NEVELHEKSE.

1705.

Maar in 't gantse beloop van deze Historie was ene sonderlinge

vremtheyt niet te miskennen, en, paste 't een Christen niet, bij

de Beschickingen der Voorsienigheyt te swijgen en uyt te roepen

met Paulus: »Hoe geheel onbegrijpelijk sijn Sijne Oordeelen,

en ondoorgrondelijk Sijne Weghen", men soude met de Ouden hier

genegen zijn aen te nemen een blint en onversoenlijk Fatum.

Mr. Petrus Calkoen.

Tijtsgetuyghenissen-Clapper.

De veenkolonie Echtens-Hoogeveen had in 't jaar, waarin de

geschiedenis voorvalt, die ik voornemens ben hier mede te deelen,

haar negen-en-zeventigste levensjaar bereikt, want het octrooi harer

stichting, dat in zekere mate als haar geboorteacte mag worden

aangemerkt, is gedateerd: 30 Maart 1626.

Zij was op dat tijdstip dus al eene matrone van vrij gevorderden

leeftijd, maar men hoorde haar echter heel weinig noemen; trouwens,

datzelfde was het geval met »de Landschap" waarin zij lag, en ik geloof

alzoo--vooral voor hen, die geene gelegenheid hadden kennis te maken met

den »Clapper" van de heeren A. en P. Calkoen (waaraan mijn stuk voor een

goed deel is ontleend)[1]--geen nutteloos werk te doen, met in breede

trekken hare gelegenheid en de eigenaardigheden van hare bevolking in

die dagen mede te deelen en aan de geschiedenis van Nevelhekse te doen

voorafgaan.

[1] Notulen Mijner Daghen, ofte Tijtsgetuygenissen-Clapper van Arent

Calkoen I. U. D. en Petrus Calkoen I. U. D. 1661-1709. Van dat werk,

thans nog in manuscript, werden eenige fragmenten medegedeeld in de

Hoogeveensche Courant, 1884-1885.

Zooals ik zeide, was zij eene genoegzaam onbekende in Nederland. Op de

landkaarten, in die dagen, en nog in veel later tijden vervaardigd,

zocht men haar te vergeefs, en hoewel nagenoeg 3000 inwoners

tellende, en alzoo het gehucht Echten meer dan tienmaal in bevolking

overtreffende, achtte men het noodig op de adressen der brieven, aan

hare bewoners gericht, steeds uitdrukkelijk te vermelden: Op 't

Hogeveen, bij Echten.

Echtens-Hoogeveen bestond destijds, en vrij meer dan thans het geval

is, uit twee zeer van elkander verschillende deelen: het kerkdorp,

gewoonlijk ~de Huizen~ genoemd, en de veenderijen, in die dagen, en ook

thans nog wel eens, ~de Velden~ betiteld.

In 't eerste gedeelte woonde de burgerij, in het tweede de

veenarbeiders.

Wat het eerste gedeelte aangaat, het begon zich naar alle zijden uit

te breiden, maar het getal huizen langs de vaart, of, om juister

te spreken--de vaarten--die thans de kom der gemeente vormen, zal

waarschijnlijk de 400 niet overschreden hebben.

En--verre van als thans, in dicht aaneen gesloten rijen te zijn

geschaard--vertoonden zich overal gapingen in hare gelederen, ingenomen

door tuinen, boomgaarden, en weidelanden, door slooten of schuttingen

van den gemeenen weg gescheiden.

Op enkele uitzonderingen na, waren die huizen ook laag en onaanzienlijk,

en hadden meestal rieten daken, en hoewel zij in 't algemeen de lijn

van het kanaal volgden, stonden zij op sommige plaatsen verder af,

op andere weder dichter bij het water, en daar er zeer weinig passage

van rijtuigen was, werd het den smid niet belet zijne travaalje

of slijpsteen ter halverwege van den weg te plaatsen, noch aan den

houtkooper of timmerman, zijne waren uit te stallen voor zijn huis en

zoo dicht bij de vaart, als de reglementen op de scheepvaart dit maar

eenigszins toelieten.

De vaart, waaraan de kolonie haar aanwezen en opkomst had te danken,

was zeer gebrekkig. Zij was vrij wat smaller dan tegenwoordig, en had

niet minder dan elf schutten, en 't duurde dan ook gewoonlijk een uur of

acht, vóór de schippers den toch maar vier uren langen waterweg hadden

afgelegd.

En toch was deze vaart de genoegzaam eenige weg, waardoor de kolonie met

de buitenwereld in betrekking gebracht werd. Want de rijwegen, die naar

haar leidden, waren van de zeer primitieve soort, zandig in den zomer,

modderig in den winter, ja zoodanig, dat zij in laatstgenoemd saizoen

niet dan met het grootste bezwaar en gevaar waren te gebruiken.

Een »karos," die kwam binnenrijden, was dan ook een evenement, »dat alle

jonge en oude wijven van 't spinnewiel riep, en de schooljongens met hun

monarch aan 't hoofd voor de deur der school."

De correspondentie met de post was zoo gebrekkig mogelijk. De brieven

uit Holland, voor Hoogeveen en de daarbij gelegen plaatsen bestemd,

werden naar Groningen verzonden, kwamen van daar te Assen, om vervolgens

door de Landschapsboden, die één en later tweemalen in de week, naar

de Scholten der verschillende Carspels werden afgevaardigd, aan hunne

adressen te worden bezorgd, met de weinige couranten, die sommige van

de aanzienlijkste ingezetenen lazen.

Het bestuur der kolonie berustte voor één deel in handen van de

afstammelingen der stichters--de heeren van Echten--en voor het andere

deel in die van de Landschapsregenten.

De Scholten, door beide machten aangesteld, werden bijgestaan in hun

beheer door de dorpsvolmachten, die direct en door ~alle~ mannelijke

meerderjarige ingezetenen der kolonie, en alzoo zonder aanzien van stand

of gegoedheid, werden gekozen en waarvan jaarlijks de helft aftrad.

Aan dit college was het Dagelijksch bestuur der gemeente opgedragen, en

het deed daarvan ieder jaar, in de maand Februari, verslag aan het volk,

tot dat einde bijeengeroepen, onder den blooten hemel, naar oud

Germaansch gebruik en zede.

Dan werd ook de Carspelrekening ter tafel gebracht en de belastingen

vastgesteld, die er in den loop van het jaar dienden te worden

geïnd en die--vergeleken met wat tegenwoordig ten kantore van den

gemeente-ontvanger moet worden geofferd--niet noemenswaardig mogen

worden genoemd, want onder gewone omstandigheden zullen zij weinig meer

dan achthonderd gulden jaarlijks hebben bedragen.

En geen wonder ook, want het Carspel bezoldigde geene ambtenaren[2],

bezat geene publieke gebouwen, had geene schulden, liet het onderwijs

der kinderen aan de zorgen der ouders over, en het onderhoud of den

aanleg van wegen, straten, vonders, bruggen enz. aan den

gemeenschappelijken boer of de aangelanden.

[2] Alleen de Carspelsoldaten werden gekleed op kosten van de

gemeenten. Hunne bezoldiging genoten zij van het Landschapsbestuur.

En deze geringe schatting, waaronder tevens begrepen was het onderhoud

der kerk en de gedeeltelijke bezoldiging van den predikant, was alles

wat de koloniërs aan belasting betaalden, want van de landschapslasten

waren zij vrijgesteld.

Volgens de bepalingen toch, van het octrooi, door Ridderschap en

Eigenerfden gegeven in den jare 1630, was het toen in wording

verkeerende Carspel Echtens-Hoogeveen, vrijgesteld »van alle lasten en

impositien hoe ook genaemd"[3] en dit gedurende een tijdvak van vijftig

jaren.

[3] De kasteleins betaalden--en dat was ook de eenige fiscale

uitzondering van het octrooi--»sestien stuyvers van ydere tonne bier,

op den tap".

Dat octrooi, in 1680 geëindigd, was lang voor het vervallen van dien

termijn verlengd. In 1663 toch, wendden zich de Participanten van de

»5000 morgen," mitsgaders die van Steenbergen en ten Arlo, namens het

Zuidwoldinger Hoogeveen optredende, tot het Landschapsbestuur, met

»submis verzoek, dat het Octroy mogte worden verlengd, aengesien zij

tot noch toe weynich profyt daarvan hadden genoten, en zij sodanige

prolongatie niet obtinerende, gediscourageert zouden worden de hand

langer aan 't werk te houden, maar genootsaekt souden zijn, hetzelve te

verlaeten, tot haeren excessiven schade, alsmede tot ondienst van de

Landschap."

Ridderschap en Eygenerfden, deze »redenen gouterende", hadden daarop

in hunne vergadering van 23 Februari 1664 het Octroi geprolongeert met

dertig jaren, »aftereekenen oft te beginnen van den tijt aft dat het

oude octroy sal comen te expireren."

Was er dus over den druk van belastingen niet te klagen, over grooten

vooruitgang op materieel gebied viel niet te roemen.

Behalve in turf was er weinig handel en gering vertier.

Er waren twee korenmolens--beide op de Schutstreek staande--, een

kalkoven, eenige scheepshellingen, eene tichelarij, een drietal

brouwerijen en grutterijen en verder een paar weefgetouwen, waarop grove

wollen stoffen en linnens geweven werden.

Wat de winkels aangaat, zij waren klein en men kon er zich niet anders

dan van de allernoodzakelijkste levensbehoeften voorzien.

Wat daar boven ging, kwam óf uit Meppel, óf werd door schippers, wier

pramen groot genoeg waren om zich op de Zuiderzee te wagen, uit

Amsterdam aangevoerd.

Want een veerschip op laatstgenoemde stad was er niet, en een beurtveer

op Meppel kwam eerst in 1735, en alzoo in veel lateren tijd tot stand.

Over gebrek aan geneeskundige hulp was er lang geklaagd, maar daarin

was in 1683 voorzien, toen een te Leiden gepromoveerd geneesheer, zich

in de kolonie kwam nederzetten.

Dat hij het echter niet breed had met zijne practijk blijkt uit de

omstandigheid, dat hij zich tevens »met de borst" op de vervening

toelei, zoowel als op den landbouw.

Trouwens dit was ook het geval met de vier advocaten, die den

pleitlustigen koloniërs dienden van rechtsgeleerde adviezen. Ook deze

heeren waren veenbaas en boer en verkochten turf, melk en boter, zoo

goed als hunne niet geletterde collega's en concurrenten.

Wat het andere gedeelte der kolonie--~de Velden~--aangaat, hier was het

voor een goed deel nog woest en ledig.

Aan het Hollandscheveldsche Opgaande[4] zag men tot den hoek, waar dit

eene oostelijke richting neemt, eenige huisjes van steen, afgewisseld

door andere, tot welker bouw geene andere materialen waren gebruikt dan

turf en leem, en waarvan de deur zoowel diende tot ingang als tot

schoorsteen.

[4] Vaart.

Het in oostelijke richting opschietende gedeelte was meer een breede

wijke[5] dan eene vaart.

[5] Zijkanalen, minder breed en diep dan het hoofdkanaal.

Diep tusschen hooge oevers van donker veen gelegen, werd dit kanaal

omzoomd door eenige hutten, of liever holen, want het waren weinig

anders dan in den grond gegraven gaten, waarop een dak van zoden of

bonkaarde[6] geplaatst was, en die, uit de verte gezien, niet kwalijk

geleken op reusachtige molshoopen.

[6] De bovenste laag van het veen, bestaande uit dicht ineengegroeide

heide en mosplanten.

Van de bewoners dezer verblijven wordt door een tijdgenoot verzekerd,

dat zij waren: »een Rapiamus, hokkelende bij elkanderen, comende wel

van Tijdt tot Tijdt in de Cercke, maar sonder enige bate, sijnde sij te

onwetent om de woorden te connen verstaen van den Leeraar."

Wellicht was dat oordeel wel wat al te ongunstig en zeer zeker niet van

toepassing op alle bewoners der »Velden", maar voor een goed deel was

het juist.

't Was een wild en woest volkje, de bewoners van het Hollandscheveld

hier, en van nog veel latere dagen, en hoe zou het ook anders kunnen

zijn?

Onderricht ontvingen zij niet of weinig, want de twee scholen, die er in

de kolonie bestonden, lagen in de bebouwde kom van 't Carspel en alzoo

veel te ver weg om er gebruik van te kunnen maken, en hetzelfde bezwaar

gold tegen het bezoek van de catechisatie, een oogenblik aangenomen, dat

de ouders besef genoeg hadden om het nut er van voor hunne kinderen in

te zien.

Dat het bijgeloof dan ook welig onder hen tierde, behoef ik niet te

zeggen, maar wèl, dat dit evenzeer het geval was aan »de Huizen".

Ook daar waren spokerijen en hekserijen aan de orde van den dag, en de

duivel stoorde zich zoo weinig aan de tegen hem geslingerde banbliksems

van den zeer Voetiaanschen predikant Curtenius, dat hij stoutmoedig

genoeg bleek te zijn, dezen dienaar Christi persoonlijk lagen te leggen.

Heksen waren er dan ook van allerlei soort en zeer diverse

kunstvaardigheid. De een verstond de kunst melk uit het hecht van

een mes te tappen; een ander wist uit slootwater boter te karnen van

»redelycke qualiteit"--als de berichtgever er bijvoegt--, en een derde

kon een bok met zooveel snelheid doen voortstappen, dat zijn vaart die

der sneltreinen van onze dagen nog overtrof.

Volgens onwraakbare getuigen toch, reed zekere heks, op zulk een beestje

gezeten, op éénen nacht heen en weerom naar den Bloksberg!

En welk soort van hekserij Nevelhekse uitoefende, zullen we nu zien,

want deze mogelijk te lange inleiding sluitende, zullen we overgaan tot

het verhaal harer lotgevallen.

Nevelhekse een verhaal uit de Drentsche venen naar authentieke bescheiden medegedeeld · 第 4 / 15 题