Het was in 't midden van de maand Augustus van 't hierboven vermelde
jaar 1705, dat een gezelschap jonge lieden, meestal studenten, die
de vacantie te huis doorbrachten, zich al vroeg in den morgen op weg
begaven, om te visschen in het Riegmeer, eene waterplas, een half uurtje
zuidwaarts van de kolonie Hoogeveen gelegen en in die dagen gewoonlijk
Alberts-Holtien genoemd, naar een boschje van opgaand hout, dat het
omringde.
Niet alle leden van 't gezelschap waren ingezetenen van het Carspel of
Coloniërs, als men ze veelal betitelde, want er was een vreemdeling
onder hen, een Hagenaar, die een paar dagen vroeger te Hoogeveen was
aangekomen en bij zijne bloedverwanten--de familie Bentinck--logeerde.
Zijn geslachtsnaam kan ik niet met volle zekerheid mededeelen, maar
wèl dat hij van moeder's zijde verwant was aan de Bentincks en--meer
bepaald--aan den tak dier aanzienlijke familie, waartoe Jan Willem
Bentinck, den grooten vriend van Koning William, behoorde.
Noem ik hem dus ook Bentinck, en stel ik hem onder dien naam aan den
lezer voor, ik meen daarmede geen te groote zonde tegen de waarheid te
begaan.
Hij wordt in het manuscript van de heeren Calkoen beschreven, als een
jongen man van »ene hoge gestalte, en een so innement voorkomen, dat
sijn Gesigt alleen voldoende was hem te doen beminnen."
Verder wordt van hem getuigd, »dat hij had enen dichterlijken Geest,
en was een jonkman van voorbeeldigen wandel, en hoewel Godsdienstig van
herte, tog een vriend van vrolijkheit, en--gulle scherts, mits blijvende
binnen de perken der sedelijkheidt, zeer geerne gedoghende ende
gouterende."
Tegen de gewoonte van den adel dier dagen, had hij niet in de
rechtsgeleerdheid gestudeerd, maar in de medicijnen, en was in dat vak,
nu twee jaren geleden, met glans gepromoveerd.
Hij had echter de practijk slechts korten tijd uitgeoefend, en hoewel
het hem niet ontbroken had aan patienten, strookte het »dokteren" zoo
weinig met zijn smaak, dat hij het er had aangegeven.
En geen wonder ook!
In 't bezit van een van zijn ouders geheel onafhankelijk vermogen,
behoefde hij om den broode niet een vak te beoefenen, dat hem noopte
zich in een kring te bewegen, waarin hij zich niet te huis gevoelde, en
waarin van zijne waarheidsliefde grooter offers zouden worden gevergd,
dan hij geneigd was te brengen.
Daarbij stond de studie der Natuur hooger bij hem aangeschreven dan die
der geneeskunde, en 't was dan ook--voor een goed deel althans--aan
zijne begeerte te danken, om zich met de Fauna van deze schaarsch
bezochte, ja bijna onbekende streken bekend te maken, dat hij zich te
Hoogeveen bevond.
Deze zijne zucht verloochende zich ook thans niet, want, na zich een
poosje, evenals de overige leden van zijn gezelschap met het visschen te
hebben bezig gehouden, stak Jonker Bentinck, dien ik voortaan bij zijn
doopnaam--Allard--zal noemen, zijne hengelroede in den wal, en trok,
gewapend met vlindernet en plantendoos, de achter Alberts-Holtien
gelegen veenachtige heide in.
Wat hij daar zag, geleek in geen enkel opzicht op 't geen men er
tegenwoordig kan aanschouwen.
Waar in onze dagen het oog van den wandelaar, rust op eene
aaneenschakeling van weide- en bouwland, van elkander gescheiden door
met bosch omzoomde wijken, rustte het zijne op eene breede watervlakte,
wellicht een twintigtal morgens groot, golvende tusschen hooge oevers
van donkerbruin veen, hier en daar bezet met boekweit en aan de
noordzijde begrensd door een lagen dijk.
Die dijk--opgeworpen om de aan deze zijde lager gelegen gronden te
beveiligen, tegen de door zuidweste winden dikwijls hoog opgestuwde
wateren van het meer--was hier en daar beplant met hoog opgeschoten
kreupelhout en schoot oostwaarts op tot een plek, waar een door welig
bosch omringd, vrij groot steenen huis stond. Hier vereenigde hij zich
met een anderen dijk, die naar het zuiden liep en het meer in twee zeer
ongelijke helften verdeelde, waarvan het westelijkste deel verreweg 't
grootst was.
Allard volgde het pad door de boekweitakkers, beneden den eersten dijk,
tot hij aan een plek kwam, waar een drietal veldnimfen bezig was de
reeds gedeeltelijk gemaaide boekweit aan schoven te binden.
Weinig aangetrokken door dit ruwe veldvolkje, dat hem met open mond
aanstaarde, om daarop in een schaterend gelach uit te barsten, wilde hij
zich omkeeren, toen een wondervreemd gezang, dat van de overzijde van
den met hoog kreupelhout beplanten dijk scheen te komen, zijn oor trof
en hem ademloos deed toeluisteren.
't Was een hooge, maar tevens volle vrouwenstem, die dit gezang
voortbracht, maar hij verstond zoo weinig de woorden van het lied, als
hij er de melodie van kende. Die melodie geleek dan ook volstrekt niet
op de zangwijzen, in die dagen in zwang en die hem, als beoefenaar der
muziek, zeer goed bekend waren, en hoewel de klank van sommige woorden
hem deden denken aan 't Italiaansch, klonken andere weer zoo geheel
anders, dat hij begreep ze tot eene hem niet bekende taal te moeten
rekenen.
Een lang aangehouden toon, uitgaande in een parelzuiveren triller,
besloot het gezang en juist stond de jonker gereed om het dijkje
te beklimmen, teneinde de zangster te kunnen aanschouwen, die zulke
wonderbare tonen voortbracht onder het wandelen--want opnieuw klonk haar
lied, maar reeds zeer uit de verte--toen een vreeselijk gegil achter
hem, hem verschrikt deed omzien.
Een helsche furie scheen wel gevaren in de arbeidsters, straks nog zoo
ijverig en vreedzaam aan 't werk.
Eene er van wentelde zich gillende op den grond en de overigen balden de
vuisten naar de plaats van den dijk, van waar het gezang geklonken had,
terwijl zij met verbazende rapheid van tong eene menigte scheldwoorden
uitbraakten.
Een geruime poos duurde het voor Allard, verbaasd over dit
verschrikkelijk getier, gewaar wierd wat er eindelijk was gebeurd.
En het bleek hem toen, dat het geen »leven over niets" was, maar dat het
geval ernstig mocht genoemd worden.
Een der meisjes namelijk had, bij het binden van een schoof, op een
adder getast en deze had haar in den arm gebeten.
Die adder nu, en dit verklaarde de toorn van hare gezellinnen, was
niet op eene natuurlijke wijze in de boekweit gekomen: de zang van de
Nevelhekse had haar daarin gezworen en--aan haar was dus het ongeluk te
wijten!
De beet van een adder--een dier, destijds vrij gemeener in deze streken
dan thans--is wel gevaarlijk, maar zelden doodelijk.
Warme zomers verhoogen echter de werkzaamheid van het venijn, terwijl
de genezing zeer wordt bemoeilijkt, wanneer een lichaamsdeel wordt
verwond, dat bezwaarlijk valt te onderbinden.
Geen dezer ongunstige factoren was hier aanwezig: de warmte was zeer
gematigd geweest in den afgeloopen zomer en de beet van het dier had den
onderarm, even boven de hand, getroffen.
De jonge geneesheer deed wat hij in de gegeven omstandigheden doen kon.
Hij opende de wondjes--schijnbaar niet anders dan twee bloedroode
stippen--met zijn pennemes, om eene bloeding te bevorderen, en onderbond
vervolgens met zijn zakdoek, dien hij middendoor sneed, den arm beneden
de elleboog.
Vervolgens zocht hij de misdadigster op, en toen hij gelukkig genoeg was
haar te vinden, verbrijzelde hij haar den kop en bond deze met de andere
helft van de zakdoek op de wonden, in het volle, ook medische geloof
dier dagen: dat niets beter de beet van een venijnig dier geneest, dan
den verbrijzelden kop van dat dier te doen dienen als trekpleister van
het venijn.
En na de patiente rust en een gestadig gebruik van een afkooksel van
kamillen, die onder aan den dijk in overvloed groeiden, te hebben
aanbevolen, zocht hij zijne metgezellen op, om hun het verslag van zijn
wedervaren te doen en vooral ook om meer te vernemen van Nevelhekse, dan
hij uit de verwarde verhalen van de vertoornde veldnimfen had kunnen
opmaken.
Ziehier wat hij hoorde:
In de laatste jaren der verloopen eeuw, kwam in de kolonie een man
wonen--niemand wist van waar, maar zeker uit verre landen--want hij had
de taanachtige kleur van lieden, die lang in tropische gewesten hadden
vertoefd, en gebruikte vele woorden en uitdrukkingen, die zelfs dominé
verklaarde niet recht te kunnen begrijpen.
Ook het kind, dat hem vergezelde, een meisje van nog zeer jeugdigen
leeftijd, was gewis niet geboren onder deze kille noorderzon, en,
verraadde ook de blanke, eenigszins in 't bruine spelende kleur der huid
niet duidelijk genoeg eene zuidelijke herkomst, de groote donkere oogen
en het gitzwarte, prachtig golvende haar, die het bezat, deden dit
zooveel te beter.
Ook was het wonderbaarlijk vlug in zijne bewegingen, sprong als een
geitje langs den weg en kon klimmen als een aapje!
Tot groote verbazing van de buurt stond dit meisje den morgen na hare
aankomst in de herberg »De vliegende Visch," waar de vreemdeling
voorloopig zijn intrek genomen had, op het rieten dak van het huis te
zingen, maar in eene taal, die heel vreemd in de ooren klonk en wel iets
had van vogelgezang.
Ook sprong en wipte zij op onder het zingen en maakte bewegingen met de
armen, als een klapwiekende vogel doet, die zóó, zóó weg zal vliegen.
Wat den man betreft, hij was stuursch tegen ieder, behalve tegen dit
kind, en er gingen dagen om, waarin hij een bijna volstrekt stilzwijgen
bewaarde.
Zijn tijd bracht hij door met tochten in de venen en vreemd was het
daarbij, dat hij, hoewel een vreemdeling, den weg in de omstreken zeer
wel wist te vinden en de gevaarlijke plekken in het moer te vermijden,
zoo goed als een geboren veldrot.
Niet lang na zijne komst in de kolonie was hij in onderhandeling
getreden met Piet Warries--alias slimme Piet--over den koop van een hoek
gronds aan den Riegsdijk, de plek waar thans het steenen huis stond, dat
Allard in de verte had gezien.
't Was een plek van niet zeer groote geldelijke waarde, maar overigens
merkwaardig genoeg, daar, hetgeen men er op vond bij de wegneming
van het veen dat het bedekte, ten klaarste bewees, dat er vóór de
veenvorming, in deze streken menschen gewoond hadden, die de Nomadische
levenswijze der Germaansche volksstammen niet volgden of--alree hadden
vaarwel gezegd.
De arbeiders toch, die hier 't veen afgroeven, ontdekten op eene diepte
van vier of vijf voet een steenen vuurhaard en daar om heen de wortels
van zware boomen en later nog de overblijfselen van een uit flinten
opgestapelden muur, die een erf van groote uitgestrektheid had
omsloten.[a]
Dit alles was echter sinds lang opgeruimd, en nagenoeg vergeten ook,
maar toen de vreemdeling er zoo op stond om juist dit plekje gronds te
willen koopen, begreep »slimme Piet" dat dit was om de daarop gevondene
oudheden, en hield zich dus op een afstand.
Dit duurde echter niet lang, want toen de man een bod deed, zóó hoog
boven de waarde, dat de lui die er bij tegenwoordig waren naar hunne
voorhoofden wezen, als wilden zij zeggen: niet pluis hier bij den bieder
en nog minder pluis bij den eigenaar, zoo hij geen gebruik maakt van de
gelegenheid,--sloeg hij toe.
Intusschen--onder borgstelling voor betaling op kort termijn.
De ~Stroeve~--want zóó werd de vreemdeling aldra in 't Carspel
genoemd--de ~Stroeve~ antwoordde met een schamperen grijnslach: dat hij
betere borgen in zijn kist had, dan er in de gansche kolonie te vinden
waren, en wierp daarop een zoo zwaar met groote goudstukken gespekte
beurs op de tafel, dat »slimme Piet" er anders van wierd.
Ja, zijne begeerlijkheid werd zoodanig opgewekt, dat hij het uiterste
wilde wagen, om meer nog dan het bepaalde aantal van den gelen buit
machtig te worden, en hij veinsde dus berouw te gevoelen over den
gesloten koop. Zijne vrouw, zeide hij, hechtte bijzonder veel aan dit
lapje gronds, en zou hare toestemming nooit geven, om dit voor een appel
en een ei van de hand te doen.
't Was daarom maar beter--voegde hij er bij--den gesloten koop te
beschouwen als een grap.
De gansche vergadering schudde het hoofd bij deze verklaring, want zij
doorzag Piet's spel niet.
De ~Stroeve~, daarentegen, zooveel te beter, maar hij was geen man, om
zich door een Veenkluit te laten vangen.
Na al de aanwezigen als getuigen te hebben opgeroepen, begon hij zoo
vreeselijk uit te varen, zoo geweldig zijne tanden aan »slimmen Piet" te
laten zien, dat deze bang werd en verklaarde--in Gods naam te berusten
in de zaak, mits de kooper eenige mutsjes brandewijn als zoenoffer
plengde.
Deze liet zich aan zulk een kleinigheid volstrekt niet kennen, maar
stond er op, dat de Schout, die aanwezig was, oogenblikkelijk den
Stokleggingsbrief gereed zou maken.[b] Deze voldeed aan dat verzoek, en
zoo kon de Stoklegging, naar Landrechts eisch, nog denzelfden avond
geschieden.
Niet lang daarna, liet de nieuwe bezitter de noodige bouwmaterialen voor
een huis komen, dat in 't voorjaar verrees en wel, geheel van steen en
met een pannen dak.
Ook omheinde hij het geheele terrein met wilgenstekken, man aan man
gezet, en plantte daaromheen eiken hakhout, en in den tuin allerlei
fijne vruchtboomen.
Het eerste jaar was de opbrengst van den zorgvuldig omgespitten grond
reeds zeer voldoende, en in het tweede jaar stond alles, wat de
»Stroeve" verbouwde, schooner dan de wilde veldrotten, die in zijne
buurt hunne hutten en holen hadden, ooit hadden gezien.
En jaar op jaar werd dit beter, en wat het vreemdst was: wanneer bij
ieder de oogst schraal uitviel, had de ~Stroeve~ geen reden van klagen,
maar mocht zich verheugen in een goed beschot.
Men begreep er niets van, en omdat men er niets van begreep, lag het
voor de hand--niet aan meerdere kennis, en zorgvuldiger behandeling van
den voor eeuwen al bebouwden grond te denken, maar aan geheel iets
anders.
De ~Stroeve~ (hij zelf noemde zich Jansen) de ~Stroeve~--dus fluisterde
men--deelde in de gunst van zeker iemand, wiens naam men maar liefst
niet noemen wou, maar die te zijner tijd wel het loon voor de betoonde
bescherming zou komen opvorderen.
In 's Heeren zegen, dat was zeker! deelde hij niet, want hij zette nooit
een voet in kerk of kluis, en had bij zijne komst in de kolonie zelfs
geweigerd zijne lidmaatsattestatie in te dienen.
Maar dat was nog lang niet alles.
Hij had den vromen predikant der gemeente, die met zijn ouderling, Amos
Grootendost, hem in 't belang zijner onsterfelijke ziele, en die van
zijn onschuldig kind, waren komen bezoeken, op eene zoo onhebbelijke
wijze bejegend, dat zij het huis hadden verlaten, schuddende het stof
van hunne voetzolen, en onder luide bedreigingen, met den toorn en het
oordeel des Heeren!
En ook dit was nog niet alles!
De man bewaarde in een zijner vertrekken zeer verdachte dingen.
Men zag er flesschen staan met vreemde gedrochten, en daartusschen, dito
met menschelijke ledematen, ja zelfs volslagen kinderen, aan den nek
opgehangen aan roode draden!
Voorts stond er naast een boekenkast, een volledig menschelijk geraamte,
en grijnsden er op die kast, mogelijk wel tien doodshoofden!
Kwam nu een van zijne buren hem 't een of ander vragen, dan had hij de
gewoonte, hem door Cicilie, zijn dochtertje, in dit vertrek te doen
brengen, en hem daar een poos alleen te laten.
De meesten echter, wachtten daar niet zoo lang tot de heer des huizes
verscheen, maar verkozen liever onverrichter zake te vertrekken.
Niet alleen toch bevond men zich hier te midden van de opgenoemde
verschrikkingen, maar..... er leefde en bewoog zich iets in die kamer,
dat zonder den minsten twijfel reden had zich niet te laten zien.
Oude ~Haasoor~, de vermaarde strooper, en een kerel, die voor geen
kleintje vervaard was, verklaarde, na een minuut of tien deze proef
te hebben doorgestaan--dat hij liever een heelen dag wilde zitten,
tegenover tien koddebeyers en vier scholten, dan een uur door te brengen
in de spookkamer van den ~Stroeve~.
De doodshoofden op de kast had hij hooren knarsetanden, en het geraamte,
dat daar naast stond, deed zijn best, om zich den kop af te schudden; en
het had rondom hem gepiept, en getikt, en geknetst, en geduiveljaagd,
dat het er den Satan zelf te benauwd zou geworden zijn!
Nu waren er wel lui, die de waarheid van deze bevindingen eenigszins
in twijfel trokken en 't grootste deel er van op rekening stelden van
Haasoor's overprikkelde verbeelding, en zijn niet al te zuiver geweten.
Maar..... dat het overigens niet pluis was bij den ~Stroeve~, zie! dat
stond ook bij hen vast.
Waren deze bevindingen en verhalen meer dan voldoende, om alles wat er
vreemds en noodlottigs in de buurt voorviel, aan den boozen invloed van
den vreemdeling toe te schrijven, de eigenschappen van zijne dochter,
die--ik behoef het wel niet te zeggen--de zangster was, welker lied
jonker Allard zoo had bekoord, droegen niet weinig bij, om de vrees,
die men voor den bewoner van het »steenen huis" had, te vermeerderen.
't Was, als de verhalers het om strijd verzekerden, een wonderschoon,
maar ook een wonder vreemd meisje.[c]
In 't dorp zag men haar maar zelden, maar in de »velden", en dat
dikwijls ver van 't huis haars vaders, zwierf zij gansche dagen, en,
naar sommigen verzekerden, halve nachten om.
Velen hadden haar in den maneschijn, of in de nevelen van den avond of
vroegen morgen zien dansen, en hooren zingen, en 't was daarom, dat men
haar den naam van Nevelhekse gegeven had.
Maar wanneer men haar poogde te naderen, verwijderde zij zich schielijk,
en alleen een paar jonge meisjes uit de buurt kenden haar persoonlijk,
en gaven breed op van hare gaven en van de lichtheid van haren tred,
die, zeiden zij, het gras nauw neêrdrukte, dat zij betrad.
Alles, wat anderen met moeite moesten leeren, scheen zij uit zich zelve
te kunnen en te kennen.
Want, om van lezen en schrijven niet te spreken, dat zij van haar vader
kon hebben geleerd, wie had haar zoo meesterlijk leeren breien, naaien
en strijken als zij kon?
De ~Stroeve~ noch zijne eenvoudige huishoudster had haar ook kleedjes
kunnen leeren maken, en ziet! alles wat zij aan had zat haar even
keurig, al was 't ook waar, dat het zeer afweek van de gewone
kleederdracht, en 't meestal van zuiver witte of van ongewoon kleurige
stoffen was vervaardigd.
En dan haar muziek! haar zang!
Daar was inderdaad iets betooverends in, want zong of speelde zij--wat
somtijds gebeurde--op eene fluit, men moest er naar luisteren, of men
wilde of niet!
Nauw klonk dan ook hare muziek, of--evenals vroeger om Orpheus de
dieren--verzamelden zich de veldrotten om haar heen, en luisterden
(op een eerbiedigen afstand altijd!) naar hare tonen en melodiën.
Intusschen was deze zucht in de laatste tijden merkelijk verflauwd.
En geen wonder ook!
Tweemalen toch was er onder het spelen en zingen van Nevelhekse een
ongeluk in den kring van hare toehoorders voorgevallen.
Marren-Diene, een meisje van veertien jaren, onder den toover der fluit
rondspringende, was plotseling neergevallen, en bleek zich den enkel
zoodanig verstuikt te hebben, dat zij niet anders kon doen dan hinken,
en dat veertien dagen lang.
Verder had Haasoor's-Benne--een jongen van vijf jaar--er »termienen",
d. i. stuipen, van gekregen en het er ternauwernood afgebracht. Daarbij
had men opgemerkt, dat er onweer volgde op haar gezang, en eens was het
gebeurd, dat er onder haar spelen, zich een zwerm pennevogels (vlinders)
vertoonden, en dat men daarop druppels bloed op 't gras had
gevonden![d]
Een kwaad gerucht maakt weinig vrienden!
De ~Stroeve~ en zijn dochter hadden ze dan ook niet, straksgenoemde
meisjes uitgezonderd, en een invloedrijk burger in de kolonie--jonker
Swaap genoemd.
Nooit was deze in de Velden, of hij ging bij den ~Stroeve~ aan, en jonker
Swaap's huis was dan ook bijna het eenigst in 't dorp, dat deze en zijne
dochter somwijlen bezochten.
De jonker wilde dan ook van heksen en tooverijen niets weten, en sprak
men er van, dan riep hij: »Papperlepap! allemaal gekheid! De kerel is
een knappe kerel, en weet meer dan alle veenbazen hier met hun allen,
en 't kind is een engel! Was ik dertig jaar jonger, en had ik geen
huiskruis, ik ging naar haar vrijen, zoo waar als ik een oude zeebonk
ben!"
Intusschen fluisterde men dan ook vrij algemeen, dat jonker Swaap onder
den geheimzinnigen invloed van Nevelhekse stond, en dat het alleen door
haar toedoen was, dat hij den ~Stroeve~ had benoemd tot schutbaas van
het sluisje, waarmee hij de wateren van het groote meer in zijn bedwang
hield.
Maar anderen waren wijzer, en begrepen zeer wel, dat niet de invloed van
Nevelhekse, maar de invloed van zijn eigenbelang, den doorslag had
gegeven bij het benoemen van den alom gevreesden Jansen tot bewaker van
een verlaat, dat door de aangelanden gestadig bedreigd wierd.
En het ~waarom~ zal ieder duidelijk wezen, die weet, hoe de vork daarbij
aan den steel zat, iets wat ik niet duidelijker kan maken dan door eene
aanhaling uit het geschrift van dr. P. Calkoen te schuiven in het
relaas, dat de jongelieden aan het Riegmeer gaven, aan Allard Bentinck.
Bedoelde aanteekening luidt als volgt:
»Jonker Swaap, die namens de aangelanden, gelegen tusschen 't Grote
Riegmeer en 't Hollandse Veldtse Opgaande (Vaart) en den Heere v.
Echten, (die dese lose vos maar al te veel vertrout) 't beheer uitoefent
over de waateren van 't meer, is deser daghen (1699) met buren,
bontgenoten en vijanden, tegelijckertijd (geraakt) in dispuyt.
»In plaatse oock van dese waateren te gebruycken en aan te wenden als
sulx behoort, en ook ampel bedongen, besteede hij deselve bijna
gantselijck ten eygen profijte.
»Is er te veel, dan tragt hij de Suydwoldingers (sijne speciale
vijanden) er mee te versuypen, en is er te weynigh, hij stuwt 't meer op
tot de hoogte dat hij 't kan bevaren met de sponturfbakken, waarmee hij
de sponturf, uyt sijne Trekkerijen, aan de suydoostelijke kant van 't
Meer gelegen, afvaart na 't Opgaande, en gerijft de Compagnie alleen met
't overschot, en 't gunt dat door 't schutten vrij komt.
»Want in plaatse van een Vallaat, voldoende om de waateren te keeren of
door te laaten, heeft hij een schutje laten timmeren, met een keerdeure
daarvoor, geschickt om sijne bokken (turfschuitjes) bequamelijck te
konnen schutten.
»En voorsiende dat sommige Luyden met geweldt dit vallaat souden willen
openen, heeft hij tot schutmeester aangestelt, een man die yder vreest
en ontsiet, en die vlack aan dat schut woonende, bij uytnementheyt
geschikt is om sijne belangen te dienen, en zijne ordres te executeren.
»En dat is niemand anders als Jansen, . . . . . . . . . . . . . . . .
. . die bij naest allen ontsien, sij 't niet om Sijn roep van swarte
konste, dan ten minste om sijne extravagante brutaliteit."
Men ziet, niet Nevelhekse, maar het eigenbelang van den zeer
zelfzuchtigen jonker Swaap, had hem bewogen, »den ~Stroeve~" op eene
plaats te stellen, waar hij hem bij uitnemendheid konde dienen.
Dat echter ook de roep, die van de bovennatuurlijke vermogens van het
meisje uitging, medewerkte in het belang van den jonker, is zeker, en
was ~hij~ eerlijk genoeg, er voor zich zelven geen gebruik van te maken,
de schutbaas dacht er anders over, want hij trachtte op alle mogelijke
wijzen het geloof aan de buitengewone krachten, die het publiek haar
toeschreef, te versterken.
Maar--en dit moet ik er bijvoegen--hij deed dit niet alleen in 't belang
van zijne veiligheid, maar ook, en meer nog, in 't belang van die van
't meisje zelve, dat, gewoon, geheel alleen in 't veld rond te zwerven,
daarbij niet veilig zoude geweest zijn, ware de onbeschoftheid niet in
't begrip, dat eene onzichtbare macht hare schreden vergezelde.
* * * * *
Jonker Allard vond zich ten zeerste geboeid door deze verhalen, en een
wonderbaar verlangen, het meisje te zien, waarvan hij zooveel vreemds
gehoord had, vervulde hem zoo zeer, dat hij om bijna niets anders dacht.
Hij werd dan ook zoo stil en afgetrokken, dat zijne metgezellen er hem
mede plaagden. Zij noemden hem betooverd door het gezang van Nevelhekse,
en terwijl hij dit lachend toegaf, verlangde hij steeds meerdere
bijzonderheden betrekkelijk haar en haren vader te vernemen.
Maar, wat men wist, had men verteld, en daar slechts een paar van de
jongelieden het meisje gezien hadden, en dat nog wel van verre, konden
zij van haar uiterlijk niet anders dan in zeer onbepaalde termen
spreken.
't Was intusschen schemeravond geworden, en hoewel Allard plan had nog
eens naar het meisje te gaan zien, dat door de adder was gebeten, liet
hij dit voornemen varen, toen hij hoorde, dat hij daartoe nog wel een
minuut of tien hooger op zou moeten wandelen, en keerde dus met zijn
gezelschap naar huis.