XIV

En nu zijn die Congolese wapens en andere voorwerpen, die in de

kamers van meester De Vreught, Spittael of Potvlieghe aan de wanden

hangen, het enige dat nog in Akspoele aan de rampzalige Fortuné

Massijn herinnert. Op feest- en kermisdagen, wanneer die heren

vreemde gasten in hun woning ontvangen, leiden zij die telkens in

hun salon of werkkabinet; en, wijzend met trotse glimlach op de

aldaar pronkende trofeeën, zeggen zij tot hun bezoekers:

--Dat alles komt uit de wilde gewesten van het mysterieuze Afrika;

dat alles werd ons van ginder opgezonden door een vriend die er

gestorven is.

Dan spreken zij in onverschillige woorden een weinig over hem, en,

terugkomend in de eetzaal waar de lekkere maaltijd wacht, wrijven

zij zich genoeglijk de handen en wisselen zij glimlachend de

opmerking hoe veel beter het toch is in het oud gemoedelijk

Vlaanderen gezellig rond een welbediende dis te zitten, dan ginds zo

ver en zo heel alleen de Zwarte Kost te gaan eten.

_De Zwarte Kost!..._ Deze benaming heeft fortuin gemaakt in Akspoele!

Massijn en zijn dwaasheid zijn vergeten, maar dat door hem

nagelaten woord is gebleven, en brengt er, telkens als het

uitgesproken wordt, een ondeugend glimlachje op de lippen.

Slechts moeder Massijn en Fietje, die steeds eenzaam in hun huisje

wonen, lachen niet, als zij het horen. En Eulalie, die er maanden

lang een echte marteling mee uitstond, heeft het niet meer willen

horen: zij is ervoor gevlucht, zij heeft het dorp verlaten; zij

huwde anderhalf jaar na Fortunés dood, een slachter van Lovergem,

een dorp dat op meer dan drie uren afstand van Akspoele ligt.

En vreemd mag het heten: sinds Massijn dood is gelooft niemand in

het dorp, behalve misschien de heren De Vreught, Spittael en

Potvlieghe, nog een enkel woord van al de wondere dingen die de

jongeling zo vaak over Congoland placht te vertellen; evenmin als

wat die handelsreizigersachtige explorateur Kinel er op een

zondagnamiddag in _Het huis van Commercie_ kwam over uitkramen.

Men hecht alleen nog geloof aan de onbeschaamde verzinsels van

blikslager Blink, die dadelijk klaar gezien heeft in Massijns geval,

en die nog wel eens, op zondagmiddagen, een gapende groep

dorpelingen rond zijn deur geschaard houdt, genietend van 't vermaak

ze te verbluffen door zijn snoeven, tot de graad somtijds zijn eigen

leugens te geloven.

De Zwarte Kost · 第 16 / 16 题