Op een andere plaats (vs. 1502) wordt Calchas een "verloopen Phrijg"
genoemd, een overlooper dus. Ook dit wierp men enkele predikanten
dikwijls voor de voeten, o.a. Trigland, die oorspronkelijk Katholiek
was geweest, en waarschijnlijk zelfs voor den geestelijken stand
bestemd was, en bovendien den Leidschen predikant Fabricius, waarvan
Vondel in "Haec Libertatis Ergo" zegt:
57 "Een lichte Monnik, die zijn kap hing op den tuin,
Stelt Leiden nu de wet, en maakt zich 's volks Tribuin."
In de "Bede aen de oppervyanden van de voorstanders der Vryheit tot
Leyden" wordt hij betiteld als "Paep Henrix" (vs. 14) [3].
[Ulysses-Aerssen.] Ulysses vertoont veel overeenkomst met François
van Aerssen, die door Oldenbarnevelts steun opklom tot gezant aan
het Fransche Hof maar de meest verbitterde tegenstander van den
Advocaat werd. Zoo wordt o.a. een pamflet dat in 1617 verscheen, het
"Nootwendigh ende levendig discours", waarin Oldenbarnevelt geducht
wordt aangevallen, gewoonlijk toegeschreven aan Aerssen. In 1618 werd
er een scherpe pamfletten-strijd gevoerd tusschen Aerssen en den
schoonzoon van Oldenbarnevelt, Van der Mijle. Nadat Oldenbarnevelt
gevallen was werd Aerssen de leider der buitenlandsche politiek.
In de hekeldichten van Vondel wordt de voormalige gezant niet gespaard;
telkens wordt op zijn minder eerlijke praktijken gezinspeeld. In
de "Medaellie voor de Gommariste Kettermeester en Inquisiteur te
Dordrecht" vinden we 't volgende:
9. "Hangt een van u ledematen,
Die tot nadeel van de Staten,
Voor den duivel henen zeilt,
En het lant aan Vrankrijk veilt,
Die veel schatten heeft verzwolgen,
En staegh toeleit op vervolgen.
waarbij aangeteekend staat: "François van Aerssen, Heer van
Sommelsdijk, weleer gezant van Vrankrijk, een vrek en gierig man,
die zich tot alles met geschenken liet omkoopen, een bitter vijant
van Barnevelt en de Remonstranten."
Dezelfde getuigenis geeft Vondel nogmaals van hem in het "Decretum
horrible:"
"-- -- -- -- -- Zou men dan, om pistolettegout,
Of heldren zonneglans van Fransche lelikronen,
Geen Vaderlant verraên, en zeven vorstentroonen?"
waarbij aangeteekend is, dat Oldenbarnevelt van den bedoelden persoon
in eene zitting van de Staten van Holland 't volgende getuigde: "Ik heb
deesen Aerssen tot het Ambassadeurschap helpen promoveeren, alzoo ik
bespeurde, dat hij gaeu was, en heeft ook zeer goede diensten gedaan;
maer in 't jaar 1606 heeft hij in presentie van mij, en zoo ik goede
memorie heb, mede bij de Heeren Van der Aa en Joachimi, geproponeert om
deesen landen aen de Majesteit van Vrankrijk op te draegen op zekere
conditiën: als men de Roomsche Religie in het Land zou toelaten; en
in 't jaer 1607 daer nae heeft hij nog breeder de zaak gededuceert;
welke propositie of zij eerst van den koning is voortgekomen, dan of
Aerssen zelve die den Koning hadt ingegeven, kan ik wel niet zeggen;
doch zoo heb een advijs, van een Grooten van Vrankrijk geschreven:
"Aujourdhuy est cecy au Roi remonstré," en die overgroote rijkdom
van Aerssen is mij zeer suspect."
Aerssen behoorde tot de commissie, die belast werd met het doorzoeken
van Oldenbarnevelts papieren. Fruin zegt van dit onderzoek: "Dat
geen bewijzen van schuld uit de vermeesterde papieren aan den dag is
gebracht, staat in mijn oogen met een finale vrijspraak gelijk."
Er is een treffende overeenkomst tusschen de handelingen van Ulysses
en Aerssen: Ulysses beschuldigt Palamedes goud te hebben aangenomen
van den vijand; Aerssen zegt in zijn pamfletten hetzelfde.
422. "Mijn vyand staet versuft, en dut, en is versaeght:
Hij vind sich raedeloos, om van de lastermonden
En logens sich t' ontslaen, waer mede hy wordt geschonden.
Te meer hij sich verweert [4] en na sijne onschuld tracht,
Te meer het lastren groeyt. Hy is, en blyft verdacht.
Het krijghsvolck is gedeelt: d' een looft hem als een vader,
En d' ander hem verspuwt, en scheld voor landverrader.
In de laatste bedrijven van den Palamedes is Ulysses echter niet
identiek met Aerssen, omdat de laatste niet tot de 24 rechters heeft
behoord.
[Diomedes-Muys van Holy.] Diomedes is waarschijnlijk Hugo Muys
van Holy, schout en burgemeester van Dordrecht en tevens rechter
van Oldenbarnevelt. Hij speelde een gewichtige rol op de Dordtsche
Synode. Vondel noemt hem in de Medaellie:
"Groote lantsdief, Hollants kruis."
terwijl de dichter ook in den Roskam op hem zinspeelt, als hij spreekt
over de slechte, ontrouwe regenten:
163 "Wat wordt er nu gespilt! wat sou men dan bespaeren!
Men had, in tijt van noot, een schatkist sonder tal:
Maar nu is 't Muisevreught: de kat sit in de val."
Het handschrift van de Leidsche Universiteits-bibliotheek (zie de
Palamedes-uitgave van Hoogstra, blz. XXV) zegt: Diomedes is Graaf
Willem, de Heer van Duivenvoorde, de Raadsheer Franken, Pauw en andere
vijanden. Met Diomedes had Vondel dan ook zeker niet één persoon op
't oog, maar meerdere tegenstanders van den Advocaat.
[Andere personen.] Nestor komt op voor de belangen van Palamedes:
misschien mogen we bij hem daarom denken aan den raadsheer Junius die
Oldenbarnevelt verdedigde. Een andere pleiter voor den advocaat was
de Fransche gezant Du Maurier, die op last van de Fransche regeering
verschillende vertoogen indiende om 't leven van den beschuldigde te
redden. Frankrijk stond echter niet meer onder 't krachtige bestuur van
Hendrik IV; vandaar dat de nota's van den Franschen gezant eenvoudig
ter zijde werden gelegd.
Thersites is volgens beide uitgaven Gerrit Beukelsz. van Santen van
Delft, een der 24 rechters, die volgens de overlevering den wensch
uitsprak: "beul te mogen zijn om den Advocaat te kunnen verscheuren."
De Bode is misschien Jan Franken. Hij was de knecht van Oldenbarnevelt
die met hem de gevangenschap gedeeld heeft, hem in 't naar buiten
smokkelen van verschillende papieren behulpzaam is geweest en hem
tot op 't schavot diensten heeft bewezen. Later heeft Franken dit
alles opgeteekend en is zoodoende de beschrijver geworden van de
geheele lijdensgeschiedenis.
[Tweeslachtigheid van den Palamedes.] Tengevolge van de bewerking moest
de Palamedes een tweeslachtig stuk worden: we heeten ons te bevinden
in 't Grieksche leger voor Troje, maar worden telkens in Holland
verplaatst. We zouden daarvan vele voorbeelden kunnen bijbrengen,
maar zullen slechts een paar, die heel sprekend zijn, aanhalen.
Ulysses wil Palamedes niet tot gevangenschap veroordeeld hebben,
dat is hem te gevaarlijk, misschien "draeght men hem in een kist voor
boeken uit". Een wonderlijke uitdrukking in den mond van een Griek,
maar heel begrijpelijk voor Nederlanders uit Vondels tijd die zich
de ontvluchting van Oldenbarnevelts vriend De Groot nog zoo goed
herinnerden.
Palamedes verdedigt zich tegen de ingebrachte beschuldigingen en wijst
bovendien op 't vele, dat 't land aan hem heeft te danken. Zoo heeft
hij zelfs
"daer de naelde zwijmt, gestaen naer vrijen pas."
Geen Griek heeft zeker ooit aan iets dergelijks gedacht, nòch aan
een kompasnaald, noch aan 't zoeken van een doorvaart door de IJszee
naar Indië, maar Vondels tijdgenooten dachten natuurlijk dadelijk aan
Heemskerks pogingen, die eindigden met de overwintering op Nova Zembla.
[Vergelijking met den Ilias.] Aan 't slot van onze beschouwing wenschen
wij na te gaan in hoeverre Vondel bij 't teekenen der hoofdpersonen
zich gehouden heeft aan de Grieksche overlevering. Daarvoor zullen
we Vondels karakterteekening vergelijken met die uit den Ilias. De
voorstelling die Vondel in den Palamedes geeft van Ulysses, is geheel
afwijkend van die welke we in den Ilias vinden: bij Vondel is hij
niets dan een listige schurk, in den Ilias daarentegen een groot en
dapper krijgsheld, wel de "in vindingen rijke Odusseus", maar tevens
de godlijke krijgsheld, de "godengeliefde". Een enkele aanhaling moge
dit bewijzen.
"Maar thans stond er verlaten de lansenzwaaier Odusseus;
Geen der Argeiërs bleef, daar allen de vlucht op het lijf viel.
Wrevelig zeide hij nu tot het moedige hart bij zich zelven:
--Wee, wat moet mij geschieden? Een schandelijke daad als ik
wegvlood
Bang voor die menigte volks; maar erger indien ik gedood word
Gansch alleen, want Zeus deed d' andere Danaërs vluchten.
Doch waarom overlegt mijn gemoed toch zulke gedachten?
Immers ik weet dat de laffen zich wel onttrekken aan 't slagveld,
Maar die de edelsten zijn in den strijd, hunne dure verplichting
Eischt dat zij standvast blijven, getroffen of anderen
treffend." [5]
En hierop volgt hoe de dappere held zich verdedigt tegen de Trojanen
en hen neervelt als een wild zwijn de jachthonden.
Vondel kon Ulyssus evenwel niet voorstellen als een dapper en edel
krijgsman; waarom natuurlijk niet?
In de teekening van Diomedes merken we 't zelfde op: van hem zegt de
dichter niets goeds en toch behoort ook deze held tot de dapperste
Grieken. Hij staat onder bizondere bescherming van de godin Pallas
Athene en de vijfde zang van den Ilias [6] is zelfs geheel aan zijn
heldendaden gewijd. Hij verdrijft de dapperste Trojanen o. a. Aineas
en Hector en wondt de godin Afrodite, die den eerste tracht te
beschermen. Ten slotte brengt hij zelfs met behulp van Athene den
krijgsgod Ares een geduchte wond toe.
In zijn gesprek met Ulysses (vs. 455-590) wordt Diomedes door Vondel
zelfs voorgesteld als een lafhartig mensch.
Later wordt evenwel van hem gezegd:
"Ik ben een man in 't veld, om op een moedigh paerd,
Dat schuymbeckt, briescht, en krabt, en stof werpt met sijn voeten,
Mijn' vijand voor de vuyst, met swaerd en speer, t' ontmoeten."
Hierin vinden we althans den echten Diomedes terug.
Agamemnon, de aanvoerder der Grieken, is ook in den Ilias een
heerschzuchtig vorst, die soms wel dapper strijdt, maar toch op andere
oogenblikken heel wat van zijn krijgsgezellen moet hooren. Zoo voegt
Diomedes hem toe:
"-- -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- Zeus
Gunde u wel door uw scepter vereerd voor allen te wezen,
Maar moed gaf hij u niet, de vermogendste toch van de krachten, [7]
terwijl hij ook in andere gedeelten als een hoogmoedig vorst wordt
geschilderd. In dat laatste opzicht komt de Agamemnon van Vondel
overeen met dien uit den Ilias.
Nestor is in Vondels drama de wijze raadgever, de verstandigste
der Grieken en evenzoo stelt hem Homerus voor. Een enkele aanhaling
bewijst dat duidelijk.
"Nadat zij spijzen en dranken naar begeerte des harten genoten,
Gaf hun de grijsaard 't eerst in beraad zijn verstandigen voorslag,
Nestor, die bleek ook vroeger den zekersten raad te
verschaffen." [8]
Calchas is de wichelaar, de priester in 't leger der Grieken. Hij
is vooral beroemd door zijne voorspellingen. Dat hij in den Ilias
volstrekt niet als een slecht mensch wordt voorgesteld, blijkt uit
de volgende aanhaling.
"-- -- -- -- -- -- -- --; toen rees uit hun midden
Kalchas, Thestors zoon, de voornaamste der vogelenwichelaars,
Hij die naar Ilios meê aan de vloot der Achaiërs tot leidsman
Ziener van alles wat is, zijn zal en te voren geweest is,
Was met zijn schouwenden geest, als Apolloon Foibos het ingaf.
Deze nu sprak welmeenend hun toe. -- -- -- -- -- -- [9]
In den Palamedes is hij geheel anders geteekend: daar is hij de
slechte priester, die het geloof misbruikt en zijn macht aanwendt om
zijn wraakzucht te bevredigen.
Eurypilus speelt in den Ilias een zeer ondergeschikte rol; hij is
een Griek, die door Paris met diens pijlen gewond wordt.
Zeer goed in den toon is gebleven Thersites, die zoowel in den
Palamedes als in den Ilias voorgesteld wordt als een onbeschaamde
schreeuwer. We halen de volgende verzen aan, die hem duidelijk
typeeren. Er wordt in 't leger der Grieken eene vergadering gehouden,
die geleid wordt door den aanvoerder Agamemnon.
"Nu zat elk daar neder en hield zich bedaard op de zetels.
Maar alleen nog schreeuwde de eindlooze zwetser Thersites,
Hij steeds vaardig van geest met een vloed onpassende woorden,
Dwaaslijk, om tegen de orde, de vorsten te tergen met schimptaal,
Waar het hem scheen, dat er iets den Argeiërs belachelijk ware.
Als men hiermee vergelijkt Thersites' optreden tegenover Nestor in
't vierde bedrijf van den Palamedes, blijkt dat Vondel het karakter
van den schreeuwer goed heeft weergegeven.