Hier ontmoeten we het eerste symptoom van een geest tot verzet,
het eerste teeken van een mogelijken opstand.
En merk nu op, hoe handig Belzebub van dezen uitroep gebruik maakt:
daartoe wilde hij Lucifer brengen; zijn taak is thans den aartsengel
in zijn verzet te stijven en dit doet hij door nogmaals op diens
hoogmoed en eerzucht te werken. Hij begint zijn meester te vleien:
"Nu herken ik Lucifer, den machtigen vorst, den eerste en allernaaste
aan God, den engel in wien wij allen God aanbidden--en zou zoo iemand
lafhartig zwichten voor een ander? En nog wel voor een jonger zoon? Zou
hij dus toestaan, dat het erfrecht werd geschonden?"
Lucifer windt zich al meer en meer op, zoodat hij ten slotte uitbarst:
433. "En liever d' eerste Vorst in eenigh lager hof,
Dan in 't gezalight licht de tweede, of noch een minder."
Dan is hij reeds geheel de trotsche Cesar, die de heerschappij wenscht
alleen, omdat hij wil heerschen.
[Gesprek met Gabriël.] Thans komt Gabriël en wordt dus de eerste poging
gedaan om Lucifer op het goede spoor te brengen; maar, zooals te
verwachten was, gelukt het niet--de stedehouder wordt juist al meer
en meer tot den opstand gedreven. Hij moet tegen Gabriël argumenten
gebruiken, zijn gevoelens moet hij onder woorden brengen, hij moet
ze verdedigen tegen een ander en juist dit veroorzaakt dat zijn
overtuiging steeds hechter wordt.
Duidelijk komt hier uit dat Lucifer geheel onder invloed van Belzebub
staat, want hij gebruikt telkens dezelfde argumenten als deze, soms
letterlijk dezelfde woorden.
Door zijn gesprek met Gabriël wordt Lucifer nog meer verbitterd:
tegen al 't geen hij zegt, voert "Gods geheimenistolck" niets anders
aan dan dit: "God heeft het aldus besloten, gij hebt slechts te
gehoorzamen." Natuurlijk wordt iemand met een temperament als dat van
Lucifer daardoor steeds meer geprikkeld. Zijn prikkelbaarheid blijkt
uit de wijze waarop hij Gabriël antwoordt.
Bovendien moet er op gelet worden dat thans een nieuw argument door
Lucifer gebruikt wordt, 't is de gewone fictie, welke door alle
opstandelingen uit Vondels dagen werd vooropgesteld: we strijden niet
tegen den vorst, maar slechts tegen zijn dienaren, dus feitelijk niet
tegen, maar vóor den souverein. Deze stelling is zoowel door Willem
van Oranje, als door Cromwell en Wallenstein verkondigd.
Gabriël ontneemt den opstandeling deze illusie echter dadelijk:
't is niet noodig voor Gods eer te strijden. Hij zelf weet dat beter
te doen dan iemand anders. "God kent het punt waarin zijn hoogheid
is gelegen, veel beter dan wij."
We zullen verder zien dat Lucifer niettegenstaande Gabriëls opmerking
toch deze fictie tot het laatst toe volhoudt, en telkens zijn getrouwen
er aan herinnert dat ze voor God strijden.
Gabriël treedt ten slotte autoritair op en maakt eenvoudig een einde
aan 't gesprek door Lucifer in naam van God te bevelen zijn plicht
te doen als stedehouder. Natuurlijk wordt de opgewonden aartsengel
daardoor nog prikkelbaarder.
[Ophitsing door Belzebub.] Direct na Gabriëls vertrek is Belzebub weer
op zijn post: Lucifer mag geen oogenblik alleen zijn, hij mocht eens
door Gabriël tot inkeer gebracht zijn--Belzebub smeedt het ijzer als
't heet is. Zijn wijze van optreden is weer meesterlijk: hoe door en
door kent hij Lucifer! Deze is natuurlijk verontwaardigd over Gabriëls
optreden en dadelijk maakt Belzebub van die gemoedsstemming gebruik:
hij prikkelt den aartsengel nog meer, door hem er oogenblikkelijk
aan te herinneren, hoe hij door Gabriël als een ondergeschikte is
behandeld: