dezer noodkreten ijlde een onzer jongens naar ons toe en deed ons
verschrikt opspringen van de plaats, waar wij digt bij den rand
der kloof op ons gemak lagen te praten. Het middernachtsuur was
nabij. Achter Sidin kwamen twee andere Javanen aanstormen, die met
knuppels en een brandend stuk hout woedend in het rond zwaaiden. "Een
tijger, een tijger!--Holla, ho! Val aan, val aan, een tijger!"--Deze
noodkreten deden de gansche bevolking van het gehucht met schrik
ontwaken en in één oogenblik was alles op de been;--in de hutten
hoorde men de kinderen huilen, de vrouwen hieven een luid geschreeuw
aan,--de mannen stormden de deur uit en snel als de wind ijlden zij
naar de plaats van het gevaar, gewapend met puntige Bamboesstokken,
hakmessen, een paar lansen, rijststampers en al wat zij in de eerste
ontsteltenis voor de hand hadden gevonden. Wij grepen terstond naar
onze geladen geweren en vlogen met de anderen den tijger in den
stormpas achterna. Hij was nog in het gezigt en sleepte eene geit,
die hij had weggeroofd, aan den hals voort. Bespeurende echter,
dat hij door zoo vele menschen werd vervolgd, liet hij de geit op
eenigen afstand van het dorp los en pakte zich snel voort. Een van
onze kogels, die hem achterna gezonden werden, trof hem zoodanig, dat
hij op den grond stortte, en terwijl hij rondwentelde, weder opsprong
en andermaal over den kop tuimelde, losten wij nog twee schoten op
hem, zoodat een paar Javanen, die met lange lansen gewapend waren,
het eindelijk durfden wagen den tijger voorzigtig te naderen en
hem--door hunne pieken zoo diep in zijn lijf te steken, dat hij, als
ware het aan den grond werd vastgespiest--voor goed te dooden. Deze
pieken waren, behalve de hakmessen (Gòlok) en enkele dolken (Kris)
de eenige wapenen in het gansche dorp.
De tijger en zijn slagtoffer, de geit, werden nu naar het
dorp gesleept, waar de vrouwen en kinderen nog steeds luidkeels
schreeuwden. De geit, die aanvankelijk nog leefde, doch kort daarna
stierf, had ter wederzijde van den nek, vlak achter den kop, eene rij
bloedende gaten, namelijk, ter plaatse waar de tijger de tanden had
ingezet. Zij behoorde aan de weduwe en had haren stal gehad onder den
vloer der hut, derhalve onmiddellijk onder het vertrek, waar wij ons
nachtkwartier zouden opslaan. Aldaar hadden Sidin en andere Javanen
liggen slapen op den vloer, welke eenvoudig bestond uit gevlochten
Bamboes (Sasak). Het gedruisch echter door den tijger gemaakt bij het
inbreken in den stal en de beweging van het slagtoffer, hetwelk aan
de klaauwen des tijgers trachtte te ontspartelen, welk een en ander
zij zoo in hunne onmiddellijke nabijheid, vlak onder zich, vernamen,
had hen uit den slaap gewekt.
De maan was nog niet geheel tot aan den rand van den dalwand genaderd
en schoot hare stralen, wel is waar, in eene schuine rigting, al
sidderend en gebroken door het loof van het geboomte, maar haar licht
scheen nog helder genoeg om het gevelde dier duidelijk te kunnen zien,
dat daar op het kale plekje voor onze hut uitgestrekt lag. Het was een
koningstijger van de grootste soort, stellig even lang, maar slanker
dan een volwassen stier. Zijne prachtige, gele huid met de scherp en
dreigend daarop uitkomende zwarte strepen, zijn vreesselijk gebit,
de kracht en woestheid, welke het dier ook na zijn dood nog teekende,
boezemden ons allen een zekeren huiveringwekkenden eerbied, eene
schuwe vrees in, welke door de gapende wonden en bloedige vlekken,
waarmede het lichter gekleurd gedeelte zijner huid was bezoedeld,
niet verminderd kon worden. Vooral de vrouwen en kinderen scheen de
angst zoodanig bekropen te hebben, dat zij het doode dier niet dan
op een behoorlijken afstand durfden beschouwen. De weduwe alleen,
voor welker hut wij het beest hadden neergeworpen, trad ijlings nader
en hield vlak voor den tijger stil.--Haar lang, zwart haar had zich
ontrold en hing langs hare schouders, gelijk dat der meeste vrouwen,
die in het rond stonden en zoo plotseling en ter dood verschrikt
van hare Ambèn (rustbank) waren opgesprongen. Haar bovenlijf was,
zoo als gewoonlijk, geheel en al ontbloot tot op den Sarong, welke om
de lendenen was geslagen en van daar in breede plooijen hare verdere
ledematen bedekte.--De jeugdige weduwe stond daar met opgeheven armen,
voorovergebogen ligchaam, voorwaarts gestrekt hoofd en staarde met
fonkelenden, onafgewenden blik op den koning der wildernis, die daar
voor haar lag. "Dat is de tijger, die mijn armen man heeft verscheurd
en nu ook mijne geit heeft geroofd!" riep zij op snerpend luiden,
huilenden toon en wierp zich met eene soort van gebrul op het doode
dier. Zij wroette met beide handen in zijne wonden, verwde zich
met zijn bloed, greep hem bij den kop, sloeg hem op de oogen, beet
hem in zijne huid, lekte zijn reeds half geronnen bloed op, sprong
tandeknarsend, met gebalde vuisten op en wierp zich andermaal onder
het slaken van een wilden, doffen kreet van woede op den tijger, dien
zij vaneen scheen te willen scheuren. Weldra deelde hare onstuimige
drift zich mede aan de overige vrouwen, de ééne verdrong de andere,
ja, zelfs de kinderen kwamen eindelijk toesnellen om den tijger te
schoppen, te slaan, uiteen te rukken of althans hunne voeten in des
tijgers bloed te baden. De mannen hielden zich stiller, bedaarder;
maar naauwelijks ontstond er eene opening tusschen de vrouwen en
kinderen, kwam er eene vrije plaats, en kregen zij de gelegenheid
om het dier te naderen, dan staken zij hunne lange dolken (Kris)
tot aan het hecht in zijn lijf,--herhaalden dit met onmiskenbaren
wellust zoo vele honderde malen en doorsneden en doorboorden den dooden
tijger zoodanig, dat hij eindelijk eene zeef geleek;--daar lag nu het
Koninklijke roofdier uitgestrekt op den grond; de mannen lagen met den
dolk in de hand op hunne knieën er nevens; de kinderen baadden hunne
voeten in zijn bloed--en de vrouwen stonden met het naakte bovenlijf,
met heur loshangend haar, gezigt, borst en handen met bloed bevlekt,
dreigend en huilend daarbij--in groepen, waarop het wegstervend licht
der maan nog eenige laatste stralen wierp.
Onthutst door dit tooneel, was mijn broeder Nacht eenigzins
achterwaarts getreden. Nog nimmer had hij Javanen in drift ontstoken
gezien en het scheen, dat hij op dezen oogenblik grooter vrees
koesterde voor deze menschen dan vroeger voor den levenden tijger. En
toch was deze vrees geheel en al ongegrond; wij hadden hen immers
volstrekt geen leed gedaan; wij hadden hunne rust, hunnen vrede
niet gestoord, hun stil geluk niet verwoest!--Langzamerhand scheen
hunne wraaklust zich te bekoelen; zij hadden uitgewoed en kwamen tot
bedaring. De maan ging onder en de een na den anderen verliet den
kring, keerde naar zijne hut terug, waarvan de deur zorgvuldig van
binnen werd toegegrendeld. Er bleef nog slechts een paar mannen over,
die op hunne knieën naast den tijger lagen en zich oefenden in het
gebruik van de Kris. Door woorden en gebaren gaf de weduwe ons nu te
kennen, dat het haar "goed deed aan het hart, wraak te hebben kunnen
nemen aan den tijger, dat wij beste heeren waren, dat zij ons ten
zeerste bedankte, want wij hadden den tijger neêrgeschoten, wij hadden
zegen in haar dorp aangebragt en wij konden nu voortaan hare woning als
ons eigendom beschouwen en er zoo lang in blijven als wij wenschten,
hetgeen haar hoogst aangenaam zou zijn."--"Banjak tabé, toean! Slamat
tidor, toean!" (Van harte gegroet! Goeden nacht, mijne Heeren!)
Wij lieten nevens de hut eenige wachtvuren ontsteken, waarbij
twee Javanen, met lansen gewapend, post vatteden om het vuur te
onderhouden, stegen vervolgens de ladder op en traden het kleine
Bamboezen paleis der weduwe binnen, waarvan het eenige vertrek aan ons
en onze jongens tot nachtverblijf zou verstrekken. Wij zagen hen daar,
zoo lang zij waren, horizontaal en plat op den rug zonder hoofdkussen
op den vloer liggen. Zij waren reeds wederom ingeslapen en ronkten
uit alle magt. Wij zetteden ons neder op de breede bank (Balé balé),
die van nevens elkander gelegde strooken gespleten Bamboes vervaardigd
was. De lamp, reeds voor lang met Djarakolie gevuld, was uitgebrand en
slechts het schijnsel der wachtvuren, dat door de reten der gevlochten
Bamboeswanden binnen drong, verlichtte eenigzins het kleine vertrek.
Gaarne hadden wij ons met wollen dekens toegedekt, want al was de
temperatuur der bekoelde nachtlucht niet beneden 70° Fahrenheit
gedaald, wij waren toch huiverig, dewijl wij gedurende den loop
des daags aan een veel hoogeren hittegraad,--van 85 à 90° en in
den zonneschijn nog veel meer,--waren blootgesteld geweest. Maar
onze Koeli's waren niet aangekomen, en nu konden wij hen ook niet
meer te gemoet zien, dewijl zij des nachts niet durven reizen door
wildernissen, waarin het van tijgers wemelt.--Wij vouwden onze
reiskleederen, die intusschen gedroogd waren, te zamen tot een
hoofdkussen, wikkelden onze schouders in den Selendang, bedekten
ons verder met den Sarong en vielen, door en door vermoeid zijnde,
zelfs op onze harde legerstede weldra in diepen slaap.
(Vervolg hierna.)
VERHALEN EN GESPREKKEN
UIT DE
BINNENLANDEN VAN JAVA.
2.
Ik droomde.
Ik bevond mij in het binnenste heiligdom eener kerk, waar geen leek
mogt binnentreden. Ik weet niet regt of het in Polen, in Spanje of in
een ander land was. Een jonge geestelijke zou de priesterlijke wijding
ontvangen en, met eene bijzondere zending belast, naar een verwijderd
land vertrekken. Vele priesters in hun feestgewaad gedost waren aldaar
vereenigd, ter bijwoning van de heilige plegtigheid. Verscheidene
kardinalen, met de breede hoeden en prachtige purperen mantels, zaten
in het gestoelte aan de eene zijde der hooggewelfde kapel, benevens
eene menigte bisschoppen met hunne hooge mutsen en van goud blinkende
herderstaven en kruisen, en hierop volgde eene lange rij priesters
van minderen rang. Allen waren in prachtige, schitterende gewaden
gedost. En--hetgeen ten hoogste mijne verwondering wekte--tegenover
hen zat een gelijk aantal dominé's, die met hunne driekante hoeden en
zwarte kleedij eene, wel is waar, minder schitterende, maar even lange
rij vormden. Ik en mijn broeder Nacht waren de eenige oningewijden
aldaar tegenwoordig. Hoedanig ik te dier plaatse was gekomen, dit
wist ik niet; het bleef mij een onoplosbaar raadsel, maar ik was er en
stond met mijn broeder Nacht in een der verwijderde hoeken van de kapel
achter een pilaar verborgen. Hoog verhieven zich in de beide zijgevels
der kapel de spits toeloopende vensters, waarvan de beschilderde glazen
het invallend daglicht temperden. Een veelkleurig schijnsel verwde den
vloer in het midden der kapel, waarvan de verder afgelegene hoeken en
nissen in een tooverachtigen schemer waren gehuld. Tusschen de vensters
ontwaarde men allerwege aan de wanden groote schilderijen in olieverw,
waarop verscheidene figuren stonden; zij waren allen in lijsten gevat
en stelden voor de wonderen door Jezus Christus op aarde verrigt. Op
eene dier schilderijen zag men de uitstorting van den Heiligen geest
op de Apostelen, en eene der grootsten stelde voor de opstanding der
dooden. De allergrootste echter, welke te gelijker tijd de fraaiste
schilderij was, hing op den voorgrond hoog aan den wand; slechts
een kruis verhief zich daar boven. Christus was daarop afgebeeld, na
zijne opstanding uit het graf, ten hemel varende. Op deze schilderij
verlaat hij onze aarde, keert hij terug naar zijnen hemelschen Vader,
nadat hij zijn verlossingswerk alhier heeft volbragt. Zijn gelaat is
verheerlijkt, zijne houding zegevierend, goddelijk. Al wat aardsch is,
heeft hij overwonnen; hij zweeft opwaarts nog ligter dan de lucht,
welke hij doorklieft en de sterfelijke wezens, daar beneden op de
aarde, staren hem, met opgeheven armen, in verwondering en verrukking
na. Een lichtende stralenkrans omgeeft zijn hoofd en tusschen gulden
wolken blinkt in de verte de geopende poort des hemels, de plaats
der eeuwige gelukzaligheid, werwaarts tallooze scharen van heilige
engelen hem begeleiden.
Beneden deze heerlijke schilderij bevond zich eene nis; een zwaar
gordijn verborg haar binnenste voor elken bespiedenden blik. Vóór deze
nis stond eene tafel met een purperen kleed bedekt; op een opengeslagen
Nieuw Testament, dat zich daarop bevond, lag een groot zilveren kruis.
Een der oudste dominé's stond van zijnen zetel op en sprak deze
woorden: "Katholieke broeders! Wij zijn alhier gekomen om, na
het verrigten der plegtigheid, welke gij nu zult vieren, met u te
beraadslagen over de wijze, waarop de gevaren zullen worden afgekeerd,
die onze christelijke kerk van meer dan eene zijde bedreigen. Het kille
ongeloof, welks adem een doodelijk vergift is, verbreidt zich allerwege
meer en meer in het rond; de leeringen der natuuronderzoekers komen,
als een verblindend weerlicht, al nader en nader tot ons, ten einde
door haar bedriegelijk schijnsel het Heilige Woord der Openbaring
in de schaduw te stellen. Zij durven het wagen van natuurwetten,
in plaats van wonderen te spreken. Die dwazen! zij wanen zich in
staat, meer te kunnen begrijpen van het geschapene in de natuur,
dan hetgeen God de Heer in zijne Heilige Schrift--in den bijbel--ons
daaromtrent heeft geopenbaard. Wonen wij niet in het vetste land
des geloofs? en worden onze broeders wel ergens ter wereld zoo zeer
door het volk geëerd als hier? Maar al onze invloed, al het aanzien,
dat wij hebben verkregen door een moeitevollen arbeid, die eeuwen
lang is voortgezet, moet geschokt worden, wanneer het volk niet meer
aan wonderen gelooft. Dit moet worden verhoed, deze goddelooze zucht
moet worden tegengegaan. Maar, mijne waarde Katholieke ambtgenooten,
slechts dan wanneer wij met vereende krachten te werk gaan, kunnen
wij de hoop voeden sterk genoeg te zijn om aan den stroom der
verlichting paal en perk te stellen. Het is waar, ons beider kerken
zijn gescheiden, ja, wat meer is, staan oogenschijnlijk vijandig
tegen elkander over. Wordt de zaak echter van naderbij onderzocht,
dan blijkt dat het onderscheid inderdaad niet groot is. Gij draagt
een ronden, wij een driekanten hoed, maar toch gelooven wij beide
aan het driemaal een is een, en bovendien wanneer het eene zaak geldt
zoo hoog gewigtig als deze, dan zouden wij de punten onzer hoeden wel
wat kunnen laten bijronden. Gij vereert, het is waar, de moeder Gods
bijna meer dan Hem zelven en zijn Vader, maar wat is daaraan gelegen,
want de scheppende kracht der natuur moet toch beide mannelijk en
vrouwelijk tevens zijn geweest. En wenden wij onze blikken naar de
tafereelen, die wij hier rondom ons aan de wanden aanschouwen,--zijn
het niet allen zinnebeeldige voorstellingen van hetgeen gij den volke
leert? Welnu, datzelfde leeren wij insgelijks.--Jezus Christus is Gods
Zoon, ontvangen van den Heiligen Geest, geboren uit de onbevlekte
maagd Maria; hij stond op van de dooden, nadat hij was gekruisigd
geworden; hij verloste den mensch van de zonden en voer op ten hemel;
dat leert gij en dat leeren wij insgelijks.--Gij acht het noodzakelijk
ter bevestiging van uw aanzien, dat het volk aan wonderen gelooft;
wij insgelijks.--Gij vermeent, wel is waar, in den wijn en het brood,
of in de hostie het ligchamelijk vleesch en bloed van Christus te
nuttigen, en wij denken slechts daarbij aan zijn gebroken vleesch
en zijn vergoten bloed; maar gij beschouwt het Avondmaal als
een der heiligste sacramenten, en wij insgelijks.--Gij houdt het
omsluijerde beeld in de nis voor het oog der menigte verborgen;
wij insgelijks.--Welk onderscheid bestaat nu tusschen uwe en onze
leer? In het wezen der zaak komen beide overeen; datgene, waarin zij
van elkander afwijken, betreft slechts den uiterlijken vorm, het zijn
niet dan kleinigheden. Hierover moeten wij thans heenstappen, ten einde
de hoofdzaak, die ons beide evenzeer aangaat, te redden. Bij de steeds
dreigender wordende teekenen dezer zoogenaamde verlichte negentiende
eeuw moeten wij onze krachten, die tot dusverre verdeeld zijn gebleven,
vereenigen, opdat het gansche gebouw, waarop uwe zoo wel als onze
magt steunt, niet instorte. Gij hebt, wel is waar, een opperhoofd
der kerk, waaraan gij onvoorwaardelijk gehoorzaamt; wij hebben er
geen en ieder onzer is liever zelf, elk in zijn eigen kring--een
paus. Bij de gevaren echter, welke het heilige orthodoxe geloof
aangrimmen, zou het niet dan verderfelijk voor ons beide zijn, indien
de bestaande verdeeldheid en versnippering onzer krachten langer bleef
voortduren. Door dergelijke kwalen geteisterd, gelijk tegenwoordig het
geval is, waar een verstijvende adem van twijfelzucht en verlichting
ons steeds heftiger toewalmt, ziet men gaarne om naar een steunpunt,
naar een hechten pijler, waaraan men zich kan vastklemmen, en het is
aan geen twijfel onderhevig, dat wanneer onze krachten zijn vereenigd
en wij door een hoofd worden aangevoerd, wij niet tweemaal, neen,
tienmaal meer kracht zullen kunnen uitoefenen, dan waartoe wij ieder
afzonderlijk in staat zijn. En nu, broeder bisschop, verrigt eerst
uwe dienst, opdat wij later over deze zaak kunnen beraadslagen. In
den naam des Vaders, des Zoons en des Heiligen Geestes. Amen."
De jonge zendeling trad voor en de wijbisschop sprak de volgende
woorden tot hem: "Mijn zoon! Gij zijt hier gekomen om het hoofd der
kerk den eed van onverbrekelijke gehoorzaamheid te zweren. Gij zijt
onderwezen in onze geloofsleer en ik behoef hare grondstellingen
hier niet te herhalen. Maar uwe pligten wil ik u nog eenmaal in het
geheugen roepen. Onvoorwaardelijke gehoorzaamheid zijt gij aan de kerk
verschuldigd, en gij moet bezield zijn met een blind geloof. Daarover
na te denken is zonde, twijfel te voeden is ketterij. Ketters worden
gestraft met den ligchamelijken dood en de eeuwige verdoemenis. Allen
hopen wij met God, onzen Heer en Zaligmaker Jezus Christus, dat de tijd
weder zal aanbreken, waarop wij magt zullen hebben alle twijfelaars
en ketters te verdelgen en u, mijn zoon, hebben wij uitverkoren
en waardig gekeurd om een medearbeider en ons werktuig te zijn,
ten einde deze magt ons weder te hergeven. Het hoofd onzer kerk,
de plaatsbekleeder Gods op aarde, heeft met de ingewijden, die hij
zijn vertrouwen waardig keurt, alléén het regt de stellingen onzer
heilige godsdienst te onderzoeken en te beoordeelen. Gij en alle
anderen moogt niet beoordeelen, gij behoort slechts te gelooven en
te gehoorzamen en dit geloof moet gij door alle mogelijke middelen
uitbreiden en tegen de ketters strijd voeren. Kunt gij een ketter
verdelgen, zoo moogt gij geen medelijden met hem hebben. Zij zijn door
God vervloekt. Verlies nimmer uit het oog, dat gij aan datgene, wat
de kerk u leert en gebiedt, dat wil zeggen: aan uwen God--meer moet
gehoorzamen dan aan menschen. Wanneer gij, gedurende eene reeks van
jaren, u waarlijk getrouw en werkzaam zult betoond hebben, dan wacht
u de heerlijkste belooning. Gij zult met geestelijke waardigheden
overladen en onder het tal van ingewijden opgenomen worden. Hef
uwe oogen op naar het tafereel, dat gij ginds op den voorgrond ziet
en aanschouw het voorhangsel, dat het binnenste der nis beneden de
schilderij voor uw oog verbergt. Achter dit voorhangsel staat het
ware beeld. Maar hoogst gevaarlijk, ja, verderfelijk zou het voor onze
belangen zijn, indien wij dat beeld den volke vertoonden, want zagen
zij het of konden zij het zien, dan ware het met onze heerschappij
gedaan. Om die reden moet de waarheid omsluijerd en zorgvuldig geheim
gehouden worden. Het volk mag niet verlicht zijn, maar moet gelooven,
hetgeen wij aan hetzelve leeren en ons voor onfeilbaar houden. Dan
laat het zich 't gemakkelijkst besturen; op die wijze maken wij
ons aan de wereldlijke regeringen onontbeerlijk, ja, wat meer is,
wij houden die zelven daardoor in bedwang en heerschen over haar. Dat
het groote doel der hierarchie, de algemeene wereldlijke heerschappij
over alle volken der aarde, door u, mijn zoon, derhalve nimmer uit
het oog worde verloren, en vergeet niet, dat het zekerste middel
om daartoe te geraken, is: het onderrigt der jeugd. Prent derhalve
de grondstellingen onzer leer vooral diep in het kinderlijk gemoed;
want hetgeen het kind gewoon is als heilig te vereeren--al was het
louter onzin, dwaling of bedrog--de vereering daarvan zal hem eene
behoefte worden, welke in latere jaren niet dan hoogst moeijelijk
ontbeerd, waaraan het geloof ter naauwernood geschokt zal kunnen
worden. De jeugd zij derhalve bij voorkeur het voorwerp uwer zorg,
en stel u steeds levendig voor den geest, dat een van onze eerste en
krachtigste middelen, om ons tot het beoogde doel te voeren, is: het
schoolonderwijs te leiden en de scholen onder ons opzigt te brengen. En
gij, mijn zoon! wanneer gij de proef zult hebben doorgestaan en in de
uitoefening uwer pligten, met het oog op het doel onzer heilige kerk,
onwankelbaar getrouw zult geweest zijn, dan zal het u vergund zijn
het voorhangsel ter zijde te schuiven, dat het gindsche beeld bedekt
en gij zult een onzer vertrouwden wezen. Bereid u nu om den heiligen
eed te zweren. Benedicite!"
Onmiddellijk hierop lieten zich de akkoorden van het orgel hooren;
zijne krachtige toonen wekten de echo's van het hooge gothische
gewelf en een koor van priesters hief geestelijke liederen aan,
waarvan het maatgezang plegtig en indrukwekkend zich paarde aan het
orgelgeluid. Eene menigte kaarsen brandde op het altaar en in het
wit gekleede knapen zwaaiden hunne wierookvaten, wier welriekende
dampwolken al hooger en hooger opstegen.
De aanspraak des bisschops had mij tot in het binnenste mijner ziel
geschokt; een onweêrstaanbaar verlangen maakte zich van mij meester
om het beeld beneden die groote schilderij, dat hij het ware beeld
had genoemd, te aanschouwen. Het was mij niet mogelijk dit verlangen
te bedwingen, niettegenstaande mijn broeder Nacht mij bij den arm
vasthield en mij toefluisterde: "Om Gods wil, Dag! houdt u toch stil;
wij zijn hier beide ongenoodigde gasten. Dat wij ons alhier bevinden,
is in hun oog reeds ongeoorloofd; woedend zouden zij worden, indien
zij ons ontdekten en rukt gij nu daarenboven nog het gordijn weg,
dat gindsche nis bedekt, dan zou het u 't leven kunnen kosten! Ik bid
u, zie af van dat voornemen; kom, laat ons ijlings en in stilte van
hier vlieden." Ik werd echter door de sterkste begeerte geprikkeld
om dat beeld in de nis te ontsluijeren,--ik trad nader en rukte het
gordijn weg.
Plotseling verbleekten de blinkende kleuren der schilderij, welke
boven de nis hing, de stralenkrans die het hoofd van Christus omgaf,
verdween, de engelen weken van zijne zijde, het orgel zweeg en het
maatgeluid van het priesterkoor verstomde. De wierookwolken werden
snel als door een storm weggevaagd en al de kardinalen, bisschoppen,
pastoors en dominé's vloden ontsteld, verschrikt, in de grootste
verwarring uit de kerk.--En wat zag ik nu?--Wat geschiedde aldaar?
De beeldtenis afgemaald op de schilderij, welke zich bevond in de
nis, waarvan ik het gordijn had weggeschoven, begon zich te bewegen,
zij werd levend en--voor mij stond een mensch,--een man met joodsche
gelaatstrekken, zwart van baard en van hoofdhaar,--met een bleek,
door lijden vermagerd gelaat; hij was gekleed in een eenvoudig,
grijskleurig gewaad en weemoedig, ik mag zeggen, treurig was de blik,
dien hij op mij wierp. Aan zijne handen bespeurde ik blaauwe, dik
opgezwollene lidteekenen.
Stil, ontroerd stond ik daar. Ik begon berouw te gevoelen over de
daad, door mij bedreven; mijn boezem werd vervuld van medelijden op
het zien der gestalte, waarop ik mijne blikken had gevestigd. Zij
was niet blinkend gelijk de sluijer, die haar vroeger omgaf, om
haar voor het oog te verbergen; neen, ontdaan van allen uiterlijken
glans, stond daar voor mij, bleek en lijdend, een arme, mishandelde
mensch!--ja, mensch.--En toch boeide mij die verschijning, stond ik
als vastgenageld op de plek, waar ik mij bevond, was het mij niet
mogelijk eene schrede voor- of achterwaarts te doen. De blik, welken
deze mensch op mij sloeg, was zoo wonderbaarlijk zacht en teeder, dat
mijne oogen aan de zijnen als gekluisterd waren en de menschenliefde,
die hij zoo bij uitnemendheid schoon en luide heeft gepredikt, het
medegevoel, de sympathie met onze natuurgenooten, werd in mijn boezem
steeds levendiger en warmer, hoe langer ik hem aanzag. Zijn verhevene,
rustige blik was op mij gerigt, op mij, die met vermetele hand hem
had ontdaan van den stralenkrans en kerkelijken luister, waarmede
de priesters hem vroeger hadden versierd; en toch was zijn blik zoo
zacht, drong hij tevens zoo diep in het hart, ja, tot op den bodem
des harten door, en deze ziel volle blik, de glans der oogen, welke
steeds helderder werd, hoe langer men hem aanzag, wekte zulk eene
geestvervoering in mij op, dat ook mijne oogen vochtig werden;--hij
bemerkte het, hij verstond mij, een zachte lach, naauwelijks merkbaar,
deed zijne lippen trillen,--hij strekte de hand naar mij uit en--ik
viel neder op mijne knieën om haar te kussen.
Nu sprak hij: "Laat af, mijn vriend. Ik ben, gelijk gij, eens menschen
zoon. Voor God alleen zult gij de knieën buigen. Mij hebben zij
eerst mishandeld en gekruisigd,--druk mijne handen niet zoo sterk,
de wonden, die zij mij geslagen hebben, doen mij steeds pijn,--duizend
anderen, die na mij zijn gekomen en een gedeelte beleden van hetgeen
ik beleed, hebben zij mishandeld en verbrand; toen hebben zij mijne
leer vervalscht, mijn beeld omsluijerd, de waarheid verduisterd. In
de plaats daarvan hebben zij bijgeloof gezaaid en opgekweekt, waarop
hunne magt is gebouwd en godslasterlijk hebben zij beweerd deze daden
te verrigten in majorem Dei gloriam! Ja, ten einde zulks met des te
meer zekerheid te doen, hebben zij mij God den eeuwige genoemd en
zich zelven verklaard te zijn mijne opvolgers en plaatsbekleeders op
aarde. Toen Jozef van Arimathea mij van het kruis nam en nederlei
in het graf, in de rots uitgehouwen, was ik schijndood ten gevolge
van bloedverlies en het lijden, dat ik had verduurd;--later moest ik
mij voor mijne vijanden verbergen en verkwijnde langzamerhand aan de
gevolgen der geleden mishandelingen. Mijne leerlingen en vrienden,
die mij overleefden, vermeenden in hunnen blinden ijver de goede
zaak te bevorderen, door mijne geschiedenis met wonderen op te
sieren. Zij verspreidden het verhaal, dat ik ten hemel was gevaren,
maar helaas! door niets hebben zij zoo veel nadeel toegebragt
aan de menschheid als juist door deze sprookjes, die zij hebben
uitgestrooid. Wij allen zijn kinderen Gods, want de Heer heeft ons
boven het gedierte, dat in de wildernis leeft, begiftigd met eene
redelijke ziel;--maar zij zeiden: dat ik Gods ligchamelijke zoon
was! En hetgeen ik uit mijn menschelijk verstand waar en juist ten
opzigte van de schepping en haren maker erkend en geleerd had, dat
alles gaven zij nu uit voor "het geopenbaarde woord Gods." Niet altijd
hadden zij mij begrepen, menigwerf een verkeerd denkbeeld van mijne
woorden opgevat; veel hadden zij vergeten van 't geen ik hen geleerd
had, en andere dingen er bij gevoegd, die ik hen niet had geleerd;
maar niettegenstaande dat stelden zij dit alles later te boek gelijk
zij zulks geloofden en leiden mij die woorden in den mond. En nu
werd dit doode woord als "heilige schrift of bijbel," onveranderlijk
van de eene eeuw op de andere voortgeplant, en in plaats van in het
ware boek der openbaring te lezen, hetwelk allerwege, bij dag en
bij nacht, voor hunne blikken geopend ligt, in plaats van zich te
laven aan de levende bron der kennis, de schepping, en het oog in
de diepte hunner eigene ziel te slaan, wisten zij van niets dan van
het bepeinzen en doorbladeren van dezen bijbel; zij legden hem uit,
zij verklaarden hem, zij stelden een woord nu aan de linker-, dan
aan de regterzijde, plaatsten het nu eens schuin, dan weder regt;
zij vonden er alles in, dat zij verlangden en loochenden datgene,
hetwelk hun verkeerd toescheen. Uit deze woorden vormden zij gansche
geloofstelsels en stelden den mensch het aanbidden van hunnen
waan ten heiligen plagt; zij grondvestten hierarchien, rigtten
brandstapels op en offerden ketters in de vlammen; zij begonnen
te twijfelen, oneenigheid ontstond onder hen, zij scheidden zich
van één, stichtten eene oneindige menigte sekten en op die wijze
dwaalde een groot gedeelte der menschheid in de duisternis voort,--het
weldadige licht der waarheid bleef verre van hen, dewijl de verstokte
geloofswaan allen vooruitgang belette en dewijl zij datgene, hetwelk
niet anders is dan een onvolkomen voortbrengsel van het menschelijk
verstand--mijne leer, en zelfs deze niet dan vervalscht,--voor Gods
woord uitgaven.--Maar laat dit u niet ontmoedigen; elk haar van uw
hoofd is geteld, en de Heer, die in zijn groot scheppingswerk alles
naar wijze wetten heeft geregeld, heeft insgelijks de veredeling en
steeds voorwaarts strevende ontwikkeling der menschheid aan vast
bepaalde wetten onderworpen. Moge onze blik te beperkt zijn om al
deze wetten te doorgronden en te bevatten, het is echter niet minder
zeker, dat de mensch zijne bestemming naar even onwankelbare wetten te
gemoet gaat als zulks het geval is met alle andere werken Gods. Zou
dan het volkomenste schepsel op deze aarde, waaraan de Eeuwige,
Onvergankelijke een deel zijner kracht, het verstand, de redelijke,
van zich zelf bewuste en onvergankelijke ziel schonk, zou dit buiten
de algemeene ontwikkelingswet zijn gesloten? Neen, zijt verzekerd, de
mensch gaat eene steeds grooter wordende volkomenheid in den toestand
van het maatschappelijk leven te gemoet, beschenen door het licht
van eene steeds helderder wordende kennis van het geschapene in de
natuur en der Goddelijke kracht, welke er in heerscht. Te vergeefs
trachten de dwazen de bron des lichts te verstoppen en de waarheid te
omsluijeren; duizend andere menschen waren gereed en zullen gereed zijn
om den sluijer, waarmede de waarheid is omhuld, weder weg te rukken,
opdat de wet des Eeuwigen vervuld worde. Gij zijt een diergenen, en
gij hebt het gordijn weggeschoven, dat mijn beeld bedekte. Ik dank u
daarvoor. Ik bestreed de huichelarij der priesters, het bijgeloof en
het bedrog in de godsdienst en zij kruisigden mij. De voortgang des
tijds heeft u nader gebragt aan het groote doel der ontwikkeling en
de magt der boozen is reeds in eene groote mate geknakt. Zij zullen u
beschimpen, belasteren, zij zullen pogingen aanwenden om uwe bedoeling
in een verkeerd daglicht te stellen. Maar vrees niet, want Groot is
de waarheid en zij zal zegevieren. Zij echter, die de waarheid kennen
en haar niet verkondigen, maar verzwijgen; zij schenden den pligt,
die op hen rust. Deze zijn de helers, gene die stelen. Gene zijn het,
die de onwaarheid en het bijgeloof onder het volk verbreiden; zij
ontrooven den mensch de goddelijke kennis en zijn zedelijk heil. Ga
voort op den weg, dien gij bewandelt en doe waartoe gij u geroepen
gevoelt, maar doe zulks met zachtmoedigheid en vergeet nimmer, dat de
boozen en huichelaars slechts verdwaalden en uwe broeders tevens zijn."
Hij sprak met eene zachte stem. Zijne woorden klonken als de
heerlijkste muzijk in mijne ooren en met verrukking ving ik dezelven
op. Zijne krachten schenen uitgeput als van iemand, die veel geleden
heeft en nu langzaam ter aarde zijgt. Maar zijn gansch gelaat teekende
vrede en de glans zijner oogen was niet verdoofd.--Ja, ik erken u,
gij zijt het--Jezus van Nazareth! die tot mij spreekt en u vereer
ik. Ook ik wil mijn penningske bijdragen en eene poging doen om
de aanbidding Gods in zuiverder, warer vorm te doen stand grijpen,
om het verkeerde, het bijgeloof er uit te verwijderen, opdat sluwe
menschen niet langer misbruik maken van de behoefte aan godsdienst
hunner medebroederen,--ik wil mij scharen aan de zijde dergenen,
die pogingen aanwenden om de voorschriften der zedeleer zoodanig in
te rigten, dat zij werkelijk en letterlijk kunnen worden opgevolgd,
opdat de huichelarij en schijnheiligheid ophouden te bestaan.
Eensklaps hief hij beide handen opwaarts, als bespeurde hij onverwacht
eenig voorwerp achter mij,--ik keerde mij om en zag twee pastoors
en drie dominé's, die teruggekeerd waren,--zij hadden hunne ronde en
driekante hoeden op den grond geworpen en ijlden met ontbloot hoofd,
vreugdedronken en met tranen in de oogen naar het ware beeld van
Jezus heen;--ik stond verlegen, getroffen, doch tevens aangenaam
verrast tusschen hen beide; snel trad ik ter zijde,--daar klonk het
geluid eener nabij zijnde muzijk mij in de ooren; ik hoorde zachte
en welluidende toonen als van slaginstrumenten en de schoone gestalte
van Jezus, het ontsluijerde beeld verdween uit mijne oogen.
Daar buiten in het dorp werd de Gamelan gespeeld, waarvan het
geluid mij uit den slaap had doen ontwaken; mijn broeder Nacht lag
nog verzonken in den periodieken schijndood der ziel,--hij sliep nog
nevens mij, toen ik in stilte opstond en de deur der hut opende.--Het
oog des daags was nog niet geheel en al ontwaakt; het gebroken
zonnelicht, dat de hoogere luchtlagen, door de zon reeds beschenen,
terugkaatsten, de schemering, omhulde nog de natuur, toen ik van den
ladder afklom, en koel was de morgenlucht die mij haren verkwikkenden
adem toeblies. Tot mijne verwondering zag ik, dat al onze pakkaadje
reeds was aangekomen en op den achtergrond van het open plein voor
onze woning, onder het geboomte, rondom eene Gamelan gerangschikt was.
Onder mijne Indische lezers wordt geen enkele gevonden, die niet weet
wat eene Gamelan is. Dewijl het zeer mogelijk kan zijn, dat zulks
niet met alle lezers in Nederland het geval is, zal het navolgende
ter verduidelijking kunnen dienen. Onder eene Gamelan verstaan de
Javanen eene vereeniging van groote en kleine muziekinstrumenten,
voornamelijk van metaal vervaardigd, welke meerendeels den vorm
hebben van een bekken en wat betreft de grootere soorten (de Gong's)
deels aan fraai bewerkte houten gestellen handen, deels (de Bonang's
en Kenong's) zijn geplaatst over trogvormige kisten om den klank te
verzwaren en in rijen nevens elkander op strak gespannen koorden
liggen. Hiertoe behooren nog eene fluit (Soeling), eene viool met
twee snaren (Rébab), eene trom (Kendang of Bedoeg), vervolgens een
aantal andere trog- of bootvormige kisten, waarboven verscheidene
in grootte trapsgewijs afnemende platen of staven in eene rij nevens
elkander zijn geplaatst. Deze zijn of van metaal en hangen aan koorden
(Gendèr), of zijn door middel van houten pennetjes op den rand der
kist bevestigd en deels van metaal (Saron), deels van hout (Gambang
kajoe) vervaardigd. Zij worden allen met houten hamers geslagen,
die met leder of garen omwonden zijn en geven, niettegenstaande de
voortdurende herhaling derzelfde hoogst eenvoudige Javasche melodien,
een zeer aangenamen, welluidenden klank, welke eenige overeenkomst
heeft met het geluid van een klokkenspel, maar die veel zachter van
toon is, vooral indien men hem in de verte hoort. Tot een volledig
orchest behooren vier, vijf tot acht Javanen om de instrumenten te
bespelen en eene of twee Ronggeng's, d. i. dans- of zangeressen. De
Ronggeng's zijn eene navolging der Indische bajadèren, die op Java
uit den voormohammedaanschen tijd--den tijd der Hindoerijken, der
Brahma- en Boedhagodsdienst--zijn overgebleven; deze treden echter
alleen bij plegtige gelegenheden op.
Eene dergelijke Gamelan nu stond, met onze pakkaadje daaromheen,
als het ware voor onze oogen nedergetooverd, terwijl eenige
Javanen welluidende toonen aan de verschillende muziekinstrumenten
ontlokten. Zij zaten daar met de beenen kruiselings over elkander
geslagen op uitgespreide matten, voor hunne instrumenten, met de
speelhamers in de hand en zagen er tamelijk slaperig uit. Zij schenen
slechts het oogenblik te verbeiden, dat de zon boven den horizon
zou verschijnen,--het tijdstip waarop onder dezen tropischen hemel
iedereen, rijk en arm, zijne legerstede gewoonlijk verlaat,--om hunne
instrumenten onder zwaardere slagen te doen klinken. Ik was vóór dien
tijd ontwaakt, doch gaf hen te verstaan, dat mijn oudere broeder nog
sliep en te gelijk roerden zij hunne handen sneller; zij speelden
de melodie van Poetjoeng kanginan, een luid allegro werd gehoord,
bim, bam, bim, en--boem klonk de zware basstem van den grooten
Gong als een klok boven alles uit, en ziet, mijn broeder Nacht trad
aangenaam verrast naar buiten, wenschte mij goeden morgen en wreef
van verwondering zijne oogen, toen hij de Gamelan en onze koffers
gewaar werd.--Sluipend naderde zijn bediende Lapiah, die met een mijner
jongens gisteren de Koeli's begeleid en reeds vóór het vallen van den
avond hier had moeten zijn. Hij hinkte--en maakte een erbarmelijk
figuur, toen hij daar schoorvoetend naderbij trad. Eindelijk vatte
hij moed; hij maakte een buitengewoon feestelijk compliment en begon
nu met een "Banjak tabé Toean, djangan mara Toean" een en ander tot
zijne verontschuldiging in te brengen. Deze redenering kwam ongeveer
hierop neder: Ja, mijn heer, de Koeli's liepen zoo snel als mogelijk
was en ik spoorde hen daarenboven voortdurend aan om nog grooteren
spoed te maken, ten einde vroegtijdig genoeg alhier te komen; maar
aan de Tji-Roké genaderd, kroop eene slang dwars over den weg en die
beet mij in mijn linkerbeen.
NACHT. Eene slang, gebeten?
LAPIAH. Ja, mijn heer, maar zij was niet vergiftig.--Mas Poetri
heeft haar dood geslagen en voor de verzameling van mijn heer Dag
(bij het uiten dezer woorden maakte hij eene buiging voor mij)
medegebragt. Toen de Koeli's dit zagen, zeiden zij: dat is een kwaad
teeken; op dezen weg durven wij niet verder voortgaan, want wij
krijgen stellig een ongeluk, wij moeten een omweg maken en met een
sloegen zij een zijpad in, dat langs de andere zijde van het dal loopt,
zoodat wij door Desa-Paréang kwamen. En ziet, bedenk eens mijn Heer,
hoe toevallig de omstandigheden kunnen zamenloopen, daar werd juist
bruiloft gehouden en de Gameelan gespeeld, er waren Ronggeng's en ons
werd thee en Koewé koewé aangeboden. Ziet gij wel, zeiden de Koeli's,
dat wij geluk hebben op dezen weg en met een schoven zij de koffers van
hunne schouders, plaatsten al de pakkaadje onder een Pendopo en wat wij
ook deden, wat wij hiertegen inbragten--wij baden, wij dreigden hen,
wij stompten er op--maar 't was alles te vergeefs, eenigen vlijden
zich neêr, aten Koewé koewé en luisterden naar de Gamelan, anderen
tandakten (d. i. dansten) met de Ronggeng's en al onze pogingen waren
vruchteloos, wij konden hen niet van daar krijgen. Maar heden morgen
ten 4 ure hebben wij er met den stok achter gezeten, hen eindelijk den
weg op gedreven, en wetende dat wij op onzen togt voortdurend op den
Gong zouden moeten slaan om de tijgers te verjagen, hebben wij gemeend,
dat het beter was de gansche Gamelan maar mede te brengen. Ik weet
immers, dat mijn Heer veel van muziek houdt. Mijn Heer ziet dus wel,
dat het mijne schuld niet is.
NACHT. Gij slimme vos! De klappen, die gij de Koeli's hebt gegeven,
zullen wel niet veel pijn hebben veroorzaakt. (Lapiah zette een strak
gezigt en eenige andere Javanen keerden zich om, ten einde hun lagchen
te verbergen.) Vooreerst hebt gij den ganschen nacht gezwierd en met
de Ronggeng's getandakt; ons hebt gij, met verzaking van uwen pligt,
hier laten zitten zonder kleederen, zonder wijn, zonder sigaren; ten
anderen hebt gij die arme menschen nog bovendien gedwongen midden in
den nacht de Gamelan herwaarts te brengen en nu zoudt gij mij nog wel
willen wijs maken, dat dit alles geschied is om mij te believen. Maar
gij zult zelf de kosten er van dragen.
LAPIAH. Baïk, Toean. Saja poenja oewang abis, kapan soeka pindjam
sepoeloe roepia. (Zeer gaarne, mijn Heer. Mijne duiten zijn verteerd;
heb de goedheid mij tien gulden te leenen.) Gij hebt toch geld genoeg.
NACHT. (lagchend) 't Is wel, ik zal ze betalen, maak nu slechts dat
gij weg komt en breng koffij voor ons beiden.
Dit bevel was voor Lapiah het teeken van verzoening; in zijn ijver
om onze koffij in eene der hutten gereed te maken, sprong hij meer
dan hij liep en had in zijne vreugde het hinken geheel vergeten,
hetgeen de Javanen eindelijk in lagchen deed uitbarsten. Nu kwam ook
mijn jongen, Mas Poetri, te voorschijn, die intusschen stil achter
de deur gestaan en geluisterd had, met eene groote Sawah-slang,
die minstens vijf voet lang was; zij hing aan een stok, welken hij
voor zich uitdroeg. Na eenige strijkaadjen en buigingen begon hij op
gelijke manier als de andere, Tabé Toean, enz., enz., deed nu ongeveer
hetzelfde verhaal, dat hij met de volgende woorden eindigde: "Ja, mijn
Heer, al het gebeurde moet aan de slang hier worden geweten. Maar nu
heb ik toch uwe verzameling met een fraai en zeldzaam stuk verrijkt,
indien gij de slang op spiritus wilt zetten."
IK. Ga heen! Gij weet zeer goed, dat het eene gemeene soort van slang
is, die voor mijne verzameling hoegenaamd geene waarde heeft. Ik wil
u niet berispen, omdat gij u een onschuldig genoegen hebt verschaft,
door deel te nemen aan de bruiloft; maar zoudt ge u niet beter van
uwen pligt hebben gekweten, indien gij ons vooraf eene matras, onze
dekens, eenige cigaren en wijn had toegezonden?
MAS POETRI. Ach, mij beste Heer! Ik dacht: wij jongens drinken nooit
wijn en slapen alle dagen zonder dekens op den blooten grond; wat zal
het nu voor kwaad doen, indien onze Heeren eens eenen enkelen nacht
op die wijze doorbrengen?
IK. Nu, pak u voort, help de koffij zetten en draag zorg, dat die
gereed is, wanneer wij terugkomen. Wij gaan den Goenoeng-Soesoe
beklimmen (zoo heeten de bewoners van Gnoerag een kleinen heuvel,
achter hun dorp gelegen), om van daar de zon te zien opgaan.
NACHT. Zeg eens broeder, hoe zou iemand op die menschen boos kunnen
zijn?
DAG. Het is mij niet mogelijk. Hun karakter is een zonderling weefsel
van goedhartigheid en zorgeloosheid, vereenigd met eene tamelijke dosis
naive sluwheid. Zij hebben weinige behoeften; zij bekommeren zich niet
om den dag van morgen en nog veel minder om dien van overmorgen, en een
jaar na heden is iets, waarvan zij zich geen denkbeeld kunnen maken; om
die reden genieten zij gaarne de vreugde van den oogenblik. Treft men
hen aan, wanneer zij een onderwerp van eigen liefhebberij behandelen,
bij voorbeeld, tandakken of bezig zijn een aap te vangen, en hem van
boom tot boom, ja, tot in de hoogste toppen der boomen naklauteren,
hoe behendig zijn zij dan! Dan laat zich geen spoor van traagheid of
onverschilligheid bij hen bemerken;--welk eene kracht ontwikkelen
zij dan, welk eene vaardigheid, welk eene vurige drift, welk eene
volharding leggen zij aan den dag om hun doel te bereiken! Dan doen zij
alles uit eigen beweging, en hebben geenerlei prikkel noodig.--Wenscht
gij echter, dat zij iets zullen doen, waarbij gij alleen belang
hebt, waaraan zij vooreerst geene behoefte hebben; verlangt gij, dat
zij zich bezig houden met dien arbeid, welke de producten, voor de
Europesche markt bestemd, levert, waarvan de bloei van onzen handel,
ja, meerendeels het bestaan van ons rijk afhankelijk is, verlangt
gij, dat zij dien arbeid vrijwillig verrigten, wilt gij het wat en
het hoeveel zij planten zullen geheel en al aan hun eigen goeddunken
overlaten, draag dan vooraf zorg, dat zij volkomen dezelfde behoeften,
dezelfde belangen, een gelijken graad van beschaving hebben verkregen
als wij bezitten; dan zullen zij het doen, even goed als wij. Maar
wenscht ge, dat zij het vroeger doen, reeds nu doen, dan behoort gij
hen te leiden en toezigt te houden over hunnen arbeid. Ik wil gaarne
gelooven, dat de behoeften der Javanen, die in de nabijheid wonen
van eenige groote kuststeden, waar vele suikerfabrieken in gang zijn,
met het toenemen hunner beschaving zoodanig zijn vermeerderd, dat het
niet noodig is toezigt over hunnen arbeid te houden. In het binnenland
echter,--en hiervan zult gij weldra de overtuiging erlangen,--heeft
de inboorling (op weinige uitzondering na) nog zoo weinig behoefte,
dat een arbeid van twee à drie uren daags voldoende is om ze allen
te bevredigen, en dat binnen den omtrek van één of een half uur
afstands van zijne woning alles gevonden wordt, wat hij behoeft en
waarnaar hij verlangt. De rijkelijkste belooning, de duurste betaling
is aldaar niet in staat hem te bewegen om meer te verrigten. Wat zal
hij aanvangen met het vele geld? Europesche waren en producten heeft
hij niet noodig, en rijkdommen, enkel om den wille van het bezit er
van, acht hij volstrekt niet. Maar hij bemint de eenvoudigheid en de
rust in het kleine Eden, dat hem ten deel is gevallen, en hetwelk de
natuur zoo wonderschoon meubileerde. Moge het nu waar zijn, dat wij
van den arbeid, waartoe wij de Javanen verpligten, uit een materieel
oogpunt beschouwd, het meeste voordeel trekken, het is niettemin eene
onloochenbare waarheid, dat het houden van toezigt over dien arbeid
ook voor hen zijne heilrijke zijde heeft. Een overtuigend bewijs
daarvan leveren immers juist gindsche kuststeden en fabriekstreken des
eilands, dewijl de aldaar wonende Javanen thans vrijwillig verrigten,
waartoe zij vroeger moesten gedwongen worden. Door ons leeren zij al
het weldadige eener regelmatige arbeidzaamheid kennen; het doelmatig
verdeelen van hunnen tijd wordt hen tot gewoonte, en door hunnen
omgang met de Europeërs vermeerderen hunne behoeften en worden zij
van zelf beschaafder. Reeds gedurende den korten tijd van uw verblijf
op Java is de beschaving der inboorlingen, zelfs in het binnenland,
onmiskenbaar toegenomen.
NACHT. Maar ook hun schoolonderwijs behooren wij toch te verbeteren,
op het gebied van zedelijkheid en godsdienst moeten wij hen toch
iets leeren!
DAG. Ongetwijfeld; mits het slechts geene zoogenaamde heilige
openbaringen, geene abstracte dogmen zijn der leer: driemaal een is
een. Deel hen nuttige kennis mede der stellige wetenschappen, die zij
kunnen toepassen ter verbetering hunner huisselijke inrigting en van
hun handwerk, waardoor zij hun materieel welzijn verhoogen. Wanneer
zij zich toeleggen op de beschouwing der natuur, die in hun land zoo
majestueus groot en schoon is, waarvan eene naauwkeurige kennis--van
de wederkeerige werking der krachten, naar gelang van het onderling
verband der verschijnselen--voor hen in elk opzigt niet dan nuttig zijn
kan, dan zal hun zedelijk gevoel tevens worden veredeld en de ware,
natuurlijke godsdienst zal van zelf meer en meer bij hen ontluiken;
want al dat in de natuur bestaat, ademt Gods wijzen geest.
Onder het houden van dit gesprek hadden wij den top des heuvels bereikt
(benevens eenige Javanen, die achteraan waren gekomen),--toen de morgen
aanving de openbaring Gods in de natuur op nieuw te verkondigen. Het
opgaan der zon is overal, in alle landen, in elk jaargetijde een
heerlijk verschijnsel, het stemt den mensch tot nadenken en wekt menig
sluimerend gevoel in onze ziel. En een morgen op Java! hoe verheven,
hoe prachtig en verkwikkend tevens lacht hij ons toe!
Nog laat zich geene stem in de schepping vernemen, de geringste
ademtogt des winds wordt men niet gewaar; men bespeurt slechts
eene toenemende verandering, namelijk, aan den hemel, vooral aan den
oostelijken hemel, die tot hoog in het zenith allengs helderder wordt;
gekleurde stralen schieten, in eene divergerende rigting even als
de speeken van een wiel, opwaarts,--eenige dezer stralen, namelijk
die deelen der atmospheer, welke door de zon worden beschenen,
blinken in gulden gloor, anderen, namelijk die niet door de zon
worden getroffen, waarop ver verwijderde oneffenheden des horizons,
als boomen, bergen, hunne schaduw werpen, doen zich aan het oog voor
als azuurblaauwe strepen tusschen de vorigen;--geen enkel wolkje is
aan het gansche uitspansel te bespeuren; de nachtelijke koelte, die
juist op dezen oogenblik, nu de verwarmende zon het langst afwezig
was, haren hoogsten graad heeft bereikt, deed al den waterdamp, in de
lucht aanwezig, nederploffen; hij werd herschapen in nevel en dauw,
en bedekt nu allerwege bladeren en grashalmen,--alles is vochtig en
het plantenrijk is verkwikt, ook zonder dat er regen is gevallen; de
bronnen van alle beken hebben nieuwen toevoer van water gekregen,--daar
gaat de zon op en elke dauwdruppel wordt tot een prisma, blinkt in
alle kleuren des regenboogs en millioenen diamanten fonkelen aan alle
grashalmen, die zich buigen aan alle boomen en struiken. Tallooze
vogelen heffen nu hun gezang aan; zij kweelen en fladderen door het
gebladerte een nieuw leven te gemoet;--de paauwen verlaten den tak,
waarop zij in het loofgewelf van hooge boomen gedurende den nacht
stil nederzaten; zij vliegen nu onder een luid geschreeuw over het
dal en heerlijk golft in de lucht hun blinkende vederdos, waarop de
eerste stalen der morgenzon zich spiegelen; ook de apen, die zich
tot op dezen oogenblik niet verroerden, beginnen te schreeuwen: oeh
äh, oeh äh, oeä, oeä, oeä; uit 20, 50, ja, somtijds uit een grooter
getal kelen te gelijk heffen zij, nu eens in zwellende, dan weder
in dalende akkoorden, hun koraalgezang aan, waarvan de echo door de
bergen terug wordt gekaatst, om op hunne wijze den levend makenden,
verwarmenden straal der zon te begroeten en--de mensch?--De Javanen
zitten op den grond met de beenen over elkander geslagen; vol aandacht
hebben zij het gelaat, waarop stille vreugde te lezen staat, naar het
oosten gekeerd. Zij zeggen niets, maar zij hebben gevoel van hetgeen,
waarvan wij een duidelijker bewustzijn omdragen,--want ik strekte mijne
armen opwaarts en riep uit: O, heerlijke zon, gij zijt slechts een
der werken van den Onvergankelijke, die met een enkelen slag duizend
draden vlecht, maar ik begroet u als het schoonste zinnebeeld, dat
voor ons aardbewoners bestaat van de eeuwiglijk zich hernieuwende
openbaring Gods in de natuur. Sedert duizenden van jaren keert uw
straal elken morgen getrouwelijk weder, en brengt elken dag op nieuw
weder alles in beweging. Aan uwe massa is onze aarde gebonden, en
zonder u kon zij niet zijn, noch haren kringloop volbrengen. Zonder
u ontbeerden wij jaargetijden, den dag, den nacht. Gij zijt voor het
aardsche leven alles voor allen. In minder dan één oogenblik verspreidt
uw straal het licht en maakt de dingen zigtbaar. Zonder u hadden wij
geene oogen, want waartoe zouden zij ons dienstbaar zijn? Als door een
tooverslag schept uw licht zijne half aardsche, half hemelsche dochter:
de kleurenpracht, waardoor gij schoonheid geeft aan alle dingen. Ja,
met het licht verwekt gij nog een ander aardsch kind de warmte, en
gij maakt het harde week en veerkrachtig. Hoe zou er beweging op aarde
mogelijk zijn zonder u? Hoe zou er water, lucht aanwezig kunnen zijn,
hoe zou een geluid kunnen gehoord worden, indien uwe warmte niet vooraf
de ligchamen luchtvormig of vloeibaar maakte? Hoe zouden wij kunnen
ademhalen zonder lucht en tot welk einde zouden wij het gehoor hebben
verkregen, indien er geen geluid was? Hoe zouden planten groeijen,
beken vlieten, hoe zouden wolken zweven en winden waaijen zonder uwen
verwarmenden straal, o schoone zon, die hetgeen vast is doet vloeibaar
worden en alle beweging in het dier- en plantenrijk mogelijk maakt,
zoo mede in het luchtruim uitlokt. Ja, zelfs de electriciteit in de
wolken gehoorzaamt u en gij gebiedt den donder.--Slechts éénen nacht
waart gij sedert gisteren afwezig en reeds is de dampkring zoodanig
bekoeld, dat al het water, 't welk gisteren, door de warmte opgelost,
als een onzigtbare damp in het luchtruim zweefde, nu als dauw op
de aarde is nedergeploft. Nu paarlen nog millioenen druppels aan de
boomen; nog staat de luchtzee stil, niet het geringste togtje laat
zich bespeuren. Maar hoe lang zal dit voortduren? Naauwelijks heeft
de planeet in zijn eeuwigen kringloop dit plekje der aarde naar
uw aanschijn weder toegekeerd; naauwelijks heeft uw opgaand licht
zich weder uitgestort over berg en dal, of door uw schijn getroffen,
begint alles te trillen en uit te dampen en, gelijk de mensch en de
gansche dierlijke schepping, door uwen straal opgewekt, zich op nieuw
beginnen te bewegen,--gelijk in het plantenrijk millioenen knoppen
ontluiken, zoo worden insgelijks het water en de lucht in beweging
gebragt. Spoedig zullen de luchtlagen verdund worden, welke het digtst
nabij de aarde zich bevinden en, ligter geworden door den invloed uwer
warmte, zullen zij loodregt opwaarts stijgen; de streken, welke kaal en
vlak of lager gelegen zijn, zullen sterker worden verhit, dan anderen,
die tot hooge bergen oprijzen, of met wouden zijn overschaduwd; de zee
zal niet in die mate worden verwarmd als het land,--ten gevolge hiervan
zal de lucht in de verschillende deelen des lands, zoo mede boven land
en zee ongelijkmatig uitgezet en verdund worden, de digtere en koudere
lucht zal naar de meer verdunde streken des dampkrings heenstroomen,
de stilte, die thans nog in het luchtruim heerscht, zal daardoor weldra
gestoord worden en winden zullen door de toppen der boomen waaijen;--te
gelijker tijd zal de dauw worden opgelost en als waterdamp mede
worden opgevoerd in de koudere luchtlagen, alwaar hij wederom wordt
nedergeploft tot mist en nevel,--wolken zullen dan worden gevormd;
deze zullen steeds talrijker en grooter worden en eindelijk, bij het
toenemen der warmte en snellere verdikking van den waterdamp, zal de
electriciteit in de wolken ontwaken, de donder zal rollen, de regen zal
nederstroomen op den verkwikten bodem, stortbeken zullen in sprongen
van de rotswanden vallen en Bandjer's met onweerstaanbare kracht door
de bergkloven bruisen--en van dit alles, van deze herscheppingen
des dauwdruppels en van alle veranderingen, welke plaats hadden op
en boven de aarde, hiervan zult gij de eenige oorzaak geweest zijn,
gij blinkende, zoo rustig stralende zon!--En zou uw straal, die met
eenen slag duizend werkingen voortbrengt, welke wederom duizend en
nogmaals duizend andere, verschillende werkingen ten gevolge hebben,
die echter allen gezamenlijk door zulk een harmonischen band verbonden
en zoo innig met elkander zijn verknocht, dat geen enkele schakel der
keten afzonderlijk kan bestaan en de gansche keten zelf niet denkbaar
is, indien slechts één enkele schakel daaraan wordt ontnomen,--zou
uw straal ook niet door mijn oog kunnen binnendringen, zou hij in
het binnenste mijner ziel niet eene stem kunnen doen ontwaken, die
zegt: ik erken u, hoogste doelmatigheid in de natuur; geen ding,
geene kracht staat op zich zelf; elk deel van het geschapene is
daar om den wille van andere deelen van het geheel en alles is in
onverbrekelijken zamenhang naar wijze wetten geordend;--wel weet ik
niet, of mijn oog om het licht is geschapen of het licht om mijn oog,
maar het eene is om het andere aanwezig, en zou de ziel, die in mij
leeft, welke door middel mijner opene zintuigen in zulk een innig
wederkeerig verband staat met de gansche natuur, die mij omringt,
dat ik mij het gezigt en het gehoor niet denken kan zonder licht en
geluid, en dat het geluid en het licht voor mij niet denkbaar zijn
zonder oor en zonder oogen,--zou deze ziel ook niet om iets anders
geschapen zijn, zou zij in geene betrekking tot iets anders staan?
Over alles, dat zich aan mij door de zinnen openbaart, mag ik nadenken,
dit alles mag ik bepeinzen; ik ben van mijzelven bewust;--er was
een tijd, dat ik niet bestond, thans ben ik;--gedurende langen tijd
wist ik niet werwaarts ik kwam, van waar deze met denkvermogen,
met rede begaafde ziel zijn oorsprong had; ik wist evenmin waarheen
zij gaat;--uit mijzelven ontstond ik niet;--in de natuur schiep ik
niet het kleinste wormpje, veel minder deze zon, die toch ook slechts
een afhankelijk gedeelte van het geheel is, die met andere zonnen in
verband en wederkeerige werking staat;--een draad kan het slechts zijn
van waar, als uit een brandpunt, die millioenen draden der schepping
uitloopen; een eeuwige, onvergankelijke ziel, een wijze, volkomene
geest moet leven, die aan mij, als een uitvloeisel van zich zelven,
mijne kleine, minder volkomene ziel gaf,--die de natuur schiep en
onderhoudt, waarin alles de blijken draagt der grootste wijsheid,
doelmatigheid en goedheid!--Ja, gij hebt u geopenbaard en openbaart
u voortdurend in de gansche schepping gelijk in ieders boezem,--tot
U sta ik in betrekking!--eeuwige en onvergankelijke God!
Een dergelijk "morgengebed" zal wel zijn opgeweld in den boezem
van mijn broeder Nacht, en in dien van de aanwezige Javanen, want
zij waren verzonken in de beschouwing van het heerlijke schouwspel
en bewonderden het opgaan der zon. En terwijl de vogelen floten,
de insekten gonsden en alle andere dieren der wildernis, elk naar
zijn aard en zijn bijzonder instinkt, het morgen- en loflied der
schepping mede instemden, waren wij menschen toch de eenigen, die
van de gevolgen tot de oorzaak opklommen, en in heilige vervoering,
dankend en aanbiddend, onze blikken rigtten tot den Schepper.
Onder den tropischen hemel is het zoowel gewoonte als behoefte, het
ligchaam elken morgen te verfrisschen door het nemen van een verkoelend
bad. Wij stonden juist gereed om den top des heuvels weder te verlaten
en bergafwaarts te gaan, ten einde ons naar den Pantjòran te begeven,
toen wij de bedienden gewaar werden, die onze terugkomst niet hadden
willen verbeiden en ons de stoomende koffij te gemoet droegen. Zij
hadden het vochtig element reeds bezocht en klommen druipend nat als
Najaden bergopwaarts, terwijl hun lang hoofdhaar los en vrij om hunne
schouders zwierde en hun bovenlijf bedekte. Wij dronken onze koffij met
wat geitenmelk, welke zij hadden medegebragt, hetgeen de spotlust der
inboorlingen gaande maakte, die ons om deze reden met jonge kinderen,
ja, met jonge geiten vergeleken. Het gebruik van melk, namelijk,
is hun volstrekt onbekend en in het binnenland van Java wordt die
nooit gedronken.
Wij ontwierpen nu een plan voor onzen verderen togt en kwamen tot het
besluit, dat het raadzaamste zou wezen om terstond verder te gaan,
ten einde zoo mogelijk nog heden een der grootere dorpen te bereiken,
alwaar ons verblijf aan de bewoners minder bezwarend zou zijn dan hier,
in dit kleine gehucht, het geval was. Wij hadden het voornemen opgevat
om dwars over het gebergte onzen togt in eene westelijke rigting voort
te zetten tot aan het naastbij gelegene groote dal, van daar uit de
zuidkust te bezoeken en vervolgens te trachten in het hoog gelegene
binnenland door te dringen. Op een afstand van eene kleine dagreize
van hier moest, aan de tegenovergestelde zijde van het gebergte, een
groot dorp liggen; daarheen was het, dat wij besloten hadden onzen
koers te rigten. Terwijl wij ons nu gereed maakten om zelven een bad
te nemen, gaven wij aan onze jongens last intusschen de benoodigde
Koeli's op te zoeken en te huren.
Toen wij, eenige dagen geleden, ons op reis zouden begeven, hadden
wij tot stelregel aangenomen, dien wij vast besloten hadden na te
komen: om in deze streken des eilands slechts vrijwillig hulpbetoon
der inboorlingen, tegen goede betaling en welwillende behandeling,
in te roepen,--ten einde eens te zien hoe ver wij op die wijze zouden
komen. Wij hadden besloten alleen in zeer dringende omstandigheden onze
toevlugt te nemen tot de bevelschriften der Residenten en Regenten,
waarvan wij ons hadden voorzien en welke, in de Maleische en Javasche
taal gesteld, aan de distriktshoofden waren gerigt. Op dringend
verlangen van Nacht, aan wien ik in dit opzigt had toegegeven, was
dit tot regel aangenomen.
Eindelijk kwamen onze jongens terug met het navolgende berigt:
"Mijn Heer! Wij kunnen geene Koeli's vinden; de Koeli's, die te
Gnoetnig te huis behooren, zijn gisteren slechts tot aan Paréang
medegegaan en uwe pakkaadje hebben wij door mannen uit die plaats
hierheen laten brengen. Wij vermeenden, dat zij nog hier waren, maar
zij zijn weggeloopen zelfs zonder te wachten, totdat zij betaling
hadden ontvangen. Zij waren ongetwijfeld beducht, dat zij nog verder
zouden moeten medegaan. En hier te Gnoerag is geen mensch te vinden,
uitgenomen de vrouwen en een paar knapen."
Zonderling. Gisteren avond, bij gelegenheid van de tijgerjagt, was er
meer dan een dozijn wakkere mannen op de been en nu waren zij allen,
op enkele knapen na, verdwenen. De vrouwen zeiden: "mijn man is op
den Oema" (het drooge rijstveld), "mijn man is gaan visschen, mijn
man zoekt Rotan in het woud,"--de meesten echter hielden zich in hunne
hutten verborgen en lieten het voorkomen als of zij afwezig waren. Wij
stelden den Loerah een half dozijn Spaansche matten (dollars) ter hand
en verzochten hem met onze bedienden in de hutten te gaan, ten einde
te beproeven hoe ver wij met klinkende munt en overreding konden
komen. Na lang praten bragt hij het eindelijk zoo ver, dat eenige
Javanen--wel is waar, schoorvoetend en langzaam--buiten hunne hutten
traden. Maar zij bragten tevens ieder eene verontschuldiging mede. De
een spoorde den anderen aan en zei: "Kom! gaat gij mede; de Heer kan
toch zelf zijn koffers niet dragen;"--de aangesprokene moedigde weder
een derde aan om mede te gaan,--de derde een vierde en ieder van hen
had gaarne gezien, dat een ander zich daartoe bereid had betoond,
maar om het zelf te doen, daartoe gevoelde de eerste zoo min lust als
de tweede, de derde of de vierde.--Onder de Gamelanspelers was er een,
die een begeerig oog sloeg op de Spaansche matten, welke de Loerah hem
voorhield; hij nam er een in de hand, draaide ze om, bekeek haar nu
aan dezen, dan weder aan den anderen kant;--zij beviel hem uitmuntend,
gaarne had hij ze behouden, maar--daaraan zijn gemak op te offeren,
zijn dolce far niente te laten varen! over het gebergte te gaan! ver
van hier naar een ander dorp en nog bovendien een koffer te dragen! op
het heetste van den dag!--neen, dat was te veel gevergd. Hij trok
een bedenkelijk gezigt, gaf, met de blikken naar den grond gewend,
den dollar aarzelend terug, zette zich neder, zweeg en--kaauwde Siri.
Eindelijk naderden eenige knapen: "ik, mijn Heer! ik wil meê!" en een
derde, een ongeveer zestienjarige knaap, die de oudste van hen scheen
te zijn, zeide: "indien ik de Spaansche mat krijg, ga ik meê." Maar
wat zouden wij uitrigten met deze drie knapen, waarvan twee nog
volslagen kinderen waren. Toen nu de Loerah uit Gnoetnig gewaar werd,
dat onze zaken verkeerd liepen, verontschuldigde hij zich insgelijks
zeer beleefdelijk en verzocht om onze toestemming, ten einde nu mede
naar zijn dorp terug te keeren. Hoe ongaarne wij ons dezen laatsten
troost zagen ontvallen, was zijn verlangen toch te billijk om van de
hand gewezen te worden. Wij beloonden hem voor zijne moeite en hij
vertrok. De weduwe, in welker hut wij onzen intrek hadden genomen,
naderde nu en zeide: "Och, mijne Heeren! waarom maakt gij zulk een
haast! Bevindt gij u hier niet naar uw wensch? Gij kunt vertoeven,
zoo lang gij verkiest,--morgen of overmorgen zullen er wel Koeli's te
vinden zijn;--wij blijven immers voortdurend hier!"--en stellig houd ik
mij overtuigd, dat wij maanden lang aldaar hadden kunnen vertoeven,
zonder dat een enkele bewoner van het dorp ons een onvriendelijk
gezigt zou hebben getoond, en wel voornamelijk indien wij deel hadden
genomen in hunne dagelijksche bezigheden en hunne wijze van leven
hadden gevolgd. Zonder twijfel zouden wij hen dan welkom geweest
zijn. Maar--een ongewoon werk te doen, Koelidiensten te verrigten,
daartoe konden zij uit eigen beweging niet besluiten! Liever hielden
zij hun gemak en--bleven arm, gelijk zij waren, te huis.
Wat stond ons nu te doen? Van de medegebragte bevelschriften wilden
wij, zoo als vooraf was bepaald, geen gebruik maken. Zouden wij
derhalve blijven? Natuurlijk; want aan het voortzetten van onzen
togt kon althans heden, welligt ook morgen of overmorgen, niet
worden gedacht. Wij schreven nu uit onzen eigen naam een brief aan
het hoofd van het naburige distrikt, met verzoek om ons 12 Koeli's
toe te zenden, en voegden daarbij alleen nog onzen pas, ten einde
hem de overtuiging te doen erlangen, dat wij bevoegd waren om in de
binnenlanden te reizen. Deze brief werd in folioformaat gevouwen en
met een rood zegel van indrukwekkende grootte voorzien. Wij gaven
nu aan de dorpsbewoners te kennen, dat de inhoud van dezen brief van
't hoogste gewigt was, dat hij noodzakelijk moest bezorgd worden en
dat de Kapala tjoetak (het distriktshoofd), indien de brief niet aan
hem werd ter hand gesteld, zulks zou beschouwen als eene daad van
ongehoorzaamheid jegens hem zelven gepleegd. Op die wijze gelukte het
ons een der Javanen te overreden om den brief, tegen betaling van 2
1/2 gulden, waarvan wij er 1 1/2 vooruit moesten geven, te brengen
naar het dorp, alwaar het distriktshoofd woont (Pakamitan), hetwelk
ongeveer eene kleine dagreis van hier kon liggen.--Van eene voldoende
hoeveelheid Nasi (gekookte rijst) voorzien, welke in Pisangbladeren en
schellen van den Pisangstam was gepakt--onze brief had hij behoorlijk
in drooge bladscheeden van den Djambé-(of Penang-) palm gewikkeld,
ten einde hem voor nat worden te bewaren,--stapte onze bode, met den
Gòlok op zijde, zijn pakje rijst op den rug en onzen brief op zijn
hoofd, alwaar hij tusschen de vouwen van zijn hoofddoek uitstak,
omstreeks negen ure het dorp uit.
Wij lieten nu kippen en andere levensmiddelen aankoopen, gaven eenigen
onzer bedienden den last onze hut op eene betere wijze in te rigten,
en bevalen den kok--dit gewigtige ambt bekleedde een ander van hen--om
voor een goeden maaltijd zorg te dragen.--Welgemoed behoort men zich
te onderwerpen aan hetgeen onvermijdelijk is. Tot nader order zetteden
wij derhalve alle verdriet van ons af, beraamden dadelijk een nieuw
plan voor datgene, 't welk den bodem was ingeslagen en besloten
om, met de helft onzer bedienden, den naastbij gelegen hoogen berg
te beklimmen. Wij voorzagen ons van eene kleine hoeveelheid Nasi,
Pisang, Dendeng, eene kruik water (Gindi), namen een jagtgeweer,
eenige natuurkundige instrumenten en dergelijken mede en joegen de
drie dorpsjongens, die zich vroeger tot het verrigten van Koelidiensten
hadden aangeboden, voor ons uit, om ons nu bij onzen togt bergopwaarts
te begeleiden. Want zelfs tegen ruime betaling wilden zij vrijwillig
"zulk een hoogen berg" niet beklimmen. Wij hadden hen echter volstrekt
noodig om de vroeger opgenoemde voorwerpen te helpen dragen, en dewijl
moeten een bitter kruid is, zoo--verschaften zij ons het genoegen van
hun aangenaam bijzijn. Wij waren acht man sterk en stapten vrolijk naar
den Goenoeng-Amlong heen, zoo heet een verder noordwaarts gelegen en
wel het hoogste gedeelte der lange bergketen, welke het Tji-Nagnéakdal
aan de westzijde begrenst. Zij verheft zich in de opgenoemde rigting
tot een hoog en steil bergjuk, dat met een somber, onafgebroken woud
is bedekt; door dit woud wilden wij ons een weg naar den bergtop
banen. Geen enkel wolkje liet zich nog in het luchtruim bespeuren.
Aanvankelijk trokken wij door vlakke streken, die heinde en verre met
hoog groeijend Alang alanggras waren bedekt. Allengs echter liet zich
nu en dan een zacht togtje bespeuren; het Alanggras golfde als een
korenveld, dat door den adem des winds wordt bewogen. De omgebogen
bladeren kaatsten, als zoo vele spiegels, de zonnestralen terug
en vormden daardoor een meer zilvergrijs dan groen tapijt, waarvan
de heldere glans het oog verblindde. De hitte nam meer en meer toe,
terwijl wij onzen togt voortzetteden door deze graswildernis, die zich
voor onze voeten opende en zich achter ons weder sloot, en waarin
wij tot aan de schouderen, de Javasche knapen tot over de ooren toe
verborgen waren, zoodat de stijve, scherpe bladeren hen bij het gaan
het vel van het aangezigt open reten. Wilde zwijnen--de alledaagsche
kost der tijgers--sprongen allerwege op en verdwenen al knorrend even
spoedig uit ons oog. Hier en daar troffen wij kleine Oema-velden aan,
waarop Padi (rijst), Djagong (maïs) of Kapas (kleine katoenstruiken)
groeiden en die als opene, van alle onkruid gezuiverde plekjes in de
graswildernis verstrooid lagen.
Langzamerhand begon de bodem te rijzen; wij hadden den voet van het
gebergte bereikt en kozen een der vooruitspringende bergribben om
het te beklimmen. Het gras dat hier groeide, werd allengs korter en
geleek, meer dan het gindsche in golven op en neder bewogen wordende,
verstikkend heete Alanggras, op dat onzer Hollandsche weidevelden. Hier
groeide tusschen het gras eene menigte prachtige purperroode bloemen,
Onjé of Koening, waarvan de aromatische wortelen het hoofdbestanddeel
vormen der Keri, aan welke zij eene gele kleur mededeelen; op vele
plaatsen verhieven zich afzonderlijk staande Bamboesgroepen, die echter
ter wederzijde van de bergrib in de kloven een meer aaneengeschakeld
woud vormden. De wind ruischte allengs sterker door het loofgewelf;
het ritselen van het fijne, drooge gebladerte, dat zich boven onze
hoofden boogsgewijs vereenigde en ter zijde in guirlandes afwaarts
hing, nam hand over hand toe en het geknars der over elkander heen
en weder bewogen wordende Bamboesbuizen,--de kolossale stengels dezer
grassoort,--die de dikte van een mansarm bereiken, werd steeds luider,
naar mate wij hooger langs de bergrib opklommen. Enkele herten
(Mendjangan) huppelden er tusschen door en kleine dassen (Bioel)
werden wij hier en daar gewaar, die zoo snel mogelijk zich in hunne
holen aan de zijwaarts gekeerde hellingen der bergrib trachtten te
verschuilen. IJlings wierpen de Javasche knapen den last, welken zij
droegen, neder, liepen deze kleine, volkomen onschadelijke dieren
na om ze te vangen of te dooden, niettegenstaande zij oneetbaar
zijn. Niet dan met moeite kon Nacht hen daar van terug houden; hij
sprak hen op de volgende wijze toe: "wij moeten nimmer eenig dier
mishandelen of kwellen, en die, welke ons geen nadeel toebrengen,
mogen wij - - -" paf! daar viel een schot; wij keken om en zagen Sidin,
die mijn geweer had gedragen, naar een hert ijlen, dat hij geschoten
had. Nacht had willen zeggen: - - - die ons geen nadeel toebrengen,
mogen wij niet dooden en Sidin had deze les in dier voege voltooid:
wij moeten echter de aandrift der natuur volgen en mogen dezulken
onder de onschadelijke dieren wel dooden, wier vleesch wij kunnen eten,
dewijl plantenvoedsel alleen voor onze behoefte niet toereikend is.
Ten einde bij onzen terugtogt de plek te kunnen wedervinden, waar
het doode wild lag, plaatsten wij een boomtak midden in den weg en
zetteden vervolgens onze reis bergopwaarts weder voort.--Langzamerhand
verdwenen de Bamboesboschjes en in plaats daarvan verhieven zich
groepen fijn gebladerde acacia's (Djoendjingboomen); hun in de breedte
uitgestrekt loofdak scheen een floers, dat tusschen ons oog en den
hemel was uitgespannen en eene menigte grijze apen (Monjet) sprongen
al schommelend, als het ware ons ten spot en met elkander spelende,
over de lang uitgestrekte takken dezer boomen in het rond.
Spoedig daarop zagen wij den benedenrand van het oorspronkelijke
woud, dat zich voor onze blikken verhief als zuilenrijen met gangen
tusschen de pilaren, waardoor men in het binnenste kon zien als in eene
hoog gewelfde koepelkerk, terwijl elke afzonderlijke zuil met eene
koepelvormig zich verheffende loofmassa als het ware met eene groene
wolk was gekroond. Wij traden dit gewelf binnen en nu veranderde
het gansche tooneel. Ter naauwernood waren wij 200 voet hooger in
dit woud opgeklommen, of het heldere zonnelicht was reeds verdwenen,
en vervangen geworden door de lommerijkste schemering. Slechts hier
en daar ontwaarden wij door eene kleine opening in het loofdak, als
door een geopend venster, nog een gedeelte van den blaauwen hemel;
in plaats der verhitte lucht, zoo als vroeger, ademden wij nu eene
koele, vochtige lucht in; in plaats van het vrije uitzigt, dat wij zoo
straks naar alle zijden genoten, zagen wij hier niets dan een groen met
millioenen bloemen bedekt weefsel van dooreengegroeide kleinere boomen,
struiken en van woekerplanten, die zich van den bodem verhieven,
aan de stammen waren vastgehecht of aan de takken afwaarts hingen,
en dit kreupelhout besloeg niet alleen de gansche ruimte tusschen de
boomstammen, maar reikte ter halver wege van deze zuilen, ja, nog
hooger, terwijl daarenboven wilde wijngaardtakken (Aroï ki barera)
en andere slingerplanten, namelijk Oë- of Rotansoorten, wier ranken
menigwerf de dikte van een mansarm bereiken, tot in de toppen der
boomen opklauterden, van daar weder naar den bodem afdaalden, zich op
nieuw verhieven en het woud in alle rigtingen doorslingerden. Niet
de geringste adem des winds bragt de minste beweging voort in het
binnenste van dit woud, maar hoog boven ons in de toppen der boomen
ruischte de wind en veroorzaakte een voortdurend gesuis, 't welk
zoo gelijkmatig aanhield, zoo diep en dof van toon was, dat men op
het denkbeeld zou hebben kunnen geraken het gebruis te vernemen eener
branding, klotsend tegen een ver verwijderd strand. Het waren Poespa-,
Ki terong-, Bengang-, Palaglar- en een dozijn andere boomsoorten,
wier stammen zich hier allen onder elkander, in een woud, slank
en hoog als kunstmatig gevormde zuilen verhieven; hunne afgevallen
bloemen lagen op den bodem verstrooid in het rond. Tusschen de vorigen
rees hier en daar een reusachtige gomelastiek- of Karetboom opwaarts,
die als het ware uit honderd andere ineengedraaide of door elkander
gevlochtene stammen is gevormd en zwarte apen (Loetoeng) sprongen
door hunne takken rond, terwijl groote vogelen (jaarvogels), die
zich slechts door hun luid snuiven verrieden, hoog boven het woud
heenvlogen. Eindelijk--wij naderden nu den top des bergs--ontwaarden
wij eiken-, laurier- en Ki mérakboomen tusschen de anderen, die allengs
dunner werden en verder van elkander schenen op te groeijen. Het was
nu ongeveer 12 ure. Onze togt door het woud had twee uren geduurd;
een open plekje bereikt hebbende, zetteden wij ons neder om uit
te rusten. Wij luisterden naar het gezang eens vogels, Manoek kaso
geheeten, welks slagen verre door het woud klonken en waarvan wij
in de lager gelegene streken des bergs niets hadden gehoord. Te
oordeelen naar den stand des barometers, bevonden wij ons nu ter
hoogte van ongeveer 4000 voet. Frambozenstruiken, viooltjes, weegbree
en valeriaan groeiden hier in het rond, benevens nog andere bloemen,
die zooveel overeenkomst hadden met onze Hollandsche flora, dat mijn
broeder Nacht er niet weinig van verrast stond.
NACHT. Hoe wonderbaar toch!--Op onzen korten togt van het dorp tot aan
deze woudgrens hebben wij bijna alles aangetroffen, hetgeen de Javaan
tot voedsel, woning en deksel benoodigd heeft. Zijne hut staat in de
schaduw van velerlei boomen, die hem voedzame, verkwikkende en olie
opleverende vruchten verschaffen. Siri klimt tegen hunne stammen op en
schenkt hem het blad tot het Betelkaauwen. Spaansche peper (Tjabé),
welke hij als kruiderij of in plaats van zout met zijne rijst eet,
groeit niet verre van daar in de schaduw. Alom in het rond liggen
de velden, die hem zijn hoofdvoedsel, rijst en maïs, benevens katoen
opleveren, waarvan hij zijne kleederen vervaardigt. Met Alang alang,
dat deze velden weder omgeeft, dekt hij zijne hutten. Iets hooger
bergopwaarts vindt hij de Bamboesboschjes, wier kolossale stengels
(buizen) hij deels bezigt tot balken, deels gekloofd gebruikt om den
vloer en de wanden zijner woningen er van op te bouwen, ja, waaruit
hij alle stukken van zijn huisraad vervaardigt. Gaat hij nog eenige
schreden verder, dan vindt hij gomelastiek en door de natuur geslagen
bindgaren en touw (Rotan), dun en dik, zoo veel hij verkiest. Wild
wordt overal in menigte aangetroffen. Mag men zich dan nog verwonderen,
dat de Javaan, te midden van eene zoo rijke, zoo vruchtbare natuur
levende, die hem bijna alles, wat hij behoeft, reeds kant en klaar
oplevert, dat hij eenigzins zorgeloos en tot traagheid geneigd is.
DAG. Dat is volkomen waar. De verscheidenheid der producten van
het plantenrijk, zoo mede der dieren, welke daarvan afhangen,
is buitengewoon groot in dit land, alwaar het gansche jaar door
eene gelijkmatige warmte heerscht en waarin hooge bergen worden
gevonden. Elke trap van duizend voet, dien wij hooger bergopwaarts
stijgen, voert ons in zeker opzigt in een geheel ander land en
klimaat, waar wij andere dieren en planten aantreffen dan op den het
naast er aan grenzenden of lager gelegen trap. Hier brengt ook weder,
gelijk overal elders in de gansche schepping, eene enkele oorzaak--de
afnemende warmte naar mate de aardoppervlakte hooger rijst--duizend
andere werkingen te weeg. Eerst hebt ge, beneden in het heete land,
Alang alanggras met wilde zwijnen ontmoet die zich met Alangwortelen,
en tijgers welke zich hoofdzakelijk met wilde zwijnen (met in vleesch
en bloed omgezette Alangwortelen) voeden; dan hebt ge streken ontwaard
met korte grassoorten begroeid, waarop Bamboes en herten voorkomen
die gras eten, benevens Bioel's die op wormen en insekten azen,
welke in deze zone, aan de grens der wouden, tusschen vermolmde
boom- en Bamboesstammen het menigvuldigst voorkomen;--later hebt
ge acacia's aangetroffen, waarin grijze apen rondsprongen, die zich
voeden met de peulvruchten van dit geboomte; vervolgens kwaamt ge aan
het hoogstammnige oorspronkelijke woud, dat met vijgenboomen aanving
en hier met Ki mérakboomen eindigt, op wier takken de Kasovogel fluit,
dewijl hij zich met de bessen van deze boomen voedt.--Overal waarheen
gij uwe vorschende blikken nadenkend heenwendt, in de gansche natuur
zult gij bevestigd zien, dat immer het eene van het andere afhangt
en hieruit weder andere gevolgen voortspruiten, en dat een schoon,
van het allerhoogste vernuft getuigende, consequent gevolgde plan in
het gansche scheppingswerk zigtbaar is, waarvan de grondstelling is:
door de eenvoudigste middelen de grootst mogelijke verscheidenheid
voort te brengen. Maar zelfs de grootste verscheidenheid in het dieren-
en plantenrijk wijkt nimmer af van eene algemeene leidende type, zij
brengt in tegendeel overal overeenkomstige--verwante en analoge--vormen
voort, die echter, indien de bodem en het klimaat verschillen, toch
niet eenerlei zijn. Bezien wij, bij voorbeeld, deze bloemen, deze
frambozen, deze valeriaan, deze viooltjes. In het diepland van Java
zult gij geen spoor er van aantreffen. Hier bevinden wij ons bijna
4000 voet hooger; het is hier zoo veel koeler dan daar ginds beneden
ons en wij ontwaren dan ook geheel andere plantenvormen, namelijk,
dergelijken die ons herinneren aan ons koeler, meer noordelijk gelegen
vaderland. Onderzoekt gij ze echter meer van nabij, dan ziet ge, dat
zij slechts op onze Europesche soorten gelijken, dat het echter niet
dezelfde, maar verschillende soorten zijn, en inderdaad zelfs hier
op deze hoogte verschilt het Javasche klimaat nog zeer aanmerkelijk
van het onze in Holland.
Terwijl wij aldus spraken, hadden donkere wolken zich zaamgepakt
en onze jongens spoorden ons aan om haast te maken, ten einde zoo
spoedig mogelijk den bergtop te bereiken. Wij hadden tot nu toe een
naauw pad gevolgd, 't welk wij hadden beschouwd als een weg, door
houthakkers gebaand, maar dit pad werd steeds beter begaanbaar, hoe
hooger wij bergopwaarts klommen en, toen wij ten een ure den hoogsten
top bereikten, zagen wij met verwondering een Pendopo voor ons, dat
is, een open gebouw met een op vier stijlen rustend dak en onder dit
dak ontwaarden wij een oud, met dik bemoste steenen bedekt en omringd
graf. Vóór den grafheuvel stond eene offerschaal met wierook en enkele
nog niet geheel verwelkte bloemen.
Eenige helder ratelende donderslagen wekten ons met schrik uit onze
overpeinzing,--wij zagen om en bemerkten, dat de spaanders van een Ki
mérakboom in het rond vlogen, die, op een geringen afstand beneden den
bergtop staande, door den bliksem getroffen en geheel en al van zijne
schors beroofd was geworden. Wit gelijk een spook stond nu daar, aan de
helling, de ontzaggelijk hooge boomzuil, die een oogenblik te voren nog
beladen was geweest met donkere mosbeddingen en nu een scherp kontrast
vormde met de zwarte wolken, die zich steeds digter en dreigender
rondom ons zamenpakten. Slechts op een enkel plekje ontwaarden wij,
door eene spleet tusschen de wolken, een klein gedeelte van het dal,
dat, ver beneden ons door het zonnelicht beschenen, nog zigtbaar was,
doch ook dit verdween weldra achter de steeds lager dalende en zich
verder uitbreidende wolken.--Wij bevonden ons te midden van eene
onweêrswolk.--Al onze begeleiders zaten stil nedergehurkt rondom het
graf; zij durfden naauwelijks adem halen, terwijl de bliksemstralen
uit hunne zwarte geboorteplaats voortgeschoten, blaauw van schijnsel,
maar tevens even hel verlichtend, oogverblindend als het zonnelicht, in
zikzak digt voorbij onze oogen de lucht doorkliefden, terwijl de donder
ratelde, zoo vreesselijk luide, dat het ons gehoor verdoofde, dat wij
verstomd ter aarde zonken,--terwijl tevens de regen in ontzaggelijk
groote droppels begon te kletteren, van tijd tot tijd verlicht door de
bliksemstralen, die ons bij 3, 4, 5 te gelijk omsingelden, nu links,
dan regts, dan van alle kanten, bliksemschietend en oogverblindend,
ratelend en oorverdoovend te gelijk,--terwijl de nagalm van den donder
weerklonk daar boven in de wolken en beneden langs de berghellingen
rolde, zoo vreesselijk diep en luid, met zulk eene basstem en zoo
geweldig dreunend, dat de gansche berg onder onze voeten scheen te
beven en het ons voorkwam, als of kogels zoo groot als eene kleine
aardbol boven ons hoofd over het hemelgewelf her en derwaarts--en
onder onze voeten langs het gebergte afwaarts gerold werden,--daar
doorkliefde ratelend weder een straal de lucht,--een dof geschrei werd
ter naauwernood gehoord en een Javaan, naast wien de bliksemschicht
in den grond was geslagen, zonk bedwelmd neder,--wij namen hem in
ons midden, wreven hem,--maar tot in het binnenste der ziel geschokt
door het al verpletterend geweld der natuurkracht, zaten wij daar
digt nevens elkander gehurkt in de bange verwachting hetzelfde lot
met hem te deelen,--terwijl de vreesselijkste plasregen neêrstroomde,
die ons van de smalle bergkruin dreigde weg te spoelen.
Reeds vernamen wij het bruisen der nieuw gevormde watervloeden en
stortbeken, die in het rond van het gebergte afwaarts stroomden,--maar
de onweêrswolken begonnen te dalen en zich verder uit te breiden. De
eerste en heftigste uitbarsting had plaats gehad digt boven en rondom
den hoogsten bergtop, waarop wij ons bevonden, waar de wolken zich
het meest en het eerst hadden verdikt. Nu daalde de onweêrsbui reeds
lager langs de helling en wij zagen nog slechts enkele bliksemstralen
voor ons uit, terwijl de meesten reeds beneden ons uit de wolken
voortschoten.--De knaap was slechts bedwelmd geweest en herkreeg
weldra zijne bezinning.
NACHT. Zijt gij niet angstig, bevreesd?
DAG. Neen; maar ik ben verbaasd en opgetogen tevens. Het schouwspel is
vreesselijk schoon en prachtig. Het oogenblikkelijke van het gevaar
echter, waaraan ik blootsta en dat ik niet kan ontvlieden,--het
plotselinge van het lot, dat mij hier elken oogenblik kan treffen,
maakt dat ik mij in mijzelven verdiep. Ik zie den bliksem, ik hoor den
donder en ik sta ontsteld, want ik weet niet welken weg hij zal nemen
en ik kan hem niet ontgaan. Indien ik door den bliksem mogt worden
getroffen, broeder, delf dan een nieuw graf voor mij hier nevens het
oude. Wie kan zeggen wie degene is, die hier begraven ligt. Indien
de dooden konden opstaan, dan zou ik het liefst, gelijk deze, op den
top eens bergs begraven zijn.
NACHT. Gelooft gij aan de onsterfelijkheid der ziel?
DAG. Zeer zeker.
NACHT. Het is mij aangenaam die woorden van u te hooren. Voor mij
is dit geloof eene behoefte; zonder dat zou ik niet gelukkig kunnen
leven.--Maar zeg mij eens, indien gij daaraan gelooft, hoe verklaart
gij dan het zoo allengs ontwaken van het bewustzijn in den mensch,
de zoo langzame ontwikkeling van het verstand en van het denkvermogen,
welk een en ander juist gelijken tred houdt met de voortgaande vorming
der ligchamelijke organen, der hersenen, die van lieverlede volkomener
worden?--Hoe brengt gij dat in overeenstemming met de zelfstandigheid
en de onvergankelijkheid der ziel,--waar neemt zij haren aanvang in
de embryo, in de foetus of in het pas geboren wicht en waar houdt
zij op bij den kindsch geworden grijsaard!--waar is de grens tusschen
dier en mensch?
DAG. Die grens kan ik u niet aanwijzen; wanneer mijne ziel aanving,
van zich zelve bewust te zijn, weet ik niet. Overal zie ik de kracht
aan de stof gebonden en ik ken geene kracht zonder ligchamelijken
grondslag, en even zoo is het omgekeerde het geval; de koorts kan
mijnen geest verduisteren, kan mij onzamenhangende woorden doen
spreken, ja, een slag op mijn hoofd, zonder aan het ligchamelijk
leven noodwendig hinder toe te brengen, kan mijn bewustzijn doen
ophouden.--Maar beschouw daarentegen het onweder, dat zich voor ons
oog heeft ontlast. Wie zou dezen morgen bij het ontwaren der blinkende
dauwdruppelen, die zoo rustig parelden aan grashalmen en struiken,
wie zou er aan gedacht hebben, dat daarin zulk eene vreesselijke
kracht sluimerde, eene kracht, welke de stem des donders verwekt, de
duisternis der wolken verlicht, de boomen vaneensplijt, ja, die alle
zenuwen van uw binnenste hevig schokt!--Toch is het niet anders dan
de door warmte opgeloste, als waterdamp opgestegene, vervolgens snel
bekoelde en verdikte, in millioenen van nevelblaasjes herschapene,
wolkenvormende dauwdruppel, waaruit nu door wrijving en spanning
de electriciteit te voorschijn treedt.--En wanneer nu morgen vroeg
wederom de dauwdruppel, even stil glinsterend als heden morgen, gelijk
een paarl aan grashalmen en struiken hangt, durft gij dan gelooven,
dat de kracht, welke hij thans onder de teekenen van bliksem en
donder voor uwe blikken heeft ontwikkeld, er aan is ontweken, niet
meer voorhanden is, of dat zij er heden morgen vroeg niet in bestaan
heeft?--Zeer zeker zult gij dat niet gelooven.
Zoodanig is het ook gelegen met 's menschen geest.--De dauwdruppel
is gelijk aan het nog ongeboren of het pas geboren kind; in
zijn binnenste, hoewel nog stil en sluimerend, ligt de kracht
verborgen,--gelijk de waterdamp rijst hij, zich ontwikkelend, opwaarts;
in het onweêr lichtend staat hij daar, de volwassen mensch, wiens
geest de gansche wereld omvat en--in de regenstroomen, de stortbeken,
daalt hij neder naar de oneindige zee, die hem het eerst zijne wording
schonk:--de grijsaard buigt het verzwakte hoofd neder in den schoot
des Eeuwigen.
Terwijl het onweder steeds lager afdaalde langs de berghellingen
en wederom hier en daar blaauwe plekken boven onze hoofden zigtbaar
werden tusschen de wolken, die zich meer en meer verdeelden, begon
onze kleine karavaan zich te herstellen van de uitgestane angst en
haalden de Javanen weder vrijer adem. Eindelijk zagen wij den bliksem
ver beneden ons uit de wolken te voorschijn komen en de donder,
die zich van daar voortplantte, maakte op ons, die op den bergtop
stonden, juist zulk een indruk als kwam hij uit het binnenste van
het gebergte voort. Waarschijnlijk stortregende het nu te Gnoerag,
dat wij nog niet hadden kunnen zien; maar reeds ten 2 ure bescheen de
vriendelijke zon weder den bergtop, zoo mede de oppervlakte der wolken
die, zich meer en meer ontlastende, ver beneden ons waren gedaald.
Wij, benevens onze begeleiders, nuttigden nu het door ons medegebragte
ontbijt en besloten nog een uurtje op den bergtop te vertoeven en te
wachten, totdat de Bandjer's, d. i., het zaamgevloeide water, dat nu
alle kleine beken in bruisende stroomen herschapen had, hunne woede
zouden hebben uitgeput. De Javanen wisten ons omtrent het grafgesticht
niet veel meer te verhalen, dan dat aldaar iemand uit den "zeer ouden"
(voormaligen) tijd begraven lag. Mohammedanen zijnde, gelooven zij,
even als de Joden en Christenen, aan de wederopstandig des vleesches
en hebben een grooten eerbied voor de graven der afgestorvenen. Het ter
aarde bestellen op bergtoppen schijnt in de Soendalanden bij vorsten en
voorname personen reeds eene gewoonte te zijn geweest voor den tijd van
de Hindoerijken op Java,--de Brahma- en Boedhagodsdienst,--derhalve
reeds tijdens het bestaan van het oorspronkelijke polytheismus der
Soendanezen, en eerst sedert de invoering van den koran in onbruik
te zijn geraakt. Op zeer vele, voornamelijk geïsoleerde bergtoppen
vindt men dergelijke oude, met steenen omringde graven.
NACHT. Dewijl het zich laat aanzien, dat wij het waarschijnlijk voor
lief zullen moeten nemen om nog eenige dagen te Gnoerag te vertoeven,
komt het mij voor, dat wij onzen tijd, vooral gedurende de lange
avonden, op eene nuttige wijze zouden kunnen besteden door te beproeven
om de Javanen in de zedeleer en de godsdienst te onderwijzen. Zoo
gaarne zou ik hen bekend maken met den inhoud van het Christelijk
evangelie; ik kan niet ontveinzen, mijn broeder, dat gij menigen
twijfel bij mij hebt opgewekt, maar de zedelijke waarheden, welke
de Christelijke leer bevat, hebt gij niet kunnen loochenen, ja, er
zelfs bijgevoegd, dat dit denkbeeld nimmer bij u was opgekomen.--Het
staat u echter niet vrij het geloof van anderen aan het wankelen te
brengen en twijfel in hen gaande te maken, indien gij niet in staat
zijt iets beters aan te bieden, in de plaats van hetgeen gij aan hen
ontneemt of ontnemen wilt. Die de stormklok luidt en de menschen uit
den slaap doet opspringen, moet hun de rust weêr hergeven.
DAG. Laat ons de proef er van nemen. Geef heden avond aan de bewoners
van dit dorpje, die wij in eene der ruimste hutten bijeen zullen
doen komen, onderrigt in uw evangelie; morgen avond zal ik hun het
mijne verkondigen. Gij kunt alsdan onder mijne toehoorders plaats
nemen en wij zullen dan later zien welke der beide leerstellingen
den voordeeligsten indruk op de Javanen heeft gemaakt, en of mijn
evangelie in staat is geweest u tot overtuiging te brengen.
NACHT. Met genoegen neem ik dit voorstel aan en ben bereid heden avond
de zaak te beginnen. Ik zal hun de Christelijke geloofsbelijdenis
juist zoodanig voordragen, en wel woordelijk, al is het dan ook
verkort of, beter gezegd, ik zal hen met het wezenlijke er van, bij
wijze van uittreksel, op die wijze bekend maken gelijk zij aan de
jeugd in ons vaderland overal wordt geleerd. Ik zal daarbij een der
meest gebruikelijke leerboeken tot leiddraad nemen en dit getrouw
volgen, en zulks te eerder, dewijl het mij waarschijnlijk voorkomt,
dat toekomstige zendelingen denzelfden of een dergelijken weg zullen
inslaan. Ik ben zeer verlangend om den indruk na te gaan, welken
deze leer op de Javanen zal maken. Het spreekt van zelf, dat deze
leer voor u, indien gij onder mijne toehoorders plaats mogt nemen,
niets nieuws zal behelzen.
DAG. In mijn evangelie zult gij evenmin iets nieuws aantreffen;
gij zult daarin slechts al de hoofdstellingen terugvinden omtrent
godsdienst en zedeleer, die reeds door Jezus, ja, grootendeels door
anderen als Mozes, Boedha en Confucius, langen tijd voor hem zijn
geleerd en gepredikt geworden.--Het ligt niet in mijne bedoeling,
de verdienste te willen verkleinen dezer voortreffelijke mannen,
in wier gemoed het godsdienstig gevoel zoo luide en zuiver zich deed
hooren. Ik geloof in tegendeel, dat hunne verdienste des te grooter is,
naar gelang het tijdperk, waarin zij hebben geleefd, verder van ons
verwijderd is en de trap van wetenschappelijke beschaving en kennis,
waarop de maatschappij destijds stond, lager moet worden gesteld. Ik
streef naar de bereiking van een dubbel doelwit: ten eersten om de
geloofsleer te zuiveren, haar te ontdoen van al 't geen bepaaldelijk
dwaling en bijgeloof moet worden geacht en ten anderen datgene,
't welk van de godsdienst en zedeleer overig blijft, nadat zij
gezuiverd zullen zijn van de besmetting van bijgeloof en dwaling,
uit de verschijnselen in de natuur en hare wetten, met inbegrip van
den mensch en zijne geschiedenis, op te helderen, en er door te
staven, ten einde op die wijze het verderfelijke geloof aan eene
regtstreeksche goddelijke ingeving of openbaring voor goed uit te
roeijen en den mensch te nopen zich aan de echte en onuitputtelijke
bron van kennis, de natuur, te laven. Ik herhaal u nogmaals--en ik
verzoek uitdrukkelijk, dat zulks niet worde over het hoofd gezien,
ten einde de beschuldiging van ongepaste aanmatiging of onbillijkheid
door u op mij niet worde geworpen,--ik geloof, dat een groot gedeelte
der leer, welke mijn evangelie bevat nopens de hoedanigheden van God
en de zedelijke wetten der menschen, reeds door Jezus, ja, langen
tijd vóór hem door de vroeger genoemde leeraars in Egypte, Indië
en China met dezelfde of meer of min verschillende bewoordingen is
gepredikt geworden.
NACHT. Maar indien gij dit erkent en te gelijk aanmerkt, dat de kennis
der natuur en van hare wetten ten tijde van Jezus nog geheel en al
in het duister lag, ja, dat het onderzoek der natuur, waaruit gij
de bewijzen voor de waarheid uwer leerstellingen, naar uw beweren,
wenscht af te leiden, toenmaals nog niet was aangevangen,--waaruit kan
Jezus, waaruit kunnen zijne voorgangers Boedha, Mozes, de kennis dezer
waarheden toch geput hebben, dan uit eene regtstreeksche goddelijke
ingeving?--Gij erkent hierdoor immers met der daad de goddelijke
openbaring, die gij wilt wederleggen!
DAG. Neen, mijn geliefde broeder.--De ziel des menschen is zoo van
nabij verwant met den geest, die het geschapene heeft daargesteld en
onderhoudt; door middel zijner vijf zinnen staat de gezonde mensch
in zulk eene innige betrekking tot de schakels van de oneindige
keten der natuur, waarvan hij slechts eene kleine schakel is,--dat
de verschijnselen, die hij rondom zich waarneemt, voor twee of drie
duizend jaren onfeilbaar denzelfden indruk op hem moesten maken als
thans het geval is. Destijds bespeurde hij de regelmatigheid, de
harmonie in de verschijnselen, de doelmatigheid in alle inrigtingen
der natuur even goed als thans,--hij zag hoe elk diertje zich
verheugde in het genot zijns levens;--hij gevoelde zich tevens
overtuigd van zijne eigene vergankelijkheid en onmagt; daardoor kwam
hij tot de gevolgtrekking, dat er een hooger wezen moest bestaan,
als de grondoorzaak aller dingen, wiens hoedanigheden hij afleidde
uit de schepping, die noodzakelijker wijze indruk op hem moest
maken, al kon hij de verschijnselen, door hem waargenomen, niet
zoodanig verklaren als wij, die de wetten hebben nagespeurd. Ja,
de beschouwing onzer eigene, redelijke ziel leidt reeds tot het
denkbeeld van het bestaan eens redelijken scheppers: "ik ben, God is
er," en dit moest vóór duizenden van jaren evenzeer het geval zijn
als thans.--Deze bevattelijkheid is voor den met rede begaafden
mensch een even eigendommelijk en onvervreemdbaar erfdeel als het
instinct der bijen om cellen te bouwen of de kunstdrift der spin om een
regelmatig weefsel te vlechten!--En lag niet reeds een groot gedeelte
der wereldgeschiedenis, dat zich over vele duizende jaren uitstrekte,
lag dat niet reeds achter Jezus? Was het godsdienstig bewustzijn in
den Semitischen volkstam, waartoe Jezus behoorde, niet van oudsher
en bij uitnemendheid, meer dan bij andere volken levendig geweest,
en ontving hij van zijne voorvaderen niet een schat van wijsheid
en kennis Gods ten erfdeel, welke, als kiem in den rijk begaafden
knaap gelegd, tot een eigendommelijken bloei geraakte?--Uit welke
bron hebben dan de oude Hindoes, Egyptiërs, Chinezen, Perzen hunne
zedeleer geput,--wie heeft haar aan de Amerikaansche wilden verkondigd,
die toch, in denzelfden stam, jegens elkander menschlievend, getrouw
zijn en vele andere deugden beoefenen?--Waant gij, dat God ook aan
hen een Messias gezonden, hun eene openbaring heeft geschonken?
NACHT. Toegestaan voor den oogenblik, dat de Amerikaansche wilden
in denzelfden bevrienden stam zich menschlievend jegens elkander
gedroegen, zoo waren zij echter des te gruwzamer jegens andere stammen
en tegen de blanken, die zij scalpeerden. Men behoort menschlievend
te zijn jegens alle menschen, zelfs jegens zijne vijanden.--Hoe is
het dan toch mogelijk, dat er, naar uw beweren, menschlievendheid
wordt gevonden bij de Amerikaansche wilden?!
DAG. Ik kan en durf beweren, dat zulks het geval is, mijn broeder; uit
de geschiedenis kan ik u bewijzen, dat zij menschlievendheid bezaten,
deugden beoefenden, waarvan bij de Jezuïten en andere blanken,
die hen tot het Christendom wilden bekeeren, geen spoor te vinden
was. Maar zij beschouwden de vreemde stammen en blanken als vijanden
en scalpeerden hen. Of waren die blanken niet hunne vijanden? Wat deden
zij dan? Overal waar zij kwamen, bragten zij hunne Christelijke liefde
met zich, om--de roodhuiden, ware het mogelijk, van den aardbodem te
verdelgen. En indien gij nu hier tegen aanvoert, dat de Amerikaansche
wilden ook onderling, stam tegen stam, gruwzame oorlogen voerden, dan
vraag ik u, hoedanig handelen in onze 19de eeuw, ja, te dezer stonde
de Christenstammen, de groote mogendheden van Europa, hoe handelen
die onderling?--Zij prediken op hunne schepen: "hebt uwe naasten lief
gelijk u zelven, zijt vergevensgezind jegens uwe vijanden, zegent ze
die u vervloeken, doet wel degenen die u haten,"--en hoe volgen zij
deze leer op?--Zij bombarderen van diezelfde schepen de kuststeden van
hunnen christenbroeder, steken zijne magazijnen in brand, boren zijne
schepen in den grond, en vernietigen alles dat zij vernietigen kunnen.
NACHT. Laat ons daarover niet verder uitweiden, - - - gij zult mij
bij eene volgende gelegenheid wel eens ophelderen, waarom het geloof
aan goddelijke openbaring door u verderfelijk wordt genoemd, - - zie
daar ginds!--een regenboog, hoe prachtig! en wend uwe blikken naar
beneden in het dal, dat door de zon wordt beschenen; hoe vriendelijk
lacht het ons weder toe!
Het onweder had zich nu ook in het dal geheel en al ontlast en voor ons
geene zigtbare sporen nagelaten dan gindschen ontschorsten boom en het
opgewoelde plekje aarde in de nabijheid van het graf. Slechts het dof
geruisch der gezwollene bergstroomen getuigde nog van de omkeering,
welke in het luchtruim had plaats gegrepen. De wolken echter waren
uiteengestuwd en slechts hier en daar hing nog eene enkele aan de
met woudgeboomte bedekte hellingen van het gebergte.
Onze blikken gleden langs deze sombere wouden benedenwaarts en
rustten op de velden en beemden, bedekt met Alang alanggras, die
als een helderkleurig tapijt zich beneden de wouden uitstrekten,
terwijl nog lager, te midden des dalbodems, op enkele plaatsen de
Tji-Nagnéak zigtbaar was, die als een zilveren band zich door de vallei
kronkelde. Gelijk de stralen der zon ons hier op nieuw beschenen, zoo
lachte zijn vriendelijk schijnsel ons ook uit dit dal weder te gemoet,
alwaar wij ons klein dorpje op den voorsprong des bergs ontwaarden;
duidelijk viel het ons echter niet in het oog, want de bruinkleurige
hutten kwamen slechts op enkele plaatsen en nog ter naauwernood uit het
bosch van vruchtboomen te voorschijn. De natuur was op nieuw verkwikt,
de lucht bekoeld en hare opstijgende, dampenopvoerende stroomen hadden
opgehouden; de ongelijkmatigheid in de uitzetting des dampkrings boven
de verschillende gedeelten des lands was weggenomen, de rust hersteld
en geen togtje liet zich meer bespeuren.--Insektenkoren begonnen in
het woud te snorren, te gonzen, te fluiten en te zingen; de Manoek
kaso verhief weder zijne stem en het kontrast tusschen het vorige
en het tegenwoordige tooneel schonk aan het groene en bloeijende
landschap en aan den zonneschijn, die het zoo liefelijk bescheen,
eene dubbele bekoorlijkheid.--Zoo wordt ook in het menschelijk leven
elk genot verhoogd door de ontbering; zonder ongeluk, zonder ellende,
zou geen geluk worden gesmaakt;--zonder leelijkheid zou de schoonheid
niet erkend,--zonder de zekerheid des doods het leven niet gewaardeerd
worden. De wederwaardigheden des levens moeten ons nimmer den moed
doen verliezen, maar wij behooren te gelooven, dat ongeluk, ziekte,
ellende, armoede en ontbering door den wijzen Schepper der natuur
worden toegelaten, dewijl zij nuttig zijn voor het geheel en moeten uit
het onweêr leeren, dat ook de ongelukken, die het leven van enkelen
teisteren, zoo mede de stormen in de geschiedenis der menschheid tot
het wijze plan behooren, waarnaar het geheel door Hem wordt geregeld,
dat zonneschijn en bloesems veel schooner dan vroeger daarop zullen
volgen, en dat dit alles slechts verschijnselen zijn eener groote,
steeds voorwaarts strevende wet der ontwikkeling.
Ten 3 ure begonnen wij den terugtogt;--wel bleek het gaan over
den humusrijken woudbodem, die door den regen was opgelost, zeer
bezwaarlijk te zijn, doch wij bereikten echter behouden het dorpje
Gnoerag, van waar ons de toonen der Gamelan te gemoet klonken en ons
een voortreffelijke maaltijd was bereid. Wij verhaalden de Javanen,
dat wij een hert hadden geschoten, hetwelk wij niet in de gelegenheid
waren geweest mede te brengen, en oogenblikkelijk was een half dozijn
mannen--veel meer dan noodig was--op de been om het te gaan halen. Dat
deden zij gaarne.
Nu gaven wij aan de dorpsbewoners te kennen, dat wij hen een en ander
omtrent onze godsdienst en zedeleer wenschten mede te deelen, en daar
zij bereidwillig verklaarden ons gaarne te zullen hooren, zeiden wij
hun, dat wij beide tot eene verschillende geloofsbelijdenis behoorden,
omtrent welk onderwerp wij nog niet tot eenstemmigheid hadden kunnen
geraken. Indien zij nu genegen mogten zijn, ons gedurende een of
twee uren de noodige aandacht te verleenen, dan zou mijn broeder
Nacht hun heden avond zijne leer ontvouwen, terwijl ik hun morgen
avond mijne geloofsleer zou verklaren. Toen zij hiermede volgaarne
instemden, rieden wij hen aan over hetgeen zij zouden hooren, later
na te denken en dit te bepeinzen. Wij gaven hun de verzekering,
dat wij zulks deden met de goede bedoeling om hun nuttig te zijn,
dat het hun echter volkomen zou vrijstaan in hun tegenwoordig geloof
te blijven, in geval geen van ons beide in staat zou zijn hen van
iets beters te overtuigen.--Nadat dit alles voor goed was bepaald,
werd de grootste hut in het dorp gekozen tot de plaats van zamenkomst;
al het huisraad werd bijeen op den achtergrond gelegd en hiervoor een
gordijn gespannen, ten einde zulks aan het oog te onttrekken.--Het
was zes ure. De zon was ondergegaan en de gezamenlijke bewoners van
het dorp, zoo mannen, vrouwen als kinderen, waren in de hut bijeen,
alwaar Nacht de volgende voordragt hield.--De Javanen hadden zich,
met de beenen kruisselings over elkander, op den grond nedergezet
en Nacht zat op een stoel in de nabijheid van den wand, waaraan twee
brandende lampen waren bevestigd.
Voor zich op eene bank had hij den bijbel, benevens een vraagboekje tot
onderwijzing in de Christelijke leer nedergelegd, en hier tusschen
beide stond het zinnebeeld van het Christelijk geloof, een houten
kruisbeeld.