5o. Jaergetyde van wylen Heer Joan van Oldenbarnevelt.
[De Weeghschael.] 1o. De Weegschael. Dit gedicht is de beschrijving
van een zinneprent op de zegepraal der Contra-Remonstranten door
invloed van Maurits.
Op de plaat ziet men een groote weegschaal, bij de eene schaal staat
Arminius, bij de andere Gomarus. De laatste heeft de boeken van Calvijn
en Beza op de schaal geworpen, de eerste legt daartegenover het gezonde
verstand, de privilegiën der steden, het gezag van de vroedschappen
en vooral van Oldenbarnevelt. (Men vergelijke regel 8-14. Op de plaat
ziet men werkelijk een tabbaard op de schaal liggen.) Gomarus schijnt
te zullen verliezen, maar plotseling werpt Maurits zijn zwaard "in
de weegschaal." Zoo behalen door 't krachtig ingrijpen van Maurits
de Contra-Remonstranten de overwinning.
[Het gesprek.] 2o. "Het gesprek", een echogedicht in den trant
der Rederijkers, waarin Vondel het voorstelt alsof een bezoeker
van 't graf van Oldenbarnevelt vragen doet en door den galm wordt
beantwoord. De vragen zijn dus zóó gekozen, dat het laatste deel van
't slotwoord 't antwoord geeft op de vraag die in den geheelen zin
ligt opgesloten. Maurits wordt hierin beschuldigd van tyrannie,
hij is de despoot die de rechten zijner onderdanen met voeten treedt.
[Het stockske.] 3o. "Het stockske", een roerende aanspraak tot den
stok die zoovele jaren den grijsaard tot steun verstrekte, die hem de
trappen hielp bestijgen, als hij de belangen van 't land ging bepleiten
in de vergaderzaal der Staten, die hem schraagde als de gebogen rug
dreigde te bezwijken onder de beslommeringen welke 't landsbestuur
meebracht, maar die ook zijn steun was op den laatsten gang, den
gang naar 't wreede, bloedige schavot. Geen wonder, dat scherpe,
bittere woorden den dichter uit de pen vloeiden, als hij dacht aan
hem, die dit roemvolle leven had vernietigd, die "Hollants Vader",
door den beul had doen sterven. Maurits wordt dan ook vergeleken bij
Nero, hij is 't Geweld, die 't Recht vertrad.
[De Geusevesper.] 4o. "Geusevesper" is gemaakt voor de vier en twintig
rechters van Oldenbarnevelt. Vondel beweert hierin dat de rechters
berouw gevoelen over hun daad (regel 23-24) en om die wroeging te
verklaren, zegt de dichter dat de gronden waarop de veroordeeling
rustte, niet zuiver waren. De rechters handelden uit wreedheid, om hun
haat aan een politieken tegenstander te koelen, en uit gierigheid (=
begeerigheid. Vgl. vers 17). De goederen van den landsadvocaat werden
nl. verbeurd verklaard en brachten bij den verkoop heel weinig op,
waardoor velen goede zaken konden doen. Daartegenover stelt Vondel de
groote verdiensten van Oldenbarnevelt (vers 1-4) en zijn onkreukbare
eerlijkheid. Wat men van hem vertelde was onjuist, 't verhaal dat
hij omgekocht zou zijn door Spanje, was slechts uitgestrooid om het
volk tegen hem op te zetten (vers 13-16). (Vergelijk hiermee wat over
deze zaak bij de behandeling van den Palamedes gezegd wordt). Vandaar
dus die wroeging bij de rechters, vandaar ook den raad om bij de
predikanten troost te zoeken, misschien kan de wroeging door hulp
van deze "Santen" verzacht worden. Maar dan in eens een heel andere
toon. (vs. 29). Neen er is geen troost, geen leniging der smart te
vinden, bij geen predikant, bij geen heilige ter wereld. Gij zijt
schuldig, het bloed van den grijsaard kleeft nog aan uwe handen,
het roept om wraak. De Heer, de straffende God zal over u rechten!
Deze rechters zijn een waarschuwend voorbeeld voor ieder die door
haat of woede verblind, misschien zijn handen zou willen bezoedelen
met het bloed van Vaders en Vromen.
De naam Siecke-troost is duidelijk: de dichter stelt zich voor als
een verpleger die zijne zieken bezoekt en ze troostende toespreekt;
hier echter dient het slechts om de schuld des te duidelijker te
doen uitkomen, om de wroeging nieuw voedsel te geven. Geusevesper
beteekent letterlijk: avondgebed voor de Geuzen; Unger verklaart den
geheelen titel aldus: "Vondel neemt nu de rol van zieketrooster op
zich; doch inderdaad om hen hun vergrijp nog dieper te doen inzien,
en hij luidt als 't ware de vesperklok, om hun geweten, voor zooverre
het nog slapen mocht, wakker te maken".
[Jaergetyde.] 5o. "Jaergetyde" (verjaardag), een roerende herinnering
aan de bloedige terechtstelling en tevens voor een goed deel een
beschrijving daarvan (couplet V-VIII). We halen voor 't goed begrijpen
van 't geheel enkele regels aan uit een artikel van v. Heeckeren
in den zevenden jaargang van Taal en Letteren. "Zoo had de dichter
dan in zijn verbeelding den geest van den gestorvene gezien, zijne
stem gehoord en had hem als een heilig verrezene uit de dooden zien
verrijzen en gelijk dezen in Gods vaderschoot rust zien vinden. Maar
de stem zweeg, de geest onttrok zich aan de menschelijke blikken,
niets ziet de dichter meer dan het bloedige lijk, niets hoort hij dan
de wind die langs het zwart gevaarte huilt. Nu de geest des staatsmans
voor altijd is geweken, heerscht in Nederland niets dan nacht. Wel
mag dus de dichter zijne oogen beklagen, dat zij dien schim voor 't
laatst hebben aanschouwd, want met dien geest zijn ook de vrijheid
en het recht uit het land verdwenen. Zoo eindigt dan het dichtstuk
somber als de laatste tonen van het geluid eener doodsklok...."
Als tweede groep nemen we de gedichten, die ontstonden door de
godsdiensttwisten in Amsterdam in 1626 en volgende jaren. De Rommelpot
is hiervan de meest bekende.
[Gedichten op Amsterdamsche toestanden.] In Amsterdam heerschte eenige
jaren na het Bestand een vrij groote gematigdheid onder de leden
der vroedschap, waardoor de plakkaten niet meer in al hunne scherpte
werden gehandhaafd en den Remonstranten oogluikend de oefening hunner
godsdienstplichten werd toegestaan, hoezeer de predikanten en hunne
rechtzinnige volgelingen zich daartegen ook verzetten. Overal werden
geheime bijeenkomsten gehouden, die echter weldra meer en meer openbaar
begonnen te worden. [Gebeurtenissen in 1626.] Zoo werd den 13 April
1626 op den Tweeden Paaschdag een Remonstrantsche bijeenkomst gehouden
in een huis op den Montelbaans-Burgwal of Oude-Schans. Eenige kinderen
die voor het huis speelden en de gemeente door hun rumoer hinderden,
werden door de vergaderden verjaagd, eerst met woorden, doch toen dat
niet hielp door slagen. 't Toegesnelde grauw bemerkte weldra wat er aan
de hand was en begon het huis aan te vallen; eerst werden de glazen
ingeworpen, daarna drong men naar binnen en vernielde de meubelen of
wierp ze door de ramen op straat, terwijl de Remonstranten zich zoo
goed mogelijk trachtten te redden.
Ondertusschen hadden Burgemeesteren en Wethouders kennis gekregen
van 't gebeurde en om de orde te herstellen en verder te bewaren,
zonden ze majoor Nicolaas Hasselaar met eenige stadssoldaten naar
't bedreigde huis, dat reeds voor een goed deel door de woeste
menigte was afgebroken. Aan zijne sommatie om uiteen te gaan werd
geen gehoor gegeven; de houding van 't volk werd steeds dreigender
en zelfs begon men met steenen naar de soldaten te werpen. Hasselaar
liet hierop het eerste gelid vuur geven en een der belhamels stortte
neer met een mes tusschen de tanden en de handen vol steenen, waarna
de overigen terugdeinsden tot aan den Montelbaanstoren. De soldaten
konden nu rustig het huis bezetten, maar toch bleef het den geheelen
avond onveilig en rumoerig in de buurt, zoodat eenigen tijd later nog
iemand doodgeschoten werd. Het woedende grauw sleepte 't lijk eerst
naar 't Huis van Burgemeester Jakob van Nek en daarna voor dat van
Burgemeester Pieter de Vlaming van Outshoorn, wien zij 't voorgevallene
verweten. Eindelijk werd het na veel drukte naar 't gasthuis gebracht.
Vele Contra-Remonstranten o.a. Simon van der Does, Oud Schepen
en Raad, weten aan Hasselaar het gebeurde en scholden hem voor
een moordenaar. Ondertusschen waren drie der onruststokers gevat,
een zekere Zwart, kapitein in dienst der Westindische Compagnie,
en twee matrozen, die op Oost-Indië voeren. Een van de laatsten werd
veroordeeld om gegeeseld te worden, terwijl de beide anderen gestraft
werden met "het zwaart over 't hoofd". Vele kerkelijken vreesden
voor 't leven van Zwart, waarom de kerkeraad een bezending naar
Burgemeesteren afvaardigde, bestaande uit de predikanten Adriaan
Smout en Johannes Kloppenburg met twee Ouderlingen, waaronder de
Oud-Schepen Jan Willemszoon Bogaard, om het bestuur aan te zeggen
"dat zy, zo Zwart met de doot gestraft werdt, 't gebed in de Kerke
niet voor hem doen, noch de uitvoering van 't vonnis bywoonen zouden,
veel min hem vermaanen, om zig tot sterven te bereiden, alzo hy,
in een goede zaak, geyverd hadt." Wagenaar teekent aan: "Doch my is
niet gebleeken, hoe deze boodschap van de Heeren opgenomen werdt."
[Optreden der Predikanten.] De meeste predikanten veroordeelden het
optreden van Hasselaar, "ze vergoeilykten het bedrijf der plonderaren
en schreeven het toe aan yver voor de ware leere." Ds. Smout ging
zelfs zoo ver, dat hij de twee belhamels noemde: "onnoozele luiden,
die deerlijk waren omgebragt." Alleen Kornelis Hanekop, die zijne
standplaats Breda wegens de inneming van deze stad door Spinola had
moeten verlaten en nu sedert Juli 1625 in Amsterdam als predikant
werkzaam was, trad krachtig op tegen de onruststokers, berispte
hen en vermaande ze zich te onderwerpen aan 't gezag der wettige
overheid. Bovendien verklaarde hij zich tegen te strenge handhaving der
plakkaten ten opzichte der Remonstranten en sprak verder openlijk uit
"dat de vyf Arminiaansche punten zulke groove dwalingen niet waren,
dat zij den grondslag der zaligheid ondermynden." Deze handelingen
maakten hem verdacht in de oogen zijner medebroeders, zoodat de
kerkeraad hem in November 1626 besloot te schorsen, onder voorwendsel
van lichaamszwakheid.
[De Rommelpot.] Naar aanleiding van deze troebelen schreef Vondel
zijn Rommelpot van 't Hanekot, waarin vooral de predikanten Smout,
Trigland en Kloppenburg gehekeld worden. Van deze drie was Smout
stellig de hevigste, zoodat zelfs de bezadigde Hooft schreef, niet
te weten "of men wel eenig schrijver zou kunnen aanwyzen, die in
lasteren en schelden by Smoutius zou kunnen halen." Hij werd dan ook,
evenals Kloppenburg, ten slotte uit Amsterdam verbannen.
Ook Trigland kon geweldig uitvaren, maar zijn voornaamste wapen bleef
toch steeds zijn geleerdheid, waardoor hij voor de Remonstranten een
geduchte tegenstander was.
[Verklaring van den naam.] Bij dit hekeldicht grijpt Vondel niet,
zooals in andere gevallen, naar zijn lier, maar naar den Rommelpot,
"het oude, wanstaltige muziekinstrument, dat op zijn geklikklak de
straatjongens aan 't schreeuwen hielp, en de bewoners der achterwijken
bij hoopen aan de voetstappen der spelers en zangers verbond. Zijn
rommelpot zou hem sterken bij 't bezingen van de fraaie historie
die in 't hanekot was voorgevallen. De aanleiding tot het kiezen
van dezen naam lag voor de hand, de naam Hanekop noodigde daartoe al
uit. Trigland droeg reeds in de wandeling den naam van 't Kalkoensche
Haantje, terwijl eindelijk het optreden der strijdlustige predikanten
den naam hanen rechtvaardigde: hun alarmgeschreeuw van den kansel
was reeds lang bij kraaien vergeleken, het spreekwoord bestond reeds:
"Wie hoord' oyt haen op een preeckstoel soo reêlyck snacken."
Bovendien hadden de Contra-Remonstranten reeds vroeger een liedje
in 't licht gegeven, waarbij ze hun tegenstanders uitscholden voor
"Arme Hanen".
Vondels groote verdienste ligt echter vooral hierin, dat hij 't
geheele gedicht door zooveel mogelijk het eens gekozen beeld heeft
behouden, en steeds de personen als hanen heeft doen optreden,
terwijl hij tevens zijn karakter als rommelpotspeler niet heeft
verloochend. Meestal immers wordt deze musicus vergezeld door een
zanger, vaak een uitgehongerden jongen, die de straatzangen met
krijschende stem uitgalmt. Deze rol laat Vondel vervullen door den
Contra-Remonstrantschen boekverkooper Marten Janszoon Brandt, die
aan den ingang der Nieuwe Kerk woonde (vgl. couplet 1 en 34).
[Doorzichtige namen.] Voor iederen persoon kiest de dichter een
typeerenden naam, waarvan we hier de meest bekende vermelden.
Smout is "'t Haentje Dikkop van de Maze", omdat hij vroeger in
Rotterdam had gewoond.
Trigland, die een hoogroode kleur had, is "'t Kalkoensche Haentje".
Kloppenburg draagt den doorzichtigen naam van "Haentje Klopper"
en Hanekop dien van Koppen.
Merkwaardig is het dat Vondel als oorzaak van het ijveren der
predikanten tegen Hanekop noemt de jaloerschheid: Hanekop was een zeer
gewild en gezien predikant en de kerk was gevuld met een uitgelezen
publiek als hij preekte:
"Alle kraejers lagen achter,
Elck die scheen in 't kraejen schor;
Toen begon er een gemor."
[Verhouding van staat en kerk.] Vondel meende dat het geestelijk
gezag ondergeschikt moest zijn aan het wereldlijke: de overheid
moest, desnoods met geweld, de roerige predikanten tot rede weten te
brengen. Vandaar de wenk aan de Burgemeesters (de "Toorenwachters")
om op hanen te letten (couplet 29-33). Dezelfde idee vinden we meer
uitgewerkt in den Harpoen.
[Oordeel van Bakhuizen.] We eindigen onze bespreking van het gedicht
met de volgende woorden van Bakhuizen van den Brink: "Omtrent den
Rommelpot van het Hanekot moge gelden, hetgeen aan Hooft vooral tegen
de borst stond, "dat men die luiden leelijk en afschuwelijk in het
oog der gemeente maakte, daar zij leer en stichting bij te zoeken en
uit te zuigen heeft" [2]; te gereeder vergeven wij aan Vondel zijnen
stouten aanval op de Predikanten, om hunne eigene onverdraagzaamheid,
om de spranken van vernuft, waarvan zijn gedicht schitterde. Spranken
van vernuft, zeggen wij; en gij vraagt, of het Amsterdamsche gemeen wel
zoo ontwikkeld was, dat het die kon opmerken en opvangen: en of niet,
terwijl de dichter den roem van zijne luim luisterrijk handhaafde,
juist daardoor eene andere verdienste, van zich op het standpunt
dergenen, tot wie hij sprak te verplaatsen, de verdienste der
objectiviteit, hem ontging? Indien het echter waar is, dat Bredero,
uit eigene ondervinding, eene getrouwe schilderij van de zeden, taal
en denkwijze des gemeens ophing, dan moet het inderdaad luimig en
levendig, en voor een wel aangebrachten kwinkslag te vangen geweest
zijn; dan moeten de vele laffe en nietswaardige schotschriften,
minder met de vatbaarheid des volks, dan met de onbekwaamheid
der schrijvers gestrookt hebben; dan mogten misschien al de fijne
trekken van Vondel niet begrepen, noch het lange gedicht in zijn
geheel onthouden worden; vele van de geestigste schimpscheuten zijn
voorzeker in de ooren blijven kleven, en het is der ernstige vroomheid
van 't volk dank te weten, dat het, om 's dichters vroolijke invallen
lagchende, echter den eerbied voor zijne Leeraars niet verloor."
['t Sprookje van Reintje de Vos.] In den "Rommelpot" werd aan den
Oud-Burgemeester van Amsterdam Reinier Pauw reeds een waarschuwing
toegediend (zie couplet 36), maar 't schijnt, dat deze zijn wegen
nog niet gebeterd had, want in 1627 zag Vondel zich genoodzaakt
zijne bedreiging ten uitvoer te leggen en hem "al mee een beurt"
te geven. Zoo ontstond 't "Sprookje van Reintje de Vos":
"Gemaekt om op de brug te zingen;
Al zouw' er Reintje uit zijn vel om springen."
Weer verhaalt de dichter, evenals in den Rommelpot, ons iets
in allegorischen vorm, weer is het een kip, die bezongen wordt,
maar nu een hen die door 't looze Reintje, door den vos bedreigd
wordt. De aanleiding tot deze wijze van voorstellen was natuurlijk
de naam Reinier.
[Een Otter in 't Bolwerck.] Even persoonlijk als het bovengenoemde
hekeldicht is het in 1630 gedichte: "Een Otter in 't Bolwerck". Tot
verklaring hiertoe diene 't volgende. Toen in 1630 de predikanten
Kloppenburg en Smout de stad moesten ruimen, werd deze heugelijke
gebeurtenis door hun felste tegenstanders, de leden der Academie
van Coster, gevierd met het spelen van de "Iphigenia", die geheel
gericht was tegen 't drijven der felle Calvinisten, vooral tegen
hunne leeraren. De kerkeraad en vooral Smout had indertijd hevig
getoornd, toen het stuk voor 't eerst werd opgevoerd en zelfs was
er een bezending ouderlingen en predikanten naar 't stadsbestuur
geweest, om te trachten het spelen te beletten. Nu Smout de stad
had moeten verlaten, werd zijn taak overgenomen door Otto Badius,
eerst predikant bij de Duitsche, later bij de Hervormde Gemeente
te Amsterdam, die geweldig tegen het stuk en de leden der Academie
uitvoer, wat natuurlijk een uitstekende reclame voor deze instelling
werd, zoodat de dichter in de voorrede van den zesden druk spottend kon
uitroepen: "hartelijck bedanckende deze voorz. ghestoorde uijlskuykens
dat se alle de werelt met haer roepen ende krijten so gaende gemaeckt
hebben, dat de speelplaats te enghe om de aenschouwers te vatten,
ende de bus te kleen was om de penninghen te vergaren."
Op deze gebeurtenis dichtte Vondel "Een Otter in 't Bolwerck", een
zangerig volksliedje, dat op de wijze van het veel gezongen en ook uit
Bredero bekende "Betteken voer naar Maryemont" vervaardigd was. Het
hoofddenkbeeld moge een werkelijke aanleiding gehad hebben, of door
Vondel verdicht zijn, het is zeer geestig gegrepen. Hij veronderstelt,
dat de predikant een oog van welgevallen en liefde op de dochter van
Jan Willemse Boogaerd heeft geslagen, en, om haar hart te winnen,
zeker eenen allerzonderlingsten, maar echter karakteristieken weg
heeft ingeslagen.
Bij de bewondering, die de familie Boogaerd voor strafpredikers als
Smout koesterde, wil hij toonen, dat hij voor dezen in profetischen
ijver niet onderdoet. En mocht hij het zoover gebracht hebben,
dat ook voor hem, evenals voor zijn beide voorgangers, de trekschuit
gereed lag, ten einde hem buiten de palen der stad te brengen, dan zou
voorzeker zijne schoone niet langer aarzelen, eenen zoo eerwaardigen
martelaar hare hand en trouw te schenken. Thans echter was hij tegen de
Akademie, dien steen des aanstoots, te velde getrokken en Dr. Coster,
die tot de bloedverwanten der Boogaerds behoorde, maar hun voorzeker
sedert lang als de Heiden en de Tollenaar geworden was, werd het
minst van allen gespaard. Het telkens wederkeerend
"o Jemy, o jemy!"
drukt de bedenkelijke tronie en het onbehagelijk gehuil, dat
de jeremiaden van den Predikant, volgens Vondel, vergezelden,
voortreffelijk uit. (Bakhuizen).
[De Roskam.] In Mei van hetzelfde jaar verschenen twee hekeldichten,
Roskam en Harpoen, die volgens Brandt "onder al 't geen hy van dat
slagh had geschreven, de kroon spannen." 't Zijn geen gedichten,
die met het oog op bepaalde gebeurtenissen of bepaalde personen zijn
geschreven, maar meer op algemeene zaken zien; Vondel had zooals hij
zelf in den Roskam getuigde:
"Een kneppel onder een hoop hoenderen gesmeten:
'k Heb weetens niemant in 't byzonder aengerant,
Misschien wie 'k trof, tot nut van ons belegert lant."
Deze laatste regel geeft ons volkomen het doel aan, waarom de
dichter zijn Roskam schreef; hij had medelijden met zijn arm land,
dat uitgezogen werd door gewetenlooze bestuurders die slechts hun
eigen voordeel op 't oog hadden en dat kon Vondel niet aanzien zonder
lucht te geven aan zijne verontwaardiging. Hij was de man niet, die zou
zwijgen als zijn hart hem gebood tot spreken, met recht kon hij zeggen:
"-- -- -- -- -- -- wat op 's harten gront leit,
Dat weltme naer de keel: ik word te stijf geperst,
En 't werkt als nieuwe wijn, die tot de spon uitberst."
Ook was zijn hart tot berstens toe gevuld door al de schandelijke
dingen, die hij om zich heen zag gebeuren, hij moest zijn
verontwaardiging luchten en greep den ijzeren roskam om de
"landsdieven" de waarheid eens te doen gevoelen. Doch verbitteren
alleen wilde hij niet, hij wilde toonen, dat ook het goede
hem niet ongemerkt voorbijging, vandaar de verheerlijking der
rechtschapen bestuurders, het loflied op de mannen die hun plicht
deden, op Oud-Burgemeester Cornelis Pietersz Hooft en den heer de
Bie. Burgemeester Hooft was steeds voor Vondel het ideaal geweest van
een eerlijk, rechtschapen regent; het klinkdicht in 1626 vervaardigd
bij den dood van dien edelen grijsaard, getuigt van den diepen eerbied
dien de dichter voor hem koesterde.
Van vele treurige toestanden verhaalt ons de dichter: schijnheiligheid
speelt een hoofdrol, de godsdienst wordt misbruikt om onrecht te
verbergen, de regenten zijn hebzuchtig en letten alleen op eigen
voordeel. Hoe anders dan in de dagen van burgemeester Hooft, wiens
leus steeds was:
"Indien 't gemeen u roept, bezorgt het als uw eigen,"
terwijl thans de hebzucht de bestuurders aandrijft, de hebzucht
"Die 't algemeen verzuimt, en vordert slechts haer eigen."
't Gevolg is: telkens nieuwe lasten opgelegd aan 't volk, 't arme
"eselkijn", en 't ergste is dat men daarbij nog "zwetst van 't geloof!"
[De Harpoen.] De Harpoen is niet gericht tegen de regeeringspersonen,
zooals de Roskam, maar tegen de predikanten. 't Gedicht is opgedragen
aan Jonkheer Landeslot, Heer van Vryburgh m. a. w. aan de overheid,
die 't lot van een land in haar handen heeft en die dit land weet
te maken tot een oord, waar vrijheid, vooral gewetensvrijheid,
heerscht. De compositie is vrij wel gelijk aan die van den Roskam,
daar stelde Vondel den eerlijken, trouwen burgemeester Hooft tegenover
de plichtvergeten regenten, hier vinden we Godefried, het toonbeeld
van een goeden herder, tegenover Wolfaert, de incarnatie van den
slechten predikant, zooals Vondel ze naar zijn meening dagelijks in
Amsterdam voor zich zag.
Godefried is een ideaal-predikant volgens Vondel en uit hetgeen van
hem verteld wordt, kunnen we opmaken welke eischen de dichter aan
een goeden herder stelde. Voorop staat een goed, zedelijk leven;
allerlei spitsvondige geloofsonderscheidingen geven niets, men moet
iemands geloof afmeten naar de daden, niet naar de woorden.