"De zwarten zullen de blanken nooit begrijpen, en de blanken de
zwarten niet, zoo lang zwart zwart is en blank blank."
Zoo sprak kapitein Woodward. Wij zaten in de gelagkamer van Charley
Roberts' kroeg in Apia, en dronken eindelooze Aboe Hameds, voor ons
gemengd en met ons gedeeld door voornoemden Charley Roberts.
Hij beweerde dat hij het recept direct had van Steevens, bekend door
het uitvinden van den Aboe Hamed in een tijd dat hij voortgejaagd
werd door dorst naar den Nijl--de Steevens die "Met Kitchener naar
Kartoem" op zijn geweten heeft, en die uit dit leven verdween bij
het beleg van Ladysmith.
Kapitein Woodward, kort en dik, al tamelijk oud, verbrand door veertig
jaren tropische zon, en met een paar oogen, zoo mooi helder bruin
als ik ze nooit bij een man gezien heb, sprak uit lange ervaring.
De lidteekens die kris en kras over zijn kalen schedel liepen, spraken
van een intieme bekendheid met de tomahawks van de zwartjes, en men
bespeurde een soortgelijke bekendheid in twee lidteekens, voor en
achter, in de rechter helft van zijn hals, waar een pijl in gedrongen
en er heelemaal doorheen getrokken was. Zooals hij zelf uitlegde,
hij had haast gehad bij die gelegenheid--de pijl had hem gehinderd
bij het loopen--en hij voelde dat hij niet den tijd kon nemen om den
kop af te breken en de schacht er uit te trekken op de manier waarop
ze er in was gekomen. Op het oogenblik was hij gezagvoerder van de
_Savaii_, het groote stoomschip dat in het Westen inlandsche koelies
wierf voor de Duitsche plantages op Samoa.
"De meeste herrie komt van de domheid van de blanken", zei Roberts,
afbrekend om een slok uit zijn glas te nemen en den Samoeeschen
barjongen in vriendelijke termen te verwenschen. "Als de blanken
een beetje hun best wilden doen om de werking van zwarte hersens te
begrijpen, zouden de meeste moordpartijen vermeden worden."
"Ik heb er genoeg gekend die beweerden dat ze de zwarten begrepen",
antwoordde kapitein Woodward, een beetje schamper, "en ik heb altijd
kunnen opmerken, dat het juist die lui waren die het eerst _gekaikai'd_
(opgegeten) werden. Denk maar eens aan de zendelingen op Nieuw-Guinea
en de Nieuwe Hebriden--het martelaars-eiland Erromanga en de heele
rest. Denk eens aan de Oostenrijksche expeditie die in de pan gehakt is
in de Salomon-eilanden, in het verwond van Goeadalcanar. En denk eens
aan de kooplui zelf, met een ervaring van soms twintig jaren, die een
grooten mond hadden dat geen nikker hen ooit te pakken zou krijgen;
en nu versieren hun hoofden de daksparren van de kanohuizen. Je
had den ouden Johnny Simons, zesentwintig jaren op de ruwe kanten
van Melanesië, zwoer dat hij de nikkers op zijn duimpje kende en
dat ze hem nooit zouden krijgen, en hij trok er tusschen uit in
Marovo-Lagune, Nieuw-Georgië. Zijn hoofd werd afgezaagd door een
zwarte vrouw en een ouden nikker met één been; het andere had hij
in den bek van een haai gelaten toen hij dook naar visch die ze met
dynamiet verdoofd hadden. Dan had je Billy Watts, met een vreeselijken
naam als nikker-vreter, een kerel om den duivel bang te maken. Ik
herinner me dat we voor Cape Little lagen, op Nieuw-Ierland, toen
de nikkers een halve kist ruiltabak stalen, kostte hem zoowat drie
en een halven dollar. Hij trok er op los, schoot zes nikkers dood,
vernielde hun oorlogskano's, en stak twee dorpen in brand. En het was
bij Cape Little, vier jaren later, dat ze hem op zijn dak kwamen, hem
en een vijftig jongens van Boekoe die hij bij zich had om tripang te
visschen. In vijf minuten waren ze allemaal dood, op drie jongens na
die ontsnapten in een kano. Praat me niet van de nikkers begrijpen. De
zending van den blanke is de wereld te ontginnen, en daar heeft hij
meer dan genoeg aan. Hij heeft immers geen tijd over om de nikkers
te begrijpen!"
"Zoo is het", zei Roberts. "En 't is gek, maar het lijkt eigenlijk
niet eens noodig om de nikkers te begrijpen. Aan de domheid van de
blanken is hun succes in het ontginnen van de wereld geëvenredigd."
"En hun succes in het brengen van de vrees voor de hel in de
nikkerkoppen", flapte kapitein Woodward er uit. "Misschien heb je
gelijk, Roberts. Misschien is het hun stommiteit waar ze hun succes
aan te danken hebben, en een vorm van die stommiteit is zeker, dat ze
niet in staat zijn de nikkers te begrijpen. Maar één ding is zeker:
de blanken moeten achter de nikkers heen zitten of zij ze begrijpen
of niet. Het is onvermijdelijk. Het is hun noodlot."
"En natuurlijk zijn de blanken onvermijdelijk--het is het noodlot van
de nikkers", viel Roberts in. "Vertel een blanke dat er pareloesters
zijn in de een of andere lagune die onveilig gemaakt door tienduizend
brullende kannibalen, en hij zal er op uit trekken, heelemaal in z'n
eentje, met een half dozijn Kanaka duikers en een blikken wekker als
chronometer, alles als sardientjes gepakt in een handige kits van vijf
ton. Fluister hem in dat er goud gevonden wordt aan de Noordpool, en
datzelfde onvermijdelijke wezen met zijn blanke huid zal er meteen op
af gaan, gewapend met houweel een schop, een zij spek en den nieuwsten
patent goud-wasscher--en wat meer is, hij zal er komen. Geef hem de
lucht dat er diamanten zijn op de wit-gloeiende wallen van de hel,
en mijnheer De Blanke zal de wallen bestormen en den ouden heer Satan
in eigen persoon aan het houwen en graven zetten. Dat komt er van
als men dom en onvermijdelijk is."
"Maar ik vraag me af wat de zwarten wel moeten denken van die--die
onvermijdelijkheid", zei ik.
Kapitein Woodward begon zachtjes te lachen. Herinnering lichtte in
zijn oogen.
"Ik zit daar juist te peinzen wat de nikkers van Maloe wel hebben
gedacht, en nog moeten denken, van den éénen onvermijdelijken blanke,
dien we aan boord hadden toen we hun een bezoek brachten met de
_Duchess_", legde hij uit.
Roberts mengde drie versche Aboe Hameds.
"Dat was twintig jaar geleden. Saxtorph heette hij. Hij was zonder
eenigen twijfel de stomste kerel die ik ooit gezien heb, maar hij
was onvermijdelijk als de dood. Er was maar één ding dat die kerel
kon, en dat was schieten. Ik herinner me den eersten keer dat ik hem
tegen het lijf liep--hier in Apia, twintig jaar geleden. Dat was vóór
jouw tijd, Roberts. Ik sliep in Hollandsche Henry z'n hotel, beneden,
waar nu de markt is. Ooit van hem gehoord? Hij had een aardigen duit
gemaakt met wapens smokkelen voor de opstandelingen, verkocht zijn
hotel, en werd precies zes weken later doodgeslagen in Sydney, bij
een herrie in een kroeg.
"Maar Saxtorph. Op een nacht was ik net zoowat ingedommeld toen een
paar katten concert begonnen te geven op het erf. Ik mijn bed uit en
het raam omhoog, lampetkan in de hand. Maar juist op dat moment hoor
ik het raam van de kamer ernaast omhoog gaan. Er vielen twee schoten en
het raam ging dicht. Ik geloof niet dat ik jullie de snelheid duidelijk
kan maken waarmee het gebeurde. Tien seconden op zijn hoogst. Omhoog
ging het raam, pang, pang ging de revolver, en omlaag ging het
raam. Wie het ook geweest was, hij had geen oogenblik gewacht om de
uitwerking van zijn schoten te zien. Hij wist. Snappen jullie me?--hij
_wist_. Het kattenconcert was afgeloopen, en 's morgens lagen daar de
twee delinquenten, morsdood. Het was een wonder. In de eerste plaats,
al het licht dat er was kwam van de sterren en Saxtorph had geschoten
zonder te mikken; dan, hij had zoo gauw achter elkaar geschoten dat het
een dubbele knal leek in plaats van twee afzonderlijke, en eindelijk,
hij wist dat hij zijn doel had geraakt zonder er naar te kijken.
"Twee dagen later kwam hij aan boord om mij te spreken. Ik
was stuurman toen, op de _Duchess_, een kolossalen schoener van
honderdvijftig ton, een nikkervanger. En laat ik jullie vertellen dat
nikkervangers ook nikkervangers waren in die dagen. Er waren geen
gouvernements-inspecteurs, en geen gouvernements-bescherming voor
ons ook. Het was ruw werk, leven tegen leven, en niets te zeggen als
het met ons gedaan was, en we deden in nikkers op ieder eiland in de
Zuidzee waar ze ons niet van af schopten. Nu dan, Saxtorph kwam aan
boord, John Saxtorph was de naam dien hij opgaf. Hij was een klein,
rossig kereltje, rossig haar, rossig gezicht, en rossige oogen ook. Hij
had niets dat je trof. En van binnen was hij al even neutraal als van
buiten. Hij zei dat hij dalles was en dat hij wilde monsteren. Wou
kajuitsjongen zijn, kok, ladingmeester of gewoon matroos. Wist niets
van al die baantjes, maar zei dat hij graag wilde leeren. Ik had
hem niet noodig, maar zijn schieten had zóó'n indruk op me gemaakt,
dat ik hem aannam als gewoon matroos, drie pond per maand.
"Het was waar, hij wilde graag leeren, dat moet ik zeggen. Maar hij
was van nature niet in staat om iets te leeren. Hij kon net zoo min de
streken van het kompas achter elkaar opdreunen als ik cocktails kan
maken zooals Roberts hier. En met zijn sturen bezorgde hij me mijn
eerste grijze haren. Ik durfde hem nooit alleen aan het stuurrad te
laten als we voor den wind liepen in een zware zee; en vol-en-bij en
scherp-bij-de-wind waren onoplosbare mysteriën. Hij kon je het verschil
niet vertellen tusschen een schoot en een talie, hij kon het gewoon
niet. Fokkeklauwval en kluiverval, het was allemaal hetzelfde voor
hem. Zeg hem de groote schoot wat af te vieren, en voor je 't weet laat
hij de piek vallen. Hij is drie keer over boord gesukkeld en hij kon
niet zwemmen. Maar hij was altijd vroolijk, nooit zeeziek, en ik heb
zelden iemand gezien die zóó vol goeden wil was. Mededeelzaam was hij
niet. Praatte nooit over zichzelf. Zijn geschiedenis begon, voor zoover
ons betrof, met den dag dat hij monsterde op de _Duchess_. Waar hij
had leeren schieten weet de hemel alleen. Hij was een Yankee--zooveel
wisten we wel door zijn neuzig praten. En dat was alles wat we ooit
te weten zijn gekomen.
"En nu komen we tot het eigenlijke verhaal. We hadden pech gehad
in de Nieuwe Hebriden: maar veertien jongens in vijf weken, en we
liepen vóór den zuidoost-passaat naar de Salomon's. Malaita was
toen, net als nu, goed jachtterrein, en we vielen Maloe binnen, in
den noordwest-hoek. Er is daar een landrif en een buitenrif en een
allemachtig lastige ankerplaats; maar we kwamen behouden binnen en
lieten ons dynamiet knallen als signaal voor de nikkers om er uit te
komen en zich te laten werven. Drie dagen lang kregen we geen kip. Ze
kwamen bij honderden naar ons toe in hun kano's, maar ze lachten ons
alleen maar uit als we hen kralen en calico en bijlen lieten zien en
over de heerlijkheden van plantage-werk op Samoa spraken.
"Den vierden dag kwam er verandering. In de vijftig zwartjes teekenden
en kregen hun logeerkamer in het grootruim, terwijl ze zich aan dek
natuurlijk vrij mochten bewegen. En natuurlijk was dit teekenen en bloc
verdacht, als je er op terug kijkt, maar toen dachten we dat het een
of ander machtig opperhoofd het verbod om te teekenen had opgeheven.
"In den morgen van den vijfden dag gingen onze twee booten naar den
wal, zooals gewoonlijk,--de eene om de andere te dekken, snap je, als
er soms herrie mocht komen. En, zooals gewoonlijk, waren de vijftig
nikkers die we aan boord hadden aan dek, lummelend, kletsend, rookend
en slapend. Saxtorph en ik zelf, met nog vier andere matrozen, was
alles wat er nog van ons aan boord was. De twee booten waren bemand
met Gilbert-eilanders. In de eene zaten de kapitein, de ladingmeester
en de werver. In de andere, die de eerste dekte en een honderd meter
uit de wal lag, was de tweede stuurman. Allebei de booten waren goed
bewapend, ofschoon we geen herrie verwachtten.
"Vier van de matrozen, Saxtorph incluis, waren bezig de
kanpanje-reeling te schrappen. De vijfde matroos, geweer in de hand,
stond op wacht bij de watertank, even vóór den grooten mast. Ik was
vooruit, bezig de laatste hand te leggen aan een nieuwen bek voor de
fokkegaffel. Ik wilde net mijn pijp pakken waar ik ze had neergelegd,
toen ik een schot van den wal hoorde. Ik richtte me op om te kijken. Er
trof me iets tegen mijn achterhoofd dat me half verdoofd tegen het
dek deed slaan. Mijn eerste gedachte was dat er boven in het tuig
iets stuk was gegaan; maar terwijl ik nog viel, en vóór dat ik op
het dek terecht kwam, hoorde ik een geweervuur van de booten alsof
de duivel in eigen persoon een roffel sloeg. Ik draaide me half om,
en zag den matroos die op schildwacht stond. Twee groote nikkers
hielden zijn armen vast, en een derde sloeg hem van achteren op
zijn hoofd met een tomahawk. Ik zie het nog voor me, de watertank,
de groote mast, de troep die hem aan zijn lijf hing, de bijl die op
zijn hoofd neerdaalde, alles onder het vlammende zonlicht. Ik werd
geboeid door dat groeiend visioen van moord. De tijd die de bijl
noodig had om neer te dalen leek afschuwelijk lang. Ik zag het ding
op het hoofd van den man terecht komen, en ik zag zijn beenen onder
hem wegzakken toen hij dubbel sloeg. De nikkers hielden hem bij zijn
armen omhoog en hij werd nog een paar keer flink bewerkt. Toen kreeg
ik zelf nog twee hakken op mijn hoofd, en maakte uit dat ik dood
was. Dat was ook het idee van den kerel die me bewerkte.
"Ik was te hulpeloos om me te bewegen en ik lag daar maar en keek
hoe ze den schildwacht zijn hoofd afsloegen. Ik moet zeggen, ze deden
het netjes. Je kon zien dat ze het meer gedaan hadden.
"Het geweervuur uit de booten had opgehouden en ik stelde vast dat
het met ons gedaan was en dat het eind van alles was gekomen. Het was
een kwestie van minuten; dan zouden ze komen om mijn hoofd. Blijkbaar
waren ze bezig de matrozen op het achterschip te onthoofden. Hoofden
zijn veel waard op Malaita; vooral hoofden van blanken. Die hebben
de eereplaats in de kano-huizen van de kustbewoners. Welk bijzonder
decoratief effect de binnenlanders er in zien weet ik niet. Maar ze
zijn er even verzot op als hun broertjes van het zoute water.
"Ik had een vaag idee van ontsnappen, en kroop op handen en voeten
naar den kaapstander, waar ik er in slaagde mezelf weer op de been
te hijschen. Vandaar kon ik naar achteren kijken, en ik zag drie
hoofden boven op de kajuit liggen--de hoofden van drie matrozen aan
wie ik maanden lang orders had gegeven. De nikkers zagen mij staan
en kwamen op me af. Ik greep naar mijn revolver en merkte dat ze
hem hadden weggenomen. Ik kan niet zeggen dat ik bang was. Ik ben
verschillende keeren dicht bij den dood geweest, maar het heeft me
nooit gemakkelijker toegeschenen dan toen. Ik was half verdoofd en
niets kon me meer wat schelen.
"De nikker die voorop liep had zich gewapend met een hakmes uit
de kombuis, en hij maakte grimassen als een aap terwijl hij zich
klaar maakte om mij in tweeën te snijden. Maar dat sneedje heeft hij
nooit gemaakt. Hij zakte in elkaar op het dek en ik zag het bloed
uit zijn mond gudsen. Heel vaag hoorde ik een geweer afgaan, en het
bleef afgaan, voortdurend. Nikker na nikker viel neer. Mijn begrippen
werden weer een beetje helder, en ik merkte op dat er geen enkel schot
mis was. Iederen keer dat het geweer knalde, zakte er een nikker in
elkaar. Ik ging zitten op het dek naast den kaapstander en keek naar
boven. Boven, in de dwarszalings, zat Saxtorph. Hoe hij het klaar had
gespeeld kan ik nog niet begrijpen, want hij had twee Winchesters en
ik weet niet meer hoeveel patroongordels mee naar boven genomen; en nu
was hij bezig het eenige te doen waar hij op deze wereld voor deugde.
"Ik heb veel schiet- en moordpartijen gezien, maar ik heb nooit
zoo iets gezien als toen. Ik zat daar naast den kaapstander en keek
naar de vertooning. Ik voelde me zwak en wee en het leek allemaal een
droom. Pang, pang, pang, pang ging zijn geweer, en bom, bom, bom, bom,
gingen de nikkers tegen het dek. Het was verbazend hoe ze vielen. Na
hun eersten stormloop op mij, toen er zoo ongeveer een dozijn gevallen
waren, schenen ze verlamd; maar hij hield geen oogenblik op met zijn
geweer leeg te pompen.
"Zóó was de toestand toen de kano's en de twee booten van de wal
kwamen, bewapend met Sniders en met Winchesters die ze in de booten
hadden buitgemaakt. De fusillade die ze op Saxtorph loslieten was
iets vreeselijks. Gelukkig voor hem kunnen de nikkers alleen maar
op korten afstand schieten. Ze zijn niet gewend om een geweer aan
den schouder te brengen. Ze wachten tot ze boven op iemand zitten,
en dan schieten ze vanaf de heup. Toen zijn geweer te warm werd nam
Saxtorph het andere. Dat was zijn idee geweest toen hij twee geweren
mee het want in nam.
"Wat me het meest verbaasde was de snelheid waarmee hij vuurde. En
hij miste geen enkelen keer. Als er er ooit iets onvermijdelijk
is geweest, dan was die man het. De slachting was zoo afschuwelijk
omdat het zoo verbazend vlug ging. De nikkers hadden geen tijd om te
denken. Als ze er in slaagden te denken, sprongen ze met een vaartje
overboord, waarbij de kano's meestal omsloegen. Saxtorph hield geen
oogenblik op. Het water was bedekt met nikkers en pang, pang, pang,
schoot hij zijn kogels in hun zwarte lichamen. Geen enkel schot was
mis en ik kon duidelijk het poffen van de kogels hooren telkens als
er een begraven werd in menschelijk vleesch.
"De nikkers verspreidden zich en richtten zich naar den wal,
zwemmend. Het was alsof het water bedekt was met een kleed van
opduikende en bewegende hoofden, en ik ging rechtop staan, als
in een droom, om er naar te kijken: de bewegende hoofden en de
hoofden die ophielden te bewegen. Sommige lange-afstand-schoten waren
schitterend. Eén man bereikte het strand, maar toen hij opstond om aan
land te waden schoot Saxtorph hem nog neer. Het was meesterlijk. En
toen een paar nikkers het strand op kwamen loopen om hem uit het
water te trekken, gingen zij ook nog tegen de vlakte.
"Ik dacht dat alles voorbij was, toen ik het geweer opnieuw hoorde
afgaan. Een nikker kwam met een vaartje uit de kajuit schieten,
naar de verschansing, maar viel halverwege neer. De kajuit moet vol
nikkers gezeten hebben. Ik telde er twintig. Ze holden één voor één
naar boven en sprongen naar de verschansing. Maar zoover kwamen ze
niet. Het deed me denken aan het schieten van dieren in een val. Een
zwart lichaam schoot telkens omhoog uit het trapluik, pang ging dan
Saxtorph's geweer, en neer sloeg het zwarte lichaam. Natuurlijk wisten
de nikkers die beneden waren niet wat er aan dek gebeurde, dus bleven
ze omhoog schieten uit het luik, totdat de laatste er geweest was.
"Saxtorph wachtte een poosje om zeker van zijn zaak te zijn, en
kwam toen naar beneden. Wij tweeën waren alles wat er overbleef van
bemanning en officieren van de _Duchess_, en ik was er tamelijk beroerd
aan toe, terwijl hij hulpeloos was nu hij niet meer kon schieten. Onder
mijn leiding waschte hij mijn hoofdwonden en naaide ze dicht. Een
groote slok whisky sterkte mij tot het wagen van een poging om weg te
komen. Er bleef ons niets anders over. De rest was dood. We trachtten
de zeilen te hijschen. Saxtorph heesch en ik hield het val om den
nagel. Hij was weer hetzelfde stomme rund van vroeger. Zijn hijschen
was geen cent waard, en toen ik op een goed oogenblik flauw viel,
leek het of het afgeloopen was met ons.
"Toen ik weer bij kwam, zat Saxtorph hulpeloos op de verschansing,
wachtend om mij te vragen wat hij doen moest. Ik zei hem de gewonden
eens onderste boven te halen om te zien of er ook bij waren die nog
konden kruipen. Hij kreeg er zes bij elkaar. Eén, herinner ik me,
had zijn been gebroken; maar Saxtorph zei dat zijn armen in orde
waren. Ik lag in de schaduw, en joeg de vliegen weg, en leidde
de zaken, terwijl Saxtorph zijn ploeg invalieden aanvoerde. Ik wil
eeuwig verdoemd zijn als hij die arme duivels niet aan ieder touw op de
nagelbanken liet hijschen vóórdat hij de vallen vond. Eén van hen liet
het touw glippen onder het hijschen en gleed neer op het dek, dood;
maar Saxtorph rammeide de anderen en hield hen aan het werk. Toen
de fok en het grootzeil op waren zei ik hem de steekschalm uit den
ankerketting te schroeven en het anker te laten slippen. Ik liet me
naar het achterschip helpen om een slappe poging aan het stuurrad te
wagen. Hoe hij het hem lapte begrijp ik nog niet, maar in plaats van
de steekschalm uit te schroeven, plons ging het tweede anker naar
beneden, en daar lagen we dubbel geankerd.
"Eindelijk was hij zóó ver dat allebei de ankers geslipt en de stagfok
en kluiver omhoog waren, en de _Duchess_ viel af en stevende naar de
doorvaart. Ons dek was de moeite waard om te zien. Doode en stervende
nikkers lagen overal. Sommigen zaten weggestopt op de onmogelijkste
plaatsen. De kajuit zat er vol mee, waar ze van het dek weggekropen
en naar beneden getuimeld waren. Ik zette Saxtorph en zijn ploeg
doodgravers aan het overboord zetten, en erover gingen ze, levenden en
dooden. De haaien hadden een vette, dien dag. Natuurlijk gingen onze
vier vermoorde matrozen denzelfden weg. Maar hun hoofden deden we in
een zak met gewichten eraan, dat ze niet naar het strand drijven en
in de handen van de nikkers zouden vallen.
"Onze vijf gevangenen besloot ik als bemanning te gebruiken,
maar zij besloten anders. Ze namen hun kans waar, en sprongen
overboord. Saxtorph schoot er twee dood met zijn revolver terwijl
ze nog in de lucht zweefden, en hij zou de andere drie in het water
ook nog naar de andere wereld hebben geholpen als ik hem niet tegen
gehouden had. Ja, ik had genoeg van het moorden, en bovendien, ze
hadden meegeholpen den schoener naar buiten te brengen. Maar het
was weggegooid medelijden, want ze werden alle drie door de haaien
ingepikt.
"Ik kreeg hersenkoorts of iets dergelijks toen we goed en wel in
volle zee waren; tenminste de _Duchess_ lag drie weken bijgedraaid;
toen pas was ik mezelf weer meester, en we sukkelden verder met de
schuit naar Sydney. In ieder geval hebben die nikkers van Maloe de
eeuwige les geleerd, dat het niet goed is, gekheid te maken met een
blanke. Saxtorph was zonder eenigen twijfel onvermijdelijk voor hen."
Charley Roberts floot eens, en zei:
"Je zou het zoo zeggen. Maar wat is er van Saxtorph geworden?"
"Hij is bij de robbenvaart terecht gekomen, en een heele beroemdheid
geworden. Zes jaren lang was hij een geweldig heer in de vloten
van San Francisco en Victoria. Het zevende jaar is zijn schoener
in de Beringzee ingepikt door een Russischen kruiser, en alle hens,
zoo ging het verhaal, zijn in de zoutmijnen van Siberië gesmakt. Ten
minste ik heb nooit meer iets van hem gehoord."
"De wereld ontginnen", mompelde Roberts. "De wereld ontginnen. Hier,
op hun gezondheid, iemand moet het toch doen--de wereld ontginnen,
bedoel ik."
Kapitein Woodward wreef de lidteekens die kriskrasten over zijn
kaal hoofd.
"Ik heb er mijn deel toe bijgedragen", zei hij. "Veertig jaar nu
al. Dit is mijn laatste reis. Dan ga ik voor goed naar huis."
"Ik verwed er den borrel onder dat je het niet doet", tartte
Roberts. "Jij gaat dood in het harnas, niet in je bed."
Kapitein Woodward nam de weddenschap dadelijk aan, maar ik voor mij
denk dat Charley Roberts de beste kans heeft.