Coster wenscht dat de predikant zich niet met staatszaken zal bemoeien;
hun plicht is:
868 "Uws ist den Volck' in vreed, in suyverheyt, in leer,
En in geboorsaemheyt te stichten langs so meer:
Dat is dijn Godlijck ampt, dat hebdy te verschaffen."
Dit is ook de meening van Oldenbarnevelt geweest en Vondel had dezelfde
inzichten, zooals duidelijk uitkomt in zijn verschillende hekeldichten,
o.a. in zijn Harpoen, waarin hij in Godefried den goeden, in Wolfaert
den slechten predikant schildert.
"-- -- -- -- -- Noit moeid' hy sich met staet
Of weerelts heerschappy."
Dat was een der beste eigenschappen van Godefried.
Hooft heeft ongeveer dezelfde ideeën, wat heel duidelijk uitkomt in
de alleenspraak van Seghemont in Baeto.
Een andere eigenaardigheid is dat men de predikanten vaak voorstelde
als indringers, als vreemdelingen; Coster noemt hen in zijn Ifigenia:
"een hoop vreemde slaven", en Vondel in zijn Palamedes spreekt dezelfde
beschuldiging uit: