95 "Hy is een vreemdeling."

Op een andere plaats (vs. 1502) wordt Calchas een "verloopen Phrijg"

genoemd, een overlooper dus. Ook dit wierp men enkele predikanten

dikwijls voor de voeten, o.a. Trigland, die oorspronkelijk Katholiek

was geweest, en waarschijnlijk zelfs voor den geestelijken stand

bestemd was, en bovendien den Leidschen predikant Fabricius, waarvan

Vondel in "Haec Libertatis Ergo" zegt:

57 "Een lichte Monnik, die zijn kap hing op den tuin,

Stelt Leiden nu de wet, en maakt zich 's volks Tribuin."

In de "Bede aen de oppervyanden van de voorstanders der Vryheit tot

Leyden" wordt hij betiteld als "Paep Henrix" (vs. 14) [3].

[Ulysses-Aerssen.] Ulysses vertoont veel overeenkomst met François

van Aerssen, die door Oldenbarnevelts steun opklom tot gezant aan

het Fransche Hof maar de meest verbitterde tegenstander van den

Advocaat werd. Zoo wordt o.a. een pamflet dat in 1617 verscheen, het

"Nootwendigh ende levendig discours", waarin Oldenbarnevelt geducht

wordt aangevallen, gewoonlijk toegeschreven aan Aerssen. In 1618 werd

er een scherpe pamfletten-strijd gevoerd tusschen Aerssen en den

schoonzoon van Oldenbarnevelt, Van der Mijle. Nadat Oldenbarnevelt

gevallen was werd Aerssen de leider der buitenlandsche politiek.

In de hekeldichten van Vondel wordt de voormalige gezant niet gespaard;

telkens wordt op zijn minder eerlijke praktijken gezinspeeld. In

de "Medaellie voor de Gommariste Kettermeester en Inquisiteur te

Dordrecht" vinden we 't volgende:

9. "Hangt een van u ledematen,

Die tot nadeel van de Staten,

Voor den duivel henen zeilt,

En het lant aan Vrankrijk veilt,

Die veel schatten heeft verzwolgen,

En staegh toeleit op vervolgen.

waarbij aangeteekend staat: "François van Aerssen, Heer van

Sommelsdijk, weleer gezant van Vrankrijk, een vrek en gierig man,

die zich tot alles met geschenken liet omkoopen, een bitter vijant

van Barnevelt en de Remonstranten."

Dezelfde getuigenis geeft Vondel nogmaals van hem in het "Decretum

horrible:"

"-- -- -- -- -- Zou men dan, om pistolettegout,

Of heldren zonneglans van Fransche lelikronen,

Geen Vaderlant verraên, en zeven vorstentroonen?"

waarbij aangeteekend is, dat Oldenbarnevelt van den bedoelden persoon

in eene zitting van de Staten van Holland 't volgende getuigde: "Ik heb

deesen Aerssen tot het Ambassadeurschap helpen promoveeren, alzoo ik

bespeurde, dat hij gaeu was, en heeft ook zeer goede diensten gedaan;

maer in 't jaar 1606 heeft hij in presentie van mij, en zoo ik goede

memorie heb, mede bij de Heeren Van der Aa en Joachimi, geproponeert om

deesen landen aen de Majesteit van Vrankrijk op te draegen op zekere

conditiën: als men de Roomsche Religie in het Land zou toelaten; en

in 't jaer 1607 daer nae heeft hij nog breeder de zaak gededuceert;

welke propositie of zij eerst van den koning is voortgekomen, dan of

Aerssen zelve die den Koning hadt ingegeven, kan ik wel niet zeggen;

doch zoo heb een advijs, van een Grooten van Vrankrijk geschreven:

"Aujourdhuy est cecy au Roi remonstré," en die overgroote rijkdom

van Aerssen is mij zeer suspect."

Aerssen behoorde tot de commissie, die belast werd met het doorzoeken

van Oldenbarnevelts papieren. Fruin zegt van dit onderzoek: "Dat

geen bewijzen van schuld uit de vermeesterde papieren aan den dag is

gebracht, staat in mijn oogen met een finale vrijspraak gelijk."

Er is een treffende overeenkomst tusschen de handelingen van Ulysses

en Aerssen: Ulysses beschuldigt Palamedes goud te hebben aangenomen

van den vijand; Aerssen zegt in zijn pamfletten hetzelfde.

422. "Mijn vyand staet versuft, en dut, en is versaeght:

Hij vind sich raedeloos, om van de lastermonden

En logens sich t' ontslaen, waer mede hy wordt geschonden.

Te meer hij sich verweert [4] en na sijne onschuld tracht,

Te meer het lastren groeyt. Hy is, en blyft verdacht.

Het krijghsvolck is gedeelt: d' een looft hem als een vader,

En d' ander hem verspuwt, en scheld voor landverrader.

In de laatste bedrijven van den Palamedes is Ulysses echter niet

identiek met Aerssen, omdat de laatste niet tot de 24 rechters heeft

behoord.

[Diomedes-Muys van Holy.] Diomedes is waarschijnlijk Hugo Muys

van Holy, schout en burgemeester van Dordrecht en tevens rechter

van Oldenbarnevelt. Hij speelde een gewichtige rol op de Dordtsche

Synode. Vondel noemt hem in de Medaellie:

"Groote lantsdief, Hollants kruis."

terwijl de dichter ook in den Roskam op hem zinspeelt, als hij spreekt

over de slechte, ontrouwe regenten:

163 "Wat wordt er nu gespilt! wat sou men dan bespaeren!

Men had, in tijt van noot, een schatkist sonder tal:

Maar nu is 't Muisevreught: de kat sit in de val."

Het handschrift van de Leidsche Universiteits-bibliotheek (zie de

Palamedes-uitgave van Hoogstra, blz. XXV) zegt: Diomedes is Graaf

Willem, de Heer van Duivenvoorde, de Raadsheer Franken, Pauw en andere

vijanden. Met Diomedes had Vondel dan ook zeker niet één persoon op

't oog, maar meerdere tegenstanders van den Advocaat.

[Andere personen.] Nestor komt op voor de belangen van Palamedes:

misschien mogen we bij hem daarom denken aan den raadsheer Junius die

Oldenbarnevelt verdedigde. Een andere pleiter voor den advocaat was

de Fransche gezant Du Maurier, die op last van de Fransche regeering

verschillende vertoogen indiende om 't leven van den beschuldigde te

redden. Frankrijk stond echter niet meer onder 't krachtige bestuur van

Hendrik IV; vandaar dat de nota's van den Franschen gezant eenvoudig

ter zijde werden gelegd.

Thersites is volgens beide uitgaven Gerrit Beukelsz. van Santen van

Delft, een der 24 rechters, die volgens de overlevering den wensch

uitsprak: "beul te mogen zijn om den Advocaat te kunnen verscheuren."

De Bode is misschien Jan Franken. Hij was de knecht van Oldenbarnevelt

die met hem de gevangenschap gedeeld heeft, hem in 't naar buiten

smokkelen van verschillende papieren behulpzaam is geweest en hem

tot op 't schavot diensten heeft bewezen. Later heeft Franken dit

alles opgeteekend en is zoodoende de beschrijver geworden van de

geheele lijdensgeschiedenis.

[Tweeslachtigheid van den Palamedes.] Tengevolge van de bewerking moest

de Palamedes een tweeslachtig stuk worden: we heeten ons te bevinden

in 't Grieksche leger voor Troje, maar worden telkens in Holland

verplaatst. We zouden daarvan vele voorbeelden kunnen bijbrengen,

maar zullen slechts een paar, die heel sprekend zijn, aanhalen.

Ulysses wil Palamedes niet tot gevangenschap veroordeeld hebben,

dat is hem te gevaarlijk, misschien "draeght men hem in een kist voor

boeken uit". Een wonderlijke uitdrukking in den mond van een Griek,

maar heel begrijpelijk voor Nederlanders uit Vondels tijd die zich

de ontvluchting van Oldenbarnevelts vriend De Groot nog zoo goed

herinnerden.

Palamedes verdedigt zich tegen de ingebrachte beschuldigingen en wijst

bovendien op 't vele, dat 't land aan hem heeft te danken. Zoo heeft

hij zelfs

"daer de naelde zwijmt, gestaen naer vrijen pas."

Geen Griek heeft zeker ooit aan iets dergelijks gedacht, nòch aan

een kompasnaald, noch aan 't zoeken van een doorvaart door de IJszee

naar Indië, maar Vondels tijdgenooten dachten natuurlijk dadelijk aan

Heemskerks pogingen, die eindigden met de overwintering op Nova Zembla.

[Vergelijking met den Ilias.] Aan 't slot van onze beschouwing wenschen

wij na te gaan in hoeverre Vondel bij 't teekenen der hoofdpersonen

zich gehouden heeft aan de Grieksche overlevering. Daarvoor zullen

we Vondels karakterteekening vergelijken met die uit den Ilias. De

voorstelling die Vondel in den Palamedes geeft van Ulysses, is geheel

afwijkend van die welke we in den Ilias vinden: bij Vondel is hij

niets dan een listige schurk, in den Ilias daarentegen een groot en

dapper krijgsheld, wel de "in vindingen rijke Odusseus", maar tevens

de godlijke krijgsheld, de "godengeliefde". Een enkele aanhaling moge

dit bewijzen.

"Maar thans stond er verlaten de lansenzwaaier Odusseus;

Geen der Argeiërs bleef, daar allen de vlucht op het lijf viel.

Wrevelig zeide hij nu tot het moedige hart bij zich zelven:

--Wee, wat moet mij geschieden? Een schandelijke daad als ik

wegvlood

Bang voor die menigte volks; maar erger indien ik gedood word

Gansch alleen, want Zeus deed d' andere Danaërs vluchten.

Doch waarom overlegt mijn gemoed toch zulke gedachten?

Immers ik weet dat de laffen zich wel onttrekken aan 't slagveld,

Maar die de edelsten zijn in den strijd, hunne dure verplichting

Eischt dat zij standvast blijven, getroffen of anderen

treffend." [5]

En hierop volgt hoe de dappere held zich verdedigt tegen de Trojanen

en hen neervelt als een wild zwijn de jachthonden.

Vondel kon Ulyssus evenwel niet voorstellen als een dapper en edel

krijgsman; waarom natuurlijk niet?

In de teekening van Diomedes merken we 't zelfde op: van hem zegt de

dichter niets goeds en toch behoort ook deze held tot de dapperste

Grieken. Hij staat onder bizondere bescherming van de godin Pallas

Athene en de vijfde zang van den Ilias [6] is zelfs geheel aan zijn

heldendaden gewijd. Hij verdrijft de dapperste Trojanen o. a. Aineas

en Hector en wondt de godin Afrodite, die den eerste tracht te

beschermen. Ten slotte brengt hij zelfs met behulp van Athene den

krijgsgod Ares een geduchte wond toe.

In zijn gesprek met Ulysses (vs. 455-590) wordt Diomedes door Vondel

zelfs voorgesteld als een lafhartig mensch.

Later wordt evenwel van hem gezegd:

"Ik ben een man in 't veld, om op een moedigh paerd,

Dat schuymbeckt, briescht, en krabt, en stof werpt met sijn voeten,

Mijn' vijand voor de vuyst, met swaerd en speer, t' ontmoeten."

Hierin vinden we althans den echten Diomedes terug.

Agamemnon, de aanvoerder der Grieken, is ook in den Ilias een

heerschzuchtig vorst, die soms wel dapper strijdt, maar toch op andere

oogenblikken heel wat van zijn krijgsgezellen moet hooren. Zoo voegt

Diomedes hem toe:

"-- -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- Zeus

Gunde u wel door uw scepter vereerd voor allen te wezen,

Maar moed gaf hij u niet, de vermogendste toch van de krachten, [7]

terwijl hij ook in andere gedeelten als een hoogmoedig vorst wordt

geschilderd. In dat laatste opzicht komt de Agamemnon van Vondel

overeen met dien uit den Ilias.

Nestor is in Vondels drama de wijze raadgever, de verstandigste

der Grieken en evenzoo stelt hem Homerus voor. Een enkele aanhaling

bewijst dat duidelijk.

"Nadat zij spijzen en dranken naar begeerte des harten genoten,

Gaf hun de grijsaard 't eerst in beraad zijn verstandigen voorslag,

Nestor, die bleek ook vroeger den zekersten raad te

verschaffen." [8]

Calchas is de wichelaar, de priester in 't leger der Grieken. Hij

is vooral beroemd door zijne voorspellingen. Dat hij in den Ilias

volstrekt niet als een slecht mensch wordt voorgesteld, blijkt uit

de volgende aanhaling.

"-- -- -- -- -- -- -- --; toen rees uit hun midden

Kalchas, Thestors zoon, de voornaamste der vogelenwichelaars,

Hij die naar Ilios meê aan de vloot der Achaiërs tot leidsman

Ziener van alles wat is, zijn zal en te voren geweest is,

Was met zijn schouwenden geest, als Apolloon Foibos het ingaf.

Deze nu sprak welmeenend hun toe. -- -- -- -- -- -- [9]

In den Palamedes is hij geheel anders geteekend: daar is hij de

slechte priester, die het geloof misbruikt en zijn macht aanwendt om

zijn wraakzucht te bevredigen.

Eurypilus speelt in den Ilias een zeer ondergeschikte rol; hij is

een Griek, die door Paris met diens pijlen gewond wordt.

Zeer goed in den toon is gebleven Thersites, die zoowel in den

Palamedes als in den Ilias voorgesteld wordt als een onbeschaamde

schreeuwer. We halen de volgende verzen aan, die hem duidelijk

typeeren. Er wordt in 't leger der Grieken eene vergadering gehouden,

die geleid wordt door den aanvoerder Agamemnon.

"Nu zat elk daar neder en hield zich bedaard op de zetels.

Maar alleen nog schreeuwde de eindlooze zwetser Thersites,

Hij steeds vaardig van geest met een vloed onpassende woorden,

Dwaaslijk, om tegen de orde, de vorsten te tergen met schimptaal,

Waar het hem scheen, dat er iets den Argeiërs belachelijk ware.

Als men hiermee vergelijkt Thersites' optreden tegenover Nestor in

't vierde bedrijf van den Palamedes, blijkt dat Vondel het karakter

van den schreeuwer goed heeft weergegeven.

Gids bij de studie der Nederlandsche letterkunde Voor leerlingen der gymnasia, H. B. scholen en studeerenden voor de hoofdacte · 第 12 / 83 题