HET NAGESLACHT VAN MCCOY.

De _Pyreneeën_, haar ijzeren zijden laag in het water gedrukt door

de lading tarwe, slingerde traag, en maakte het gemakkelijk voor

den man die aan boord klom vanuit een kleine kano met vlerken. Toen

zijn oogen ter hoogte van de verschansing kwamen, zoodat hij binnen

boord kon kijken, scheen het hem toe, dat hij een vaag, bijna niet te

onderscheiden waas zag. Het leek meer een zinsbegoocheling, een dof

vlies dat zich plotseling over zijn oogen had gespreid. Hij voelde

een neiging om het weg te vegen, en dacht tegelijkertijd, dat hij oud

werd, en dat het tijd was om een bril te bestellen in San Francisco.

Terwijl hij over de verschansing klom, liet hij zijn blikken omhoog

gaan naar de hooge masten, daarna naar de pompen. Zij werkten

niet. Alles scheen in orde op het groote fregat, en hij vroeg zich

verwonderd af, waarom men het noodsignaal geheschen had. Hij dacht aan

zijn gelukkige eilanders en hoopte dat het geen besmettelijke ziekte

zou zijn. Misschien had het schip gebrek aan water of proviand. Hij

schudde den kapitein de hand. Wat het ook zijn mocht, er _was_

iets, dat zeiden het vermagerde gezicht en de bezorgde blik van de

gezagvoerder. Op het zelfde oogenblik bemerkte de nieuw-aangekomene

een flauwen niet te definieeren geur. Het leek van verbrand brood,

maar toch weer anders.

Nieuwsgierig keek hij om zich heen. Twintig voet verder was een

moe-uitziend matroos bezig het dek te breeuwen. Terwijl zijn blik

op dien man rustte, zag hij plotseling een dun spiraaltje rook

onder zijn handen uit opstijgen, dat kronkelde en kringelde, en weg

was. Ondertusschen was hij zelf op het dek gekomen. Hij voelde een

broeiende warmte aan zijn bloote voeten, die snel door het dikke eelt

heen drong. Hij kende nu den nood van het schip. Zijn blikken zwierven

naar voren waar de geheele bemanning van magere, vermoeide matrozen

vol verwachting naar hem stond te kijken. Die blik van zijn vochtige

bruine oogen ging over hen heen als een zegening; hij kalmeerde hen,

wikkelde hen als in den mantel van een groote vrede.

"Hoe lang hebt u al brand aan boord, kaptein?" vroeg hij, en zijn

stem was zoo zacht en sereen, dat het leek alsof er een duif kirde.

Eerst voelde de kapitein die rust en die tevredenheid zachtjes in

zich dringen, maar dan sloeg hem weer het bewustzijn van alles wat hij

doorstaan had en nog doorstond, en hij was kwaad. Wat gaf dezen vuilen

strandschuimer, gekleed in een grof linnen broek en een katoenen hemd,

het recht om hem en zijn overwerkte, uitgeputte hersenen iets als rust

en tevredenheid te suggereeren? De kapitein beredeneerde het niet zoo;

het onbewuste proces der emotie was de oorzaak van zijn boosheid.

"Vijftien dagen", antwoordde hij kortaf. "Wie ben jij?"

"Mijn naam is McCoy", kwam het antwoord, en het geluid ademde zachtheid

en medelijden.

"Ik bedoel, ben je de loods?"

McCoy liet de zegening van zijn blik gaan over den langen,

zwaar-geschouderden man met het verwilderde, ongeschoren gezicht,

die naast den kapitein was komen staan.

"Ik ben even goed loods als iemand anders", was het antwoord van

McCoy. "We zijn hier allemaal loods, kapitein, en ik ken iederen

centimeter van deze wateren."

Maar de kapitein was ongeduldig.

"Ik moet de autoriteiten hebben. Ik moet hen spreken, en allemachtig

gauw ook."

"Dan kunt u ook met mij volstaan."

Weer dat hinderlijke gevoel van vrede, en dan zijn schip een woedende

oven onder zijn voeten! Hij trok nerveus en ongeduldig zijn wenkbrauwen

op, en balde zijn vuist alsof hij er mee wou slaan.

"Wie ben je dan in Jezus' naam?" vroeg hij ruw.

"Ik ben de eerste ambtenaar", was het antwoord, en nog steeds was de

stem de zachtste en teederste die men zich kon denken.

De lange zwaar-geschouderde man barstte uit in een schorren lach,

die meer een uiting was van hysterie dan van plezier. De kapitein en

hij bekeken McCoy verwonderd en ongeloovig. Dat deze strandschuimer

op bloote voeten zulk een klinkende waardigheid zou bekleeden

was onbegrijpelijk. Zijn katoenen hemd, los geknoopt, liet een

grauw-behaarde borst zien, en tevens dat hij er geen kleedingstuk

meer onder droeg. Een versleten strooien hoed trachtte tevergeefs het

ongekamde grijze haar te verbergen. Een patriarchale baard, ongeknipt,

daalde neer tot halfweg zijn borst. Twee kwartjes zouden hem bij een

uitdrager compleet hebben uitgerust zooals hij nu voor hem stond.

"Soms familie van McCoy van de _Bounty_?" vroeg de kapitein.

"Mijn overgrootvader."

"O", zei de kapitein, en hij bedacht zich. "Mijn naam is Davenport,

en dit is mijn eerste stuurman, mijnheer Konig."

Ze schudden elkaar de hand.

"En nu ter zake." De kapitein sprak snel, de drang van een groote

haast preste zijn woorden. "We hebben nu al meer dan twee weken

brand aan boord. Ieder oogenblik kan de hel losbarsten. Daarom heb

ik op Pitcairn aangehouden. Ik wil de schuit aan den grond zetten,

of lek slaan, om den romp te sparen."

"Dan hebt u zich vergist, kaptein", zei McCoy. "U had met ruime

schooten naar Mangareva moeten koersen. Daar is een mooi strand,

in een lagune, waar het water is als een vischvijver."

"Maar we zijn nou hier, hè?" snauwde de eerste stuurman. "Daar komt

het maar op aan. We zijn hier, en er moet iets gedaan worden."

McCoy schudde vriendelijk zijn hoofd.

"U kunt hier niets doen. Er is hier geen strand. Er is zelfs geen

ankerplaats."

"Klets", zei de stuurman. "Klets", herhaalde hij luid, toen de

kapitein hem een teeken gaf, wat minder kras in zijn uitdrukkingen

te zijn. "Dergelijke praatjes kun je mij niet verkoopen. Waar heb

je je eigen booten dan, je schoener of je kotter of weet ik wat jij

hebt? Hè? Vertel me dat maar' es."

McCoy glimlachte zacht zooals hij gesproken had. Zijn glimlach was

een liefkoozing, een omhelzing die den uitgeputten stuurman trachtte

mee te trekken in den sereenen vrede van McCoy's rustige ziel.

"Wij hebben geen schoener en geen kotter", antwoordde hij. "En we

dragen onze kano's boven op de rotsen."

"Zou ik eerst' es moeten zien", snoof de stuurman. "Hoe kom je dan

op de andere eilanden, hè? Dat wou ik wel' es weten."

"Wij gaan niet naar de andere eilanden. Ik alleen, af en toe, als

gouverneur van Pitcairn. Toen ik nog jong was, was ik heel dikwijls

weg--soms op de koopvaardij-schoeners, meestal op de brik van de

zending. Maar die is er nu niet meer, en we zijn nu afhankelijk van

passeerende schepen. Soms hebben we er wel eens zes in 't jaar. Maar

dikwijls gaat er ook een jaar en nog meer voorbij zonder dat we één

enkel schip zien. U bent het eerste sinds zeven maanden."

"En je wilt me vertellen--", begon de stuurman weer.

Maar kapitein Davenport kwam tusschenbeide.

"Genoeg, genoeg. We verliezen onzen tijd maar. Wat moeten we doen,

mijnheer McCoy?"

De oude man wendde zijn bruine oogen, zacht als die van een vrouw, naar

het land, en kapitein en stuurman volgden zijn blik, van de eenzame

rots Pitcairn naar de bemanning die in een troep bijeen stond op het

voorschip en vol spanning wachtte op een beslissing. McCoy haastte zich

niet. Zijn gedachten gingen rustig en langzaam, stap voor stap, met de

zekerheid van iemand die nooit gekweld of geslagen is door het leven.

"Er is niet veel wind op 't oogenblik", zei hij eindelijk. "En er

loopt een sterke strooming naar het westen."

"Die heeft ons doen afdrijven naar lij", onderbrak de kapitein,

die zijn zeemanschap wilde rechtvaardigen.

"Juist, die heeft u naar lij gedreven!" ging McCoy verder. "Nu,

u kunt vandaag niet tegen die strooming in opwerken. En al kon het,

dan is er nog geen strand. Uw schip zou totaal verloren zijn."

Hij wachtte even, en kapitein en stuurman keken elkaar wanhopig aan.

"Maar ik zal u zeggen wat u kunt doen. De bries zal vannacht doorkomen,

ongeveer middernacht--kijk die vegen wolken en die dikte te loevert,

achter dien bergtop daar. Daar zal-ie vandaan komen, uit het

zuid-oosten, en hard. Het is driehonderd mijlen naar Mangareva. Bras

je ra's in 't vierkant en loop er vóór het windje heen. Er is daar

een mooi bed voor je schip."

De stuurman schudde zijn hoofd.

"Kom even in de kajuit, dan kunnen we eens op de kaart kijken,"

zei de kapitein.

Er hing een vergiftige, verstikkende atmosfeer in de kleine, benauwde

kajuit. Onzichtbare gassen die overal ronddreven beten en prikten in

McCoy's oogen. Het dek was hier nog heeter, bijna onverdraaglijk heet

voor zijn bloote voeten. Het zweet stroomde uit zijn lichaam. Hij

keek bijna bang om zich heen. Deze kwaadaardige, inwendige hitte

was afschuwelijk. Het was een wonder, dat de kajuit niet in vlammen

uitbarstte. Hij had een gevoel alsof hij in een grooten oven was,

waar ieder oogenblik de hitte tot een geweldige hoogte kon stijgen

en hem verschroeien als een halmpje gras.

Toen hij één voet oplichtte en de heete zool tegen zijn broekspijp

wreef, beet de stuurman hem een woesten, grimmigen lach toe.

"Het voorgeborchte der hel", zei hij. "De hel zelf is daar vlak onder

uw voeten."

"Het is heet!", riep McCoy onwillekeurig, en veegde zijn gezicht met

een bandana zakdoek.

"Hier is Mangareva", zei de kapitein, terwijl hij zich over de tafel

boog en een zwarte vlek aanwees midden in de onverbroken witheid van

de kaart.

"En hier, nog daar vóór, ligt nog een eiland. Waarom daar niet heen?"

McCoy keek niet op de kaart.

"Crescent Eiland", antwoordde hij. "Het is onbewoond, en maar twee

of drie voet boven het water. Een lagune, maar geen invaart. Neen,

Mangareva is de naaste plek die u gebruiken kunt."

"Dan zal het Mangareva zijn", zei kapitein Davenport, de grommende

tegenwerpingen van zijn stuurman onderbrekend. "Roep het volk achter,

mijnheer Konig."

De matrozen gehoorzaamden. Ze strompelden moe langs het dek en deden

pijnlijke pogingen om haast te maken. Hun uitputting was zichtbaar

in iedere beweging die ze maakten. De kok kwam uit zijn kombuis om

te luisteren, en de kajuitsjongen hing naast hem over de deur.

Toen kapitein Davenport de situatie uitgelegd en zijn voornemen om naar

Mangareva te loopen geuit had, brak er een geweldig rumoer los. Tegen

een achtergrond van kelig gegrom rezen ongearticuleerde kreten van

woede, met hier en daar een duidelijk te onderscheiden vloek, een

woord, een zin. De schrille stem van een Cockney steeg, en beheerschte

een oogenblik alles: "Jeisis Christus, eers' veertien daoge in de hel,

en nou wil-ie dawwe die drijvende hel weer nao see seile!"

De kapitein had geen macht meer over hen, maar de aanwezigheid van

McCoy scheen hun een zacht verwijt, en kalmeerde hen. Het mopperen

en vloeken stierf weg, totdat, behalve hier en daar een gezicht

dat vol angstige spanning naar den kapitein gericht was, de geheele

bemanning verlangend stond te kijken naar de groen-begroeide toppen

en de overhangende rotsen van Pitcairn.

Zacht als een lentewind was de stem van McCoy; "Kaptein, ik meende

dat ik er een paar hoorde zeggen dat ze honger hadden."

"Ja", was het antwoord, "en wij ook. Ik heb de laatste twee dagen

niets gehad dan een scheepsbeschuit en een lepel gedroogde zalm. We

zijn op rantsoen. Ziet u, toen we den brand ontdekten, hebben we alles

onmiddelijk dichtgeschalmd om het vuur te verstikken. En toen merkten

we hoe weinig voedsel er in de provisiekast was. Maar toen was het te

laat. We durfden de voorraadkamer niet meer open te breken. Honger? Ik

heb even veel honger als zij."

Hij sprak de mannen opnieuw toe, en opnieuw rees het kelig gebrom

en gevloek, en hun gezichten waren als van dieren, verwrongen van

woede. De tweede en de derde stuurman waren bij den kapitein komen

staan, vóór op de kampanje. Hun gezichten waren strak en zonder

uitdrukking; vóór alles schenen ze ontstemd door deze muiterij van

de bemanning. Kapitein Davenport keek zijn eersten officier vragend

aan, maar die haalde slechts zijn schouders op ten teeken van zijn

hulpeloosheid.

"U ziet", zei de gezagvoerder tegen McCoy, "je kunt matrozen niet

dwingen het veilige land te verlaten en naar zee te gaan op een

brandend schip. Het is hun drijvende doodkist geweest, nu al meer

dan twee weken. Ze zijn uitgewerkt en uitgehongerd, en ze hebben er

genoeg van. We zullen naar Pitcairn opwerken."

Maar er was weinig wind, de bodem van de _Pyreneeën_ was aangegroeid,

en het schip kon niet tegen de sterke westelijke strooming op

laveeren. Na verloop van twee uren had men drie mijlen verloren. De

matrozen werkten fel, alsof ze alleen door hun kracht de _Pyreneeën_

tegen de vijandige elementen in konden drijven. Maar gestadig, nu over

stuurboord, dan over bakboord, zakte het schip af naar het westen. De

kapitein ijsbeerde rusteloos heen en weer. Af en toe hield hij op om

te kijken naar de slierten rook die overal ronddreven, en hij trachtte

hun spoor na te gaan tot de plek waar ze uit het dek sprongen. De

timmerman was voortdurend bezig dergelijke plekken vast te stellen en,

als hij daarin geslaagd was, ze dichter en dichter te breeuwen.

"Wel, wat denkt u er nu van?" vroeg de kapitein eindelijk aan McCoy,

die naar den timmerman stond te kijken met al de belangstelling en

nieuwsgierigheid van een kind in zijn oogen.

McCoy keek in de richting van de wal, waar het eiland verdween in

den dichtenden nevel.

"Ik denk, dat 't beter zou zijn naar Mangareva te loopen. Met de

bries die nu komt bent u daar morgenavond."

"Maar wat als de brand uitslaat? Het kan ieder oogenblik gebeuren."

"Houdt uw booten klaar in de vallen. Dezelfde bries zal uw booten

naar Mangareva brengen, als het schip onder u uit brandt."

Kapitein Davenport overlegde een oogenblik met zich zelf, en toen

hoorde McCoy de vraag die hij liever niet had willen hooren, maar

die hij voelde komen.

"Ik heb geen kaart van Mangareva. Op de groote kaart is het maar een

vliegenscheet. Ik zou niet weten waar ik de invaart in de lagune

moest zoeken. Zoudt u mee willen gaan en het schip voor mij naar

binnen loodsen?"

McCoy's sereene rust bleef onverstoord.

"Goed, kaptein", zei hij met dezelfde kalme achteloosheid waarmee

hij een uitnoodiging om te komen dineeren zou hebben aangenomen;

"ik ga met u mee naar Mangareva."

Weer werd de bemanning naar achteren geroepen, en de kapitein sprak

hen toe vanaf de hooge kampanje.

"We hebben geprobeerd de schuit stroomop te krijgen, maar jullie

ziet hoe veel we verloren hebben. We drijven af in een twee-knoops

strooming. Deze mijnheer hier is de Edelachtbare Heer McCoy, eerste

ambtenaar en gouverneur van het eiland Pitcairn. Hij zal met ons

meegaan naar Mangareva. Jullie ziet dus dat de toestand niet zoo

gevaarlijk is. Hij zou het niet aangeboden hebben, als hij dacht dat

hij er zijn hachje bij in zou schieten. Bovendien, hoe groot de risico

ook is, als hij uit eigen beweging aan boord komt, en de kans wil

loopen, kunnen wij niet minder doen. Wat zeggen jullie van Mangareva?"

Dezen keer was er geen rumoer. McCoy's aanwezigheid, de zekerheid

en de kalmte die er van hem uit schenen te stralen, hadden hun

uitwerking. Ze spraken zachtjes onder elkaar. Veel werd er niet

gepraat. Ze waren eensgezind in de deugd, en ze schoven den Cockney

naar voren als hun woordvoerder. Overstelpt door het bewustzijn van

zijn eigen heldenmoed en dien van zijn kameraden, schreeuwde hij met

vlammende oogen: "Verdomd, as hij 't doet, wij ook!"

De bemanning mompelde bijval en ging naar voren.

"Eén oogenblik, kaptein", zei McCoy toen de ander zich omdraaide

om orders aan den eersten stuurman te geven, "ik moet eerst aan

land gaan."

Mijnheer Konig was als door den donder getroffen en staarde McCoy

aan alsof hij een krankzinnige voor zich had.

"Aan land gaan?" riep de kapitein. "Waarom in Godsnaam? Het duurt

drie uren eer u daar bent in uw kano."

McCoy mat den afstand tot het verre land en knikte.

"Ja, en het is nu zes uur. Ik ben niet aan land vóór negen. Het volk

kan niet eerder bijeen zijn dan tien uur. Terwijl de bries doorkomt

vanavond kunt u beginnen er tegen in te laveeren, en mij dan morgen

vroeg bij zonsopgang oppikken."

"In den naam van rede en gezond verstand", barstte de kapitein uit,

"waarom wilt u het volk bijeen roepen? Ziet u niet in dat mijn schip

onder mij wegbrandt?"

McCoy was kalm als een zomersche zee, en de woede van den ander bracht

er niet het minste rimpeltje op.

"Zeker, kaptein", kirde hij met zijn duivengeluid. "Ik zie heel

goed in dat uw schip in brand staat. Daarom ga ik met u mee naar

Mangareva. Maat ik moet verlof hebben om met u mee te gaan. Het is

gewoonte zoo bij ons. Het is iets heel gewichtigs als de gouverneur

van het eiland weggaat. De belangen van het volk staan op het spel,

en ze hebben het recht hun toestemming te geven of te weigeren. Maar

ze zullen het zeker goed vinden, dat weet ik."

"Weet u dat zeker?"

"Absoluut zeker."

"Maar als u weet dat ze permissie zullen geven, waarom maakt u zich dan

nog druk om ze te krijgen? Denk aan het oponthoud--een heelen nacht!"

"Het is gewoonte bij ons", was het onverstoorbare antwoord. "Bovendien

ben ik gouverneur, en ik moet maatregelen nemen voor het bestuur van

het eiland voor den tijd dat ik weg ben."

"Maar het is maar vierentwintig uur naar Mangareva", wierp de kapitein

tegen, "Veronderstel dat het zesmaal zoo lang duurt om terug te komen

tegen den wind in; dat zou u na een week weer terug brengen."

McCoy glimlachte zijn breeden, goedigen glimlach.

"Er komen maar heel weinig schepen langs Pitcairn, en als er komen,

zijn ze meestal van San Francisco of van om Kaap Hoorn. Ik mag van

geluk spreken als ik over zes maanden terug ben. Misschien blijf ik

een jaar weg, en misschien moet ik naar San Francisco gaan om een

schip te vinden dat mij terug zal brengen. Mijn vader ging eens voor

drie maanden weg van Pitcairn, en het duurde twee jaren vóórdat hij

terug kon komen. Verder hebt u gebrek aan voedsel. Als u uw toevlucht

in de booten moet zoeken en het weer wordt slecht, kan het dagen duren

eer u land bereikt. Ik kan u twee kano-ladingen proviand mee brengen

morgen vroeg. Gedroogde bananen zullen het beste zijn... Als de bries

aanwakkert, kruist u er tegen in. Hoe dichterbij u is, des te grootere

ladingen kan ik meebrengen. Tot ziens."

Hij stak zijn hand uit. De kapitein schudde haar, en kon bijna niet los

laten. Hij scheen er zich aan vast te klemmen zooals een verdrinkende

zeeman zich vastklemt aan een reddingboei.

"Hoe weet ik dat u terug zult komen morgen?" vroeg hij.

"Ja, dat is het maar!" riep de stuurman. "Hoe weten we dat-ie 'm niet

smeert om zijn eigen huid te bergen?"

McCoy zei niets. Hij keek de twee mannen zacht en zegenend aan,

en het scheen hun toe als ontvingen zij een boodschap uit zijn

onbegrijpelijke gerustheid van ziel.

De kapitein liet zijn hand los, en met een laatsten blik die de

bemanning omving in zijn zegening, klom McCoy over de verschansing

en daalde af in zijn kano.

De wind werd sterker, en de _Pyreneeën_, ondanks den baard onder haar

bodem, won een half dozijn mijlen van de westelijke strooming. Bij

zonsopgang, met Pitcairn drie mijlen te loevert, bemerkte kapitein

Davenport twee kano's, die op hem aanhielden. Weer klauterde McCoy op

tegen den ijzeren wand van het schip, en sprong over de verschansing

op het heete dek. Hij werd gevolgd door vele pakken gedroogde bananen,

elk pak gewikkeld in droge bladeren.

"Nu, kapitein," zei hij, "gooi je ra's om, en vooruit om je lieve

leven. Ziet u, ik ben geen zeevaarder", legde hij een paar minuten

later uit, toen hij naast den kapitein stond achter op de kampanje,

terwijl deze zijn blikken liet gaan van de bovenste zeilen omlaag

naar het water, om de vaart van de _Pyreneeën_ te schatten. "Jaag

'r naar Mangareva. Als u het land hebt gevonden zal ik haar wel naar

binnen loodsen. Wat denkt u dat het oudje maakt op 't oogenblik?"

"Elf", antwoordde kapitein Davenport, met een laatsten blik naar het

voorbij ruischende water.

"Elf knoopen. Eens even kijken, als we die vaart houden zullen we

Mangareva morgen vroeg tusschen acht en negen in zicht krijgen. Ik zal

het schip op 't strand hebben om tien uur, elf uur op z'n laatst. En

dan is al uw zorg voorbij."

Het scheen den kapitein bijna toe dat het oogenblik van zaligheid

al gekomen was, zoo overtuigend sprak McCoy. Meer dan twee weken had

kapitein Davenport geleefd onder de vreeselijke spanning gezagvoerder

van een brandend schip te zijn, en hij begon te voelen dat hij genoeg

had gehad.

Een windvlaag, heviger dan de vorigen, sloeg tegen zijn nek en floot

langs zijn ooren. Hij mat de kracht ervan en keek snel overboord.

"De wind neemt voortdurend toe", verklaarde hij. "De ouwe schuit

maakt eerder twaalf dan elf op 't oogenblik. Als dat zoo doorgaat,

zullen we zeil moeten minderen vanavond."

Den geheelen dag vloog de _Pyreneeën_ met haar lading smeulend vuur

over de schuimende zee. Bij het vallen van den nacht waren bovenbram-

en bramzeilen ingenomen, en het groote fregat joeg voort, de duisternis

in. Hooge zeeën met schuimkoppen liepen kokend en sissend achterop. De

gunstige wind miste zijn uitwerking niet, en vóór- en achteruit was

iedereen zichtbaar beter gestemd. In de tweede hondenwacht [2] hief

de een of andere zorgelooze ziel zelfs een lied aan, en toen het acht

glazen sloeg was de geheele bemanning aan het zingen.

Kapitein Davenport had zijn dekens naar boven gebracht en spreidde

ze boven op de kajuit.

"Ik ben vergeten wat slaap is", legde hij McCoy uit. "Ik ga een

uiltje knappen. Maar roep me in ieder geval wanneer je denkt dat

't noodig is."

Om drie uur 's morgens werd hij gewekt door een zacht trekken aan

zijn arm. Hij ging snel rechtop zitten, leunend tegen het vallicht,

nog verdoofd door zijn zwaren slaap. De wind zong zijn krijgszang

in het tuig, en de _Pyreneeën_ werd gebeukt door een woeste zee. Het

schip slingerde beurtelings de stuurboord- en bakboord-reeling onder

water, en midscheeps was de zee niet van het dek. McCoy schreeuwde

iets dat hij niet verstaan kon. Hij strekte zijn arm uit, greep den

ander bij den schouder en trok hem naar zich toe, zoodat zijn oor

dicht bij McCoy's lippen was.

"Het is drie uur nu", kwam de stem van McCoy, die nog steeds haar

duivengeluid behield, maar vreemd gedempt, als van een grooten

afstand. "We hebben tweehonderd vijftig geloopen. Het eiland Crescent

is maar dertig mijlen verder, ergens recht vooruit. Er zijn geen

lichten op, en als we vóór den wind blijven loopen, vliegen we er

tegen aan, en dan zijn wij weg en het schip ook."

"Wat denk je--bijliggen?"

"Ja, ga bijliggen tot het licht wordt. We verliezen er maar vier

uur mee."

Dus de _Pyreneeën_, met haar lading vuur, werd bijgedraaid, en beet

recht in den wind, vocht zich heen door de beukende zeeën die braken

over haar boeg. Ze was een dunne schaal, gevuld met een smeulenden

brand, en buiten op de schaal, zich met levensgevaar vasthoudend,

hielpen de nietige menschjes haar in den strijd.

"Het is heel ongewoon, deze storm", zei McCoy tegen den kapitein,

in de beschutting van de kajuit. "Eigenlijk zou er geen storm moeten

zijn in dezen tijd van het jaar. Maar alles is ongewoon geweest met

het weer. De passaatwinden hebben niet meer geblazen, en nu loeit

het juist uit den passaathoek." Hij wees met zijn hand de duisternis

in, alsof zijn oogen honderden mijlen ver konden zien. "Het zit in

't westen. Daar is ergens iets geweldigs op til--een wervelstorm of

iets dergelijks. We boffen dat we zoo ver naar 't oosten zijn. Dit is

maar een lichte koelte", voegde hij er bij. "Lang zal het niet duren,

dat kan ik je wel vertellen."

Toen de zon opkwam was de wind bedaard tot zijn normale kracht. Maar

het daglicht openbaarde een nieuw gevaar. Het was dik van mist

geworden. De zee was er mee bedekt, of liever, met een parelgrijzen

nevel, die mist was in zooverre dat hij het zicht belemmerde; maar

eigenlijk was het niet meer dan een vlies op de zee, want de zon

schoot er doorheen en doorgloeide het met een roode straling.

Het dek van de _Pyreneeën_ rookte meer dan den vorigen dag, en de

opgewektheid van officieren en bemanning was verdwenen. Men kon den

kajuitsjongen hooren huilen in lij van de kombuis. Het was zijn eerste

reis, en de vrees voor den dood was sterk in hem. De kapitein liep

met een woedend gezicht rond, nerveus op zijn snor kauwend, niet in

staat een besluit te nemen.

"Wat denk jij ervan", vroeg hij, stilstaand naast McCoy, die zat

te ontbijten met gedroogde bananen en een kroes water. McCoy at

zijn laatste banaan op, dronk zijn kroes leeg, en keek langzaam om

zich heen. Er was een teedere glimlach in zijn oogen toen hij zei:

"Wel, kaptein, we kunnen even goed varen als verbranden. Je dek zal

het niet eeuwig uithouden. Het is al veel warmer van morgen. Heb je

misschien een paar schoenen die ik kan dragen. Het wordt onpleizierig

voor mijn bloote voeten."

De _Pyreneeën_ schepte twee zware zeeën toen ze volgebrast en opnieuw

vóór den wind gebracht werd; en de eerste stuurman gaf uiting aan

den wensch om al dat water in het ruim te hebben, als het er maar

ingebracht kon worden zonder de luiken af te nemen. McCoy dook met

zijn hoofd in het kompashuisje, en keek naar den koers die men zette.

"Ik zou'r een beetje hooger houden, kaptein", zei hij. "We zijn

afgedreven terwijl we bij-lagen."

"Ik lig al een streek hooger", was het antwoord. "Is dat niet genoeg?"

"Ik zou er twee streken van maken, kaptein. Dit stukje wind heeft

die westelijke strooming harder vooruit geschopt dan je denkt."

Kapitein Davenport gaf toe tot anderhalven streek, en ging toen

het want in, vergezeld van McCoy en den eersten stuurman, om uit te

kijken naar land. Alle zeilen stonden weer bij, zoodat de _Pyreneeën_

tien knoopen liep. De achteroploopende zee werd snel kalmer. Nog niets

was er dat den parelgrijzen nevel brak, en om tien uur begon kapitein

Davenport zenuwachtig te worden. Alle hens stonden klaar op hun post

om bij den eersten roep van "Land vooruit!" als duivels aan het werk te

springen om de _Pyreneeën_ in den wind te brengen. Dat "Land vooruit",

het een of ander buitenrif waar de branding overheen spoelde, zou

gevaarlijk dichtbij zijn als het zich liet zien in dien mist.

Weer ging er een uur voorbij. De drie uitkijken boven tuurden gespannen

in de parelende straling.

"Wat, als we Mangareva voorbij varen?" vroeg kapitein Davenport

plotseling.

McCoy antwoordde zachtjes, zonder zijn blik af te wenden van de zee:

"Wel, laat'r loopen, kaptein. Dat is het eenige wat we kunnen doen. De

heele Paoemotoe's liggen vóór ons. We kunnen duizend mijlen ver

varen steeds door riffen en atollen. Ergens zullen we er wel tegen

aan loopen."

"Dan vooruit." Kapitein Davenport gaf blijk van zijn bedoeling om

naar het dek af te dalen. "We zijn Mangareva voorbij. God weet waar

het volgende land is. Ik wou nòg dat ik 'r die halve streek hooger

gehouden had", biechtte hij een oogenblik later. "Die vervloekte

strooming steekt den gek met een zeevaarder."

"De oude zeevaarders noemden de Paoemotoe's den Gevaarlijken Archipel",

zei McCoy, toen ze weer op de kampanje waren. En het is juist deze

strooming die dien naam mee op zijn geweten heeft."

"Ik heb 's gepraat met een varensgezel in Sydney", zei mijnheer

Konig. "Hij had lang gehandeld in de Paoemoetoe's. Hij vertelde me

dat verzekering daar achttien procent was. Is dat zoo?"

McCoy glimlachte en knikte.

"_Als_ ze nog verzekeren", vulde hij aan. "De reeders schrijven ieder

jaar twintig procent op hun schoeners af."

"Groote God!" kermde kapitein Davenport. "Dat maakt het bestaan van

een schoener maar vijf jaren!" Hij schudde neerslachtig zijn hoofd,

mompelend: "Kwaad water; kwaad water!"

Ze gingen weer de kajuit binnen om de groote kaart te raadplegen,

maar de vergiftige dampen dreven hen hoestend en hijgend weer aan dek.

"Hier is het eiland Moerenhout." Kapitein Davenport wees het aan op

de kaart die hij boven op de kajuit had uitgespreid. "Het kan niet

meer dan honderd mijlen aan lij liggen."

"Honderd en tien." McCoy schudde twijfelend zijn hoofd. "Misschien

kunnen we het doen, maar het is erg gewaagd. Ik zou het schip op

't strand kunnen zetten, maar er is even veel kans dat we op 't rif

komen. Een leelijk gat, een heel leelijk gat."

"We zullen de risico loopen", was kapitein Davenport's besluit en

hij ging de koers uitrekenen.

Vroeg in den namiddag werd er zeil geminderd om het eiland 's nachts

niet voorbij te varen; en in de tweede hondenwacht gaf de bemanning

blijk van haar herwonnen opgewektheid. Het land was zóó dicht bij,

en 's morgens zouden al hun zorgen voorbij zijn.

Maar de morgen kwam, helder, met een vlammende tropische zon. De

zuidoost-passaat was naar het oosten gedraaid en dreef de _Pyreneeën_

door het water met een vaart van acht knoopen. Kapitein Davenport

maakte zijn gegist bestek, ruim rekenend voor afdrijven, en

kondigde aan, dat Moerenhout niet meer dan tien mijlen verder

was. De _Pyreneeën_ zeilde de tien mijlen, ze zeilde tien mijlen

verder, en de uitkijken in de drie masten zagen niets dan de naakte,

zon-overspoelde zee.

"Maar het land _is_ er, zeg ik je," schreeuwde kapitein Davenport

hun toe vanaf de kampanje.

McCoy glimlachte kalmeerend, maar de kapitein keek rond als een

krankzinnige, greep zijn sextant, en deed een chronometer-waarneming.

"Ik wist wel dat ik gelijk had!" schreeuwde hij bijna toen hij

de waarneming had uitgewerkt "eenentwintig, vijfenvijftig, zuid;

honderdzesendertig, twee, west. Daar! We zijn nog acht mijlen te

loevert. Wat hebt u gekregen, mijnheer Konig?"

De eerste stuurman keek naar zijn cijfers en zei met een lage stem:

"Eenentwintig, vijfenvijftig heb ik ook, maar mijn lengte is

honderdzesendertig, acht en veertig. Dat brengt ons een heel stuk

naar lij---"

Maar kapitein Davenport negeerde zijn berekeningen met een zóó

verachtelijk stilzwijgen, dat mijnheer Konig op zijn tanden knarste

en wild vloekte in zijn baard.

"Houd 'r af", beval de kapitein den roerganger. "Drie streken--recht

zoo, laat 'r zoo loopen!"

Toen keerde hij terug naar zijn berekeningen en deed alles nog eens

over. Het zweet liep van zijn gezicht. Hij kauwde op zijn snor, op

zijn lippen, op zijn potlood, en staarde naar zijn cijfers als naar

een spook. Plotseling, met een nijdige uitbarsting van zijn spieren,

verfrommelde hij het bekrabbelde papier in zijn vuist, en stampte

er op. Mijnheer Konig grinnikte voldaan en draaide zich om, terwijl

kapitein Davenport tegen kajuit stond te leunen en een half uur lang

geen woord meer zei, zich tevreden stellend met naar lij te staren,

een uitdrukking van peinzende wanhoop op zijn gezicht.

"Mijnheer McCoy", verbrak hij opeens de stilte. "De kaart wijst

een eilandengroep aan, ongeveer veertig mijlen naar het noorden,

of noordnoordwesten"--de Actaeon-eilanden. Wat denkt u daarvan?"

"Er zijn er vier, allemaal laag", antwoordde McCoy. "Het eerste, in

't zuidoosten van den archipel, is Matoe-eri, geen menschen, geen

invaart in de lagune. Dan komt Tenaroengga. Vroeger woonden er een

dozijn menschen, maar die zullen nu wel allemaal weg zijn. In ieder

geval is daar geen invaart voor een schip, hoogstens voor een boot,

één vadem water. De andere twee zijn Vehaoega en Tehoeararo. Geen

invaart, geen menschen, heel laag. In die groep is geen bed voor de

_Pyreneeën_. Ze zou totaal wrak slaan."

"Hoor nu toch eens!" Kapitein Davenport was razend. "Geen menschen,

geen invaart. Maar lieve hemel, waar zijn eilanden dan goed voor?"

"Nou dan", blafte hij opeens, als een opgewonden terrier, "de kaart

geeft een heelen hoop eilanden in het noordwesten. Hoe is 't daar

mee? Welk eiland heeft een invaart waar ik mijn schip kan leggen?"

McCoy overwoog kalm. Hij keek niet op de kaart. Al die eilanden,

riffen, ondiepten, lagunen, invaarten en afstanden stonden gedrukt

op de kaart van zijn geheugen. Hij kende ze zooals een stadsbewoner

zijn gebouwen en straten en stegen kent.

"Ginds in 't westen, of westnoordwest, liggen Papakena en Vanavana,

honderd mijlen verder, misschien iets meer", zei hij. "Het eene is

onbewoond, en ik heb gehoord dat de menschen van het andere naar

Cadmus-eiland zijn gegaan. In ieder geval heeft geen van beide

lagunen een invaart. Honderd mijlen verder naar 't noordwesten ligt

Ahoenoei. Geen invaart, geen menschen."

"Nou, veertig mijlen verder liggen nog twee eilanden..?" vroeg kapitein

Davenport, en hij keek op van de kaart.

McCoy schudde zijn hoofd.

"Paros en Manoehoengi--geen invaart, geen menschen. Veertig mijlen

verder hebben we Nenggo-nenggo, ook dat heeft geen invaart en is

onbewoond. Maar dan is er nog Hao. Dat moeten we hebben. De lagune is

dertig mijlen lang en vijf breed. Menschen in overvloed. Gewoonlijk

is er wel water te krijgen ook. En er is geen schip zoo groot of het

kan door de invaart."

Hij zweeg, en keek kapitein Davenport onderzoekend aan. Deze stond

over de kaart gebogen met een passer in zijn hand, en had juist een

diep gebrom laten hooren.

"Is er nergens een lagune met een invaart dichter bij dan Hao?" vroeg

hij.

"Neen, kaptein, dat is het dichtste bij."

"Nu, het is driehonderd veertig mijlen." Kapitein Davenport sprak

heel langzaam, vast besloten. "Ik wil de verantwoordelijkheid voor

al deze menschenlevens niet dragen. Ik zal het schip in de Actaeons

op het rif zetten. En het is zoo 'n goeie, ouwe schuit", voegde hij

er berouwvol bij, nadat hij den koers veranderd had. Dezen keer liet

hij meer speling dan ooit voor de westelijke strooming.

Een uur later was de lucht betrokken. De zuidoost-passaat blies nog

steeds, maar de zee was als een schaakbord van buien.

"We zullen er om één uur zijn", zei kapitein Davenport vol

vertrouwen. "Twee uur op z'n laatst. McCoy, jij zet haar op het eiland

waar menschen wonen."

De zon kwam niet meer terug, en om één uur was er nog geen land te

zien. Kapitein Davenport keek naar achter, naar het kielwater van de

_Pyreneeën_, dat schuin afzakte.

"Groote God!" riep hij. "Een oostelijke strooming! Kijk eens!"

Mijnheer Konig was ongeloovig. McCoy had er geen verstand van,

ofschoon hij zei, dat hij geen reden zag waarom er in de Paoemoetoe's

geen oostelijke strooming zou loopen. Een paar minuten later nam een

bui voor een poos al den wind uit de zeilen en het schip lag zwaar

te slingeren in de laagten tusschen de golven.

"Waar is dat diep-lood? Overboord ermee, jij daar!"

Kapitein Davenport hield de loodlijn en zag haar afdrijven naar

het noordoosten. "Daar! Kijk! Houd het zelf eens vast!" McCoy en de

stuurman probeerden het en voelden de lijn nijdig trillen en zoemen

in den greep van den vloedstroom.

"Een vier-knoops-strooming", zei mijnheer Konig.

"En een oostelijke in plaats van een westelijke", zei kapitein

Davenport, en staarde McCoy verwijtend aan, alsof hij hem de schuld

wou geven.

"Dat is een van de redenen, kaptein, waarom verzekering achttien

procent is in deze wateren," antwoordde McCoy opgewekt. "Men weet hier

nooit waar men aan toe is. De stroomingen veranderen voortdurend. Er

is een man geweest die boeken schreef, ik ben zijn naam vergeten,

in het jacht _Casco_. Hij liep Takawa dertig mijlen mis en kwam uit

op Tikei, allemaal door die veranderende stroomingen. Je bent nu weer

een heel eind te loevert, en ik zou maar een paar streken afhouden."

"Maar hoeveel ben ik in deze strooming afgedreven?" schreeuwde de

kapitein woedend. "Hoe kan ik weten hoeveel ik af moet houden?"

"Ik weet het niet, kaptein," zei McCoy met groote zachtheid.

De wind kwam weer, en de _Pyreneeën_, haar dek rookend en glinsterend

in het heldere grijze licht, liep vóór de wind pal naar lij. Toen

laveerde ze terug, nu over stuurboord dan over bakboord, kruisend over

haar vroeger spoor, de zee afzoekend naar de Actaeon-eilanden. Maar

de uitkijken in de masten kregen geen land in zicht.

Kapitein Davenport was buiten zichzelf. Zijn woede nam den vorm aan van

een norsch zwijgen, en den geheelen middag liep hij over de kampanje

te ijsberen, of leunde tegen het want te loevert. Toen de nacht viel

ging hij vóór den wind liggen, zonder McCoy's raad in te winnen, en

stevende naar het noordwesten. Mijnheer Konig, die stilletjes kaart

en kompas raadpleegde, en McCoy, die kinderlijk en openlijk op het

kompas keek, wisten dat ze naar Hao gingen. Te middernacht hielden

de buien op en de sterren kwamen te voorschijn. Kapitein Davenport

werd een beetje opgevroolijkt door de belofte van een helderen dag.

"Ik zal een waarneming doen morgen vroeg," vertelde hij McCoy,

"ofschoon het me een raadsel is op welke breedte we zijn. Maar ik

zal het wel uitvinden met de Sumner-methode. Weet je wat dat is,

de Sumner-methode?"

En toen legde hij het McCoy in bijzonderheden uit.

De dag bleek helder te zijn, de passaatwind woei stadig uit het oosten,

en de _Pyreneeën_ logde even stadig haar negen knoopen. Kapitein

en stuurman werkten de positie van het schip uit met behulp van de

Sumner-methode en hun berekeningen klopten, en om twaalf uur klopten

ze weer; en daarna toetsten ze de waarneming van 's morgens aan die

van twaalf uur.

"Nog vierentwintig uur en we zijn er", verzekerde kapitein

Davenport. "Het is een wonder dat het dek het uithoudt. Maar het

kan zoo niet duren; het kan niet. Kijk het eens rooken, iederen dag

meer. Toch was het dicht bij het begin van de reis, pas gebreeuwd in

'Frisco. Ik wist niet wat ik zag toen de brand begon en we de luiken

dichtschalmden. Kijk, kijk!"

Hij brak af om met open mond naar een rook-sliert te staren die zich

wond en kringelde in lij van den bezaansmast, twintig voet boven

het dek.

"Hoe komt dat nu daar?" riep hij kwaad.

Onder het dunne rook-spiraaltje was niets te zien. Opstijgend uit

het dek, beschut voor den wind door den zwaren mast, nam het door de

een of andere gril eerst op die hoogte vorm en zichtbaarheid aan. Het

dreef weg van den mast en hing een seconde boven den kapitein als een

dreigend voorteeken. Het volgend oogenblijk veegde de wind het weg,

en de onderkaak van den kapitein keerde terug in den normalen stand.

"Zooals ik zei, ik wist niet wat ik zag toen we de boel

dichtschalmden. Het dek was dicht, en toch lekte de rook er doorheen

als door een zeef. En we hebben voortdurend gebreeuwd, gebreeuwd

en nog eens gebreeuwd. Er moet een geweldige druk onder staan om er

zooveel rook doorheen te drijven."

Dien middag betrok de lucht opnieuw en het weer werd buiig en

druilerig. De wind liep voortdurend heen en weer tusschen zuidoost en

noordoost, en te middernacht werd de _Pyreneeën_ teruggeslagen door

een hevige bui uit het zuidwesten. En de wind bleef met tusschenpoozen

in dien hoek.

"We zijn niet in Hao vóór tien of elf uur", jammerde kapitein

Davenport om zeven uur 's morgens, toen de vluchtige belofte van zon

weggevaagd werd door dikke wolkenmassa's in den oostelijken hemel. En

een oogenblik later vroeg hij klagelijk: "En wat doen de stroomingen?"

De uitkijken in de masten konden geen land signaleeren, en de dag ging

voorbij onder hevige vlagen en druilerige blakten. Bij het vallen

van den nacht kwam er een zware zee opzetten uit het westen. De

barometer was gedaald tot 29·50. Wind was er niet en steeds werd die

onheilspellende deining heviger. Weldra slingerde de _Pyreneeën_ als

waanzinnig op de geweldige golven die in oneindige opvolging kwamen

aanrollen uit de duisternis. De zeilen werden ingenomen, zoo snel als

de beide wachten konden werken, en toen de uitgeputte bemanning haar

plicht had gedaan, hoorde men in het donker hun stemmen brommen en

mopperen, vreemd dierlijk en dreigend. Eens, toen de stuurboordwacht

achteruit geroepen werd om alles vast te sjorren, gaven de mannen

openlijk blijk van hun tegenzin en onwil. Iedere langzame beweging

was een protest en een bedreiging. De atmosfeer was vochtig en dik

als slijm en in de volkomen windstilte schenen alle hens naar adem

te hijgen. Het zweet stond op gezichten en bloote armen, en kapitein

Davenport, zijn gezicht magerder en vermoeider dan ooit, zijn oogen

dof en starend, werd gekweld door het vreeselijk gevoel van een

dreigende catastrophe.

"Het zit ver in 't westen", zei McCoy bemoedigend. "Op zijn hoogst

komen we in den buitensten gordel."

Maar kapitein Davenport wilde niet bemoedigd worden, en las bij

het licht van een scheepslantaarn in zijn _Epitome_ nog eens het

hoofdstuk over, dat handelt over de gedragslijn van gezagvoerders in

cyclonen. Ergens in de midscheeps werd de stilte verbroken door een

zacht gekerm van den kajuitsjongen.

"In Godsnaam, hou je mond!" gilde kapitein Davenport plotseling, en

met zulk een kracht, dat iedereen aan boord schrok en de delinquent

uitbarstte in een wild gehuil van krankzinnigen angst.

"Mijnheer Konig", zei de kapitein met een stem die trilde van

zenuwachtigheid, "wilt u zoo goed zijn om vooruit te gaan en dien

kwajongen z'n mond te stoppen met een dekzwabber."

Maar het was McCoy die naar voren ging en den jongen in een paar

minuten gekalmeerd en in slaap gesust had.

Kort vóór zonsopgang begon het eerste zuchtje te komen, uit het

zuidoosten, en het groeide snel tot een steeds stijvere bries. Alle

hens waren aan dek en wachtten op wat er achter zat.

"Het is nu wel in orde, kaptein", zei McCoy, die dicht naast zijn

schouder stond. "De cycloon zit in 't westen en wij zijn er ten

zuiden van. Deze bries is de zuiging die hij doet ontstaan. Het zal

niet harder gaan waaien. Je kunt er weer zeil op gaan zetten."

"Maar waar dient 't voor? Waar moet ik heen zeilen? Dit is al de

tweede dag zonder waarnemingen, en gistermorgen zouden we Hao al

hebben moeten zien. Waar ligt het, noord, zuid, oost, waar? Vertel

me dat eerst maar eens en ik zal in een wip zeil bijzetten."

"Ik ben geen zeevaarder, kaptein", zei McCoy, mild en zacht, zooals

alleen hij het zijn kon.

"Vroeger dacht ik dat ik er een was", was het nijdige antwoord,

"vóór ik hier in de Paoemoetoe's kwam."

Om twaalf uur hoorde men den kreet "Brekers vooruit!" van den

uitkijk. Men hield de _Pyreneeën_ af, en zeil na zeil werd losgemaakt

en aangehaald. De _Pyreneeën_ begon door het water te glijden, en

worstelde tegen een strooming die haar op die brekers dreigde te

zetten. Officieren en mannen werkten als krankzinnigen, zelfs de

kok en de kajuitsjongen, kapitein Davenport zelf, en McCoy hielpen

een handje. Het scheelde een haartje. Het was een lage ondiepte,

een ongure, gevaarlijke plek waar de zeeën onophoudelijk over heen

braken, waar geen mensch kon leven, waar zelfs geen zeevogels konden

rusten. De _Pyreneeën_ was tot op honderd meter genaderd vóór dat de

wind haar weg dreef, en op dat oogenblik, toen het werk gedaan was,

barstte de hijgende bemanning uit in een stroom van vervloekingen op

het hoofd van McCoy--McCoy, die aan boord was gekomen en voorgesteld

had naar Mangareva te gaan en hen had weggelokt van het veilige

land naar een zekeren ondergang in deze vreeselijke, bedriegelijke

zee. Maar de rustige ziel van McCoy was onberoerd. Hij glimlachte hen

toe met simpele, zachte welwillenheid; en zijn verheven goedheid scheen

door te dringen in hun donkere, sombere zielen, en hen te beschamen,

en met schaamte de vloeken te smoren die nog trilden in hun keel.

"Kwaad water! Kwaad water!" mompelde kapitein Davenport toen zijn

schip vrij worstelde; maar hij brak plotseling af om te staren

naar de ondiepte die pal achter had moeten liggen, maar die nu al

schuins te loevert achter het schip lag en zich snel in loefwaartsche

richting verplaatste. Hij ging zitten, en begroef zijn gezicht in

zijn handen. En de eerste stuurman zag wat hij had gezien, en McCoy

zag het en de matrozen zagen het. Ten zuiden van de bank had een

oostelijke strooming hen er heen gedreven, en ten noorden had een

even sterke westelijke strooming het schip gegrepen en droeg het weg.

"Ik heb meer gehoord van deze Paoemoetoe's", kermde de kapitein en hij

hief zijn verbleekt gezicht op uit zijn handen. "Kapitein Moyendale

heeft me er van verteld toen hij er zijn schip verloren had. En ik

lachte hem achter zijn rug uit. God zal 't me vergeven, ik lachte

hem uit!... Wat voor ondiepte is dat?" brak hij plotseling af.

"Ik weet het niet, kaptein", antwoordde McCoy

"Waarom weet je 't niet?"

"Omdat ik het ding nooit eerder gezien heb en omdat ik er nooit van

heb gehoord. Ik weet wel dat het niet op de kaart staat. Deze wateren

zijn nooit grondig onderzocht."

"Dus je weet niet waar we zijn?"

"Niet beter dan jij", zei McCoy zacht.

Om vier uur in den middag werden kokospalmen gesignaleerd die uit het

water leken te groeien. Wat later zag men het lage land van een atol

op de zee liggen.

"Nu weet ik waar we zijn, kaptein." McCoy liet den kijker zakken. "Dat

is het eiland Resolution. We zijn Hao veertig mijlen voorbij en we

hebben den wind recht tegen."

"Maak je klaar om haar aan den grond te zetten. Waar is de invaart?"

"Er is alleen maar een kanaal voor kano's. Maar nu we weten waar

we zijn kunnen we naar Barclay de Tolley gaan. Het is maar honderd

twintig mijlen van hier, pal noordnoordwest. Met deze bries kunnen

we er morgen vroeg om negen uur zijn."

Kapitein Davenport raadpleegde de kaart en overlegde lang.

"Als we het schip hier op het rif laten loopen," voegde McCoy erbij,

"zouden wij toch in de booten naar Barclay de Tolley moeten."

De kapitein gaf zijn orders, en opnieuw draaide de _Pyreneeën_ vóór

den wind om zich nog eens op die ongastvrije zee te wagen.

En de volgende middag zag wanhoop en muiterij op haar rookend dek. De

strooming was sterker geworden, de wind minder, en de _Pyreneeën_

was afgedreven naar het westen. De uitkijk signaleerde Barclay de

Tolley in het oosten, nauwelijks zichtbaar vanuit den top van den

grooten mast, en uren lang trachtte de _Pyreneeën_ tevergeefs er heen

te laveeren tegen den stroom in. Voortdurend bleven de kokospalmen

aan den horizon hangen, als een luchtspiegeling, slechts zichtbaar

vanuit den mast-top. Voor de menschen aan dek waren ze verborgen door

de ronding der aarde.

Opnieuw raadpleegde kapitein Davenport de kaart en McCoy. Makemo

lag zeventig mijlen naar het zuidwesten. De lagune daar was dertig

mijlen lang en had een uitstekende invaart. Toen kapitein Davenport

zijn bevelen gaf, weigerde de bemanning haar dienst. Ze verklaarden

dat ze genoeg hellevuur onder hun voeten gehad hadden. Daar lag het

land. Wat kon het hun schelen of het schip er niet kon komen? Zij

konden er in de booten komen. Laat 'r branden. Hun levens waren

hun nog wat waard. Ze hadden het schip trouw gediend, nu gingen ze

zichzelf dienen. Ze sprongen naar de booten, schoven den tweeden en

derden stuurman uit den weg, en begonnen de booten buiten boord te

zwaaien en neer te laten. Kapitein Davenport en de eerste stuurman,

revolvers in de hand, liepen naar den rand van de kampanje, toen McCoy,

die boven op de kajuit was geklommen, begon te spreken.

Hij sprak de matrozen toe, en bij het eerste geluid van zijn kirrende

duiven-stem hielden ze op om te luisteren. Hij deelde hun mede van

zijn eigen oneindigen, sereenen vrede. Zijn zachte stem en zijn

eenvoudige gedachten vloeiden naar hen uit als een magische stroom

en kalmeerden hen tegen hun wil. Lang-vergeten dingen kwamen bij hen

op, en sommigen herinnerden zich wiegeliedjes uit hun kindertijd,

en de tevredenheid en de rust van moeders armen aan het eind van den

dag. Er was geen zorg meer, geen gevaar, geen onwil, nergens in de

heele wereld. Alles was zooals het zijn moest, en het was niet meer

dan natuurlijk dat ze het land den rug toe zouden keeren en opnieuw

naar zee zouden gaan, met de hel heet onder hun voeten.

McCoy sprak eenvoudig, maar het was niet _wat_ hij zei. Zijn zachte

wezen was welsprekender dan alle woorden. Het was een samenstel van

onstoffelijke krachten, verwonderlijk subtiel en oneindig diep--een

geheimzinnige emanatie van den geest, die meesleepte, zacht-nederig,

en toch gebiedend als een machtig heerscher. Het was het Licht in

de donkere krypten van hun zielen, en die kracht van reinheid en

zachtheid was veel, veel grooter dan de kracht die lag in de blinkende,

dood-spuwende revolvers van de officieren.

De mannen weifelden waar ze stonden, tegen wil en dank, en degenen

die de touwen hadden losgegooid maakten ze weer vast. Toen begonnen

ze, eerst een, dan een ander, en ten slotte allemaal, verlegen weg

te schuifelen.

McCoy's gezicht straalde van kinderlijk plezier toen hij van de

kajuit af klom. Er bestond geen herrie. Daarom was er ook geen herrie

afgewend. Er was nooit herrie geweest, want voor zoo iets was er geen

plaats in de gezegende wereld waarin hij leefde.

"Je hebt ze gehypnotiseerd", grinnikte mijnheer Konig hem zachtjes toe.

"Die jongens zijn goed", was het antwoord. "Ze hebben een goed

hart. Ze hebben een harden tijd gehad, en ze hebben hard gewerkt,

en ze zullen hard werken tot het eind."

Mijnheer Konig had geen tijd om te antwoorden. Hij schalde zijn

bevelen, de matrozen sprongen aan het werk, en de _Pyreneeën_ viel

langzaam af totdat haar boeg wees in de richting van Makemo.

Er was weinig wind en na zonsondergang ging hij bijna geheel

liggen. Het was ondragelijk warm, en voor- en achteruit trachtte

men tevergeefs te slapen. Het dek was te heet om er op te liggen;

de vergiftige dampen siepelden door de naden en dreven als booze

geesten over het schip. Ze kropen in neusgaten en luchtpijp van

wie niet oplette, en veroorzaakten heftige hoest- en niesbuien. De

sterren knipoogden lui in het donkere, verre gewelf boven hun hoofden;

en de volle maan, rijzend uit het oosten, beroerde met haar licht de

myriaden slierten en draden en webbige vliezen rook die ineen krulden

en kringelden en wegdreven over het dek, langs de reelings en omhoog,

de masten en het want in.

"Vertel me eens", zei kapitein Davenport, zijn stekende oogen wrijvend,

"wat gebeurde er met den troep van de _Bounty_ nadat ze op Pitcairn

waren aangekomen? Zooals ik de zaak heb gelezen, hebben ze de _Bounty_

verbrand en zijn ze pas jaren later ontdekt. Maar wat is er in dien

tusschentijd gebeurd? Daar ben ik altijd nieuwsgierig naar geweest. Het

waren kerels met het koord al om hun nek. En er waren ook een paar

inboorlingen bij. En dan waren er vrouwen. Dat alleen was al een

teeken dat het op herrie uit zou draaien, van 't begin af aan."

"Het draaide op herrie uit", antwoordde McCoy. "Het waren kwade

kerels. Ze begonnen direct al met ruzie om de vrouwen. Een van de

muiters verloor zijn vrouw. Al de vrouwen waren van Tahiti. Zijn

vrouw viel van de klippen toen ze jacht maakte op zeevogels. Toen

nam hij de vrouw van een van de inboorlingen. Dat maakte al de

inboorlingen erg boos, en ze sloegen bijna alle muiters dood. En die

ontsnapten sloegen alle inboorlingen dood. De vrouwen hielpen mee. En

de inboorlingen sloegen elkaar dood. Iedereen vermoordde iedereen. Het

waren vreeselijke kerels.

"Timiti werd dood geslagen door twee andere zwarten terwijl ze

heel vriendschappelijk bezig waren zijn haar te kammen. De blanken

hadden hun de opdracht gegeven. Toen sloegen de blanken hen weer

dood. Toellaloo werd door zijn vrouw vermoord in een rots-hol omdat

ze een blanken man wilde hebben. Ze deugden geen van allen. God had

zijn gelaat voor hen verborgen. Na twee jaren waren alle inboorlingen

vermoord en de blanken op vier na. Het waren Young, John Adams, McCoy,

mijn overgrootvader, en Quintal. Dat was ook een kwade. Eens beet

hij zijn vrouw een oor af, alleen maar omdat ze niet genoeg visch

voor hem ving."

"Wat een beestentroep!" riep mijnheer Konig.

"Ja, ze deugden niet", stemde McCoy toe, en hij kirde sereen verder

van de woeste, bloedige daden van zijn zondig voorgeslacht.

"Mijn overgrootvader ontsnapte aan den dood door zelfmoord te

plegen. Hij had een distilleerinrichting gemaakt en fabriceerde

alcohol uit de wortels van de ti-plant. Quintal was zijn kameraad en

ze bedronken zich voortdurend samen. Ten slotte kreeg McCoy delirium

tremens, bond een stuk rots om zijn nek en sprong in zee. Quintal's

vrouw, dezelfde die hij een oor had afgebeten, kwam ook aan haar

eind door van de rotsen af te vallen. Toen ging Quintal naar Young en

eischte zijn vrouw op, en hij ging naar Adams en eischte ook _zijn_

vrouw. Adams en Young waren bang voor Quintal. Ze wisten dat hij hen

dood zou slaan. Daarom sloegen zij hem dood, samen, met een bijl. Toen

ging Young dood. En dat is zoowat alle herrie die ze gehad hebben."

"Kan je donder op zeggen!" snoof kapitein Davenport. "Er was niemand

meer om dood te slaan."

"God had Zijn aangezicht verborgen, zie je", zei McCoy.

In den morgen was er niet meer wind dan een zacht koeltje uit het

oosten, en ofschoon hij er niet genoeg zuid mee kon varen, ging

kapitein Davenport toch vol-en-bij over stuurboord liggen. Hij was

bang voor die vreeselijke westelijke strooming die hem al zooveel

veilige havens had ontfutseld. Den geheelen dag duurde de windstilte,

en den geheelen nacht, en de matrozen, op hun klein rantsoen gedroogde

bananen, mopperden weer. Bovendien werden ze zwak en klaagden over

maagpijn, veroorzaakt door het dieet van enkel bananen. Den geheelen

dag dreef de _Pyreneeën_ westwaarts en er was geen wind om haar naar

het zuiden te brengen. In de eerste hondenwacht werden recht in 't

zuiden kokospalmen gesignaleerd. Hun gepluimde kruinen rezen uit het

water en gaven de laag-liggende atol er onder aan.

"Dat is Taengga", zei McCoy. "We moeten een briesje hebben vannacht,

anders loopen we Makemo mis."

"Wat is er nu weer met de zuidoost-passaat?" vroeg de kapitein

nijdig. "Waarom blaast-ie niet? Wat scheelt 'm?"

"Het is de uitdamping van de groote lagunen--er zijn er zóó veel",

legde McCoy uit. "Die verdamping gooit het heele systeem van de

passaatwinden onderste boven. Zelfs loopt de wind soms heelemaal om

en blaast halve stormen uit het zuidwesten. Dit is de Gevaarlijke

Archipel, kaptein."

Kapitein Davenport keek den ouden man aan, deed zijn mond open, en

wilde gaan vloeken; maar hij hield zich in. McCoy's tegenwoordigheid

was een bestraffing van de godslasteringen die in zijn hersenen

leefden en trilden in zijn keel. McCoy's invloed was sterker geworden

gedurende de vele dagen dat ze samen geweest waren. Kapitein Davenport

was een autocraat van de zee, voor niemand bang, die zijn tong nooit

beheerschte; en nu bemerkte hij, dat hij niet in staat was te vloeken

in het bijzijn van dezen ouden man met zijn bruine vrouwenoogen en

zijn duiven-stem. Toen kapitein Davenport zich dit bewust werd, kreeg

hij een merkbaren schok. Deze oude man was slechts een nakomeling

van McCoy, van McCoy van de _Bounty_, de muiter die vluchtte voor den

strop die hem wachtte in Engeland, de McCoy die een booze macht was in

de vroegere dagen van bloedvergieten en gewelddadigen dood op Pitcairn.

Kapitein Davenport was niet religieus, maar op dat oogenblik voelde hij

een dolle behoefte om zich voor de voeten van den ander te werpen--en

iets te zeggen, hij wist niet wat. Wat hem zoo diep beroerde was

meer emotie dan logische gedachte, en hij was zich vaag bewust van

zijn eigen onwaardigheid en kleinheid naast dezen anderen man, die

den eenvoud van een kind bezat en de zachtheid van een vrouw.

Natuurlijk kon hij zich niet zoo vernederen in de oogen van zijn

officieren en matrozen. En toch woedde de toorn die hem bijna had

doen vloeken nog steeds in hem. Plotseling sloeg hij met zijn gebalde

vuist tegen de kajuit en riep:

"Hoor's hier, vader, ik laat me niet voor den gek houden. Deze

Paoemoetoe's hebben me van alle kanten bedot en bedrogen en me laten

staan als een idioot. Ik laat me niet bedotten. Ik zal dit schip

drijven, drijven, drijven, heelemaal door de Paoemotoe's naar China,

als ik er maar een bed voor vind. Al deserteert iedereen, ik blijf. Ik

zal die Paoemotoe's eens wat laten zien. Ze kunnen me niet voor den

gek houden. Het is een goeie ouwe schuit, en ik blijf bij d'r zoolang

er nog een plank is om op te staan. Hoor je?"

"En ik blijf bij je, kaptein", zei McCoy.

's Nachts kwamen er lichte, bedriegelijke koeltjes uit het zuiden,

en de razende kapitein, met zijn lading vuur, keek en schatte hoeveel

hij afdreef naar het westen; en af en toe ging hij in zijn eentje

weg om zachtjes te vloeken opdat McCoy het niet zou hooren.

De dageraad liet weer palmen zien die uit het water groeiden.

"Dat is de lijwaartsche landtong van Makemo", zei McCoy. "Katioe is

maar een paar mijlen naar het westen. Misschien kunnen we daar komen."

Maar de strooming, zuigend tusschen de twee eilanden, dreef hen naar

het noordwesten, en om één uur's middags zagen ze de palmen van Katioe

boven de zee uitrijzen en er weer in terugzinken.

Een paar minuten later, juist toen de kapitein had ontdekt dat een

nieuwe strooming uit het noordoosten de _Pyreneeën_ had gegrepen,

riepen de uitkijken in de mast-toppen, dat er kokospalmen in 't

westen waren.

"Dat is Raraka", zei McCoy. "We komen daar niet zonder wind. De

strooming trekt nu naar 't zuidwesten. Maar we moeten goed

uitkijken. Een paar mijlen verder loopt een strooming naar 't noorden

en draait dan rond naar 't noordwesten. Dat zal ons van Fakarava

wegdrijven en in Fakarava zal de _Pyreneeën_ haar bed vinden."

"Ze kunnen drijven wat ze Godv--, wat ze willen", merkte kapitein

Davenport warm op. "We zullen even goed ergens een bed voor het

schip vinden."

Maar de toestand aan boord werd onhoudbaar. Het dek was zóó heet,

dat het leek of een paar graden stijging het in vlammen zou doen

uitbarsten. Op sommige punten vormden zelfs de zwaar-gezoolde schoenen

van de matrozen geen bescherming meer, en ze waren gedwongen tot

vlug springen om te vermijden dat hun voeten schroeiden. De rook

was veel dichter en scherper geworden. Iedereen aan boord had

last van ontstoken oogen, en ze hoestten en kuchten als een troep

tuberculose-patiënten. In den namiddag werden de booten buiten boord

gezwaaid en uitgerust. De laatste pakken gedroogde bananen werden er

in geladen en de instrumenten van de officieren. Kapitein Davenport

bracht zelfs den chronometer in de barkas: hij vreesde dat ieder

oogenblik het dek in de lucht zou vliegen.

Den geheelen nacht woog die vrees zwaar op allen, en in het eerste

morgenlicht staarden ze elkaar in de holle oogen en vermoeide

gezichten, alsof ze verwonderd waren dat de _Pyreneeën_ nog hield en

zij nog leefden.

Af en toe snel loopend, en zelfs nu en dan overgaand in een onwaardig

huppel-gangetje, onderzocht kapitein Davenport het dek van zijn schip.

"Het is nog maar een kwestie van uren, zoo niet van minuten",

verklaarde hij toen hij weer op de kampanje kwam.

De kreet "Land" kwam naar omlaag uit den mast-top. Vanaf het dek was

het land niet te zien, en McCoy ging het want in, terwijl de kapitein

van de gelegenheid gebruik maakte om een beetje van de bitterheid uit

zijn hart weg te vloeken. Maar het vloeken werd plotseling beëindigd

door een donkere streep op het water die hij snel zag naderen uit het

noordoosten. Het was geen bui, maar een echte, doorstaande bries--de

passaatwind, uit zijn verband gerukt, acht streken uit zijn normale

richting, maar hij nam zijn werk toch weer op.

"Een beetje hooger, kaptein", zei McCoy zoodra hij weer op de kampanje

was. "Dat is de oostelijke tong van Fakarava en we zullen door de

vaargeul binnen stevenen met halven wind, in volle vaart, en met alle

zeilen gespannen."

Een uur later waren de kokospalmen en het laag-liggende land zichtbaar

vanaf het dek. Het gevoel dat de weerstand van het schip op zijn

eind liep drukte zwaar op iedereen. Kapitein Davenport liet de drie

booten strijken en kort achter het schip aan sleepen, in iedere boot

een matroos om hen uit elkaar te houden. De _Pyreneeën_ scheerde vlak

langs de wal; de atol, witgewasschen door de branding, was nauwelijks

twee kabellengten verwijderd.

"Maak klarigheid om te halzen, kaptein", waarschuwde McCoy. En

een minuut later brak het land in tweeën; een smalle invaart werd

zichtbaar, en daarachter de lagune, een groote spiegel, dertig mijlen

lang en een derde zoo breed.

"Nu, kaptein."

Voor den laatsten keer zwaaiden de ra's van het groote fregatschip

rond, terwijl het gehoorzaamde aan het roer en de doorvaart binnen

stevende. De steken waren nauwelijks gelegd en niets was nog

opgeschoten, toen matrozen en stuurlui in een paniek terug holden

naar de kampanje. Er was niets gebeurd, maar iedereen voelde dat er

iets zou gebeuren. Ze konden niet zeggen waarom; ze wisten alleen

dat het nu ging gebeuren. McCoy wilde naar voren gaan om zijn post

op den boeg in te nemen: hij moest het schip naar binnen loodsen;

maar de kapitein greep hem bij zijn arm en rukte hem terug.

"Doe het van hier uit", zei hij. "Dat dek is niet veilig. Wat

nu?" vroeg hij het volgende oogenblik. "We staan stil."

McCoy glimlachte.

"Je gaat tegen een zeven-knoops-strooming in, kaptein", zei hij. "Zoo

stroomt hier de eb uit de doorvaart."

Na een uur had de _Pyreneeën_ nauwelijks haar lengte gewonnen, maar

de wind kwam door en het schip begon vooruit te komen.

"Gaan jullie maar in de booten", beval kapitein Davenport.

Zijn stem klonk nog en de matrozen kwamen juist in beweging om te

gehoorzamen, toen het dek midscheeps in een massa rook en vlammen

omhoog geblazen werd, de zeilen en het tuig in. Een gedeelte bleef

daar hangen en de rest viel in zee. Het was een geluk voor de mannen

die op het achterschip bijeen stonden dat de wind dwars inkwam. In een

blinde paniek stortten ze zich naar de booten, maar de stem van McCoy,

met haar overtuigende boodschap van onberoerde kalmte en tijdelooze

rust, hield hen terug.

"Kalm aan", zei hij. "Alles gaat goed. Laat iemand dien jongen

overboord helpen, asjeblieft."

De roerganger had in de algemeene verwarring het stuurrad laten

schieten. Kapitein Davenport vloog er heen en kon nog juist op tijd

de spaken grijpen om te voorkomen dat het schip zou zwaaien in den

stroom en op het rif zou loopen.

"Zorgt u maar voor de booten", zei hij tegen mijnheer Konig. "Haal er

één tegen het schip aan, op zij van den spiegel... Als ik overboord

ga zal het bliksems vlug zijn."

Mijnheer Konig aarzelde, klom toen over de verschansing en liet zich

neer in de boot.

"Een halve streek afhouden, kaptein."

Kapitein Davenport schrok. Hij had gedacht dat hij zijn schip voor

zich alleen had.

"Ja, ja, een halve streek is het", antwoordde hij.

Midscheeps was de _Pyreneeën_ een open, vlammende oven, waar een

geweldige massa rook uit barstte, die hoog boven de masten uit steeg

en het voorste gedeelte van het schip volkomen verborg. McCoy, in de

beschutting van het bezaanswant, ging voort met zijn moeilijke taak

het groote vaartuig door de kronkelende vaargeul te loodsen. Het vuur

kroop van het centrum der ontploffing langs het dek naar achteren,

en de hoog-rijzende toren van zeilen aan den grooten mast ging op en

verdween in een gordijn van vlammen. Ofschoon ze niet te zien waren,

wisten de twee mannen, dat vóór op het schip de voorzeilen nog trokken.

"Als al de zeilen maar niet wegbranden vóór dat we binnen zijn",

gromde de kapitein.

"We halen het", verzekerde McCoy hem met supreem vertrouwen. "We hebben

tijd genoeg. We zullen het halen. En als we eenmaal binnen zijn leggen

we d'r vóór den wind, dat zal den rook van ons weg houden en het vuur

beletten naar achteren te kruipen."

Een vlammende tong sprong op naast den bezaansmast, reikte hunkerend

naar de laagste reep zeildoek, miste, en verdween. Van omhoog viel een

brandend stuk touwwerk juist in den nek van kapitein Davenport. Hij

handelde met de snelheid van iemand die door een wesp is gestoken

toen hij zijn arm uitstak en het pijnlijk vuur van zijn huid veegde.

"Hoe liggen we voor, kaptein?"

"Noordwest-bij-west."

"Hou d'r westnoordwest."

Kapitein Davenport liet het groote stuurrad draaien tusschen zijn

handen en gaf den gevraagden koers.

"West-bij-noord, kapitein."

"West-bij-noord is het."

"En nu west."

Langzaam, streek voor streek, beschreef de _Pyreneeën,_ terwijl ze de

lagune binnen schoof, den kwart-cirkel die haar vóór den wind bracht,

en streek voor streek, met een kalme zekerheid alsof hij duizend

jaren tijd had, zong McCoy den veranderenden koers.

"Nog een streek, kaptein."

"Een streek is het."

Kapitein Davenport draaide verscheiden spaken rond, hield dan

plotseling stil en draaide er één terug om het schip te houden.

"Recht zoo."

"Recht ligt ze--pal op d'r koers."

Ondanks het feit dat ze den wind achter hadden, was de hitte zóó fel,

dat kapitein Davenport zijdelings naar het kompashuisje moest kijken,

terwijl hij nu met de eene dan met de andere hand het stuurrad los

liet, om zijn brandende wangen te wrijven of te beschutten. McCoy's

baard schrompelde krinkelend en knetterend weg, en de lucht van

schroeiend haar, sterk in den neus van den ander, deed hem met

plotselinge ongerustheid naar McCoy kijken. Voortdurend lieten zijn

handen de spaken van het stuurrad om beurten los, en wreef hij hun

schroeiende ruggen tegen zijn broek. Alle zeilen aan den bezaansmast

verdwenen in een bliksemende vuurzuil, en de twee mannen moesten

bukken en hun gezichten beschutten met hun armen.

"Nu," zei McCoy en hij keek even vooruit naar den lagen oever,

"vier streken in den wind, kaptein; en laat 'r dan maar loopen."

Overal om hen heen en op hen vielen stukken en flarden brandend

touwwerk en zeildoek. De tanige rook van een smeulend stuk teertouw

voor de voeten van den kapitein bezorgde hem een geweldige hoestbui,

maar nog steeds klemde hij zich vast aan de spaken van het stuurrad.

De _Pyreneeën_ stootte; de boeg ging omhoog en schuurde zachtjes tot

stilstand. Een regen van brandende flarden, losgeraakt door den schok,

viel op hen neer. Het schip schoof weer vooruit en stootte een tweeden

keer. Ze verbrijzelde het brooze koraal onder haar ijzeren kiel,

dreef weer verder, en stootte voor de derde maal.

"Heelemaal over", zei McCoy. "Heelemaal over?" vroeg hij zacht,

een oogenblik later.

"Ze zal niet luisteren", was het antwoord.

"Ook al goed. Ze zwaait rond." McCoy keek over de verschansing. "Zacht,

wit zand. We konden 't niet beter hebben. Een mooi bed."

Toen de _Pyreneeën_ rond zwaaide, met het achterschip uit den

wind, kwam een vreeselijke zee van rook en vlammen naar achteren

stroomen. Kapitein Davenport liet het roer los en vluchtte in

schroeiende foltering. Hij greep het meertouw van de boot die

langszij lag, keek dan om naar McCoy die naast hem stond om hem voor

te laten gaan.

"Jij eerst!" schreeuwde de kapitein, greep hem bij den schouder en

gooide hem bijna over de reeling. Maar de vlammen en de rook waren te

verschrikkelijk, en hij volgde vlak achter McCoy aan. De twee mannen

slingerden zich langs het touw naar beneden en gleden tegelijk neer

in de boot. Een matroos in den boeg sneed het touw door met zijn

zeemansmes, zonder bevelen af te wachten. De riemen, in evenwicht

klaar gehouden, beten in het water, en de boot schoot weg.

"Een mooi bed, kaptein", mompelde McCoy, omziend.

"Ja, een mooi bed, en allemaal dank zij jou", was het antwoord. De

drie booten hielden aan op het witte strand van fijngestampt

koraal. Daarachter, aan den rand van een kokospalmen-boschje, zag men

een half dozijn gras-hutten, en een dertigtal opgewonden inboorlingen,

met groote oogen starend naar den drijvenden brand die hier was

komen landen.

De booten schuurden aan den grond, en ze stapten uit op het witte

strand.

"En nu", zei McCoy, "moet ik zien dat ik weer op Pitcairn kom."

Verhalen van de Zuidzee · 第 15 / 16 题