410. "Dat zal ik keeren, is het anders in myn maght."

Hier ontmoeten we het eerste symptoom van een geest tot verzet,

het eerste teeken van een mogelijken opstand.

En merk nu op, hoe handig Belzebub van dezen uitroep gebruik maakt:

daartoe wilde hij Lucifer brengen; zijn taak is thans den aartsengel

in zijn verzet te stijven en dit doet hij door nogmaals op diens

hoogmoed en eerzucht te werken. Hij begint zijn meester te vleien:

"Nu herken ik Lucifer, den machtigen vorst, den eerste en allernaaste

aan God, den engel in wien wij allen God aanbidden--en zou zoo iemand

lafhartig zwichten voor een ander? En nog wel voor een jonger zoon? Zou

hij dus toestaan, dat het erfrecht werd geschonden?"

Lucifer windt zich al meer en meer op, zoodat hij ten slotte uitbarst:

433. "En liever d' eerste Vorst in eenigh lager hof,

Dan in 't gezalight licht de tweede, of noch een minder."

Dan is hij reeds geheel de trotsche Cesar, die de heerschappij wenscht

alleen, omdat hij wil heerschen.

[Gesprek met Gabriël.] Thans komt Gabriël en wordt dus de eerste poging

gedaan om Lucifer op het goede spoor te brengen; maar, zooals te

verwachten was, gelukt het niet--de stedehouder wordt juist al meer

en meer tot den opstand gedreven. Hij moet tegen Gabriël argumenten

gebruiken, zijn gevoelens moet hij onder woorden brengen, hij moet

ze verdedigen tegen een ander en juist dit veroorzaakt dat zijn

overtuiging steeds hechter wordt.

Duidelijk komt hier uit dat Lucifer geheel onder invloed van Belzebub

staat, want hij gebruikt telkens dezelfde argumenten als deze, soms

letterlijk dezelfde woorden.

Door zijn gesprek met Gabriël wordt Lucifer nog meer verbitterd:

tegen al 't geen hij zegt, voert "Gods geheimenistolck" niets anders

aan dan dit: "God heeft het aldus besloten, gij hebt slechts te

gehoorzamen." Natuurlijk wordt iemand met een temperament als dat van

Lucifer daardoor steeds meer geprikkeld. Zijn prikkelbaarheid blijkt

uit de wijze waarop hij Gabriël antwoordt.

Bovendien moet er op gelet worden dat thans een nieuw argument door

Lucifer gebruikt wordt, 't is de gewone fictie, welke door alle

opstandelingen uit Vondels dagen werd vooropgesteld: we strijden niet

tegen den vorst, maar slechts tegen zijn dienaren, dus feitelijk niet

tegen, maar vóor den souverein. Deze stelling is zoowel door Willem

van Oranje, als door Cromwell en Wallenstein verkondigd.

Gabriël ontneemt den opstandeling deze illusie echter dadelijk:

't is niet noodig voor Gods eer te strijden. Hij zelf weet dat beter

te doen dan iemand anders. "God kent het punt waarin zijn hoogheid

is gelegen, veel beter dan wij."

We zullen verder zien dat Lucifer niettegenstaande Gabriëls opmerking

toch deze fictie tot het laatst toe volhoudt, en telkens zijn getrouwen

er aan herinnert dat ze voor God strijden.

Gabriël treedt ten slotte autoritair op en maakt eenvoudig een einde

aan 't gesprek door Lucifer in naam van God te bevelen zijn plicht

te doen als stedehouder. Natuurlijk wordt de opgewonden aartsengel

daardoor nog prikkelbaarder.

[Ophitsing door Belzebub.] Direct na Gabriëls vertrek is Belzebub weer

op zijn post: Lucifer mag geen oogenblik alleen zijn, hij mocht eens

door Gabriël tot inkeer gebracht zijn--Belzebub smeedt het ijzer als

't heet is. Zijn wijze van optreden is weer meesterlijk: hoe door en

door kent hij Lucifer! Deze is natuurlijk verontwaardigd over Gabriëls

optreden en dadelijk maakt Belzebub van die gemoedsstemming gebruik:

hij prikkelt den aartsengel nog meer, door hem er oogenblikkelijk

aan te herinneren, hoe hij door Gabriël als een ondergeschikte is

behandeld:

Gids bij de studie der Nederlandsche letterkunde Voor leerlingen der gymnasia, H. B. scholen en studeerenden voor de hoofdacte · 第 20 / 83 题