreed meester over zijne slaven.
Hij beschouwde en behandelde ze niet anders, dan als lastdieren, waarvan
men 't meest mogelijke voordeel moet zien te trekken, tegen de minst
mogelijke kosten van onderhoud.
Nu ben ik alles behalve een teederhartig man, en langdurige omgang met
het ebbenhout, heeft mij niet vriendelijker gezind jegens hen gemaakt.
Het is een lui, morsig, dom en brutaal ras, en wanneer de patroon hun
verwantschap met den mensch ontzei, en--meer of min ontwikkelde apen
noemde--was dit een van de weinige punten, waarop ik het vrij wel met
hem eens was.
Dat ik mijne onderhoorigen dus zachtmoedig behandelde, wil ik niet
beweren, maar mijn streven was toch, om hen goed te voeden, en na den
zwaren arbeid, behoorlijk rust te gunnen.
Dat de patroon gehaat was door de zwarten, behoef ik u niet te zeggen,
en evenmin, dat zij zich op alle mogelijke wijzen op hem trachtten te
wreken.
Nu was er onder de mannelijke slaven zekere Hanno, die pretendeerde van
Arabischen stam te wezen, en die zich dan ook door lichteren tint,
dunnere lippen en beschaafder manieren van het overige beestegoed
onderscheidde.
Hij was de beschermeling van de meesteresse, en was ook bij den patroon,
tot zekere hoogte althans, vrij wel gezien, toen het volgende geval
alles deed verkeeren.
De meesteresse had een jonge quarteronne tot lijfmeid, die door den
patroon met zooveel attenties bejegend wierd, dat zijne vrouw besloot
haar uit te huwelijken, en wel aan niemand dan aan Hanno.
Dat geschiedde, maar in plaats van nu af te zien van verder pogen,
vervolgde monsieur de Renneval met verdubbelden ijver zijn doel, en het
gelukte hem, op een uur, dat Hanno buiten was, zijne jonge vrouw te
verrassen.
Dit nu nam Hanno, die werkelijk iets hooger stond dan een gewonen
nikker, zeer euvel op, en 't was niet heel lang daarna, dat hij de
gelegenheid waarnam van eene visite, die de patroon aflei op een
naburige plantage, om in de slaapkamer van mevrouw te sluipen, en van
haar te nemen wat de patroon van zijne vrouw genomen had.
Wellicht ware deze zaak geheim te houden geweest, want de meesteres zou
zich wel gewacht hebben, de haar aangedane beleediging ruchtbaar te
maken, maar dat lag niet in de bedoeling van Hanno.
Toen na negen maanden, mevrouw de Renneval beviel van eene dochter, zond
hij eene oude slavin naar den patroon, om hem bekend te maken met het
gebeurde, en vluchtte daarop met zijne vrouw naar de bosschen.
Dat monsieur de Renneval in 't eerst meende te moeten twijfelen aan
de waarheid der zaak, is licht te bevroeden, maar het verhaal van de
negerin (bijna een ooggetuige) liet weinig twijfel over, en 't werd
ten overvloede bevestigd, door de bekentenis van mevrouw--stervende
uitgebracht--, want zij overleefde de geboorte van hare dochter maar een
paar dagen!
In zijn toorn wilde de patroon het kind laten verhongeren, maar 't
gelukte aan mijne vrouw, die de meesteresse als vroedvrouw had ter zijde
gestaan, om hem diets te maken, dat het gestorven was.
Intusschen had zij het bij ons in veiligheid gebracht.
Toen een jaar daarna, de plantage wierd afgeloopen door Hanno, waarbij
de patroon werd gedood, namen wij het hulpelooze schepsel mee naar
Paramaribo, waar ik, het slavenranselen moede, van plan was mij als
chirurgijn te vestigen.
Ik wist, dat daar eene zuster van mevrouw de Renneval woonde, en vond
haar bereid, om zich het meisje aan te trekken.
Maar, zij wierd na een viertal jaren ziek en stierf.
Voor haar dood liet ze mij komen, en droeg mij het nu opnieuw verweesde
kind op, voor welks onderhoud ze mij een klein kapitaal ter hand stelde.
Niet lang daarna werd ik weduwnaar, en daar 't mij op den duur te
Paramaribo niet beviel, nam ik 't besluit mijne bezittingen te gelde te
maken, en naar Holland terug te keeren.
Een gedeelte er van, op een ander schip vooruit gezonden, leed
schipbreuk; het andere kwam behouden aan, en 't was met een deel
daarvan, dat ik mij hier (waar ik in mijne jeugd woonde) grond kocht en
er een huis op liet timmeren.
In 't eerst was ik van plan, om het meisje slechts tot zekeren leeftijd
bij mij te houden, en haar dan bij lieden, waarbij zij iets beters kon
leeren dan bij mij, op te doen voeden.
Maar"--en hier nam het gelaat van den verhaler eene zonderlinge
uitdrukking aan--»maar.... ik ben van plan veranderd; waarom--dat gaat
niemand aan!"
Hij zweeg.
»En is dat alles?" vroeg Allard.
»Dunkt het u niet genoeg?"
»Hebt ge mij den ~waren~ naam medegedeeld van de ouders van Cilie?"
»Haar vader noemde zich Hanno," sprak de ~Stroeve~ met een grijnzenden
lach, »en zoo gij meent, dat hij dit ten onrechte deed, moogt gij het
onderzoeken."
»En hoe heette de plantage, waar Cilie geboren wierd?"
»Tranquilité."
»Jansen!" sprak Allard, »gij tracht mij te misleiden. In uw verhaal is
waarheid, dat is zeker! maar even zeker is het, dat sommige
omstandigheden daarin, al zeer onwaarschijnlijk klinken."
»Wat!?" riep de ~Stroeve~ met een paar geweldige vloeken.
»Uw vloeken vervaart mij niet, en het is niet uit vrees er voor, dat ik
mij ga verwijderen. Maar mijne kleederen zijn thans droog genoeg, om ze
weer aan te trekken, en 't wordt meer dan tijd om huiswaarts te keeren.
Morgen kom ik terug, en we zullen dan nader spreken."
»Als ik wil!" was het knorrige antwoord.
* * * * *
Dat het avontuur van Allard, den volgenden dag niet weinig besproken
werd in de kolonie, en dat de held er van honderde vragen daarover had
te beantwoorden, zal wel niemand verwonderen, en evenmin, dat het aan
zijne nichten aanleiding gaf tot het maken van niet weinig bitterzoete
commentariën.
Vooral nicht Alida kon niet nalaten, neef de opmerking te maken,
dat zijn moed zeker zeer te bewonderen was, maar dat hij--naar haar
oordeel!--toch beter gedaan had, zijn leven niet te wagen, om een
~schepsel~ als ~dit~, van den dood te redden.
Maar neef's repliek was zoo levendig, en de verdediging van het
~schepsel~ zoo warm, dat freule Alida er niet weinig van ontzet was,
en begreep, beter te doen--~hier~ verdere opmerkingen te sparen, om ze
later op eene plaats ter markt te brengen, waar zij geen effect zouden
missen; eene manoeuvre, die--als men later zien zal--goed beraamd was,
en niet zonder gevolgen bleef.
Wat Allard betreft, hij stoorde zich aan spot noch blaam.
De treffende gebeurtenis van den vorigen dag, had Cilie dierbaarder dan
ooit gemaakt aan zijn hart, en hoe ook ~zij~ zich aan hem verbonden
gevoelde,--de woorden, op de burrie hem toegefluisterd, bewezen het maar
al te zeer.
Al wat naar weifeling geleek, was thans ook bij hem geweken. Gods vinger
had hem verordineerd, haar ten beschermer te zijn, en wat er ook mocht
gebeuren, wie zich tegen zijne vereeniging met haar mocht willen
verzetten, hij zou haar niet verlaten, maar haar de zijne noemen, zoowel
voor de menschen als voor God.
En het was met deze gedachten en voornemens, dat hij zich zoo schielijk
hem maar eenigszins mogelijk was, naar 't huis aan 't meer spoedde.
Hij vond het arme kind wel wat bekomen van de angst en vermoeienissen,
den vorigen dag geleden, maar toch pijnlijk, vooral op die plaatsen,
waar het booze wijf haar met tanden en nagels had gehavend.
Maar de tegenwoordigheid van haar vriend, en vooral, wat hij, over
hare peluw gebogen, haar herhaalde malen influisterde, oefende een zoo
weldadigen invloed op haar uit, dat zij, alle leed vergetende, tegen den
avond opstond en, door zijne armen ondersteund, nevens hem voor 't raam
ging zitten.
Hier vertelde hij haar, wat haar voogd (deze was des morgens vroeg
al uitgegaan) hem den vorigen avond betrekkelijk hare afkomst had
medegedeeld. Zij hoorde hem met ingespannen aandacht aan, maar was verre
van met alles in te stemmen, van hetgeen er in dat verhaal voorkwam.
Hoewel hare herinneringen, vooral op sommige punten, vrij vaag waren,
was dit lang niet overal 't geval, en 't bleek Allard weldra, dat hij
den ~Stroeve~ niet ten onrechte verdacht hield, van onjuiste voorstelling
der feiten.
Haar vader, wien zij naar 't verhaal van Jansen niet zou gekend hebben,
herinnerde zij zich vrij wel. Zij wist, dat zij menigmalen op zijne
knieën gezeten had, dat hij haar geliefkoosd en »petite marquise" had
genoemd.
En, in plaats van weinig meer dan een zuigeling geweest te zijn, toen
zij bij hare tante kwam, was zij minstens zes of zeven jaar oud
geweest.
Deze tante kon ook geene zuster van hare moeder geweest zijn, maar wel
van haar vader, want zij was eene Française, en van haar had zij de
liedjes geleerd, die zij gewoonlijk zong, en het Fransch, dat zij ook
nu nog gemakkelijker sprak dan het Hollandsch, en waarin zij zich bij
voortduring had kunnen oefenen, daar haar voogd, die uit Fransch
Vlaanderen afkomstig was, die taal zeer goed kende, en er zich bij
voorkeur van bediende, wanneer hij met haar sprak.
Intusschen heette deze tante niet: de Renneval, maar: de Cosse, als zij
bewees uit een Catholiek gebedenboekje, dat haar eenmaal had toebehoord,
en op welks schutblad met duidelijke letters geschreven stond: Desirée
Louise Posada, née de Cosse, 1687.
De naam ~Cosse~ klonk Allard vrij bekend in de ooren, en bij eenig
nadenken herinnerde hij zich, dat hij te Amsterdam, ten huize van een
zijner kennissen, een refugié had ontmoet, die onder dien naam aan hem
was voorgesteld.
Was hij nog in leven, dan zou er zeker wel gelegenheid bestaan om hem
te spreken, en van hem te vernemen, of de tante van Cilie ook behoorde
onder zijne bloedverwanten, en was dit laatste het geval, dan had men
den draad in handen, om in dit labyrinth den weg te vinden. Ook kon
daartoe dienen, de--zeker in een onbewaakt oogenblik--aan den ~Stroeve~
ontsnapte mededeeling: dat hij kort voor Allard's geboorte, in diens
ouderlijk huis had gediend.
Hij deelde dat alles aan Cilie mede, en trachtte haar duidelijk te
maken, dat zijn bespoedigd vertrek naar den Haag--hoe ongewenscht ook
onder de tegenwoordige omstandigheden--noodig was, om den weg te
effenen, die tot hunne vereeniging leidde.
Maar Cilie wilde daarvan niets hooren.
Te scheiden, en dat voor wie weet hoe lang; haar te verlaten,--nu
al weer te verlaten, en dat terwijl zijn bijzijn haar zoo nameloos
gelukkig maakte... het denkbeeld maakte het hartstochtelijk schepseltje
zoo rampzalig, dat Allard zich haastte den storm te bedaren, door de
verzekering te geven, dat hij vooreerst aan geen weggaan dacht, en
althans zoo lang zou blijven, tot zij geheel hersteld was.
Eene belofte trouwens! die maar al te zeer instemde met de wenschen van
zijn hart.
Want het waren dagen vol weelde, die hem wachtten aan de zijde van de
teedergeliefde--vooral toen zij, als weldra 't geval was, slechts weinig
letsel meer leed, van wat zij verduurd had op den schrikkelijksten dag
van haar leven; den dag evenwel, waarvoor zij toch den goeden God niet
genoeg kon danken, want na de doorgestane angsten en smarten, was haar
geschonken, wat zij nooit had gedacht te zullen verwerven.
Bijna elken namiddag kwam Allard haar bezoeken, en, hing het schoone
kopje mat en treurig neer, als eene bloem, die het aan water ontbreekt,
het richtte zich op, wanneer het uur naderde, waarop de welbeminde
gewoon was te verschijnen.
En, sloeg dat uur, 't was uit met mijmeren, en stond zij aan het hek van
den hof, in gezelschap van den getrouwen hofhond, en omfladderd door
hare duifjes.
Niet zoodra kreeg zij hem in 't oog, of in wilde vaart vloog zij hem
tegemoet, drukte hem aan haar hart, en rustte niet voor hij haar evenals
een kind op den arm nam, en huiswaarts droeg, gelijk hij gedaan had,
toen hij haar, na haar uit het water te hebben getogen, naar de hut
bracht waar zij de oogen had opgeslagen tot een nieuw leven.
Op die armen, en aan die borst, zeide zij, was zij veilig voor alle
boozen en al het booze, dat in de wereld bestond, en--behoeft het gezegd
te worden--dat de drager zich even gelukkig gevoelde als de gedragene,
en onder de weelderige lokken, die zijn aangezicht omzwierden, de kus
beantwoordde waarmede het schoone kind van tijd tot tijd haar gesnap
afbrak?
Het zure gezicht van den ~Stroeve~ (die echter zelden thuis was) en de
tegenwoordigheid van de huishoudster, die order scheen te hebben, op
al de bewegingen van het jonge paar acht te geven, maakte het verblijf
binnenshuis minder aangenaam, en daarom ging men--wanneer het weer
het maar eenigszins toeliet--naar buiten, en bezocht, arm in arm, de
plekjes, merkwaardig en veelal dierbaar geworden, door de
gebeurtenissen, der laatste dagen.
Het hutje van den goeden arbeider, waarin men liefderijk was verpleegd;
de plek op den dijk, waar Allard gestaan had, toen hij de geliefde aan
de golven had ontrukt, en het boschje, waarbij hij gepoogd had, haar in
't leven terug te roepen, werden niet vergeten, maar 't liefst en 't
langst verwijlde zij met hem, op het plekje, waar hij haar 't eerst
had toegesproken, »en waar ik »petite folle"[29]--als zij zeide--wou
ontvluchten, wat mij was toegezonden door den lieven God, om mijn alles
te worden."
[29] Kleine zottin.
Maar.... als alle idyllen, was ook de hunne kort, en helaas! al te kort.
Eens op een morgen kwam Allard vroeger dan naar gewoonte, aan het
schuthuis, en hoe verheugd Cilie ook was hem nu al te zien,--hare
vreugde verkeerde aldra in angst, bij 't aanschouwen der donkere wolken,
die er rustten op zijn voorhoofd.
En waarlijk niet zonder reden, stond zijn wezen zoo droef.
Hij had den avond te voren, bij zijne thuiskomst, een brief gevonden van
zijn vader, met het bericht, dat zijne moeder vrij ernstig ongesteld was
geworden, en dringend zijn terugkomst verlangde.
Zijn onmiddellijk vertrek was nu onvermijdelijk, en dienzelfden avond
wilde hij zich te paard naar Meppel begeven, om daar met de beste
gelegenheid de terugreis naar den Haag te aanvaarden.
Het arme meisje was radeloos, en waarlijk geen wonder!
De toekomst was zoo duister.
Bij wien zou zij thans haar toevlucht nemen?--waar zou zij bescherming
zoeken, tegen de vijanden, die haar alom belaagden?
Haar voogd?... maar had zij het steeds verzwegen, wat zij nu wel zeggen
moest: daar was in zijne gedragingen jegens haar in den laatsten tijd
veel geweest, dat haar méér zijne vriendelijkheid, dan zijn wrevel moest
doen duchten!"
Met schrik hoorde Allard de laatste mededeeling aan.
Zij voegde eene groote bekommernis bij de reeds bestaande, en hij dacht
er een oogenblik aan, om het arme meisje bij vertrouwde lieden onder dak
te brengen, maar.... Cilie was nog niet meerderjarig, en door welk
middel zou hij, en dat vooral bij de korte oogenblikken, die hem
restten, haar aan de macht van haar voogd onttrekken?
En bij wien zou de door de meesten verafschuwde heks, een onderkomen
zoeken?
Haar vriend jonker Swaap lag gevaarlijk krank, en een ander, verre boven
de vooroordeelen van het onzinnig gepeupel verheven en haar zeer
toegenegen man, was met zijne gansche familie op reis.[30]
[30] Mr. Petrus Calkoen, aan wiens aanteekeningen verre weg het
grootste deel van Cilie's geschiedenis is ontleend.
Duisternis dus waar hij het oog vestte, en toch moest hij zich sterk
betoonen, moest hij woorden van troost en bemoediging spreken.
Maar, evenals Rachel, wilde Cilie niet vertroost worden, en hoe meer het
oogenblik van afscheid naderde, hoe sterker het hartstochtelijke kind
zich aan hem vastklemde, en hem bezwoer, bij haar te blijven, en haar
niet aan den dood prijs te geven!
Met geweld moest hij zich eindelijk uit hare armen los maken!
Driemalen ging hij heen, en driemalen keerde hij weder, en 't was niet
dan met inspanning van al zijne krachten, dat hij er eindelijk toe kwam,
de halfbezwijmde in de armen der huishoudster neer te leggen, en zoo
schielijk hij kon zich te verwijderen.