En nu zijn die Congolese wapens en andere voorwerpen, die in de
kamers van meester De Vreught, Spittael of Potvlieghe aan de wanden
hangen, het enige dat nog in Akspoele aan de rampzalige Fortuné
Massijn herinnert. Op feest- en kermisdagen, wanneer die heren
vreemde gasten in hun woning ontvangen, leiden zij die telkens in
hun salon of werkkabinet; en, wijzend met trotse glimlach op de
aldaar pronkende trofeeën, zeggen zij tot hun bezoekers:
--Dat alles komt uit de wilde gewesten van het mysterieuze Afrika;
dat alles werd ons van ginder opgezonden door een vriend die er
gestorven is.
Dan spreken zij in onverschillige woorden een weinig over hem, en,
terugkomend in de eetzaal waar de lekkere maaltijd wacht, wrijven
zij zich genoeglijk de handen en wisselen zij glimlachend de
opmerking hoe veel beter het toch is in het oud gemoedelijk
Vlaanderen gezellig rond een welbediende dis te zitten, dan ginds zo
ver en zo heel alleen de Zwarte Kost te gaan eten.
_De Zwarte Kost!..._ Deze benaming heeft fortuin gemaakt in Akspoele!
Massijn en zijn dwaasheid zijn vergeten, maar dat door hem
nagelaten woord is gebleven, en brengt er, telkens als het
uitgesproken wordt, een ondeugend glimlachje op de lippen.
Slechts moeder Massijn en Fietje, die steeds eenzaam in hun huisje
wonen, lachen niet, als zij het horen. En Eulalie, die er maanden
lang een echte marteling mee uitstond, heeft het niet meer willen
horen: zij is ervoor gevlucht, zij heeft het dorp verlaten; zij
huwde anderhalf jaar na Fortunés dood, een slachter van Lovergem,
een dorp dat op meer dan drie uren afstand van Akspoele ligt.
En vreemd mag het heten: sinds Massijn dood is gelooft niemand in
het dorp, behalve misschien de heren De Vreught, Spittael en
Potvlieghe, nog een enkel woord van al de wondere dingen die de
jongeling zo vaak over Congoland placht te vertellen; evenmin als
wat die handelsreizigersachtige explorateur Kinel er op een
zondagnamiddag in _Het huis van Commercie_ kwam over uitkramen.
Men hecht alleen nog geloof aan de onbeschaamde verzinsels van
blikslager Blink, die dadelijk klaar gezien heeft in Massijns geval,
en die nog wel eens, op zondagmiddagen, een gapende groep
dorpelingen rond zijn deur geschaard houdt, genietend van 't vermaak
ze te verbluffen door zijn snoeven, tot de graad somtijds zijn eigen
leugens te geloven.