218. "Godt sloot van eeuwigheit het Menschdom te verheffen
Oock boven 't Engelsdom.
2. Uit den mensch zal voortkomen: "het Eeuwigh Woort, bekleet met
been en aren." Hij zal plaats nemen op den troon en over hemel en
aarde gebieden.
3. De engelen zullen dus ten slotte iemand die mènsch geweest is,
moeten aanbidden.
4. Reeds dadelijk worden de engelen in dienst gesteld van den mensch,
hij is dus als 't ware reeds nu hun gebieder. Men vergelijke de
regels 261-280.
Het is te begrijpen hoe vernederd vele engelen zich moeten gevoelen--er
wordt wel is waar nog niet aan een opstand gedacht, maar toch is
de bodem reeds bewerkt. Een enkel doortastend persoon kan in deze
omstandigheden veel uitwerken. 't Is dus zeer juist gezien van Vondel,
dat hij thans Lucifer laat optreden.
[Stemming van Lucifer.] De aartsengel is natuurlijk met den geheelen
toestand op de hoogte; zijn zielstoestand moet ons dus doen denken
aan de klachten in 't eerste bedrijf geuit. Dit is dan ook werkelijk
het geval, zooals uit het volgende zal blijken.
Hij verkeert in een zeer bittere stemming: Lucifer, de machtige
aartsengel, Gods stedehouder, de Morgenstar, "waer voor d'Aertsengelen
nijgen," moet nu "duicken" voor een nieuwe ster: zijn macht verdwijnt,
een nieuwe "klaerheit komt in 't licht der Godtheit stygen."
Aan een opstand denkt de aartsengel evenwel nog niet, zooals blijkt
uit de woorden:
374. -- -- -- -- -- "Hier gelt geen tegenspraeck: ghy hoort
Wat Gabriël bazuint voor 's hemels goude poort."
[Invloed van Belzebub.] Thans komt echter Belzebub en dit is degene,
die Lucifer door listige middelen, vooral door te speculeeren op de
zwakheden van zijn karakter, tot den opstand dwingt. Belzebub handelt
op de volgende wijze:
1. Hij wijst er op, dat de mensch van zeer lage, geringe afkomst is,
dus feitelijk ver beneden de engelen behoort te staan. De Mensch is