4o. Geusevesper of Siekentroost; en

5o. Jaergetyde van wylen Heer Joan van Oldenbarnevelt.

[De Weeghschael.] 1o. De Weegschael. Dit gedicht is de beschrijving

van een zinneprent op de zegepraal der Contra-Remonstranten door

invloed van Maurits.

Op de plaat ziet men een groote weegschaal, bij de eene schaal staat

Arminius, bij de andere Gomarus. De laatste heeft de boeken van Calvijn

en Beza op de schaal geworpen, de eerste legt daartegenover het gezonde

verstand, de privilegiën der steden, het gezag van de vroedschappen

en vooral van Oldenbarnevelt. (Men vergelijke regel 8-14. Op de plaat

ziet men werkelijk een tabbaard op de schaal liggen.) Gomarus schijnt

te zullen verliezen, maar plotseling werpt Maurits zijn zwaard "in

de weegschaal." Zoo behalen door 't krachtig ingrijpen van Maurits

de Contra-Remonstranten de overwinning.

[Het gesprek.] 2o. "Het gesprek", een echogedicht in den trant

der Rederijkers, waarin Vondel het voorstelt alsof een bezoeker

van 't graf van Oldenbarnevelt vragen doet en door den galm wordt

beantwoord. De vragen zijn dus zóó gekozen, dat het laatste deel van

't slotwoord 't antwoord geeft op de vraag die in den geheelen zin

ligt opgesloten. Maurits wordt hierin beschuldigd van tyrannie,

hij is de despoot die de rechten zijner onderdanen met voeten treedt.

[Het stockske.] 3o. "Het stockske", een roerende aanspraak tot den

stok die zoovele jaren den grijsaard tot steun verstrekte, die hem de

trappen hielp bestijgen, als hij de belangen van 't land ging bepleiten

in de vergaderzaal der Staten, die hem schraagde als de gebogen rug

dreigde te bezwijken onder de beslommeringen welke 't landsbestuur

meebracht, maar die ook zijn steun was op den laatsten gang, den

gang naar 't wreede, bloedige schavot. Geen wonder, dat scherpe,

bittere woorden den dichter uit de pen vloeiden, als hij dacht aan

hem, die dit roemvolle leven had vernietigd, die "Hollants Vader",

door den beul had doen sterven. Maurits wordt dan ook vergeleken bij

Nero, hij is 't Geweld, die 't Recht vertrad.

[De Geusevesper.] 4o. "Geusevesper" is gemaakt voor de vier en twintig

rechters van Oldenbarnevelt. Vondel beweert hierin dat de rechters

berouw gevoelen over hun daad (regel 23-24) en om die wroeging te

verklaren, zegt de dichter dat de gronden waarop de veroordeeling

rustte, niet zuiver waren. De rechters handelden uit wreedheid, om hun

haat aan een politieken tegenstander te koelen, en uit gierigheid (=

begeerigheid. Vgl. vers 17). De goederen van den landsadvocaat werden

nl. verbeurd verklaard en brachten bij den verkoop heel weinig op,

waardoor velen goede zaken konden doen. Daartegenover stelt Vondel de

groote verdiensten van Oldenbarnevelt (vers 1-4) en zijn onkreukbare

eerlijkheid. Wat men van hem vertelde was onjuist, 't verhaal dat

hij omgekocht zou zijn door Spanje, was slechts uitgestrooid om het

volk tegen hem op te zetten (vers 13-16). (Vergelijk hiermee wat over

deze zaak bij de behandeling van den Palamedes gezegd wordt). Vandaar

dus die wroeging bij de rechters, vandaar ook den raad om bij de

predikanten troost te zoeken, misschien kan de wroeging door hulp

van deze "Santen" verzacht worden. Maar dan in eens een heel andere

toon. (vs. 29). Neen er is geen troost, geen leniging der smart te

vinden, bij geen predikant, bij geen heilige ter wereld. Gij zijt

schuldig, het bloed van den grijsaard kleeft nog aan uwe handen,

het roept om wraak. De Heer, de straffende God zal over u rechten!

Deze rechters zijn een waarschuwend voorbeeld voor ieder die door

haat of woede verblind, misschien zijn handen zou willen bezoedelen

met het bloed van Vaders en Vromen.

De naam Siecke-troost is duidelijk: de dichter stelt zich voor als

een verpleger die zijne zieken bezoekt en ze troostende toespreekt;

hier echter dient het slechts om de schuld des te duidelijker te

doen uitkomen, om de wroeging nieuw voedsel te geven. Geusevesper

beteekent letterlijk: avondgebed voor de Geuzen; Unger verklaart den

geheelen titel aldus: "Vondel neemt nu de rol van zieketrooster op

zich; doch inderdaad om hen hun vergrijp nog dieper te doen inzien,

en hij luidt als 't ware de vesperklok, om hun geweten, voor zooverre

het nog slapen mocht, wakker te maken".

[Jaergetyde.] 5o. "Jaergetyde" (verjaardag), een roerende herinnering

aan de bloedige terechtstelling en tevens voor een goed deel een

beschrijving daarvan (couplet V-VIII). We halen voor 't goed begrijpen

van 't geheel enkele regels aan uit een artikel van v. Heeckeren

in den zevenden jaargang van Taal en Letteren. "Zoo had de dichter

dan in zijn verbeelding den geest van den gestorvene gezien, zijne

stem gehoord en had hem als een heilig verrezene uit de dooden zien

verrijzen en gelijk dezen in Gods vaderschoot rust zien vinden. Maar

de stem zweeg, de geest onttrok zich aan de menschelijke blikken,

niets ziet de dichter meer dan het bloedige lijk, niets hoort hij dan

de wind die langs het zwart gevaarte huilt. Nu de geest des staatsmans

voor altijd is geweken, heerscht in Nederland niets dan nacht. Wel

mag dus de dichter zijne oogen beklagen, dat zij dien schim voor 't

laatst hebben aanschouwd, want met dien geest zijn ook de vrijheid

en het recht uit het land verdwenen. Zoo eindigt dan het dichtstuk

somber als de laatste tonen van het geluid eener doodsklok...."

Als tweede groep nemen we de gedichten, die ontstonden door de

godsdiensttwisten in Amsterdam in 1626 en volgende jaren. De Rommelpot

is hiervan de meest bekende.

[Gedichten op Amsterdamsche toestanden.] In Amsterdam heerschte eenige

jaren na het Bestand een vrij groote gematigdheid onder de leden

der vroedschap, waardoor de plakkaten niet meer in al hunne scherpte

werden gehandhaafd en den Remonstranten oogluikend de oefening hunner

godsdienstplichten werd toegestaan, hoezeer de predikanten en hunne

rechtzinnige volgelingen zich daartegen ook verzetten. Overal werden

geheime bijeenkomsten gehouden, die echter weldra meer en meer openbaar

begonnen te worden. [Gebeurtenissen in 1626.] Zoo werd den 13 April

1626 op den Tweeden Paaschdag een Remonstrantsche bijeenkomst gehouden

in een huis op den Montelbaans-Burgwal of Oude-Schans. Eenige kinderen

die voor het huis speelden en de gemeente door hun rumoer hinderden,

werden door de vergaderden verjaagd, eerst met woorden, doch toen dat

niet hielp door slagen. 't Toegesnelde grauw bemerkte weldra wat er aan

de hand was en begon het huis aan te vallen; eerst werden de glazen

ingeworpen, daarna drong men naar binnen en vernielde de meubelen of

wierp ze door de ramen op straat, terwijl de Remonstranten zich zoo

goed mogelijk trachtten te redden.

Ondertusschen hadden Burgemeesteren en Wethouders kennis gekregen

van 't gebeurde en om de orde te herstellen en verder te bewaren,

zonden ze majoor Nicolaas Hasselaar met eenige stadssoldaten naar

't bedreigde huis, dat reeds voor een goed deel door de woeste

menigte was afgebroken. Aan zijne sommatie om uiteen te gaan werd

geen gehoor gegeven; de houding van 't volk werd steeds dreigender

en zelfs begon men met steenen naar de soldaten te werpen. Hasselaar

liet hierop het eerste gelid vuur geven en een der belhamels stortte

neer met een mes tusschen de tanden en de handen vol steenen, waarna

de overigen terugdeinsden tot aan den Montelbaanstoren. De soldaten

konden nu rustig het huis bezetten, maar toch bleef het den geheelen

avond onveilig en rumoerig in de buurt, zoodat eenigen tijd later nog

iemand doodgeschoten werd. Het woedende grauw sleepte 't lijk eerst

naar 't Huis van Burgemeester Jakob van Nek en daarna voor dat van

Burgemeester Pieter de Vlaming van Outshoorn, wien zij 't voorgevallene

verweten. Eindelijk werd het na veel drukte naar 't gasthuis gebracht.

Vele Contra-Remonstranten o.a. Simon van der Does, Oud Schepen

en Raad, weten aan Hasselaar het gebeurde en scholden hem voor

een moordenaar. Ondertusschen waren drie der onruststokers gevat,

een zekere Zwart, kapitein in dienst der Westindische Compagnie,

en twee matrozen, die op Oost-Indië voeren. Een van de laatsten werd

veroordeeld om gegeeseld te worden, terwijl de beide anderen gestraft

werden met "het zwaart over 't hoofd". Vele kerkelijken vreesden

voor 't leven van Zwart, waarom de kerkeraad een bezending naar

Burgemeesteren afvaardigde, bestaande uit de predikanten Adriaan

Smout en Johannes Kloppenburg met twee Ouderlingen, waaronder de

Oud-Schepen Jan Willemszoon Bogaard, om het bestuur aan te zeggen

"dat zy, zo Zwart met de doot gestraft werdt, 't gebed in de Kerke

niet voor hem doen, noch de uitvoering van 't vonnis bywoonen zouden,

veel min hem vermaanen, om zig tot sterven te bereiden, alzo hy,

in een goede zaak, geyverd hadt." Wagenaar teekent aan: "Doch my is

niet gebleeken, hoe deze boodschap van de Heeren opgenomen werdt."

[Optreden der Predikanten.] De meeste predikanten veroordeelden het

optreden van Hasselaar, "ze vergoeilykten het bedrijf der plonderaren

en schreeven het toe aan yver voor de ware leere." Ds. Smout ging

zelfs zoo ver, dat hij de twee belhamels noemde: "onnoozele luiden,

die deerlijk waren omgebragt." Alleen Kornelis Hanekop, die zijne

standplaats Breda wegens de inneming van deze stad door Spinola had

moeten verlaten en nu sedert Juli 1625 in Amsterdam als predikant

werkzaam was, trad krachtig op tegen de onruststokers, berispte

hen en vermaande ze zich te onderwerpen aan 't gezag der wettige

overheid. Bovendien verklaarde hij zich tegen te strenge handhaving der

plakkaten ten opzichte der Remonstranten en sprak verder openlijk uit

"dat de vyf Arminiaansche punten zulke groove dwalingen niet waren,

dat zij den grondslag der zaligheid ondermynden." Deze handelingen

maakten hem verdacht in de oogen zijner medebroeders, zoodat de

kerkeraad hem in November 1626 besloot te schorsen, onder voorwendsel

van lichaamszwakheid.

[De Rommelpot.] Naar aanleiding van deze troebelen schreef Vondel

zijn Rommelpot van 't Hanekot, waarin vooral de predikanten Smout,

Trigland en Kloppenburg gehekeld worden. Van deze drie was Smout

stellig de hevigste, zoodat zelfs de bezadigde Hooft schreef, niet

te weten "of men wel eenig schrijver zou kunnen aanwyzen, die in

lasteren en schelden by Smoutius zou kunnen halen." Hij werd dan ook,

evenals Kloppenburg, ten slotte uit Amsterdam verbannen.

Ook Trigland kon geweldig uitvaren, maar zijn voornaamste wapen bleef

toch steeds zijn geleerdheid, waardoor hij voor de Remonstranten een

geduchte tegenstander was.

[Verklaring van den naam.] Bij dit hekeldicht grijpt Vondel niet,

zooals in andere gevallen, naar zijn lier, maar naar den Rommelpot,

"het oude, wanstaltige muziekinstrument, dat op zijn geklikklak de

straatjongens aan 't schreeuwen hielp, en de bewoners der achterwijken

bij hoopen aan de voetstappen der spelers en zangers verbond. Zijn

rommelpot zou hem sterken bij 't bezingen van de fraaie historie

die in 't hanekot was voorgevallen. De aanleiding tot het kiezen

van dezen naam lag voor de hand, de naam Hanekop noodigde daartoe al

uit. Trigland droeg reeds in de wandeling den naam van 't Kalkoensche

Haantje, terwijl eindelijk het optreden der strijdlustige predikanten

den naam hanen rechtvaardigde: hun alarmgeschreeuw van den kansel

was reeds lang bij kraaien vergeleken, het spreekwoord bestond reeds:

"Wie hoord' oyt haen op een preeckstoel soo reêlyck snacken."

Bovendien hadden de Contra-Remonstranten reeds vroeger een liedje

in 't licht gegeven, waarbij ze hun tegenstanders uitscholden voor

"Arme Hanen".

Vondels groote verdienste ligt echter vooral hierin, dat hij 't

geheele gedicht door zooveel mogelijk het eens gekozen beeld heeft

behouden, en steeds de personen als hanen heeft doen optreden,

terwijl hij tevens zijn karakter als rommelpotspeler niet heeft

verloochend. Meestal immers wordt deze musicus vergezeld door een

zanger, vaak een uitgehongerden jongen, die de straatzangen met

krijschende stem uitgalmt. Deze rol laat Vondel vervullen door den

Contra-Remonstrantschen boekverkooper Marten Janszoon Brandt, die

aan den ingang der Nieuwe Kerk woonde (vgl. couplet 1 en 34).

[Doorzichtige namen.] Voor iederen persoon kiest de dichter een

typeerenden naam, waarvan we hier de meest bekende vermelden.

Smout is "'t Haentje Dikkop van de Maze", omdat hij vroeger in

Rotterdam had gewoond.

Trigland, die een hoogroode kleur had, is "'t Kalkoensche Haentje".

Kloppenburg draagt den doorzichtigen naam van "Haentje Klopper"

en Hanekop dien van Koppen.

Merkwaardig is het dat Vondel als oorzaak van het ijveren der

predikanten tegen Hanekop noemt de jaloerschheid: Hanekop was een zeer

gewild en gezien predikant en de kerk was gevuld met een uitgelezen

publiek als hij preekte:

"Alle kraejers lagen achter,

Elck die scheen in 't kraejen schor;

Toen begon er een gemor."

[Verhouding van staat en kerk.] Vondel meende dat het geestelijk

gezag ondergeschikt moest zijn aan het wereldlijke: de overheid

moest, desnoods met geweld, de roerige predikanten tot rede weten te

brengen. Vandaar de wenk aan de Burgemeesters (de "Toorenwachters")

om op hanen te letten (couplet 29-33). Dezelfde idee vinden we meer

uitgewerkt in den Harpoen.

[Oordeel van Bakhuizen.] We eindigen onze bespreking van het gedicht

met de volgende woorden van Bakhuizen van den Brink: "Omtrent den

Rommelpot van het Hanekot moge gelden, hetgeen aan Hooft vooral tegen

de borst stond, "dat men die luiden leelijk en afschuwelijk in het

oog der gemeente maakte, daar zij leer en stichting bij te zoeken en

uit te zuigen heeft" [2]; te gereeder vergeven wij aan Vondel zijnen

stouten aanval op de Predikanten, om hunne eigene onverdraagzaamheid,

om de spranken van vernuft, waarvan zijn gedicht schitterde. Spranken

van vernuft, zeggen wij; en gij vraagt, of het Amsterdamsche gemeen wel

zoo ontwikkeld was, dat het die kon opmerken en opvangen: en of niet,

terwijl de dichter den roem van zijne luim luisterrijk handhaafde,

juist daardoor eene andere verdienste, van zich op het standpunt

dergenen, tot wie hij sprak te verplaatsen, de verdienste der

objectiviteit, hem ontging? Indien het echter waar is, dat Bredero,

uit eigene ondervinding, eene getrouwe schilderij van de zeden, taal

en denkwijze des gemeens ophing, dan moet het inderdaad luimig en

levendig, en voor een wel aangebrachten kwinkslag te vangen geweest

zijn; dan moeten de vele laffe en nietswaardige schotschriften,

minder met de vatbaarheid des volks, dan met de onbekwaamheid

der schrijvers gestrookt hebben; dan mogten misschien al de fijne

trekken van Vondel niet begrepen, noch het lange gedicht in zijn

geheel onthouden worden; vele van de geestigste schimpscheuten zijn

voorzeker in de ooren blijven kleven, en het is der ernstige vroomheid

van 't volk dank te weten, dat het, om 's dichters vroolijke invallen

lagchende, echter den eerbied voor zijne Leeraars niet verloor."

['t Sprookje van Reintje de Vos.] In den "Rommelpot" werd aan den

Oud-Burgemeester van Amsterdam Reinier Pauw reeds een waarschuwing

toegediend (zie couplet 36), maar 't schijnt, dat deze zijn wegen

nog niet gebeterd had, want in 1627 zag Vondel zich genoodzaakt

zijne bedreiging ten uitvoer te leggen en hem "al mee een beurt"

te geven. Zoo ontstond 't "Sprookje van Reintje de Vos":

"Gemaekt om op de brug te zingen;

Al zouw' er Reintje uit zijn vel om springen."

Weer verhaalt de dichter, evenals in den Rommelpot, ons iets

in allegorischen vorm, weer is het een kip, die bezongen wordt,

maar nu een hen die door 't looze Reintje, door den vos bedreigd

wordt. De aanleiding tot deze wijze van voorstellen was natuurlijk

de naam Reinier.

[Een Otter in 't Bolwerck.] Even persoonlijk als het bovengenoemde

hekeldicht is het in 1630 gedichte: "Een Otter in 't Bolwerck". Tot

verklaring hiertoe diene 't volgende. Toen in 1630 de predikanten

Kloppenburg en Smout de stad moesten ruimen, werd deze heugelijke

gebeurtenis door hun felste tegenstanders, de leden der Academie

van Coster, gevierd met het spelen van de "Iphigenia", die geheel

gericht was tegen 't drijven der felle Calvinisten, vooral tegen

hunne leeraren. De kerkeraad en vooral Smout had indertijd hevig

getoornd, toen het stuk voor 't eerst werd opgevoerd en zelfs was

er een bezending ouderlingen en predikanten naar 't stadsbestuur

geweest, om te trachten het spelen te beletten. Nu Smout de stad

had moeten verlaten, werd zijn taak overgenomen door Otto Badius,

eerst predikant bij de Duitsche, later bij de Hervormde Gemeente

te Amsterdam, die geweldig tegen het stuk en de leden der Academie

uitvoer, wat natuurlijk een uitstekende reclame voor deze instelling

werd, zoodat de dichter in de voorrede van den zesden druk spottend kon

uitroepen: "hartelijck bedanckende deze voorz. ghestoorde uijlskuykens

dat se alle de werelt met haer roepen ende krijten so gaende gemaeckt

hebben, dat de speelplaats te enghe om de aenschouwers te vatten,

ende de bus te kleen was om de penninghen te vergaren."

Op deze gebeurtenis dichtte Vondel "Een Otter in 't Bolwerck", een

zangerig volksliedje, dat op de wijze van het veel gezongen en ook uit

Bredero bekende "Betteken voer naar Maryemont" vervaardigd was. Het

hoofddenkbeeld moge een werkelijke aanleiding gehad hebben, of door

Vondel verdicht zijn, het is zeer geestig gegrepen. Hij veronderstelt,

dat de predikant een oog van welgevallen en liefde op de dochter van

Jan Willemse Boogaerd heeft geslagen, en, om haar hart te winnen,

zeker eenen allerzonderlingsten, maar echter karakteristieken weg

heeft ingeslagen.

Bij de bewondering, die de familie Boogaerd voor strafpredikers als

Smout koesterde, wil hij toonen, dat hij voor dezen in profetischen

ijver niet onderdoet. En mocht hij het zoover gebracht hebben,

dat ook voor hem, evenals voor zijn beide voorgangers, de trekschuit

gereed lag, ten einde hem buiten de palen der stad te brengen, dan zou

voorzeker zijne schoone niet langer aarzelen, eenen zoo eerwaardigen

martelaar hare hand en trouw te schenken. Thans echter was hij tegen de

Akademie, dien steen des aanstoots, te velde getrokken en Dr. Coster,

die tot de bloedverwanten der Boogaerds behoorde, maar hun voorzeker

sedert lang als de Heiden en de Tollenaar geworden was, werd het

minst van allen gespaard. Het telkens wederkeerend

"o Jemy, o jemy!"

drukt de bedenkelijke tronie en het onbehagelijk gehuil, dat

de jeremiaden van den Predikant, volgens Vondel, vergezelden,

voortreffelijk uit. (Bakhuizen).

[De Roskam.] In Mei van hetzelfde jaar verschenen twee hekeldichten,

Roskam en Harpoen, die volgens Brandt "onder al 't geen hy van dat

slagh had geschreven, de kroon spannen." 't Zijn geen gedichten,

die met het oog op bepaalde gebeurtenissen of bepaalde personen zijn

geschreven, maar meer op algemeene zaken zien; Vondel had zooals hij

zelf in den Roskam getuigde:

"Een kneppel onder een hoop hoenderen gesmeten:

'k Heb weetens niemant in 't byzonder aengerant,

Misschien wie 'k trof, tot nut van ons belegert lant."

Deze laatste regel geeft ons volkomen het doel aan, waarom de

dichter zijn Roskam schreef; hij had medelijden met zijn arm land,

dat uitgezogen werd door gewetenlooze bestuurders die slechts hun

eigen voordeel op 't oog hadden en dat kon Vondel niet aanzien zonder

lucht te geven aan zijne verontwaardiging. Hij was de man niet, die zou

zwijgen als zijn hart hem gebood tot spreken, met recht kon hij zeggen:

"-- -- -- -- -- -- wat op 's harten gront leit,

Dat weltme naer de keel: ik word te stijf geperst,

En 't werkt als nieuwe wijn, die tot de spon uitberst."

Ook was zijn hart tot berstens toe gevuld door al de schandelijke

dingen, die hij om zich heen zag gebeuren, hij moest zijn

verontwaardiging luchten en greep den ijzeren roskam om de

"landsdieven" de waarheid eens te doen gevoelen. Doch verbitteren

alleen wilde hij niet, hij wilde toonen, dat ook het goede

hem niet ongemerkt voorbijging, vandaar de verheerlijking der

rechtschapen bestuurders, het loflied op de mannen die hun plicht

deden, op Oud-Burgemeester Cornelis Pietersz Hooft en den heer de

Bie. Burgemeester Hooft was steeds voor Vondel het ideaal geweest van

een eerlijk, rechtschapen regent; het klinkdicht in 1626 vervaardigd

bij den dood van dien edelen grijsaard, getuigt van den diepen eerbied

dien de dichter voor hem koesterde.

Van vele treurige toestanden verhaalt ons de dichter: schijnheiligheid

speelt een hoofdrol, de godsdienst wordt misbruikt om onrecht te

verbergen, de regenten zijn hebzuchtig en letten alleen op eigen

voordeel. Hoe anders dan in de dagen van burgemeester Hooft, wiens

leus steeds was:

"Indien 't gemeen u roept, bezorgt het als uw eigen,"

terwijl thans de hebzucht de bestuurders aandrijft, de hebzucht

"Die 't algemeen verzuimt, en vordert slechts haer eigen."

't Gevolg is: telkens nieuwe lasten opgelegd aan 't volk, 't arme

"eselkijn", en 't ergste is dat men daarbij nog "zwetst van 't geloof!"

[De Harpoen.] De Harpoen is niet gericht tegen de regeeringspersonen,

zooals de Roskam, maar tegen de predikanten. 't Gedicht is opgedragen

aan Jonkheer Landeslot, Heer van Vryburgh m. a. w. aan de overheid,

die 't lot van een land in haar handen heeft en die dit land weet

te maken tot een oord, waar vrijheid, vooral gewetensvrijheid,

heerscht. De compositie is vrij wel gelijk aan die van den Roskam,

daar stelde Vondel den eerlijken, trouwen burgemeester Hooft tegenover

de plichtvergeten regenten, hier vinden we Godefried, het toonbeeld

van een goeden herder, tegenover Wolfaert, de incarnatie van den

slechten predikant, zooals Vondel ze naar zijn meening dagelijks in

Amsterdam voor zich zag.

Godefried is een ideaal-predikant volgens Vondel en uit hetgeen van

hem verteld wordt, kunnen we opmaken welke eischen de dichter aan

een goeden herder stelde. Voorop staat een goed, zedelijk leven;

allerlei spitsvondige geloofsonderscheidingen geven niets, men moet

iemands geloof afmeten naar de daden, niet naar de woorden.

Gids bij de studie der Nederlandsche letterkunde Voor leerlingen der gymnasia, H. B. scholen en studeerenden voor de hoofdacte · 第 8 / 83 题