DE KLEINE JOHANNES.

Eerste deel.

[Doel.] In "De Kleine Johannes" schetst Van Eeden ons symbolisch de

ontwikkeling van een knaap tot jongeling, en laat ons dus een blik

werpen in 't zieleleven van een mensch.

[Eigenschappen van Johannes.] Johannes is een jongetje met een

levendige fantasie, dieren beschouwt hij haast als zijns gelijken, dat

zegt ons z'n behandeling van Presto en Simon; levenlooze voorwerpen

denkt hij zich als bezielde wezens, hij praat met het behangsel en

met de hangklok; zijn hand streelt de oude boomen, die hem ruischend

voor zijn vriendelijkheid danken. Groot is zijn liefde voor de natuur

en zijn schoonheidsgevoel is sterk ontwikkeld. Dat heeft hij vooral

van zijn vader, "een wijs ernstig man die hem dikwijls medenam

op lange tochten door wouden en duinen." In den grooten tuin vond

Johannes het heerlijk, vooral achterin bij "den vijver, waar witte

waterleliën dreven en het riet lange fluisterende gesprekken hield

met den wind." Daar was Johannes' paradijs, waar hij uren lag te

staren zonder zich ooit te vervelen. Als zich bij zonsondergang een

schitterende wolkengrot vormde, verlangde Johannes daarheen te vliegen

om te kunnen zien, wat daarachter zou zijn. Hij is dus een kleine

droomer, iemand met een trek naar 't geheimzinnige. Hij verwacht dan

ook dat er eens een wonder zal komen en als hij 's avonds bad, was

't slot meestal de wensch dat er toch eens een wonder mocht gebeuren.

't Wonder kòmt. Op een prachtigen zomeravond drijft Johannes in een

bootje op den vijver, weer ziet hij de ontzaglijke poort waarachter

de zon ter ruste zou gaan, weer staart Johannes in de diepte van de

lichtgrot. "Vleugels! dacht hij, nu vleugels! en daarheen!"

[Windekind.] Daar verschijnt hem Windekind, een licht, rank wezentje,

met glazen haftvleugels. Windekind is de fantasie, hier voorgesteld

als een wezen buiten Johannes, maar in werkelijkheid iets in hem,

een eigenschap van Johannes zelf. 't Is de geheimzinnige dichterlijke

kracht die in elk mensch aanwezig is en zooals we boven zagen, in

dit jongetje heel sterk is ontwikkeld. Van Eeden zelf geeft enkele

aanwijzingen. Windekind is immers geboren "uit de eerste stralen

der maan en de laatste der zon," hij is een kind der schemering;

de tijd om te fantaseeren en te droomen. Zijn stem klinkt als "het

schuifelen van het riet in den avondwind of het ruischen van den regen

op de bladen van het bosch" en Johannes heeft dan ook "een gevoel,

alsof hij het vreemde, blauwe wezen al lang kende."

[Invloed van Windekind.] Door zijn levendige fantasie ziet Johannes

nu alles rondom zich anders en beter dan vroeger; alles wordt

bezield. Hij leeft mee met de dieren en planten, als de krekels 's

avonds sjirpen, komt dat omdat er een krekelschool gehouden wordt

en de jonge krekeltjes hun lessen leeren; hij kan zich voorstellen

dat in een konijnenhol een liefdadigheidsfeest gevierd wordt,

omdat de menschen zooveel dieren gedood hebben en het er met de

nagelaten betrekkingen slecht uitziet; de sterren zijn niet anders

dan gestorven en verheerlijkte glimwormen; de dieren en planten die op

't zendingsfeest door de menschen bedreigd worden vereenigen zich om

ze te verdrijven; de bladeren van den eschdoorn zijn zwart gevlekt

omdat de kabouters als ze 's nachts geschreven hebben, des morgens

de rest van hun inktpotjes over die bladeren uitgooien.

Dit alles fantaseert Johannes in z'n droomstemming. Hij kan dat

eerst nadat Windekind hem op 't voorhoofd heeft gekust, dan is het

"alsof alles om hem heen verandert." Later zegt Windekind het nog

eens duidelijk: "Ik heb u de taal van vlinders en vogels geleerd en

den blik der bloemen doen verstaan."

[Satirieke gedeelten.] Terloops wijzen we er op dat in dit gedeelte tal

van satirieke opmerkingen gemaakt worden. Oberon b.v. de elfenkoning,

is als een échte koning heel voorzichtig; hij is allerminzaamst,

onderhoudt zich vriendelijk met verschillende gasten, roemt het

maanlicht in de duinen, kijkt met genoegen naar de wandversiering

en bij 't dansen gluren allen angstig naar den koning om een teeken

van goedkeuring op zijn gelaat te zien. "Maar de koning was bang om

ontevredenen te maken en keek zeer strak."

In de geschiedenis van de Vredemieren en de Strijdmieren, die elkander

vermoorden en heele kolonies uitroeien, omdat allen beweren den

echten kop van den eersten heiligen Vredemier te hebben, worden de

godsdienstoorlogen gehekeld. Johannes vindt het een bloeddorstig en

dom gezelschap, maar Windekind lacht en zegt: "O, gij moet hen niet

dom noemen. De menschen gaan naar de mieren om wijs te worden!"

Op 't zendingsfeest wordt gesproken over "Gods heerlijke natuur en de

wonderen der schepping, van Gods zonneschijn, van de lieve vogelen

en bloemen" en ondertusschen worden "heesters uiteengedrongen,

bloemen neergetrapt, de teere geuren der kamperfoelie-struiken door

nijdigen sigarenrook verdreven en de vroolijke meezenzwerm door harde

stemmen verjaagd, terwijl de nieuwsgierige konijntjes, die van den

duinrand gekomen waren om eens te kijken, verschrikt aan 't loopen

gaan." Na afloop blijven een menigte papieren, ledige flesschen

en sinaasappelschillen achter. "Zulke menschen", zegt Windekind,

"zijn geheel vervreemd van de natuur en haar medeschepselen."

In den parabel van den meikever, die niet zooals de ouderen de

"ernstige roeping" in zich gevoelt om zooveel mogelijk te eten, maar

die rond wil vliegen en snakt naar 't licht, schildert Van Eeden

ons de botsing tusschen den idealist onder de menschen, "die zijn

teedere ziel zal stooten en gepijnigd zal worden door grofheden"

en de materialist die niets beoogt dan stoffelijk voordeel.

Kribbelgauw, de groote held der kruisspinnen, die duizend van zijn

eigen kinderen vermoordde, is het type van den geweldigen veroveraar,

die later "eeuwig vereerd wordt om zijn grooten moordlust."

Dan nog de dikke aal die koning was in den vijver, "die altijd in

den modder lag te slapen, behalve wanneer hij eten kreeg, dat anderen

hem brachten. Hij at verschrikkelijk veel. Dat was omdat hij koning

was,--men wilde graag een dikken koning, dat stond deftig."

[Invloed van Wistik.] Voor Johannes begint een tweede periode van 't

leven: in hem ontwaakt de dorst naar kennis, hij wil het waarom der

dingen weten. Tal van vragen komen in snelle, spookachtige opeenvolging

in Johannes hoofd: "Waarom waren de menschen zoo? Waarom moest hij hen

verlaten? hun liefde verliezen? Waarom moest het winter worden? Waarom

moesten de bladeren vallen en de bloemen sterven: Waarom? Waarom?"

Johannes begint te beseffen dat de fantasie ons veel kan geven en

veel kan doen begrijpen, maar niet genoeg. Daarom vraagt hij raad aan

Wistik, evenals Windekind voorgesteld als een persoon buiten Johannes,

maar in werkelijk iets in hem: de dorst naar kennis. Wistik onderzoekt

niet zelf, maar haalt z'n kennis uit boeken en éen boek is er, waarnaar

hij rusteloos zoekt, "want dat ware boekje moet groot geluk en grooten

vrede brengen,--daarin moet nauwkeurig staan, waarom alles is zooals

het is, zoodat niemand iets meer kan vragen of verlangen." Dat boekje

tracht Johannes nu ook te vinden. Hij krijgt een aanwijzing van Wistik,

een soort tooverspreuk:

[Het geluksboek.] "Menschen hebben het gouden kistje, elfen hebben

den gouden sleutel, elfenvijand vindt het niet, menschenvriend slechts

opent het. Lentenacht is de rechte tijd en roodborstje weet den weg."

Wistik bedoelt:

Dat gelukbrengende boekje is te vinden bij de menschen; wie alles

wil begrijpen en doorgronden moet zich niet afzonderen, maar zich

begeven onder de menschen en daar werken en zoeken.

"Elfen hebben den gouden sleutel"; behalve 't werken onder de menschen

is er fantasie en een hooggestemd dichterlijk gemoed noodig om dat

groote geluk te begrijpen. Dat dichterlijke is vertegenwoordigd in

Oberon en Windekind.

"Elfenvijand vindt het niet." Al heeft iemand nog zooveel kennis,

hij zal de geheimen niet doorgronden als hem de goddelijke gave der

verbeelding en der poëzie ontbreekt. Johannes heeft die gave wel en

van Oberon heeft hij 't gouden sleuteltje dan ook al gekregen.

"Menschenvriend slechts opent het." Als men 't kistje en 't

sleuteltje heeft, kan men 't nog niet openen. Dat kan echter alleen

een menschenvriend, iemand die meeleeft met de menschen en meelijdt

met de lijdenden.

"Lentenacht is de rechte tijd en roodborstje weet den weg." De

lente is de tijd dat de natuur herboren wordt, de tijd der liefde en

't roodborstje met zijn gloeiende borst het symbool der vlammende

liefde. (Ook in 't derde deel is een groote vlam boven op den tempel

't zinnebeeld der liefde).

[Robinetta.] Johannes gaat het kistje zoeken. Windekind is weg, omdat

Johannes 't vertrouwen in hem verloren heeft en Johannes gaat onder de

menschen. Hij komt bij twee goede oude menschen, een tuinman en z'n

vrouw. Wel vindt hij daar een boek, den Bijbel, waaruit hij geregeld

moet voorlezen, maar dat is 't menschenboek en niet 't geluksboekje,

't welk Johannes zoekt. Windekind komt niet terug, maar eens op een

mooien lentedag ziet hij een meisje, Robinetta, die hem in gedaante,

in kleeding en in spreken aan Windekind doet denken. Weldra vergeet

hij Windekind voor Robinetta, "de naam Windekind klonk flauwer in

hem en verwarde met Robinetta." Schijnbaar is Johannes op den goeden

weg: 't is Lente en 't roodborstje dat hem den weg moet wijzen is

bij Robinetta. Johannes zelf wil echter niet verder zoeken: hij is

tevreden, genietend van z'n jonge liefde, maar Wistik laat hem niet

met rust en hij vraagt werkelijk 't roodborstje of 't den weg weet

naar 't gouden kistje. Het diertje knikt, maar tjilpt, terwijl 't

schuins naar Robinetta gluurt: "Hier niet, hier niet!" De liefde voor

Robinetta is niet de wàre liefde, door haar kan hij het ware geluk niet

deelachtig worden. Later, in 't tweede en derde deel, zegt Van Eeden

ons, welke liefde bedoeld is: de liefde tot den Vader en de Menschheid.

Robinetta begrijpt Johannes niet en als hij haar spreekt over dat

boekje, denkt ze dat hij den Bijbel bedoelt en dàt boek zal Johannes

den volgenden dag zien. Dan volgt de vreeselijke ontnuchtering:

Johannes bedoelt niet het "boek der boeken", hij is zelfs zoo dwaas

iets te zeggen van 't geen Windekind hem geleerd heeft, wordt voor

goddeloos en diep bedorven gescholden en met schande weggejaagd.

[Pluizer.] Johannes is geheel gebroken. Robinetta is weg voor altijd,

Windekind zal nooit terugkomen, de bloemen en dieren vertrouwen hem

niet meer en tevergeefs zocht hij met Wistik het gouden sleuteltje. In

dezen toestand kon Pluizer gemakkelijk den baas over hem spelen

en hem, althans voorloopig, in z'n macht houden. Pluizer is weer

iets in Johannes zelf, dat als een persoon wordt voorgesteld:

't is de zucht om alles na te snuffelen en uit te pluizen, de

materialistische levensbeschouwing, die al 't dichterlijke in den

mensch doodt en in niets gelooft dan in de stof. Pluizer is dus

't type van den materialist en hij stelt zich dan ook ten doel alle

idealen van Johannes te vernietigen, z'n fantasie te dooden. In de

bloedroode wolken "is het mistig, grijs en koud"; Windekind bestaat

niet; Robinetta hield Johannes even goed voor den gek als de anderen,

ze vond hem een aardig jongetje en heeft met hem gespeeld, zooals ze

met een meikever zou spelen; de liefde voor het Groote Licht is een

praatje van Windekind, hersenschimmen, droomerijen; een bal is een

groote hengelpartij. Pluizer toont Johannes juist het afzichtelijke:

hij leidt hem door de krotten der wereldstad, door de ziekenzalen en

zelfs voert hij hem in 't kerkhof om Johannes te laten zien wat er

eens van de menschen zal worden.

[Dr. Cijfer.] Door Pluizer komt Johannes in aanraking met Dr. Cijfer,

het type van den natuuronderzoeker, die alles systematisch nagaat,

en ten slotte het gevondene in een formule tracht vast te leggen. Hij

is een heel ander en hooger staand man dan Pluizer. Cijfer is geen

mensch zonder gevoel, maar hem gaat de wetenschap boven alles. Zulk

een mensch moet de kleine gevoeligheden die de gewone menschen kennen,

laten varen voor dat éene groote:--de wetenschap. Hier is 't: alles

of niets.

Johannes komt in de leer bij dokter Cijfer, maar rust en vrede

vindt hij niet. Als Cijfer iets in bizonderheden heeft nagegaan en

zijn uitkomst in een formule heeft uitgedrukt, is hij tevreden, maar

Johannes niet. "Alles viel uiteen tot cijfers--bladen vol cijfers. Dat

vond doctor Cijfer heerlijk, en hij zeide, dat het hem licht werd,

als de cijfers kwamen,--doch voor Johannes was dat duisternis."

Zoo is deze periode in Johannes' leven een tijd van doodende

duisternis. Er moet iets bizonders gebeuren om hem tot zich zelf

te brengen en hem de kracht te geven zich te ontworstelen aan het

neerdrukkende materialisme. Die crisis komt werkelijk: Pluizer durft

de hand slaan aan 't lijk van Johannes' vader--een vader is immers

een gewoon mensch, niets anders! Zelfs de ouderliefde wordt door het

materialisme aangetast en daartegen komt Johannes in opstand. Hij

strijdt tegen Pluizer en overwint. Maar gelùkkig is hij nog niet.

[Johannes vrij.] Hij ziet De Dood aan 't sterfbed, met z'n zachte

ernstige oogen en hij smeekt dezen hem mee te nemen, maar hij

weigert. "Zal Pluizer weerkomen?" fluistert Johannes. "Nooit. Wie hem

eenmaal aandurft, ziet hem niet weer." Wie eens met het materialisme

heeft gebroken, heeft aan z'n heerschappij voorgoed een einde gemaakt.

Windekind zal Johannes hier evenmin terugzien: het onschuldige genot

der kinderjaren keert nimmer terug: het leven eischt ernst van den

mensch. "Gij moet een goed mensch worden Johannes. Het is een schoon

ding een goed mensch te zijn," zegt de Dood.

Zoo komt een nieuwe strijd voor Johannes. Tegen den avond staat hij

aan de wonderschoone, lokkende zee, hij ziet Windekind in een bootje

op de golven wegdrijven met het gouden kistje in de hand. Naast hem

staat de Dood: alleen deze kan Johannes bij Windekind brengen en door

den dood alleen kan hij 't boekje vinden.

[Nieuw ideaal.] Maar terwijl Johannes staart naar de wenkende

gestalte van Windekind, ziet hij plotseling een gedaante over de

golven aanschrijden: de Liefde voor de Menschheid.

Deze Mensch laat Johannes de keuze: òf de Dood, Windekind en het Groote

Licht waarnaar hij altijd verlangd heeft, of een leven van dienende

liefde gewijd aan de lijdende Menschheid. Dan voelt Johannes een nieuw

leven in zich opbloeien: hij wil zich wijden tot priester in dienst

der Menschheid. Hij beseft dat hij een egoïst geweest is: hij wenschte

kennis en geluk alleen voor zich--aan de lijdende menschen heeft hij

niet gedacht. Maar nu is z'n levensdoel hem duidelijk geworden: hij

zal leven voor de verdrukten. "Met zijn ernstigen geleider gaat hij

den killen nachtwind tegemoet, den zwaren weg naar de groote duistere

stad, waar de menschheid is en haar weedom."

Tweede en Derde Deel.

[Het nieuwe leven.] Voor Johannes begint een nieuwe periode: hij zal

aan de hand van zijn Geleider het leven doorgaan, hij zal kennis maken

met verschillende menschen en onder hen den vrede zoeken, die hij nog

nergens gevonden heeft. Vandaar ook een verschil tusschen het eerste

boek en de twee laatste: het eerste 't boek der fantasie, de beide

andere, voor een groot deel tenminste, die der werkelijkheid. Van

Eeden geeft in deze twee deelen zijn meening over onze maatschappij:

hoe die is en hoe ze volgens hem moet zijn. 't Is dus een verbinding

van realiteit en fantasie.

Johannes moet nu zijn weg door 't moeilijke leven zoeken. Hij wordt

geleid door de Liefde voor de Menschheid, een liefde die altijd

in hem was, maar sluimerde. De mensch die over de woelende, vurige

wateren heen schrijdt en Johannes toespreekt, zegt: "Ik was het, die

u deed weenen om de menschen, terwijl gij uwe tranen niet begrijpen

kondt. Ik was het die u deed liefhebben, waar gij uw liefde niet

verstand. Ik ben bij u geweest, en gij hebt mij niet gezien, ik heb

uwe ziel bewogen en gij hebt mij niet gekend" (deel I blz. 191).

Maar niet dadelijk wordt dat goede in den mensch bewust: "Vele tranen

moeten de oogen verhelderen, die mij zien zullen." Schijnbaar zal die

goede geleider ons wel eens verlaten, maar in werkelijkheid niet. De

geleider zegt dan ook tot Johannes: "Welnu Johannes, onthoud dan dit,

gij hebt mij altijd bij u (II. 7). Vandaar ook dat die Geleider soms

geruimen tijd verdwijnt, maar telkens terugkomt en tevens dat Johannes

voelt dàt zijn vriend terug zal keeren.

[De Geleider Markus Vis.] De Geleider is weer iets in Johannes zelf:

zijn liefde voor de lijdende menschheid en zijn streven om die

menschheid op te heffen. En dat weer voorgesteld als een persoon,

als de scharenslijper Markus Vis, een figuur die ons telkens aan

Christus doet denken en door zijn uiterlijk en door zijn wijze van

optreden. Glanzend bleek is zijn gelaat "met de golvende lokken, de

oogen vol eindeloos zachten weemoed", die onuitsprekelijke deernis

opwekken, en dan de stem met haar zachten, diepen klank. Hij steunt

de lijdenden en verdrukten en tuchtigt de Farizeeërs. Van Eeden laat

Christus als 't ware nòg eens op aarde komen en schetst ons hoe Hij

thans behandeld zou worden.

Als een arm mensch komt de Geleider onder de menschen en dat mòet: hij

wil de broeder der menschen zijn opdat zij hem zullen kennen. "Mijn

ziel is hoog en mijn hart blij--en omdat ik zoo sterk ben, kan ik

buigen tot hen, die laag en droevig zijn, opdat ze mij bereiken en

met mij het Licht." Hij is dus een arm mensch, omdat de verdrukten

hem dan beter zullen begrijpen en hij ze eerst dàn kan opheffen.

[Twee hoofdpersonen.] Er zijn door deze eigenaardige wijze van

voorstellen twee hoofdpersonen: Johannes en Markus, die dikwijls

naast elkaar gaan, maar soms is Johannes geruimen tijd alleen. Van

Eeden leert ons dus op twee wijzen:

Gids bij de studie der Nederlandsche letterkunde Voor leerlingen der gymnasia, H. B. scholen en studeerenden voor de hoofdacte · 第 76 / 83 题