Godefried

"drong op 't weten niet zoo vierigh, als op 't doen."

Hijzelf ging hierin voor:

"(Hij) braght dat woeste volk tot deughdige bekeering,

Door voorgang eer dan door zijn ongetoide lering."

En vooral:

"Noit moeid' hij zich met staet of werelts heerschappij,"

"Gode offerde hij zijn dienst, zijn' trou aaen zijn' Lantsheer."

Daartegenover staat Wolf-aert, (een fraaie naam voor een hérder!) die

het volk opruide tegen de overheid, de gemeente onderling verdeelde,

zoodat elk zijn medechristenen de zaligheid misgunde. Tegenover zulke

predikanten past maar één middel: krachtig optreden van de overheid,

zooals de "wakkre heer van Schagen" inzag. We wezen er reeds op,

dat Vondel in zijn Rommelpot aan de Amsterdamsche burgemeesters

denzelfden raad gaf: de "Toorenwachters" behooren de "Hanen" goed in

't oog te houden.

[Hekeldichten op Engelsche toestanden.] De hekeldichten, die geschreven

zijn naar aanleiding van den strijd tusschen Karel I en de Puriteinen

zijn van veel minder beteekenis dan de reeds behandelde. We kunnen

hierover dus kort zijn.

Vondel kiest de zijde van Karel I vooral om twee redenen:

1o. Uit godsdienstige overwegingen. De Katholieke Vondel was tegen

den fellen Protestant Cromwell. Om dezelfde redenen kiest hij in

Maria Stuart partij voor deze vorstin en bestrijdt de Protestantsche

Elisabeth. We weten uit vroegere gedichten hoe gebeten Vondel op de

Calvinistische ijveraars was en dit waren Cromwell en zijn mannen

immers.

2o. Hij hechtte aan goddelijk recht der vorsten en moest dus den

opstand afkeuren. Zeer duidelijk blijkt dat bv. uit de volgende

aanhaling uit den "Morgenwekker der Sabbattisten", waaruit we tevens

zien dat Vondel de Engelsche predikanten gelijk stelde met mannen

als Smout en Trigland.

"Uw predikstoelen zelfs gedyen

U tot zoo vele baterijen,

Waer uit men vier geeft op den Vorst,

En 't heiligh Recht der Majesteiten."

Iets verder lezen we in datzelfde gedicht:

"Apostolijke Orakels leeren

Godt vreezen, en den Koningk eeren:

Zoo klinkt dit nimmer faelbaer woort."

De Koning is de vertegenwoordiger Gods op aarde, wie tegen den vorst

opstaat, vergrijpt zich aan God zelf; vandaar dat Cromwell wordt

vergeleken bij Lucifer:

"Uw scepterstormen, geen hervormen,

Volght Lucifers banier in 't stormen."

[Aanslag van Willem II op Amsterdam.] De laatste groep hekeldichten

die we vermelden, hebben betrekking op den aanslag van Willem II

op Amsterdam.

't Voornaamste dat ons in deze gedichten treft, is de warme liefde die

Vondel koestert voor Amsterdam en de vereering welke hij gevoelt voor

groote figuren als de Bickers. Men leze bv. "de Bikkers in Marmer."

Merkwaardig is verder dat hij denzelfden Willem II, wiens geboorte

hij in de "Geboortclock" bezongen had, den zoon van den zoo vereerden

Frederik Hendrik, nu "een tiran," "een schelm," "een zoon, die zijne

moeder de borst afsnijt," noemt, en hem rekent tot de "Monsters

onzer Eeuwe!"

Gids bij de studie der Nederlandsche letterkunde Voor leerlingen der gymnasia, H. B. scholen en studeerenden voor de hoofdacte · 第 9 / 83 题