VOORREDE.

Ik ben kortelings met mijn broeder Nacht uit de binnenlanden van

Java alhier aangekomen, en zie met genoegen, dat men zich ook hier

te lande het lot aantrekt dier goede zielen, in wier midden wij in

gehuchten, dorpen, steden en in de wildernissen bij het wachtvuur,

zoo menig jaar hebben doorgebragt. De onderwerpen, welke wij destijds

hebben behandeld, worden hier overwogen door staatsmannen, ministers,

leden der tweede kamer, liefhebbers, spekulanten, presidenten van

Zendeling-genootschappen, door ingewijden en leeken, door mannen van

de theorie en van de praktijk; zij worden er door gewikt en gewogen,

het voor en tegen er van in het licht gesteld, door dezen aangeprezen,

door genen gelaakt. Het pleit is echter nog niet beslist. Toen ik dit

alles zag, dacht ik nogmaals na over hetgeen ons in der tijd bezig

hield en het scheen mij toe, dat onze verhalen en gesprekken--al dragen

zij niet het gewaad van geleerdheid, al zijn zij niet gevoerd door

mannen, ervaren in het staatsregt, de staathuishoudkunde, dogmatiek,

christologie en in de hoogere en lagere politiek, maar toch, zoo als

ik met bescheidenheid vermeen te durven hopen, met een weinig gezond

verstand onder den groenen boom des levens ter neêr gesteld,--niet

geheel onwaardig mogen beschouwd worden, om onder het oog van het

publiek te worden gebragt.

Eenige kleinigheden daargelaten, die ik er heb bijgevoegd, naar

aanleiding van hetgeen ik na mijne aankomst in Europa vernam en

ontwaarde, komen ze onveranderd in het licht.

Wij hopen, dat onze verhalen en gesprekken goedgunstig door den lezer

mogen worden ontvangen.

Mijn broeder Nacht is reeds sedert lang door den dageraad verlicht

geworden. Hij wenscht echter onbekend te blijven en heeft zijn

naam veranderd. De Correspondenten van onze voormalige firma worden

derhalve verzocht zich voortaan uitsluitend te wenden tot dengene,

die van het navolgende is

S.... Februarij, 1854. DE MEDEDEELER.

VERHALEN EN GESPREKKEN

UIT DE

BINNENLANDEN VAN JAVA.

1.

Na een vermoeijenden dagmarsch over bergen en dalen, waren wij

te Gnoerag aangekomen. Onze kleederen en overige reisbehoeften

hadden wij in kleine lederen koffers gepakt, ligt genoeg om ze, met

eene hand vastgehouden wordende, op den schouder of op het hoofd te

dragen. Maar de Koeli's, die zich daarmede hadden belast--een tiental

Javanen uit het dorp, dat wij des morgens hadden verlaten--waren

achter gebleven. Twee uren vóór onze afreis uit Gnoetnig waren

zij van daar vertrokken. Wij haalden hen echter in en vonden ze

onderweg, in de schaduw van een Bamboesboschje, uitgestrekt op

den grond liggen. Sommigen hielden hunne siesta en bezigden onze

koffertjes, die daartoe juist groot genoeg waren, tot hoofdkussens;

anderen, die reeds uitgeslapen waren, maakten kleine cigaren van fijn

gesneden tabak en Djagongbladeren.--"Saja banjak tjapé, Toean!" (Ik

ben dood moede, heer) zeide de een; "Terlaloe panas, korang koewat"

('t is ondragelijk heet, ik kan niet meer) voegde een ander mij toe,

en "Sakit prot" (ik heb pijn in 't lijf) was de jeremiade van een

derde. Wij lieten eenigen onzer bedienden bij hen achter en zetteden

onzen togt voort, nadat wij een der koffers hadden geopend om wat

sigaren te krijgen en die onder hen te verdeelen. Wij beloofden ieder

van hen een halven gulden boven het bedongen loon (dat wij reeds vooraf

hadden betaald), benevens Koewé koewé (suikergebak) met Kopi (koffij)

tot eene versnapering, indien zij zorg droegen vóór het vallen van

den avond te Gnoerag te zijn. "Ja wel, beste heer!" riepen zij allen

verheugd als uit eenen mond; "wat een goede heer is hij toch"--voegden

anderen er bij. Hunne wil was inderdaad goed. Maar zij lagen daar zoo

vrolijk bijeen! Hun goedig, slaperig oog, waarin de genoegelijkheid

als het ware te lezen stond,--want zij waren zoo blij, zoo zonder

zorgen,--hielden ze onafgebroken gerigt op den blaauwen rook hunner

cigaren; zij schenen aldaar zoo regt gelukkig te zijn, beter nog

dan het eerste menschenpaar in het Paradijs; een beekje murmelde in

hunne nabijheid en Paradijsvijgen, die hun het groote blad bij wijze

van bord voor hunnen medegevoerden rijstmaaltijd hadden opgeleverd,

namelijk, Pisangboomen, spiegelden zich werkelijk in het effen vlak

van het kristallijnen vocht der beek.

Had ik mijn zin gevolgd, dan had ik ze vooruitgezonden, maar mijn

broeder Nacht zeide "ze zullen wel achter aan komen" en wij gingen

vooruit met een Loerah (een dorpshoofd), drie van onze bedienden

en een paar andere Javanen, die onze instrumenten en jagtgeweren

droegen.--Eindelijk werd het tijd naar een nachtkwartier om te zien

en nog waren zij niet aangekomen.

De avondzon wierp reeds hare roode stralen op de oostelijke dalhelling;

weldra verlichtte zij nog slechts haren bovensten rand, deze heldere

strook werd allengs smaller en bleeker; reusachtige vledermuizen

(Kalong's) togen reeds over onze hoofden naar de oorden, waar zij

hunne nachtelijke feesten vieren en het geschreeuw der paauwen in

de naburige wouden klonk al luider en luider in ons oor, toen wij

het eenzame dorpje naderden, dat slechts uit een vijf- of zestal

hutten bestond. De donkere schaduwen, die op het breede dal waren

nedergedaald, hadden ook het kleine dorp met zijne vruchtboomen

reeds verzwolgen. Zoo even hadden de vrouwen op de houten blokken

(Lesoeng) rijst voor het avondeten gestampt en reeds een kwartieruur

vroeger had de regelmatige, heldere klank der neêrvallende stampers

ons oor getroffen, toen wij ons nog op een verren afstand van hier

bevonden.--Naauwelijks echter hadden zij ons in het oog gekregen of

zij wierpen hare stampers (Aloe's) neder en vloden ijlings binnen hare

hutten. Huilend werden zij achtervolgd door hare kinderen en de honden

verscholen zich onder den vloer der woningen, die, zoo als gewoonlijk

het geval is, aan de vier hoeken op palen of Bamboesstijlen waren

gebouwd. Uit die schuilhoeken lieten zij hunne blaffende symphonie,

fortissimo, hooren en stoorden de kippen in den slaap, die ter zelfder

plaatse reeds sedert geruimen tijd op het roest zaten. In de hutten

zelven werd niet de minste beweging vernomen. Allen, die zich er in

bevonden, hielden zich zoo stil als een muis; slechts hier en daar

liet zich een half gezigt, een oog, bespeuren, dat nieuwsgierig door

eene reet der Bamboeswanden gluurde.

Wij zetteden ons onder een klein afdak neder op een stampblok

(Lesoeng), dat voor de hutten stond en benoemden den Loerah tot onzen

ambassadeur en plenipotentiaris, ten einde met den waarschijnlijk

levenden inhoud der geslotene vestingen--niet zoo als Prins Menzikoff

met de Verheven Porte--neen, vriendschappelijk te onderhandelen.

Onze diplomaat hield eene roerende aanspraak, gaf zijne smart te

kennen, dat onze komst vensters en deuren had doen sluiten--en ter

naauwernood had hij zijne sierlijke rede geëindigd of eerst werd

eene, vervolgens eene tweede en weldra eene derde deur geopend,

waarop, hoewel aarzelend, eenige mannen naar buiten traden met rijst

en Pisang, welke levensmiddelen de Loerah verklaard had tegen goed

geld te willen inruilen. Wij nuttigden nu ons eenvoudig avondmaal,

dat ons op een Pisangblad werd toegediend. De honden kropen uit hunne

schuilhoeken te voorschijn en kwamen al kwispelstaartend naar ons

toe; weldra verschenen enkele rimpelige sybillen op het tooneel,

die op eenigen afstand bleven staan en ons met luide, krijschende

stemmen, maar niettemin met regt vriendelijke gebaren, een "welkom te

Gnoerag!" toeriepen. Het duurde niet lang of eenige jongere vrouwen,

met hare kinderen op den arm, traden op ons toe, ja, zelfs de jonge

meisjes slopen de eene na de andere in den kring. Anderen verwijderden

zich weder en bragten ons ongevraagd eenige lekkernijen, die zij

in hunne hutten hadden bewaard. Deze bood ons een kleinen pot aan,

gevuld met Sambal gòreng, gene bragt de helft van een gebraden hoen

(Ajam panggang) te voorschijn, dat hij ons als lekker aanbeval, een

ander gaf ons een paar gedroogde schildpadeijeren, of een stukje

Dendeng; een vierde spreidde eene mat (Tikar), van Pandanbladeren

gevlochten, op den Lesoeng uit en eindelijk--toen de overtuiging

zich algemeen had gevestigd, dat wij geene zeeroovers waren,--zagen

wij ons vertrouwelijk omringd door ouden en jongen, door mannen,

vrouwen en kinderen, met al hun huisgedierte, in één woord, door al

wat in het dorp leven ontvangen had.

NACHT. Ziet ge wel, dat de Javanen beste menschen zijn?

IK. Ziet ge wel, dat men goed en gastvrij zijn kan, zonder Christen

te zijn? Maar ziet ge ook wel, dat onze Koeli's niet komen?

NACHT. Hebt slechts geduld; het is nog niet volkomen avond en

buitendien wij hebben maneschijn. Zij zullen wel komen.

Intusschen hadden onze "jongens" (spreek uit: Javasche bedienden, die

somtijds reeds vrij bejaard zijn) kennis gemaakt met de bewoners van

het dorp en slaapplaatsen voor ons uitgezocht. Het laatste overblijfsel

van het vooroordeel, dat de dorpelingen tegen ons "menschen met blanke

gezigten" nog koesterden, was door hunne bemoeijingen weggenomen. Mijn

jongen Sidin komt daar aanstappen met eene jeugdige vrouw, die haar

kind op den arm heeft; zij biedt ons hare hut tot tijdelijk verblijf

aan en wil ten onzen gevalle zoo lang bij hare buurvrouw haren intrek

nemen.--Waar is dan uw man? "Ach, heer" gaf zij ten antwoord, "acht

dagen geleden heeft een tijger hem opgegeten." Dit zeide zij met een

lagchend gezigt als of zij een grap verhaalde. Op grond hiervan beelde

de lezer zich niet in, dat de Javanen hardvochtig en gevoelloos zijn;

dat is volstrekt niet het geval. De zaak is deze: in alle wisselingen

van hun lot gedragen zij zich als geboren philosophen en weten zich

spoedig naar alles te schikken. Zoodra het lijk aan de aarde is

toevertrouwd, al heeft men den overledene bij zijn leven nog zoo lief

gehad, dan wordt er niet meer om getreurd. "Het treuren helpt toch

niet, en gedane zaken nemen daardoor geen keer! Waartoe zal men iemand

lang beweenen, daar men elken dag zelf sterven kan?"--Op die wijze

ongeveer beschouwen zij de zaken. Het heete klimaat, de verbazend

snelle ontbinding en vergankelijkheid van al dat bewerktuigd is,

zoodra het leven daaruit is geweken, de voortdurende gelijkvormigheid

in alle verschijnselen der natuur, die hen omringt, waarin geene

afwisseling van jaargetijden wordt waargenomen, dit alles oefent

noodzakelijkerwijze invloed uit op hun karakter en hunne innerlijke

gemoedstemming. Met gelatenheid dragen zij hun lot, dat door hen

als iets onvermijdelijks wordt beschouwd. Het gevaar, waaraan zij

voortdurend zijn blootgesteld, ontneemt hun alle vrees en maakt hen

onverschillig omtrent hetgeen haar bij anderen doet ontstaan.

Wij namen bezit van de hut, die op eenigen afstand van de overigen,

tusschen ooft- en wilde boomen verscholen, was gebouwd. De rosse

gloed eener lamp met Djarak- (Ricinus-) olie gevuld, wierp een flaauw

licht op den vloer en de vier berookte wanden, van gevlochten Bamboes

vervaardigd, waaruit het eenige vertrek der hut bestond. De vloer

rustte op stijlen, ter hoogte van ongeveer vier voet boven den grond:

de bank, die met eenige Tikar's was belegd en ons tot rustplaats

moest dienen, bestond mede uit gespleten Bamboes.

Wij verlangden zeer naar een bad;--wij wenschten ons te ontdoen

van onze kleederen, die doornat van zweet en daarenboven met stof

en vuil bedekt waren. Maar wat moesten wij aantrekken? De Koeli's,

die onze koffers droegen, waren nog niet aangekomen. Een sigaar,

een glas wijn konden wij wel ontberen, maar zouden wij ons nu ook

genoodzaakt zien het tenue der inboorlingen aan te nemen, en in het

kostuum van Adam rond te wandelen?--Al hetgeen de goede luitjes hier

in het dorp in hunne garderobe overcompleet hadden en dit bestond

uit een paar Selendang's (lange, smalle omslagdoeken) en Sarong's

(een kleedingstuk, dat den vorm heeft van een vrouwenrok), werd ons

ten gebruike afgestaan. Wij deden derhalve als of wij ons in het

Paradijs bevonden en het kostte weinig moeite ons in te beelden,

dat dit werkelijk het geval was. Ademden wij hier niet eene zuivere,

zachte, geurige lucht in?--strekte zich hoog boven onze hoofden niet

de schoonste blaauwe hemel uit?--stond hier nevens onze hutten niet de

Musa "uit het Paradijs" (gelijk Linnaeus haar heeft genoemd), met hare

reusachtige, reeds aanrijpende trosvormige vruchten?--blonken ginds

niet goudkleurige Mangga's, roode Djamboe's, Doeren's en Nangka's,

beide ter grootte van een menschenhoofd, benevens vele andere

schoone vruchten in het oog, half verscholen tusschen het loof der

boomen, die in en rondom het dorpje waren aangeplant?--verhief zich

niet boven onze hoofden, zagen wij niet verre beneden ons in het

lagere gedeelte van het dal, het loofgewelf der allerprachtigste,

bloemrijke wouden?--geleken de bewoners van het eenzame dorpje, in

de eenvoudigheid huns harten, niet op het eerste menschenpaar, toen

het in onschuld het Paradijs tot woning had? en murmelde ginds achter

ons, in de onmiddellijke nabijheid der hut, niet een beekje, waarvan

het kristalheldere water ons uitlokte tot het verfrissend genot van

een bad?--Een gedeelte van het water liep door eene Bamboesbuis naar

eene plek, waar het terrein met een steilen wand 5 à 6 voet afdaalde

en plaste van die hoogte bij wijze van stortbad (Pantòran) op den

badende neder. Wij droogden ons in de lucht, sloegen den Sarong om

onze lendenen en den Selendang over de schouders en begaven ons naar

den nabij gelegen rand der kloof, van waar wij den ganschen, zooveel

lager gelegenen bodem van het dal konden overzien. Aldaar vleiden wij

ons neder in het gras onder het geboomte en lieten onzen geest ten

speelbal van de indrukken, te weeg gebragt door de omringende schoone

natuur, die zich meer en meer in haar schemerend avondkleed hulde.

Het dorpje Gnoerag is gelegen op een voorsprong der westelijke

dalhelling, welke ongeveer 700 voet beneden den hoogsten rand een

zacht glooijend plat vormt en vervolgens steil in den eigenlijken

bodem van het dal overgaat. De rand, waarop wij ons bevonden,

verhief zich nog ongeveer 300 voet boven dit laagste gedeelte des

dalbodems. Aan gene zijde van het dal rees de helling eerst zacht

glooijende, bij wijze van terrassen, vervolgens steiler en eindelijk

als een loodregte wand opwaarts naar den oostelijken dalrand, die van

den westelijken rand welligt 1 1/2 à 2 Javasche palen [1] verwijderd

was. Op den voorsprong lagen hier en daar kleine, drooge rijstvelden

(Tipar en Oema) verstrooid in eene wildernis van Alang-alanggras,

welke laatstgenoemde zelf de plaats weder had ingenomen van velden,

in voormaligen tijd bebouwd. De bodem van het dal daarentegen, benevens

de steile hellingen, die het ter wederzijde insloten, waren bedekt met

een majestueus oorspronkelijk woud, met boomen wier zuilvormige stammen

zich 100, ja, 120 voet hoog verhieven, alvorens zij hunne rondachtige

loofkroonen vormden. Als wiessen zij vrij in de lucht, zoo verhieven

zij hunne kruinen de eene boven de andere aan den steilen dalwand en

slechts enkele gedeelten, die volkomen loodregt oprezen, vielen hier

en daar als kale plekjes tusschen het geboomte in het oog. [2]

Deze bergwanden, deze wouden, welke den bodem van het dal

overschaduwen, werden nu beschenen door het zilverblanke licht

der maan, die hoog aan den hemel stond. Haar licht was zoo helder,

dat wij ter naauwernood eenige schemering hadden kunnen waarnemen,

toen de dagtoorts [3] werd uitgebluscht. In het azuren uitspansel

liet zich niet het geringste wolkje bespeuren. Maar aan het zintuig

van het gehoor werd verkondigd, dat de zon beneden den horizon was

gedaald. Hoewel geen ademtogtje werd bespeurd, geen blaadje van het

geboomte ritselde, verhieven zich toch steeds duidelijker zekere

algemeene nachtelijke geluiden. Nu de oppervlakte des bodems niet

langer werd verhit en de oorzaak niet meer bestond, die zulks had

te weeg gebragt,--de zonnestralen, welke er op neêrschoten,--stegen

niet langer luchtstroomen loodregt opwaarts en werd de zijwaartsche

voortplanting van het geluid niet meer verhinderd. De branding

van de meer dan 20 palen van ons verwijderde zuider kust liet zich

allengs duidelijker vernemen en het bruischen van den stroom, die,

in zijn langen loop uit het binnenste van het hooggebergte tot aan

de kust, zich al kronkelend door den bodem van het dal slingert,

trof al luider en luider ons oor. Hoe sterker deze algemeene,

doffe nachtelijke geluiden zich lieten bespeuren, in gelijke mate

verminderde het geruisch in het dorpje. De gansche menschelijke

bevolking er van bestond uit een vijftigtal mannen, vrouwen en

kinderen, die zich met haar tam gedierte--hoenders, honden, geiten,

een paar buffels en paarden--in dit dal had nedergezet en mijlen ver

door wildernissen van andere dorpen was gescheiden. Zij lagen nu allen

op hunne Balé balé's in de hutten uitgestrekt, waar zij zich, ieder

in den kring van zijn gezin, geheel en al overgaven aan het zalige

gevoel van een volkomen onbezorgd gemoed. Uit eenige hutten klonken

ons nog de langgerekte toonen van een gezang te gemoet, dat noch eene

bepaalde melodie, noch woorden heeft, maar gewoonlijk door mannen

wordt geïmproviseerd en gezongen, wanneer zij op de rustbank liggen

en zich gelukkig gevoelen. Ook dit eentoonige gezang hield allengs

op; onze bedienden, die zich in gezelschap van eenige dorpelingen

achter ons in het gras hadden nedergelegd, slopen de een voor en de

andere na in stilte weg, om ook voor zich eene nachtelijke rustplaats

op te zoeken; de eene deur werd na de andere gesloten; de lampjes,

waarvan het schijnsel door de reten der wanden schemerde, werden de

eene na de andere gebluscht; het geluid der huisdieren liet zich

allengs zeldzamer hooren, en eindelijk verkondigde niets meer de

nabijheid der menschelijke wezens, die met al hunne levende have,

met al hun geluk en ongeluk, zich in onze onmiddellijke nabijheid

bevonden en nu in diepen slaap verzonken waren.

Wij alléén nog zaten daar--en langen tijd zwijgend--nevens

elkander. Opgetogenheid vervulde ons. Nu eens vestigden wij mijmerend

de blikken op den tegenover gelegen dalwand, waarvan hier eene bogt,

met donkere schaduwen bedekt, in een geheimzinnig duister verdween,

terwijl elders eene voorwaarts springende rotspunt of de reusachtige

zuil eens boomstams door het volle licht der maan werd beschenen;--dan

weder rustten zij op het bladerengewelf, waarmede het woud den bodem

van het diep beneden ons liggende dal overdekte. De digtste nachtelijke

duisternis liet zich hier en daar tusschen deze boomen bespeuren, als

zagen wij door eene spleet in een peilloozen afgrond neder, ter plaatse

waar in de diepe, met woudgeboomte overschaduwde kloof, voor het oog

volkomen onzigtbaar, maar door den donder harer schuimende golven luid

hoorbaar de Tji-Nagnéak heenbruist. Daar stort zij van blok tot blok,

van rots tot rots nederwaarts en zet zij in snelle vaart haren loop

voort naar de kust. Andere gedeelten van de oppervlakte des wouds,

vooral ter plaatse waar de grootste en hoogste loofkroonen oprezen,

waren zoo helder verlicht, dat men de paauwen kon zien, wier luid

gillend geschreeuw nog voor korte oogenblikken, gedurende het vallen

van den avond, de echo's van alle bergwanden had doen ontwaken, maar

die nu bewegeloos en stil in de toppen van het geboomte zaten.--Van

tijd tot tijd fladderden eenige vledermuizen ons voorbij; somtijds

vloog een krassende uil langs de helling van het dal, doch dit was de

eenige beweging, die zich liet bespeuren, want heinde en verre lag de

natuur in diepe rust verzonken. Behalve het doffe geruisch van den

snellen stroom, trof geen ander geluid ons oor dan het regelmatig

geklep van een Caprimulgus, [4] dat als kletterende hamerslagen op

een aanbeeld alom door het dal klonk, en slechts zelden vernamen wij

uit het woud beneden ons een geluid als van loeijende buffels, maar

fijner, meer schor en wilder van toon; het waren rhinocerossen, die

zich slechts in den speeltijd laten hooren. Overigens was de dierlijke

schepping dood stil en nergens was eenige beweging zigtbaar.--Maar met

welke nachtelijke schoonheid was het omringende landschap getooid! welk

een tooverachtigen schijn gaf daaraan de maan, die het als door een

floers, door een zilverkleurig, half doorschijnend glas bescheen! Waar

vind ik woorden om zoo veel schoonheid te beschrijven,--of kleuren om

haar naar waarde af te malen? Mijne krachten zijn daartoe te zwak. Zoo

iets laat zich slechts gevoelen, waarnemen.

NACHT. Beste broeder Dag; wanneer ik mijn oog laat gaan over dit

vruchtbare, door de natuur zoo rijk gezegende landschap, dat een waar

paradijs mag worden geheeten en in den schoonsten schemerschijn van

het liefelijke maanlicht daar voor ons ligt, wanneer ik daarbij denk

aan de goede Javanen, die, voor hooger ontwikkeling zoo vatbaar,

in deze oorden gevestigd zijn, maar wier geest nog in de diepste

duisternis der onwetendheid is gehuld, wier mate van intellectuele

beschaving naauwelijks met dat schemerlicht der maan kan vergeleken

worden,--wanneer ik mij dit alles voor den geest stel, dan vind ik

het ten uiterste beklagenswaardig, dat zij de openbaring van het

Evangelie, de zegeningen des Christendoms nog niet deelachtig zijn

geworden, dat hun eeuwig heil, het heil hunner onsterfelijke ziel,

zoo schromelijk wordt verwaarloosd!

DAG. Beste Nacht, die klagt wordt door mij niet gedeeld. Voor ik

den wensch kan koesteren om de "Javanen tot Christenen te bekeeren,"

gelijk gij dat gewoon zijt te noemen, moet ik eerst leeren inzien,

dat de Christelijke leer niets dan zuivere waarheid bevat, dat de

kennis dier leer voor alle volken der aarde als eene zegening zij te

beschouwen, en met den besten wil ter wereld heb ik mij hiervan nog

niet de overtuiging kunnen verschaffen.

NACHT. Hoe is het toch mogelijk, dat ge zoo kunt spreken! Bedenk

eens tot welk een hoogen graad van beschaving, wij Christenvolken

zijn opgeklommen; overweeg eens hoezeer wij Christenen door de

meerdere ontwikkeling onzer verstandelijke vermogens, in handel en

nijverheid, in het staatkundige en door onze zedelijke overmagt,

boven alle niet-Christennatiën verheven zijn; denk toch aan het licht

der wetenschappen dat zijne heldere stralen over Europa verspreidt,

de hooge vlugt welke het geestesleven bij ons heeft genomen, de

verbazende ontwikkeling aan alle nuttige kunsten, aan alle takken

van nijverheid gegeven, waarin geen enkel niet-Christenvolk zich met

ons meten kan,--waaraan hebben wij dat alles te danken? dan juist

aan het Christendom, 't welk wij belijden, aan onze heilige Kerk,

aan de leer des bijbels, zoo overvloeijende van menschenliefde,

aan de zegeningen der geopenbaarde godsdienst, die de Heiland en

Verlosser ons heeft geschonken?

DAG. In geenen deele, broeder Nacht. Gij verkeert in dwaling,

waarin trouwens eenige millioenen uwer geloofsgenooten mede zijn

vervallen. Niettegenstaande dit alles, moet ik u rondweg verklaren,

dat gij het spoor geheel en al bijster zijt. Er zijn thans ruim

achttien eeuwen verloopen, sedert Jesus van Nazareth zijne geloofsleer

verkondigde en ongeveer 12 à 1300 jaar sedert het tijdstip, waarop

die leer onder de Germaansche volkstammen, in het hart van Europa

gevestigd, meer algemeen is verbreid geworden. En van wanneer

dagteekent nu die buitengewone wetenschappelijke en industriële

ontwikkeling bij de Europesche volken, in zoo verre deze een hoogeren

trap hebben bereikt, dan waarop vele zoogenaamde Heidensche volken

staan, als de Japannezen, Chinezen, Hindoes?--Zij dagteekent ter

naauwernood van vóór 200 jaren, en wat betreft de tegenwoordige hooge

vlugt, de buitengewone vooruitgang, die in alle takken van nijverheid

wordt waargenomen--het heldere licht, verspreid door de ontdekkingen,

op het gebied der natuurlijke wetenschappen gemaakt, waardoor het

leven en het verkeer der volken eene gansch andere, nieuwe, vroeger

niet mogelijk geachte gedaante heeft verkregen, eene vlugt die nog

dagelijks als met arendsvleugelen hooger stijgt,--deze dagteekent nog

niet van vóór een honderd jaren! En op welken trap van intellectuele

en industriële beschaving stonden deze zelfde Christenvolken in de

voorafgegane eeuwen, sedert de invoering des Christendoms?

De grofste onwetendheid, het verregaandste bijgeloof lag als een

dikke nevel uitgestrekt over deze volken en onderdrukte elf à

twaalf honderd jaren lang elke vrijere ontwikkeling des geestes;

het geloof aan de openbaringen des bijbels, aan de onfeilbaarheid

der kerkelijke orakelspreuken, verstikte alle zelfstandigheid van

denken, weêrstreefde elk onderzoek der natuur en stelde wonderen in

de plaats der natuurwet, verbreidde duisternis, waar het licht had

moeten aanbrengen. Ge zult mij toch wel niet tegenspreken, dat de

oude Grieken en Romeinen, lang vóór de geboorte van Christus, een

veel hoogeren graad van beschaving bezaten, dan den Christenvolken

gedurende de middeleeuwen eigen was?--En wee! die zeldzame mannen,

die het durfden wagen een schuwen lichtstraal in de duisternis te

willen werpen! Was aan Galileï het treurige lot niet beschoren nog

in de 17de eeuw door de priesters van Christus als ketter te worden

vervolgd, dewijl hij eene eeuwige waarheid verkondigde en verdedigde,

welker bestaan Korpernicus reeds had erkend,--moest hij niet,

nog in 1633, voor de regtbank der inquisitie zweeren, te gelooven,

dat de aarde in de hemelruimte stil stond?! Leverde het midden 18de

eeuw niet nog het schouwspel op, dat ketters verbrand, heksen op de

pijnbank der inquisitie gefolterd werden?--ja, wat zeg ik, heeft men

niet nog vóór korten tijd, in de tweede helft der negentiende eeuw,

gezien dat deze priesters "van Christus," gelijk zij zich noemen, van

Christus die slechts liefde, vergevensgezindheid predikte--den vloek,

den banvloek! uitspraken en menschen, die den bijbel hadden gelezen,

tot de galeien doemden?--Ik wil hopen, dat Jesus niet andermaal zal

geboren worden; want indien dit geschiedde en hij optrad tegen deze

priesters, die zich naar zijnen naam noemen--en zeker zou hij zulks

doen, gelijk hij reeds eenmaal te velde trok tegen de huichelarij der

Joodsche priesters, der Pharizeën--dan zouden zij hem als een valschen

Messias aanklagen, veroordeelen, en ten tweeden male kruisigen!

NACHT. Het is zeer wel mogelijk. Ge weet, dat ik, wel is waar,

in het Katholieke geloof ben opgevoed, echter geenszins behoor

tot de vereerders der hierarchie, sedert ik zelfstandig heb leeren

denken. Gij spreekt van de gruwelen door het Pausdom veroorzaakt, van

de huichelende priesterschaar, die heerschen wil en gaarne in troebel

water vischt; maar al hetgeen door u is aangevoerd strekt eigenlijk

toch slechts ter verheerlijking van het Christendom! Want ge zult toch

met mij bekennen, dat het licht der gezuiverde Christelijke leer,

sedert den tijd dat Luther in 1520 de Pausselijke bul verbrandde,

op eene zegevierende wijze al deze nevelen voor zich uit heeft

gedreven en thans een groot gedeelte der oude en nieuwe wereld met

zijne stralen beschijnt, door wier koesterende en weldadige warmte

kunsten en wetenschappen alom tot de heerlijkste en krachtdadigste

ontwikkeling zijn gekomen?

DAG. Broeder Nacht, ge komt hier andermaal tot eene geheel verkeerde

gevolgtrekking. Het Christendom heeft niets gemeens met dezen bloei

der kunsten en wetenschappen, want uit zijn aard is het volslagen

ongeschikt eenig licht op het gebied daarvan te verspreiden. Dit is in

zulk eene mate het geval, dat het, in plaats van eenige aanleiding

en aansporing te geven tot het onderzoeken der natuur, tot het

navorschen van de werken des Scheppers, in tegendeel allereerst en

bovenal voorschrijft te gelooven aan wonderen, vast te gelooven aan

het onbegrijpelijke, het onmogelijke, aan hetgeen in strijd is met

alle ervaring, met alle bekende wetten der natuur.--Het is waar,

de zedeleer, welke het Christendom predikt, is aanprijzenswaardig,

moet hoog worden geschat, want zij leert ons het goede van het

kwade te onderscheiden, zij boezemt liefde tot de deugd in, stelt

medelijden jegens onze natuurgenooten ten pligt. Deze leer echter is

de menschelijke natuur eigen, sedert den aanvang van haar bestaan,

en het licht dat sedert eene eeuw, maar met helderen glans eerst in

de laatst verloopen vijftig jaren in het intellectuele en industriële

leven der volken is opgegaan, zijn wij eenig en alleen verschuldigd

aan de natuurlijke wetenschappen, aan de geniale en grondige studie

der natuurwetten en der werken van den verheven Schepper,--aan de

steeds in zekerheid toenemende kennis van hetgeen wij daar boven

aan den hemel, hier beneden op de aarde ontwaren, en is bovenal in

ruime mate gevloeid uit de ontdekkingen, gedaan op het gebied der

geologie, der sterre- en scheikunde, der physica en physiologie;

hierdoor hoofdzakelijk is de waarheid aan den dag gebragt en alom

verkondigd geworden, die het godsdienstig bijgeloof steeds binnen

engeren kring trachtte te beperken. Dit hebben de Christelijke

priesters ook overal en door alle eeuwen heen zeer wel gevoeld

en begrepen; uit dien hoofde hebben zij, sedert de stichting der

hierarchie tot op den tijd van Galileï en van Galileï tot op den

huidigen dag, ijverig gestreefd deze waarheid te onderdrukken, de

vatbaarheid daarvoor--door hunne wijze van onderrigt--in het kinderlijk

gemoed te verstikken, den natuuronderzoeker in zijne navorschingen te

breidelen of hem er om te vervolgen; want de natuurkundigen zijn het,

die vijandig tegen hen overstaan, die de sombere schaduwen, welke

de priesterrok rondom zich werpt, door een steeds grooter wordend

tal van lichtstralen in helderen dag dreigen te herscheppen. Zij,

de obscuranten, leven en bewegen zich met welbehagen alleen in die

met nevelen der onwetendheid bezwangerde lucht, waarin geen ander

licht kan doordringen dan hetgeen door wonderen en bijgeloof, als

door beschilderde vensterglazen, is verdonkerd en gebroken. Het is

de pligt van den natuuronderzoeker tegenover hun geloof aan wonderen

de natuurwet--de duidelijke verklaring--te stellen. Hij zou met zich

zelven in tegenspraak zijn, hij zou niet langer natuurkundige, schei-

of sterrekundige zijn, het niet kunnen zijn, indien hij aan wonderen

geloofde, indien hij in staat was zijn eerste axioma--zijn evangelie:

de eeuwige onveranderlijkheid en regelmatigheid der natuurwetten,

te verloochenen. Alle wetenschap houdt op, zoodra de mogelijkheid

van het tegendeel wordt aangenomen.

NACHT. Maar dewijl gij toch met mij gelooft, dat God almagtig

is,--waarom zou hij dan niet ééne enkele maal de werking van eenige

zijner natuurwetten tijdelijk hebben geschort, doen ophouden of in een

tegenovergestelden zin hebben veranderd, ten einde zijn eenig geboren

zoon op aarde te zenden en ons zondige menschen gelukkiger te maken?

DAG. Beste broeder, vergeef het mij! Hetgeen gij daar zegt, kan mijn

mond niet uitspreken, kan mijn verstand niet bevatten.

Wij bewonen een van de acht planeten, welke met de 27 zoogenaamde

kleine planeten of asteroïden in kringen om de zon wentelen en die

gedeeltelijk de aarde in grootte verre overtreffen. De zon zelve

is slechts een van de duizende, insgelijks veel grootere zonnen,

die--ofschoon aan ons oog slechts als zoogenaamde vaste sterren

zigtbaar--aan den hemel fonkelen. Wij kunnen toch niet aannemen, dat

van al die duizende zonnen slechts om deze ééne--om de onze, die niet

tot de grootsten behoort--planeten zich wentelen, en nog veel minder,

dat onder al die planeten, welke tot deze en tot die duizende andere

zonnen behooren, alleen op onzen kleinen aardbol levende wezens wonen,

met geest- en denkvermogen begaafd?--Zou het niet hoogst ongerijmd

zijn te veronderstellen, dat die tallooze zonnen, met hare planeten

en trawanten, uitsluitend in het aanwezen zijn geroepen om den wille

der 950 millioen menschen, die (thans) op deze aarde leven en dat deze

schaar van zoo onvolkomene wezens,--gelijk de menschen inderdaad zijn,

die sedert hare schepping tot op den huidigen dag zich op niets met zoo

veel ijver hebben toegelegd dan om elkander te vermoorden, te kwellen

en te plunderen,--dat zij in het oog van den Schepper des heelals zoo

hoog hebben gegolden, dat Hij om den wille van hen en om hen alléén

die verbazende menigte veel grootere hemelligchamen heeft geschapen,

welke wij in de onpeilbare hemelruimte nog op de verste afstanden

ontdekken, tot waar ons oog met de reusachtige telescopen reikt. Wij

moeten derhalve noodzakelijkerwijze uitgaan van het denkbeeld, dat

ook op al deze andere hemelligchamen, althans op de meesten (dezulke,

welke geschikt zijn om door bewerktuigde wezens te worden bewoond)

levende, met verstand begaafde schepselen aanwezig zijn, daargelaten

dat zij welligt eenigzins anders gevormd en bewerktuigd zijn dan wij.

En wat heeft God nu gedaan, volgens de Christelijke geloofsleer?--Nadat

de menschen reeds gedurende vijf duizend jaren of iets langer op

de aarde hadden voortgestrompeld,--gedurende welk tijdperk reeds

vele rijken ontstaan en weder te gronde waren gegaan, natiën op

het schouwtooneel der wereld waren getreden en het hadden verlaten,

waarbij veel bloed vergoten, veel gruwzaamheid gepleegd, vele zonden

waren bedreven,--zag de Schepper ten laatste in, dat het zoo niet

langer gaan kon; hij begreep eindelijk, dat hij zijn werk (den mensch)

niet doelmatig genoeg had ingerigt en dat dit werk noodzakelijkerwijze

eenige reparatien en verbeteringen moest ondergaan. "Hij had of schiep

een zoon" en zond dezen op de aarde om het menschdom deugd en liefde

tot den naaste te prediken en te doen beoefenen, hetgeen hij dan

ook met zulk uitstekend gevolg in praktijk bragte, dat de dankbare

tijdgenooten hem daarvoor bespotteden, hoonden, beschuldigden, ja,

eindelijk tot den martelaarsdood veroordeelden en aan het kruishout

nagelden!--Maar nu was God met zijne schepselen verzoend; nu mogten

zij zondigen naar hartelust en zoolang zij verkozen, of nog zullen

verkiezen, mits zij er te eeniger tijd slechts berouw over gevoelen,

dan kunnen zij de zaligheid toch nog deelachtig worden; want heeft hij

niet zijn eigen zoon--het lam [5] Gods--tot verzoening voor de zonde

der menschen gegeven en hem--aan wien--daarvoor ten offer gebragt?--:

aan zich zelven.

Die in hem gelooven, zullen in het koningrijk der hemelen komen,

en hun aantal bedraagt thans ongeveer 245 millioen. Wat de overige

705 millioen menschen betreft--Joden, Mohammedanen en zoogenaamde

Heidenen,--die behalve de zoo even genoemden op de aarde wonen,

hun vooruitzigt is zeer duister, dewijl het geloof in Jezus

bij hen geen wortel wil schieten, en wat aangaat de 35 millioen

Grieksch-Katholieken, zoo mede de 60 millioen Gereformeerde ketters

(die, wel is waar, in Jezus Christus, maar niet aan de goddelijke

magt van den Paus gelooven) met hen is het, volgens de leer "der

alleen zaligmakende heilige kerk," geen haar breed beter gesteld dan

met de Heidenen; het gevolg hiervan is, dat er van de 950 millioen

bewoners dezer aarde eigenlijk slechts 150 millioen gelukzaligen

(Pausselijk-Katholieke menschen) overblijven, voor wie het goddelijke

zoenoffer de poorten des hemelrijks heeft kunnen openen.--En wat

zal er worden van de bewoners der overige duizenden bij duizenden

van planeten en zonnen, welke in het heelal zweven en zich in

elliptische banen bewegen?--dat kan niemand bepalen, indien zij,

namelijk, van den aanvang af niet op eene meer volkomene wijze zijn

gevormd dan wij--of indien zij geene Christenen zijn,--indien de zoon

Gods ook niet bij hen een bezoek heeft afgelegd,--niet den oneindig

langen togt door het heelal heeft ondernomen,--indien hij niet van

trawanten naar planeten, van planeten naar zonnen, van zonnen naar

melkwegen en nevelvlekken is getogen om overal, waar het werk zijns

vaders en van zijn meester niet goed ging, het noodige er aan te

herstellen en te verbeteren!--Waarachtig, broeder Nacht, wat zou

ik een erbarmelijk denkbeeld moeten opgevat hebben van den alwijzen

Schepper, indien ik zulke soort van nesterijen kon gelooven,--indien

ik zoo iets dacht van den oneindigen, eeuwigen Maker van het heelal,

die niets onvolkomen heeft daargesteld, die het kleinste wormpje, het

onbeduidendste plantje en hoe veel te meer niet den mensch! van den

aanvang af zoodanig heeft gevormd, dat, door de krachten waarmede

Hij hem heeft begiftigd en die Hij aan eeuwig onveranderlijke,

onverbreekbare wetten onderwierp, alles wat leeft en zich beweegt en

door zijnen adem wordt bezield, door zich zelven en uit zich zelven

zijne ontwikkeling, voleinding en eindelijke bestemming onfeilbaar te

gemoet gaat, zonder dat op eenigerlei wijze de wetten, de eenmaal in

het leven geroepen krachten, herstelling of verbetering behoeven.--En,

aangenomen dat zulks denkbaar, dat zulks mogelijk was, dan vraag

ik u: wat heeft dan dat buitengewone gezantschap van God op aarde

uitgerigt? Wat heeft het geholpen?--zoudt ge durven beweren, dat de

menschen sedert dien tijd beter en gelukkiger zijn geworden?

Wend uwe blikken om u heen, sla Europa gade! Wat ziet ge? Ellende,

armoede, hongersnood, gevangenissen en andere dergelijke

strafinrigtingen opgepropt met misdadigers; slavenhandel, die onder

de bescherming van Christelijke wetten sedert eeuwen wordt gedreven;

diefstal, moord,--ontevredenheid door de volken gevoed jegens hunne

regeerders, bloedige omwentelingen, vrees der heerschers voor hunne

volken,--oorlog!--schepen en vestingen laat men in de lucht springen en

duizenden van menschen vallen in één enkelen oogenblik als een offer

des doods; hier ontwaart gij wederzijdsch wantrouwen, haat tusschen

de onderscheidene Christensekten, ginds aanmatiging der priesters,

kuiperijen der Jesuïten; van godsdienst vindt gij buiten de kerken

zelfs geen spoor, in de kerken veel huichelarij en schijnheiligheid.

Werp uwe blikken achter u. Daar ontwaart gij een vreesselijk

schouwspel, dat nu sedert 1800 lange jaren voortduurt. De aanbidders

der oude goden van Griekenland vangen het treurspel aan; bloedig

vervolgen en martelen zij de nieuwe Christenen en brandstapels

besluiten het, waarop Christenen Christenen--tot vreugde van

Christenen in de vlammen offeren! Daar wordt het ijzingwekkende

cyclorama voor uw oog ontrold, waarop met vlammende en bloedige

kleuren de geschiedenis des Christendoms is afgemaald. Langzaam

ontwikkelt het zich voor uwen starenden blik. Eerst ziet gij niets

dan den duisteren, bijna tien eeuwen langen nacht der middeleeuwen,

zoo vol gruwelen;--te vergeefs tracht gij eenig schemerlicht van

geestesleven te ontdekken;--dikke wolken verduisteren den hemel,

zij rusten op de aarde, het schrikbewind der hierarchie bespiedt

der menschen gangen van zijne geboorte af tot aan den oogenblik van

zijn verscheiden, ja, zelfs zijne gedachten worden gekluisterd;--het

vreesselijkste zedebederf heerscht alom onder alle volken van Europa

en elke natuurlijke ontwikkeling der vermogens, die in hen sluimeren,

wordt zorgvuldig onderdrukt;--rijke kloosters zweven bij duizenden

aan uwe blikken voorbij; de landman legt de vruchten, die hij in

het zweet zijns aanschijns aan de aarde heeft ontwoekerd, aan hunne

poorten neder, en, onder de bescherming des kruises, worden zij door

weelderige monniken en nonnen verbrasd;--processiën trekken voorbij

met reliquienkasten en opgesierde beelden, waaraan goddelijke eer

wordt bewezen, op het aanschouwen waarvan ieder, die zich bewegen

kan, de knieën ootmoedig buigt;--hier hoort gij het aflaatgeld,

betaald voor zonden, die men reeds heeft gedaan of nog zal bedrijven,

in de kisten rammelen, en ginds verneemt men slechts banvloeken in de

stilte van den nacht, welke loodzwaar op een gansch geëxcommuniceerd

of onder interdict gelegd koning- of keizerrijk drukt; zelfs de

lijken der gestorvenen mogen aldaar niet aan den schoot der aarde

worden toevertrouwd;--maar eensklaps wordt de stikdonkere duisternis

door een helder licht vervangen, de hooge hemel is met een rooden

gloed overtogen, flikkerende vlammen verheffen zich boven den

horizon, Auto da Fé's worden gehouden! en--een en dertig duizend

menschen, beschuldigd of slechts verdacht van af te zijn geweken

van het eenig ware geloof der Pausselijke kerk, worden de een na

den anderen, somtijds een half dozijn te gelijk, levend voor uwe

oogen verbrand!--Welk somber gebouw wordt ginds al nader gevoerd,

en welke jammertoonen treffen van daar uw oor?--Het zijn de kerkers,

casa santa, der inquisitie, waar honderden van Joden en Mooren,

die het voorvaderlijk geloof niet wilden afzweren, hunne ketenen

doen rammelen;--uit gindsche zaal stijgt het geklag en gejammer van

onschuldige heksen op, die door de priesters van Christus verdacht

zijn geworden, dat zij met booze geesten in betrekking stonden; zij

worden gefolterd en liggen op de pijnbank, van waar nu hun gekerm,

dat te vergeefs om "erbarming" smeekt, uw oor doorklieft en uw hart

doet bloeden!--en zie hier--een schavot is opgerigt en ge ontwaart

zeven ketters te gelijk, die, beschuldigd van getwijfeld te hebben

aan de Goddelijke roeping des Pausen, door de hand der "heilige

Christelijke beulsknechten" levend worden geradbraakt!--Het panorama

ontrolt zich verder; zal het dan nimmer eenige verblijdende, eenige

lichttooneelen opleveren?--Een koene monnik staat daar te Wittenberg;

hij heeft zijne 95 stellingen in schrift gebragt, aan de slotkerk

aangeplakt en werpt nu de Pausselijke bul, die hem als aartsketter

vervloekt en in den ban doet, in het flikkerende vuur;--maar dit vuur

verbreidt zich in het rond, godsdienstoorlogen ontbranden, steden en

dorpen staan in lichtelaaije vlam en lijken wentelen zich, dertig jaren

lang, in hun bloed voorbij uwe ontstelde blikken!--De heerschzucht van

Rome en van hare knechten, welke op geen ander regt steunt, op geen

anderen grond is gebouwd, dan op gewetensdwang, op geestesnacht en

bijgeloof, heeft nu een strijd op leven en dood aangevangen met het

licht der Hervorming;--de schoonste gewesten van Duitschland worden

verwoest, ontvolkt;--in de Nederlanden neemt een Hertog van Alba het

ambt des beulen waar, onder wiens bijl de hoofden van 18000 bewoners

vallen en in Frankrijk vervullen de gruwelen, gepleegd gedurende den

Bartholomeusnacht, welken gij nu ziet, uw gemoed met afgrijzen; uwe

haren rijzen er van te berge! Maar ginds in Rome staat de "Stedehouder

van Christus"; hij viert een plegtig Te Deum en schrijft een jubileum

uit voor den welgelukten moord van 35000 Hugenooten!--Maar nog is

de schilderij vol jammertooneelen niet geheel ontrold. Zij schijnt

eindeloos te zijn en ontplooit zich voortdurend verder en verder

voor uwe blikken;--in Spanje zet het "heilig officie" zijn woeden

voort;--in Frankrijk verrijzen de Cevennes voor uwe blikken en aldaar

worden 40000 arme Camisards, om den wille van hun Christelijk geloof

(dat niet zuiver Pausselijk was), gehangen, geradbraakt, verbrand!

Eindelijk,--eindelijk schijnt het eenigzins rustiger, lichter te willen

worden op het tooneel waar 't Christelijk treurspel wordt vertoond. In

de plaats van het blind gelooven begint een meer bevruchtend weten te

treden, en de kleuren, welke de schilderij ons nu aanbiedt, worden

allengs zachter. Gij ziet niet meer zoo veel bloed als vroeger het

geval was, geplengd uit godsdiensthaat, bedrog en heerschzucht;--ja, in

plaats daarvan begint het licht der wetenschap allengs overvloediger te

ontwellen aan die onuitputtelijke bron, welke het onderzoek der natuur

daaraan heeft geopend; het werpt nu zijne weldadige stralen--voor

het papendom ware banstralen--meer en meer naar alle zijden heen;

de grenzen tot waar het zich uitstrekt, worden steeds verder vooruit

gedrongen, en het bezigen dier werktuigen, waarvan de hierarchie

zich zoo gaarne bediende tot "bekeering of uitroeijing" van degenen,

die zij "ketters" noemde, 't geen meestal slechts geschiedde uit

gouddorst, uit heersch- of hebzucht, wordt met elken dag meer en

meer onmogelijk;--maar in plaats van hel en vagevuur, in plaats van

interdikt, vergift, dolk, kerker, pijnbank, galg, rad en brandstapel

sluipen nu Jezuïten rond, Jezuïten!--die overal en nergens zijn,

die nu eens in groote menigte als sprinkhanen door de lucht vliegen,

dan weder als mollen stil en eenzaam door den grond heenwroeten,

maar niettemin altijd onvermoeid en in alle landen bezig zijn om

het licht der wetenschap, dat zij niet meer kunnen tegenhouden,

zoodra het eenmaal uitgestort is, in zijne BRON te verstoppen, het

kinderlijk gemoed zoodanig te verstompen, dat het de vatbaarheid

verliest voor de indrukken van waarheid en licht, den geest in de

kiem te verstikken:--zich het onderrigt der jeugd in de handen te

spelen!--Somtijds schijnt het, als ware die algemeene plaag geheel en

al verdwenen; maar, vreesselijke dwaling! Slechts zij, die den naam er

van droegen, zijn heengegaan en duizend anderen, zwart als de raven,

die bij voorkeur op en in de kerken nestelen, zijn achtergebleven;

want Jezuïten in grondstellingen en daden zijn zij allen, ALLEN, die

trouw hebben gezworen aan gindsche zwarte banier, die Galilei dwong

zijne woorden te herroepen en Huss tot den brandstapel veroordeelde.

Zoo beweegt zich het reusachtige cyclorama en wordt het voor uwe

blikken ontrold. De zwaarste, donkerste wolken hebben zich allengs

ontlast; maar niettegenstaande dat alles kondt gij in het jaar 1853

de verzuchtingen nog hooren van twee "ketters", die door de inquisitie

tot levenslange kerkering waren gedoemd!

Openlijk durf ik beweren, dat de Christelijke geloofsleer tot heden

slechts onwetendheid en bijgeloof heeft bevorderd, slechts misleiding

des geestes, tot heersch- en hebzuchtige doeleinden, heeft begunstigd,

niet dan ellende, onheil, godsdiensthaat, oorlog en vervolgingzucht,

met alle gruwelen, waartoe hardvochtige priesters in staat zijn,

heeft gekweekt en dat het licht, hetwelk sedert een of anderhalf

honderd jaar in den nacht van waangeloof en bedrog--doch in verre na

nog niet algemeen genoeg--is begonnen te gloren, zijn oorsprong is

verschuldigd aan de beoefening der natuurlijke wetenschappen.

NACHT. Gij hebt in uwe rede bijna uitsluitend op de Roomsen-Katholieke

kerk gedoeld....

DAG. Eenvoudig hierom: de gevolgen, welke uit het geloof aan wonderen

voortspruiten, laten zich bij haar het duidelijkst waarnemen;

daarenboven bevat zij in haren schoot de groote meerderheid der

Christenen, want met inbegrip der Grieksch-Katholieken telt zij,

volgens de laatste berekeningen, 185 millioen zielen, en de

gezamenlijke Hervormde kerkgenootschappen slechts ongeveer 60 millioen.

NACHT. Maar gij zijt toch niet onbillijk genoeg om de misbruiken en

gruwelen, die gij hebt opgesomd, aan de Christelijke leer te willen

wijten; gij zult toch de schuld van al de jammeren, welke eene

sluwe en gewetenlooze heb- en heerschzucht over de Christenwereld

heeft uitgestort, niet op Hem willen werpen, die de zuiverste

menschenliefde predikte, die om onzentwille den marteldood aan het

kruishout stierf,--namelijk, op Jezus Christus van Nazareth?

DAG. Verre van daar. Hij was ontwijfelbaar een best mensch en zijn

handel en wandel was overeenkomstig met de voorschriften zijner

leer. Indien zijne zedeleer niet opgesierd ware geworden door

zijne aanhangers, jongeren, indien zij bevrijd ware gebleven van de

wijzigingen en veranderingen door de zoogenaamde Apostelen daarin

gemaakt, indien zij niet besmet ware geworden met de misvormingen, met

het geloof aan bovennatuurlijke verschijnselen, zoo als "regtstreeksche

hemelsche oorsprong, hoedanigheid van Gods zoon, opstanding uit

den doode ten derden dage, hemelvaart" en andere wonderen, door

nog latere verzamelaars en afschrijvers daarbij gevoegd, wij zouden

welligt nimmer getuige zijn geweest van de grove verbastering des

Christendoms, van het ontstaan der hierarchie, van de aanbidding

van beelden en heiligen, van de splitsing in zoo vele secten, van de

vervolgingen door de inquisitie, enz. Dewijl echter de Christelijke

leer het geloof aan wonderen, aan het onmogelijke en onnatuurlijke

op den voorgrond stelt, ja, al dadelijk met een wonder en wel het

allergrootste wonder begint, waarop het gansche gebouw steunt en

rust--de "bevruchting door een heiligen geest" en de geboorte eener

"Godheid uit eene sterfelijke vrouw",--zoo kan het Christendom, gelijk

wij het hier voor ons zien, aan de menschheid nimmer geluk of vrede

aanbrengen en wel om deze reden: dewijl reeds de eerste grondslag,

waarop het steunt, valsch is. Want gelooft gij aan één wonder, dan

kunt gij even gemakkelijk honderd, ja, honderd duizend wonderen als

mogelijk aannemen, dan is niets meer onmogelijk. Het eene wonder

brengt het andere voort. Ieder geloovige kiest uit de massa dat

wonder of dogma tot zijn palladium, hetwelk hij het meest gepast

acht voor zijne bijzondere behoeften, of dat het meest overeenkomt

met de mate van geloof, welke hij bezit. Maar dit is eene ware bron

van tweespalt, van splitsing der geloofsleer in verschillende, van

elkander afwijkende meeningen en dit is de eigenlijke oorzaak van

de verdeeling der Kerk in verschillende sekten. Het duurt vervolgens

niet lang of sektegeest wordt in de nu uiteengerukte kerk uitgebroeid,

welke allengs ontaardt in haat, nijd en vervolgingszucht.

Dewijl toch een wonder geene waarheid is en voor de juistheid van een

blind gelooven geen bewijs kan worden gegeven, missen de aanhangers der

godsdienstige secten (belijdenissen) die kalme, rustige gelatenheid

des geestes, welke alleen kan geboren worden uit de overtuiging van

de waarheid, uit een helder inzigt in de natuurwet. Bewijzen, welke

mystieke godgeleerden willen ontleenen uit zoogenaamde "openbaringen

en goddelijke ingevingen", welke mannen uit den Joodschen volksstam

voor meer dan anderhalf duizend jaren moeten gehad hebben en in

de zoogenaamde "heilige schriften" moeten geboekstaafd zijn, deze

zal geen natuuronderzoeker als zoodanig aannemen, want zij zijn

in lijnregte tegenspraak met alles, dat in de groote schepping

Gods leeft en zich beweegt. In de natuur alleen openbaart God zich

aan den mensch. Maar aangeleerde gewoonte, zonder nadenken, is in

staat zelfs de grofste onzinnigheid, de bespottelijkste zotternij,

tot een heiligdom te verheffen, welks vereering aan de gemoederen

eindelijk tot eene behoefte wordt. Het verschil van geloof van dezen

krenkt de ijdelheid van genen, die zich in hunne eigene oogen zoo

gaarne als onfeilbaar beschouwen; hetgeen den eersten heilig is,

komt laatstgenoemden belagchelijk voor, met wier geloof weder andere

den spot drijven en dit moet als de oorzaak worden beschouwd, dat

zij,--in plaats van elkander de bewijzen te toonen waarop hunne leer

is gegrond, in plaats van zich te vereenigen en zich gezamenlijk te

koesteren in de stralen der zon, die voor elk hunner schijnt, doch

die zij uit het oog hebben verloren,--dat zij zich steeds verder

van elkander verwijderen, de bitterste vijandschap tegen elkander

voeden en de hand uitslaan naar de middelen om elkander te dwingen,

ja, te verdelgen! De geschiedenis der laatste 1800 jaren is dáár

om zulks te bewijzen, en nog op den huidigen dag kan men daarvan de

treurigste ondervinding opdoen. Het geloof aan wonderen werd gezaaid,

en het onkruid schoot op als eene duizendhoofdige hydra, waarvan elke

afgehouwen kop telkens op nieuw door een anderen wordt vervangen. Maar

zelfs dan, wanneer de Christelijke leer van al dat onkruid,--het geloof

aan wonderen, aan openbaring, aan de onfeilbaarheid van de uitspraken

des bijbels, en andere dergelijke zaken,--werd gezuiverd, wanneer al

de nadeelige vruchten, welke dit onkruid heeft gedragen, ja, die het

nog voortdurend tot rijpheid doet komen, uit de maatschappij konden

verbannen, weggenomen worden, ook dan nog behoorde het goede deel der

Christelijke leer, hare schoone, verhevene, hare lichtzijde,--ik heb

hierbij het oog op hare zedeleer--van menige overdrijving ontdaan

worden, om eene praktische godsdienst te zijn, die niet slechts in

de kerken geleerd en gepredikt, maar in den waren zin des woords,

in het maatschappelijk leven opgevolgd en betracht zou kunnen worden.

NACHT. Gij spreekt toch niet in ernst? O! ongeloovige Dag; zoudt gij

het wagen, zelfs het verhevenste, datgene hetwelk meer dan al het

overige gedeelte van de leer des Heilands zijn goddelijken oorsprong

verraadt, namelijk, zijne voorschriften omtrent de menschenliefde,

de liefde tot den naaste, zoudt gij ook daartegen te velde trekken

of het als onverdedigbaar willen doen voorkomen?

DAG. Zoo iets komt niet, ja, kan niet in mij opkomen. De liefde tot

onze natuurgenooten, het sympathetische gevoel, dat zich voor het

geluk of ongeluk van anderen van ons meester maakt, het medelijden,

hetwelk wij ondervinden met behoeftigen en lijdenden, de zucht die

zulks bij ons doet ontwaken om te helpen en wel te doen, ik koester

daarvoor de grootste vereering, ik beschouw zulks als de schoonste

bloem in den tuin van ons gemoed geplant, die meer en meer aangekweekt,

uitgebreid en op alle mogelijke wijze verdient te worden veredeld. Ik

zal u echter bewijzen, dat de menschenliefde, gelijk Jezus die leerde

[6] in zijne goedheid buiten maat en perk, waardoor hij anderen alles,

zich zelven niets was, dat deze niet in praktijk kan worden gebragt,

dewijl onze natuur er zich niet naar kan voegen en de persoonlijke

regten, de waarde van het eigene ik, er door worden miskend.

De bijbel leert: "Hebt uwen naaste lief gelijk u zelven." Dat doet

niemand en kan niemand doen, dewijl het volstrekt onmogelijk is. De

aangeboren pligt van zelfbehoud, dwingt ieder om zich zelven iets meer

lief te hebben dan anderen. Om die reden behoorde het voorschrift

aldus vervat te zijn: indien hongersnood u en anderen aangrijnst

en gij kunt u voedsel verschaffen, nuttig er dan zoo veel van als

noodig is om niet van honger te sterven; blijft er dan nog iets over,

geef dit aan de anderen en behoudt het niet voor u zelven; spaar het

uwe niet, wanneer anderen gebrek hebben; help anderen, wanneer gij

u zelven niet in gevaar stelt er door om te komen.

Er staat geschreven: "Hebt uwe vijanden lief, zegent ze, die u

vervloeken, doet wel degenen, die u haten, bidt voor hen, die u geweld

doen en u vervolgen." Dat klinkt alles zeer verheven, goddelijk,

en is welligt ook zeer gepast voor een hemel, waar niet dan engelen

wonen. Als eerlijk man kan ik echter dengene, die niet verbrand of

gekruisigd wil worden, niet aanraden deze leer in de maatschappij,

waarin wij leven, op te volgen.--Zij, die zich priesters "van Christus"

noemen, van de Groot-inquisiteurs af tot op den Bisschop van Freiburg

in 1854, hebben dan ook letterlijk het tegendeel gedaan en op eene regt

meesterlijke wijze vervloekt, geradbraakt en verbrand. De hemel behoede

mij daarvoor, zoo iets raad ik niemand aan; maar om niet vertrapt, niet

naakt uitgeplunderd te worden, neem ik het volgende als grondregel aan:

tracht uwen vijand te overtuigen, dat hij verkeerd heeft gehandeld,

beproef om hem tot inkeer te brengen, hem, zoo mogelijk tot vriend

te maken; gelukt dit niet, laat hem dan de tanden zien, en houd hem

op een eerbiedigen afstand; gaat hij dan nog voort aanslagen tegen

u te smeden, ziet gij u daardoor werkelijk in gevaar gebragt, neem

dan de wapenen ter hand en verdelg hem.

Op eene andere plaats wordt gelezen: "Indien iemand u op de regterwang

slaat, keer hem ook de andere toe." Neen zeg ik; indien gij niet

voor een dwaas, een lafaard of een gek wilt doorgaan, geef hem dan

een ferme klap terug.

De Christelijke leer vordert: het onderdrukken van zinnelijke begeerte,

het bestrijden van vleeschelijke lusten, die zij zondig noemt; gij zult

u losmaken van al wat aardsch is en het vleesch verloochenen, opdat

"uwe onsterfelijke ziel aan God meer gelijk worde, tot den Vader in

den hemel opklimme en de eeuwige zaligheid beërve."--God echter heeft

den mensch, gelijk alle andere levende wezens, tot genot geschapen en

alle organen en systemen des ligchaams met de bewonderenswaardigste

doelmatigheid zoodanig ingerigt, dat niet slechts het nuttigen van

spijs en drank, maar insgelijks elke andere verrigting, waartoe zij

dienen, met een aangenaam, behagelijk gevoel gepaard gaat. Velen

genieten dagelijks en duizendvoudig, zonder daarbij over de weldadige

bedoelingen des Scheppers na te denken, zonder daarvan bewust te zijn;

maar anatomici en physiologen wijzen ons, in de afzonderlijke deelen,

de wet aan, waarnaar zulks is geregeld en plaats heeft.--De Schepper

heeft aan het menschelijk ligchaam bij uitnemendheid, meer dan aan alle

andere schepselen, geschonken schoonheid van vorm, welke aan het oog

behaagt, het hart roert en streelt, en stellig schiep hij het ligchaam

niet in die schoone gedaante, opdat het onopgemerkt zou blijven,

de organen er van rigtte Hij niet in tot genot, opdat de mensch zich

van alle genot zou onthouden!--Het is niet mogelijk het vleesch te

verloochenen. Maar het Christendom eischt verloochening, kastijding des

vleesches, onderdrukking der zinnelijke lusten, eene liefde tot zijn

naaste als tot zich zelven, onbeperkte weldadigheid, mededeeling van

hetgeen men bezit aan hen, die minder met aardsche goederen gezegend

zijn (naar grondstellingen van het echte communismus); het schrijft

voor zijne vijanden te vergeven, voor zijnen beleediger en vervolger

te bidden, hen wel te doen, en wanneer men op de eene wang geslagen

wordt, ook de andere toe te keeren,--al te maal leerstellingen, die

men elken zondag met veel zalving van den kansel in alle kerken hoort

verkondigen, maar die, daar buiten, door niemand kunnen betracht en

uitgeoefend worden. Welke zijn nu de gevolgen, die uit dezen valschen

toestand, uit deze onevenredigheid tusschen godsdienstleer en de

physieke mogelijkheid, de betrachting er van, noodzakelijkerwijze

voortspruiten?--: HUICHELARIJ, SCHIJNHEILIGHEID, welke ondeugden bij

de belijders van niet één geloofstelsel in zulk eene buitengewone

mate en zoo algemeen worden gevonden als bij de Christenen het geval

is. Maar deze schijnheiligheid, dweeperij, huichelarij,--op zich zelf

beschouwd reeds diep te verachten, gelijk alle leugen en bedrog--is een

verdoovend, langzaam werkend vergift, waardoor de mensch zich in zijn

eigen oogen verlaagt, zijn karakter bedorven en de grond wordt gelegd

tot velerlei kwaad in de maatschappij, die daardoor ten deele geheel

ontzedelijkt wordt. Al ware het slechts om den wille der huichelarij,

dat noodzakelijke gevolg van het aankleven der Christelijke leer,

dit alleen zou mij reeds nopen het Christendom, zoo als het thans is,

te verwerpen.

Vergun mij, dat ik u een paar karakteristieke trekken der Christelijke

volkszeden onder de aandacht breng, welke als het gevolg mogen worden

beschouwd van den valschen toestand, waarin de belijders tegenover

deze leer, wat hare betrachting aanbelangt, zijn geplaatst. In vele

oorden van ons vaderland is het, zoo als ge weet, gebruikelijk in de

huisgezinnen een jaar lang over een gestorvene rouw te dragen, zich

een jaar lang van alle gezellige vreugde te onthouden, geen concert

bij te wonen, geen schouwburg te bezoeken en gedurende dien tijd

op geene openbare plaats van vermaak te komen. Gij zult mij toch

wel niet tegenspreken, wanneer ik beweer, dat men zich gedurende

datzelfde jaar in den huisselijken kring, tusschen de vier muren

zijner woning, niet onthoudt van het genot, dat men aldaar smaken

kan; wat is nu die eenjarige rouw anders dan eene gehuichelde rouw,

eene ceremonieuse pralerij met de smart, die men veinst gedurende een

geheel jaar te gevoelen, en al dien tijd schijnheilig in het openbaar

vertoont?--Zoudt gij vermeenen, dat die Javasche vrouw, die ons hare

hut heeft afgestaan en ons heden avond verhaalde, dat haar man acht

dagen geleden door een tijger was opgevreten, geen smart daarover

gevoelt, nu zij met haar kind alleen is overgebleven? Ongetwijfeld

doet zulks haar leed, maar zij kent de Christelijke huichelarij nog

niet. Ja, wat meer zegt, indien die eenjarige rouw werkelijk, d. i.,

in het gevoel bestond, indien het gemoed zóó lang met smart ware

vervuld, ik zou mijne stem met des te meer nadruk er tegen verheffen,

zulks te meer laken, dewijl een dergelijke rouw of smart zou zijn

onverstandig, onnatuurlijk, en schadelijk voor het welzijn en het

geluk zoo der bijzondere huisgezinnen als der geheele maatschappij.

Herinnert gij u nog, dat wij eenige jaren geleden, bij gelegenheid

van onze reis in Europa, eene kermis bezochten in eene der drie

academiesteden van ons land? Wij gingen aldaar in eene tent, waar

behalve gymnastische voorstellingen, als zoo vele bewijzen van de

buitengewone mate van ligchaamskracht en vlugheid, die de mensch door

langdurige oefening in staat is te bereiken, insgelijks zoogenaamde

tableaux vivants werden gegeven. De voorstellingen waren, wat betreft

de groepen, meerendeels ontleend aan de godenleer der Grieken en

Romeinen; wijders had men zich klassieke schilderijen ten voorbeeld

genomen of bootste men antieke standbeelden na, en wij moesten

bekennen dat de keuze der onderwerpen en de wijze, waarop zij werden

voorgesteld, allen lof verdienden. Zoo iets hadden wij op Java nooit

gezien. Alle gemoedsbewegingen, zoowel de teederste aandoeningen van

het hart, als ook de wildste driften, werden door gebaren en houding

op eene voortreffelijke wijze uitgedrukt; het edele, het gracieuse

behaagde ons, en wij vergastten onze blikken op de schoonheid der

vormen van het menschelijk ligchaam. Er kwamen echter zeer weinige

bezoekers. Men zag er geen pastoor, geen dominé, geen professor

in de theologie en vooral geene dames. Men zei den ondernemer,

dat de (zeer Christelijke, zeer pastoors- en dominésgezinde)

L...sche dames den mensch, zoo als God hem levend heeft geschapen,

en zoo als de beeldhouwers van het oude Rome en Griekenland hem uit

marmer beitelden, voor allerwanvoegelijkst, onfatsoenlijkst hielden

en dat de kleermaker komen en hem "fatsoenlijk" moest maken.--De

kleermaker kwam; de bloote tricotkleeding der levende standbeelden

werd met lintjes, doeken en andere gewaden omhangen en--wat gebeurt

er!--de oude goden en godinnen van Griekenland verschenen, geheel

onverwacht, met hoeden, mutsen, sluijers, borstrokken, pantalons,

geduchte schorten! en omslagdoeken om het lijf, tot verrassing van

iedereen, te L....n op het tooneel. Maar ach, o! arme Kr....! hier

kwam een gedeelte van eene naakte knie onder het schort eener Venus

te voorschijn en ginds werd een vleeschkleurigen schouder onder een

opgeslagen tip van den groenen sjaal der Psyche zigtbaar.--"Foei,

foei!" zeiden de Christelijke dames en--gingen heen. De heeren

echter, die een meer antieken smaak hadden, die de levende beelden

van Kr.... vroeger met bewondering gezien hadden, bleven nu insgelijks

weg; want zijden omslagdoeken, japonnen en sluijers konden zij immers

in elken modewinkel, op elk bal in overvloed te zien krijgen en--de

ondernemer was van beide kanten gefopt. Zie, broeder Nacht, dat is het

gevolg van uwe Christelijke leer, die u voorschrijft den ouden Adam,

welke in u is, te desavoueren, het zondige vleesch te verloochenen en

uwe onsterfelijke ziel niet met aardsche lusten te bevlekken, neen,

haar voortdurend te louteren en tot den smaak van de eeuwige zaligheid

te dresseren. Deze leer heeft den goeden, aardschen smaak bedorven en

de menschen tot huichelaars gemaakt, dewijl zij hen heeft geleerd de

oogen af te wenden van dat beeld, hetwelk God als de schoonste bloem

uit het beste gedeelte van het paradijs nam en als zijn meesterstuk

op deze aarde plaatste. Want al diegenen, welke de tableaux vivants

niet wilden zien, kunnen het vleesch toch niet ontberen! zij hebben

toch vijf zinnen even als wij! Maar zij offeren aan deze vijf zinnen

slechts in het geheim, achter de vier- of zesvoudige gordijnen hunner

kamers en, komen zij in de kerk, op straat, op openbare plaatsen,

o! hoe schitteren dan hunne oogen van vrome, schijnheilige zalving,

hoe vloeit de strafpredicatie van hunne lippen, welke alle zinnelijke

lust veroordeelt en gebiedt den zondigen Adam af te leggen (ongeveer

zoo als de slangen zich van hunne huid ontdoen, die echter gedurig

op nieuw weder aangroeit).

Hier doet zich eene belangrijke vraag op, die ik aan alle

menschenvrienden ernstig ter beantwoording vermeen te moeten

aanbevelen: welk kwaad moet in de Christen-maatschappij als de oorzaak

worden beschouwd van die kindermoorden, die zich in ons vaderland

op zulk eene schrikbarende wijze herhalen, dat bijna wekelijks,

jaar in jaar uit, de treurigste berigten daarvan in de couranten

worden medegedeeld?!--Hebt gij gedurende het verloop van meer dan

een tiental jaren wel van een enkelen kindermoord! onder de Javanen

(die geen Christenen zijn) hooren spreken?

NACHT. Het is inderdaad zoo als gij zegt.--Wat nu het overige betreft,

uwe aantijgingen tegen het Christendom zijn zeer talrijk en in

verscheidene opzigten, ik moet zulks bekennen, maar al te gegrond;

anderen zal ik later, zoo ik hoop, bondig wederleggen. Voorshands

zal ik mij hiertoe bepalen, tegenover uwe beschuldigingen nogmaals

die groote waarheid te stellen, die ik reeds vroeger heb aangevoerd,

en waarvan de kracht nog in geenen deele door u is ontzenuwd. Wij

zullen niet teruggaan naar de geschiedenis van vervlogen eeuwen,

maar het oog slaan op den tegenwoordigen tijd. Laat ons de mate

van beschaving, welke bij de Christennatiën thans wordt opgemerkt,

vergelijken met die, welke andere volken des aardbols in dat

opzigt hebben verkregen. Hieruit zal ten duidelijkste blijken,

dat de eerstgenoemden op een veel hoogeren trap van beschaving

staan, en dat in het Christendom, niettegenstaande de dwalingen en

misbruiken, die het oorspronkelijk aankleven, of die in lateren

tijd er zijn ingeslopen, echter iets goeds, groots, buitengewoon

verheffends moet gelegen zijn!--Het is waar, gij hebt dat vroeger

tegengesproken, maar vergeten op eene voldoende wijze aan te toonen

welke andere oorzaken dit verschijnsel zouden hebben te weeg gebragt,

en zoo lang gij daartoe niet in staat zijt, moet ik het Christendom,

in spijt van al de beschuldigingen, welke gij er op hebt geworpen,

blijven beschouwen als den grondslag, als de bron, waaruit de hoogere

Europesche beschaving is voortgevloeid. Gij zult toch wel toestemmen,

dat het thans juist de Christelijke natiën zijn, die zich door hare

beschaving het meest onderscheiden, ja, dat zij, de Christenvolken, de

eenigen zijn, die door hunne intellectuele, industriële en politieke

ontwikkeling boven alle andere volken uitblinken en alle anderen de

wet voorschrijven?!--Dat is toch een onloochenbaar feit!

DAG. Ongetwijfeld. Maar de grondslag daarvan ligt niet in het

Christendom. In tegendeel; ik heb reeds vroeger met een woord gezegd,

dat het Christendom, verre van zulks te bevorderen, daaraan de hand

te leenen, zulks te bespoedigen, die hoogere ontwikkeling heeft

tegengehouden en vertraagd. Wat zeg ik, tegengehouden heeft? Neen,

het Christendom gelijk het thans bestaat,--en hiermede bedoel ik

niet uitsluitend de Pausselijke hierarchie, maar insgelijks alle

andere Christelijke kerkgenootschappen en belijdenissen, die hunne

duistere, geheimzinnige dogma's van het eene geslacht op het andere

overplanten (hoewel deze laatsten minder nadeelig hebben gewerkt dan de

eerstgenoemde),--het Christendom gaat nog op den huidigen dag voort de

vrije, heldere ontwikkeling des geestes te verhinderen of te stremmen,

blijft nog voortdurend de erkenning weêrstreven der eenvoudigste, maar

groote waarheden in de natuur, en dit is zelfs het geval in landen,

die, gelijk Engeland, voor zeer verlicht doorgaan, indien, namelijk,

deze waarheden met het overgeërfde, blinde geloof of met de woorden des

bijbels in strijd zijn. Het zou mij gemakkelijk vallen duizenden van

voorbeelden, uit den tegenwoordigen tijd ontleend, tot staving van mijn

gezegde aan te voeren; dit zal wel niet noodig zijn, dewijl zij u even

goed als mij voor den geest moeten staan. De hoogere beschaving der

Europesche volkstammen is uit eene gansch andere bron voortgevloeid.

Allereerst komt hier in aanmerking het verschil van ras, waartoe de

volken behooren, die den aardbol bewonen. Een groot natuuronderzoeker

heeft, wel is waar, gezegd, dat het niet zeer "verblijdend" mag

worden genoemd te beweren, dat het eene ras, ten opzigte van zijne

werktuigelijke zamenstelling, aanleg en geschiktheid tot ontwikkeling,

boven anderen is bevoorregt; ik stem dit in zoo verre toe, als zij

allen gelijke regten hebben op eene vrije ontwikkeling en beschouw

het bewijs als verwerpelijk, dat door velen ter verdediging van den

slavenhandel aangevoerd en door hen geput wordt uit de meer of minder

volkomene bewerktuiging der verschillende menschentypen; maar van

de andere zijde mag niet worden verzwegen, dat volgens het grondig

onderzoek, gedaan door zeer bekwame en naauwgezette mannen, de vorm

en de bouw van den schedel eens negers en zijne hersenen de blijken

dragen van eene geringere mate van volkomenheid in vergelijking van het

hersengestel dergenen, die tot het Kaukasische ras behooren--en niet

ligt zal door iemand worden ontkend, dat wij Europeërs in dat opzigt

minder stiefmoederlijk door de natuur zijn begiftigd geworden dan de

Papoea's, de oorspronkelijke bewoners van Australië, de Amerikaansche

wilden en anderen, die zonder vreemde hulp bezwaarlijk ooit tot een

hoogeren trap van ontwikkeling zullen geraken dan zij thans hebben

bereikt. Alle volken echter, die de leer van het Christendom belijden,

enkele uitzonderingen hier en daar niet medegerekend, behooren tot

het Kaukasische menschenras.

De hooge trap van beschaving, de bloei der wetenschappen, de

uitbreiding en volmaaktheid aan alle takken van nijverheid gegeven,

gelijk bij deze volken wordt waargenomen, dit alles moet als een

natuurlijk gevolg worden beschouwd van deze drie oorzaken: als de

eerste komt in aanmerking het gunstige, gematigde, noch te warme,

noch te koude klimaat des lands, dat zij bewonen, hetwelk eene

jaarlijksche afwisseling heeft van zomer en winter, van lente en

herfst; eene dergelijke afwisseling oefent een zeer opwekkenden,

verheffenden, bezielenden invloed uit op 's menschen geest;--ten

tweede de geographische ligging van Europa, in welk opzigt het boven

andere werelddeelen verre is bevoorregt, dewijl het, verdeeld in

zoo vele verschillende deelen of leden, doorsneden door uitgestrekte

binnenzeeën, in het bezit zijnde van talrijke, diepe golven en baaijen,

eene veel gunstiger gelegenheid aanbiedt tot ontwikkeling van handel en

scheepvaart als eenig ander land ter wereld, en--ten derde de betere

physieke aanleg van het Kaukasische menschenras ter verkrijging van

geestbeschaving in vergelijking van andere rassen, en welke aanleg

hoofdzakelijk moet worden gezocht in zijne veel grootere hersenen en

zijn volkomener schedelbouw, waardoor het geschikt is geworden om

tot eene veel hoogere intellectuele en industriële ontwikkeling op

te klimmen, dan andere minder volkomen bewerktuigde of verkwijnende

menschenrassen.--Begunstigd door deze drie oorzaken, ging de hoogere

ontwikkeling hand aan hand met de steeds toenemende vermeerdering der

bevolking, welke laatste weldra in overbevolking ontaardde, zoodat de

bewoners voortdurend naar nieuwe middelen van onderhoud moesten omzien,

de bestaande meer en meer verbeteren, en zich eindelijk gedwongen zagen

naar andere oorden heen te trekken, kolonien of nieuwe rijken aan

gene zijde des oceaans te stichten, waar de landverhuizers de reeds

verkregen beschaving overplantten. Diezelfde mate van beschaving zou

echter in het moederland reeds veel vroeger zijn verkregen geworden,

indien het Christendom daarop zijn nadeeligen invloed niet had

uitgeoefend.

NACHT. Uwe wijze van beschouwing kan ik, in al hare deelen, niet de

mijne noemen. Ik wil voor den oogenblik toegeven, dat het Christendom

misvormd, miskend, en door duizenden van menschen is misbruikt geworden

tot het bereiken van oogmerken, die aan het ware doel er van geheel

en al vreemd zijn, waardoor slechts ellende en jammer zijn gebaard;

maar aan de andere zijde moet niet uit het oog worden verloren,

dat er door alle eeuwen heen duizend anderen werden gevonden, die de

leer der menschenliefde in al hare zuiverheid hebben betracht. Dit

moest natuurlijkerwijze een weldadigen invloed uitoefenen op den

toestand der maatschappij in het algemeen. De vroegere ruwheid

van zeden, de barbaarschheid moest langzamerhand plaats maken voor

zachtere wetten; hierdoor moest het gemoed veredeld, de veiligheid

van personen en goederen beter gewaarborgd en de snelle aanwas der

bevolking begunstigd worden, welke laatste, gelijk gij vroeger reeds

en te regt hebt aangemerkt, steeds gepaard gaat met de hoogere vlugt

zoowel der industriële als intellectuele ontwikkeling.

DAG. Zeer zeker. Maar ook des te grooter waren de verwoestingen

door het Christendom op andere tijden en in andere oorden aangerigt,

terwijl er nog mag worden bijgevoegd, dat het allerwege den vooruitgang

tegenhield, dewijl het den geest aan banden legt. In vergelijking

van de nadeelen daardoor ontstaan, is de weldadige invloed,

uitgeoefend door enkele brave en vrome mannen, uiterst gering,

ja, hoogst onbeduidend te heeten.--En deze menschenliefde, deze

belangstelling en hulpvaardige deelneming in het geluk en het ongeluk

van anderen, mag zij inderdaad worden beschouwd als een geschenk, dat

het menschdom is verschuldigd aan het Christendom? Is zij eene deugd,

welke slechts Christenen bezitten? Het is waar, luid en heerlijk is

zij door Jezus van Nazareth ter beoefening aangeprezen,--maar zij

bestaat sedert de mensch deze aarde bewoont; bij alle volken, bij de

belijders der verschillendste godsdiensten, bij Mohammedanen en bij

zoogenaamde Heidenen, bij de beschaafdste en bij de wildste volken,

overal zult gij dit gevoel der menschenliefde ontwaren, hier in een

ruwen, ginds in een meer veredelden toestand, nu eens vlekkeloos, dan

weder onzuiver, ja, zelfs door hartstogten en vooroordeelen tijdelijk

geheel verstikt,--maar overal, werwaarts gij u ook mogt begeven, in

alle deelen der aarde zult gij het wedervinden en gij zult bemerken,

dat de beste menschen diegenen zijn, welke de menschenliefde van

niemand geleerd hebben, die de deugd beoefenen, zonder haren naam te

kennen. Hebt gij er niet heden avond nog het bewijs van gezien, hier

onder de bewoners dezer armoedige hutten, die toch geene Christenen

zijn? Het is zoo waar niet noodig, dat een profeet, een godsgezant,

op aarde wordt gezonden om ons het onderscheid tusschen het goede en

het kwade, de liefde tot onze natuurgenooten te leeren, want reeds

bij de schepping des menschen werd de kiem van dit gevoel door den

Almagtigen zelven in 's menschen borst geplant.

Wie leerde aan de bij het bouwen harer cel? Wie schonk het

bewonderenswaardig instinct aan de spin, die zulk een kunstig weefsel

vormt? Wie boezemde het dier de liefde in voor zijne jongen? werd hun

dit, even als de liefde tot den naaste aan ons menschen, niet bij hunne

schepping toebedeeld?--in wiens borst echter heeft zich het gevoel van

menschenliefde, van medelijden, ooit in geringere mate geopenbaard,

dan juist in de borst dier priesters des Christendoms, die de leer van

Jezus predikten, maar godsdienst- en verdelgingsoorlogen aanstookten

en honderd duizenden hunner medemenschen op de pijnbank folterden,

naar galg en rad verwezen of levend in de vlammen van den brandstapel

wierpen, dewijl--deze honderd duizenden niet blindelings wilden of

konden gelooven, hetgeen heersch- en hebzucht hadden voorschreven.

NACHT. De gruwelen dier dagen zijn lang voorbij. Verlies toch het goede

niet uit het oog, dat de tegenwoordige tijd ons oplevert. Moet men niet

erkennen, dat de Christelijke zedeleer, zelfs dan wanneer zij niet

naar de letter kan worden betracht, een weldadigen invloed uitoefent

op het karakter der menschen, hen veredelt en deugdzamer maakt?--Ga

eens na welk een groot aantal hospitalen en andere gestichten zijn

daargesteld, alwaar onvermogenden kosteloos worden verpleegd, hoe vele

genootschappen ter ondersteuning van hulpbehoevenden zijn opgerigt,

als vondelingshuizen, armhuizen, weeshuizen, enz., denk toch aan onze

Hollandsche hofjes,--in een woord, aan de menigte inrigtingen van

weldadigheid, die tegenwoordig in alle groote en kleine steden van

het Christelijk Europa worden gevonden. Zijn zij allen niet vruchten

van den boom der Christelijke liefde?

DAG. Zeg dan liever menschenliefde. Ik geloof echter niet, dat

loutere menschenliefde in staat zou geweest zijn, al die inrigtingen

van weldadigheid en hulpbetoon tot stand te brengen, waarvan gij

melding hebt gemaakt ter verheerlijking van het Christendom, ware

het niet, dat de ijzeren noodzakelijkheid allengs luider aan de deur

had geklopt. Zij zijn niet anders dan een gevolg der overbevolking

en van het pauperismus. De regeringen, even als de vermogenden des

lands, hebben den zin der vraag begrepen, die zij moeten helpen

beantwoorden. Het aantal der armen en broodeloozen is thans legio

in elk land van Europa. Willen de rijken zich zelven niet laten

verslinden door degenen, die honger lijden, dan moeten zij hun iets

anders te eten geven en hen verzorgen.--Wat nu betreft de veredeling

des menschen door de Christelijke zedeleer, gij hebt toch even als ik

in groote Indische steden verkeerd, onder wier inwoners bijna alle

volken der aarde en de belijders van alle mogelijke godsdiensten,

Joden en Mohammedanen even goed als alle soorten van Christenen en

zoogenaamde Heidenen, vertegenwoordigd zijn en gij zult insgelijks

hebben bespeurd, dat het geloof dier verschillende volken niet den

geringsten invloed uitoefende op hun praktisch leven en handelen;

wijders dat onder een gelijk aantal Christenen even vele slechte

menschen werden gevonden als onder de overigen, ja, dat de zedelijk

goeden onder genen, betrekkelijkerwijze gesproken, zeer dikwijls

geringer in aantal waren dan bij deze, dewijl zij, in spijt van

hunne Christelijke zedeleer, hunne meerdere Europesche beschaving

en geestkracht op den duur slechts spitsten met het oogmerk om de

anderen te benadeelen, te bedriegen en het meest mogelijke voordeel

van hen te behalen.

NACHT. Hoedanig ik over uwe anti-christelijke beschouwingen oordeel,

zal ik u later mededeelen; ik wensch zulks uit te stellen, totdat

wij onze reis door Java afgelegd en vermogende, zoowel als behoeftige

inlanders zullen bezocht hebben. Alsdan zal ik meer ervaring hebben

opgedaan en beter in staat zijn om eene vergelijking te maken tusschen

de inboorlingen van dit eiland en de Christenen in Europa.--Maar

zeg mij eens, indien gij volstrekt niet gelooft noch aan wonderen,

noch aan eene hoogere openbaring in den innerlijken mensch, dan kunt

gij immers ook geene bevrediging, geen troost vinden in de beloften,

vervat in den bijbel waarop, als zijnde Gods heilig woord, zoo vele

millioenen menschen hunne hoop bouwen en--hoe verklaart gij dan den

oorsprong der wereld en de verschijnselen in de natuur?

DAG. De bijbel bevat menig schoon verhaal, voortreffelijke zedelessen,

waarvan de lezing niet slechts aangenaam, maar tevens nuttig is. Hij

is echter zoodanig doorspekt met dwaalbegrippen en sprookjes, dat

het hoogst gevaarlijk is den bijbel als iets anders te beschouwen,

dan als een boek, geschreven door zwakke, feilbare menschen, of

hem te willen doen doorgaan als het "onmiddellijk woord van God,"

als eene "uit den Hoogen ingegevene heilige schrift der Apostelen

van Christus."--Gij weet even goed als ik, dat bij de geschied- en

taalkundigen groot verschil van gevoelen bestaat omtrent den oorsprong

van het Nieuwe Testament, zoomede omtrent den tijd, waarin het is te

boek gesteld. Volgens sommigen zou het door de zoogenaamde Apostelen

zelven (kort na den dood van Jezus) zijn vervaardigd geworden en

derhalve moeten gebragt worden tot de eerste helft der eerste eeuw

onzer tijdrekening. Volgens andere en meer grondig ervarene critici

daarentegen kan het eerst anderhalf honderd jaar na Christus, in den

vorm gelijk wij het kennen, zijn te boek gesteld door schrijvers, wier

namen onbekend zijn, die verscheidene overleveringen en lessen, welke

destijds in den mond des volks nog levendig waren gebleven, op die

wijze trachtten te bewaren; gij weet het, de meest onbevooroordeelde,

de onpartijdigste onderzoekers der schrift zijn het, die tot dit

laatstgenoemde resultaat zijn gekomen. In nog lateren tijd werden

de verschillende gedeelten en brieven bijeengevoegd tot dat geheel,

hetwelk wij gewoon zijn het Nieuwe Testament te noemen. Het is derhalve

niet eens mogelijk, om uit te maken of Jezus van Nazareth, al hetgeen

in dit Nieuwe Testament staat, werkelijk geleerd en verhaald heeft

en of hij het zoo, gelijk daar gelezen wordt, heeft gesproken.

Hoe onverstandig is het nu niet gehandeld, indien men, gelijk vele

godgeleerden ("Christelijke schriftgeleerden en pharizeën") doen,

indien men groote waarheden der natuur wil bestrijden met de woorden

van dezen bijbel, die te boek is gesteld naar volksverhalen en zulks

in een tijd, toen nog geen Kopernicus en Galileï, nog geen Newton

en Francklin geleefd hadden, toen nog geene enkele der gewigtige

sterrekundige en physiek-chemische ontdekkingen was gedaan, waaraan

onze eeuw haar licht, hare hooge vlugt moet dank wijten,--in een

tijd toen men de magnetische kracht, de electriciteit niet kende,

niet wist wat de bliksem was; toen men nog waande, dat de aarde in

het hemelruim stil stond, en men zon, maan, benevens alle sterren,

nog dagelijks om dezen kleinen aardbol liet ronddraaijen!--Waren de

verschillende gedeelten des bijbels naar hoogere ingeving ter neder

gesteld geworden, dan zou men toch billijkerwijze mogen verwachten,

dat hier of daar eene natuurkundige waarheid, eene juiste verklaring

van verschijnselen in de natuur er in werd aangetroffen; zoowel in

het Oude als in het Nieuwe Testament zult gij niet alleen te vergeefs

er naar zoeken, maar allerwege het tegendeel vinden.

Er is slechts eene openbaring, en dat is de natuur; slechts eene

waarheid, namelijk die, welke geput wordt uit de grondige studie

dezer natuur, het werk des grooten Scheppers. Al hetgeen in het

heelal bestaat, laat zich op eene natuurlijke wijze verklaren uit

de krachten en eeuwige wetten, welke de mensch mag leeren kennen

en navorschen in de wijze, waarop zij zich openbaren, en in de

werkingen die zij uitoefenen. Dit geldt ten opzigte van alle boven-

en ondermaansche verschijnselen, eene enkele uitgezonderd:--het

innerlijke wezen, de drijfveer in de natuur, de geest, die haar

bezielt, benevens de millioenen van verschillende gestalten,

waaronder zij zich voordoet. Deze drijfveer te begrijpen en te

verklaren is mij niet mogelijk; dat zij echter bestaat, dit gevoel

ik elken oogenblik, want in alles, wat ik onderzoek, in planten, in

steenen, in de verschijnselen des dampkrings, daar ginds boven mij

in den sterrenhemel, gelijk hier beneden op de aarde, in den mensch

gelijk in het kleinste insekt, overal neem ik waar doelmatigheid,

alwijsheid en bespeur ik, dat het doeleinde, waartoe alle levende

wezens zijn geschapen, is: genot en geluk. Al moge het mij nu niet

gegeven zijn dit wezen der natuur, dezen geest, uit wien alles is, die

alles onderhoudt, te bevatten,--ik gevoel zijn aanwezen, ik gevoel,

dat hij is alwijs, algoed, en in hope, in vertrouwen, in vereering

en in aanbidding noem ik hem--God.

Gelijk de belijders der leer van Mohammed zeggen: "er is geen God

dan God", zoo zeg ik: er is geen wonder dan Hij. Want terwijl alles

bestaat en zich beweegt naar wetten, terwijl alles uit wetten kan

worden verklaard, waarvan nog nimmer, sedert duizenden van jaren,

sedert de mensch die wetten navorscht, het geringste uit zijne baan

is afgeweken, zoo poogt onze geest te vergeefs om Hem te begrijpen,

die voor ons verstand onbegrijpelijk is, dewijl ook wij een deel

uitmaken van hetgeen door hem is geschapen. Gij zult mij gereedelijk

moeten toestemmen, dat gij met al uwe godgeleerde kennis niet meer

er van begrijpt dan ik, en dat van den anderen kant de goede Javanen

er juist even veel van weten als wij beide, maar ook niets minder;

want ook zij en zelfs die, welke niet tot de Mohammedanen behooren

of dit slechts in naam zijn, gelooven aan God en aan dien naam

verbinden zij, even als wij, diezelfde eigenschappen van alwijsheid

en algoedheid. Dit geloof behoort, even als het gevoel van liefde tot

den naaste, onafscheidbaar tot den mensch; bij zijne schepping werd

hem dit ingeplant, en de zoogenaamde profeten, die van tijd tot tijd

dit geloof luidruchtiger dan gewoonlijk hebben verkondigd, hebben

het uit geene andere bron geput. Bij de onbeschaafdste, de ruwste,

in een woord, bij alle volken, bestaat het geloof aan een hoogsten

geest, aan een almagtigen Schepper aller dingen.

NACHT. Maar bij de meeste wilde volken is het begrip van God zoo

onduidelijk, zoo onbepaald,--de zwakke lichtstraal des geloofs aan

een hoogsten geest is bij hen achter zoo vele bijgeloovigheden,

vooroordeelen en geheimzinnige gebruiken verborgen, de eenig ware

God wordt bij deze volken, wanneer zij hem al kennen, door zulk eene

groote menigte ondergeschikte geesten, Sétan's, Dewa's, Begoe's, enz.,

enz., waaraan zij gelooven, op den achtergrond gesteld, als het ware

verdrongen, dat er menigwerf ter naauwernood nog slechts een flaauw

spoor van te ontdekken is?!

DAG. Broeder Nacht, ik zal u bewijzen, dat het met het geloof aan

den eenigen waren God in vele landen van het beschaafd Europa,--te

midden der allerchristelijkste staten,--niet veel beter gesteld is,

dan bij de bewoners der Batta-landen en andere wilde of schijnbaar

wilde volken, waarop gij zinspeelt. Verre van mij is het denkbeeld

verwijderd om iemand in zijne aangeleerde vooroordeelen, die hem

welligt tot gewoonte, tot behoefte zijn geworden, te willen krenken;

ik gevoel daartoe even weinig roeping als tot proselietenmakerij. Maar

in een land gelijk het onze, waar vrijheid van godsdienst bestaat,

waar alle geloofsbelijdenissen gelijkelijk worden toegelaten en aan

geene kerk eenig voorregt boven eene andere is geschonken, durf ook ik

voor mijne overtuiging vrijelijk uitkomen en openlijk belijdenis van

mijn geloof afleggen, zelfs indien ik de eenige aanhanger er van ware.

Ik ben noch Jesuit, noch Heiden, noch Jood, noch Mohammedaan,

noch Calvijnsch, Luthersch, Gereformeerd, Grieksch-, Roomsch- of

Duitsch Katholiek, Armenisch, Arminiaansch, Independent, Puriteinsch,

Anglikaansch, Koptisch, Mormonisch, Mährisch, Wederdoopend, Kwakend

of Afgescheiden Christen, maar behoor tot de hooggewelfde kerk,

waarvan het dak met sterren is bezaaid, tot de kerk der regtzinnige

natuurkundigen, die GOD aanbidden, die Hem in zijne werken en in de

krachten, welke hij daarin heeft gelegd, erkennen en bewonderen.

Dezen God kan ik in uwe Christelijke kerken niet vinden, waar Hij

of door anderen verdrongen of zoodanig vermomd is, dat Hij bijna

onkenbaar is geworden. Bezoek eens eene dergelijke echt Roomsche

kerk. Wat aanschouwt gij daar?--Op den achtergrond ziet gij een

kolossaal kruis met de beeldtenis des martelaars van Nazareth;

de priester, die er voor staat, offert wierook, maakt zonderlinge

gebaren en mompelt onverstaanbare latijnsche woorden; ter zijde van hem

liggen biddende personen voor rijk versierde Mariabeelden geknield;

ginds worden met klatergoud opgeschikte beeldtenissen van heiligen

aangebeden en hier, in den biechtstoel, heeft een zondige mensch

zich nedergezet op den troon van God, om (tegen betaling)--bedreven

zonden te vergeven! En wanneer er gepredikt wordt, wat verneemt

gij dan? Herhaaldelijk en menigwerf zullen de woorden: Verlosser,

Zaligmaker, Heiland, Jezus Christus, Gods zoon, Heilige geest, Heilige

moeder, Maria, Heilige christelijke kerk uw oor treffen; de namen

van de kerkvaderen en van eene talrijke schaar van heiligen zullen

u menigmaal te gemoet klinken; er zal gesproken worden van zonden,

heilige biecht, aflaat en vagevuur,--maar van God, den alwijzen,

algoeden, die de heerlijke natuur heeft geschapen, waaraan hij leven

gaf en geeft, van Hem zult gij daar niet veel te zien of te hooren

krijgen, naauwelijks iets meer dan bij de Battaërs, Alfoerezen en

Timorezen, die afgodendienaars worden genoemd, en stellig minder dan

in de tempels der Mohammedanen, alwaar, gelijk in de Mesigit's op Java,

den eenigen Toean-Allah wordt aangeroepen.

En deze godsdienst wilt gij invoeren op Java, onder deze goede

menschen, die nog met geen geloofswaan zijn besmet?

NACHT. Reeds vroeger heb ik u gezegd, dat ik, wel is waar, insgelijks

in het Katholieke geloof ben opgevoed, maar, even min als gij,

mijn gemoed gesloten heb gehouden voor beter licht, in tegendeel

steeds geneigd ben geweest deugdelijke, gezonde bewijsredenen aan

te hooren. Daar gij het gezuiverde, door de Hervorming gelouterde

Christendom reeds vroeger hebt afgekeurd, wil ik van het overige niet

spreken en bovendien mijn oordeel over de vraag nopens de invoering

des Christendoms onder de Javanen opschorten tot tijd en wijle dat

wij onze reize door Java hebben afgelegd. Welke overtuiging ik alsdan

daaromtrent ook zal mogen koesteren, dit staat bij mij vast, dat ik

het nimmer zou durven wagen, dergelijke beschouwingen als de uwe,

omtrent de Christelijke leer en kerk, althans niet in Europa, openlijk

te verkondigen.--Zij zouden ons in den ban doen, excommuniceren!

DAG. Laten zij het doen. Gij behoeft niet in hunne kerken te gaan,

waar van den waren God toch niet veel te vinden is. Van hen behoeft gij

geen troost te ontvangen.--Wanneer gij het oog hemelwaarts heft, van

waar de zon, de maan en duizende sterren als eene eeuwige openbaring

u te gemoet schitteren, en gij met de hand op het hart zeggen kunt:

God, Alwijze, Algoede, in u geloof ik, u vereer ik, u erken ik in

de bewonderenswaardige werken door u voortgebragt, die allen liefde

ademen, die allen de grootste doelmatigheid en eeuwige bewaring

verkondigen; vol ootmoed en lijdzaamheid onderwerp ik mij aan het

lot, dat gij in uwe onnaspeurlijke wijsheid voor mij hebt weggelegd;

ik heb afschuw van het kwade, ik vereer en betracht de deugd; ik heb

mijnen naaste lief en doe wel aan den arme en den lijdende, zooveel

in mijn vermogen is,--dan bezit gij de ware godsdienst, dan hebt gij

hunne kerken niet noodig, behoeft hunnen banvloek niet te duchten;

dan kunt gij getroost slapen gaan en met een gerust gemoed weder

opstaan van uwe legerstede, want God is met u. De waarheid, het regt,

hebt gij aan uwe zijde, en het bewustzijn hiervan zal u sterk maken

tegen alle wederpartijders.

NACHT. Hetgeen gij daar zegt, heb ik menigwerf gedacht en gevoeld. De

vrees echter, die ik koester om mij openlijk te verklaren tegen de

leerbegrippen der gevestigde kerk, kunt gij niet weg redeneren. Ik kan

dit niet zoo ligt tillen als gij. Hierop zal ik welligt later nogmaals

terugkomen. Maar nu wenschte ik wel van u te vernemen,--dewijl gij

de invoering van het Christendom op Java zoo ten eenen male afkeurt:

wat wilt gij dan de Javanen leeren? of wenscht gij, dat zij, zonder

eenig onderrigt, blijven zoo als zij zijn?

DAG. Het is beter, dat zij blijven, 't geen zij zijn, dan dat er

Christenen van hen worden gemaakt. Mijne bedoeling is echter niet,

om hen te laten blijven, zoo als zij thans zijn. Alvorens ik u mijne

denkbeelden mededeel omtrent de wijze, waarop de Javanen behooren

onderwezen te worden, wil ik nogmaals met korte woorden herhalen,

hetgeen vroeger door mij is aangevoerd, en hetgeen ik ten allen tijde

bereid ben uitvoeriger en grondiger te bewijzen, namelijk: 1o. dat de

hoogere trap van maatschappelijke ontwikkeling der Christenvolken, niet

het gevolg is der geloofsleer, welke zij belijden, maar in tegendeel

dat het Christendom die beschaving en verlichting gedurende eeuwen

heeft tegengewerkt, gelijk het ook thans nog vijandig daar tegenover

staat;--2o. dat die hoogere beschaving is uitgegaan van de beoefening

der natuurlijke wetenschappen, welke langzamerhand licht en kennis in

den langen nacht van het Christendom verbreidden, en dat de hoogere

vlugt dezer wetenschappen zijn grondslag heeft in de oorspronkelijk

grootere geschiktheid, welke de volken van het Kaukasische ras voor

geestesontwikkeling bezitten, in hun meer volkomen hersengestel en in

hunnen beteren physieken aanleg in het algemeen, waarbij vooral niet

over het hoofd mag worden gezien de opwekkende invloed, uitgeoefend

door het gematigde luchtgestel en de bij uitnemendheid gunstige

geographische ligging;--3o. dat het Christendom de menschheid geen

duurzaam geluk, geen vrede kan aanbrengen, dewijl het, verre van

waarheid en licht te verspreiden, slechts bijgeloof, het geloof aan

wonderen aankweekt;--4o. dat zelfs de lichtzijde van het Christendom,

de leer der zelfverloochening, de onbegrensde liefde tot den naaste,

de bestrijding der vleeschelijke lusten, de onthouding van aardsch

genot--in die mate als dit wordt geleerd, niet betracht kan worden,

wijl zulks in strijd is met de natuur en derhalve gemeenlijk slechts

huichelarij en schijnheiligheid doet rijpen;--5o. dat het geloof

aan eenen grooten, algoeden God alreeds in het gemoed der Javanen

levendig is;--en 6o. dat zij menschenliefde bezitten en beoefenen,

ja, beter en met zuiverder bedoelingen beoefenen dan duizenden dier

Christenpriesters in Europa gedaan hebben.

De Christelijke geloofsleer kan den Javanen derhalve geene waarheid

leeren, die zij niet reeds kennen, niets goeds geven, dat zij niet

reeds bezitten. En nu vraag ik: waarom wilt gij het Christendom

invoeren onder deze goede, nog onbedorven menschen?--Wilt gij tweedragt

onder hen zaaijen, het onvermijdelijk gevolg eener godsdienst,

welke met het geloof aan een wonder aanvangt en met wonderen eindigt;

wilt gij sektengeest en godsdiensthaat met uwe bijbels onder hen doen

opschieten? hen rondom een kruisbeeld verzamelen, om aldaar over het

onbegrijpelijke te redetwisten en zich met haarkloverijen bezig te

houden over dogmatische spitsvindigheden?--Wilt gij hen dan volstrekt

onverdraagzaam maken? hen met geweld uit hunne vreedzame hutten,

velden en plantaadjen drijven en getuige zijn, dat zij Patjol en Gòlok

wegwerpen en, aangetast door een waanzinnig geloof, ijlend heenstroomen

naar razende kerkvergaderingen,--opdat onder dezen zoo gelukkigen,

Oost-Indischen hemel het eerste bedrijf van gindsche geschiedenis

des Christendoms op nieuw worde aangevangen,--opdat hier op Java

dat bloedige schouwspel van voor af aan nog eens ten tooneele worde

gevoerd, waarvan het laatste reeds sedert lang voorbereide bedrijf

in Europa nog niet vertoond is geworden?

Ik smeek u, geef hun om hunnentwil, om den wille van u zelven,

niet dergelijk geschenk! Laat hen argeloos gelijk zij zijn, of, wilt

gij hen nog gelukkiger maken, wijd dan uwe krachten ter aankweeking

der natuurlijke godsdienst, waarvan de kiem, bij dezen reeds meer,

bij genen minder ontwikkeld, in hun binnenste aanwezig is; leer

hen God den eenigen bewonderen in zijne werken als den Schepper

en onderhouder der natuur, die met onwankelbare trouw elken morgen

de gulden zon over hunne hoofden doet opgaan en den verkwikkenden

regen doet neêrstroomen op hunne velden; vestig hunne aandacht op de

innerlijke doelmatigheid en schoonheid der voorwerpen in de natuur,

maar bovenal leer hen, dat de bron van alle geluk en vrede uit

hen zelven moet opwellen,--dat zij de goddelijke kiem, die in hen

ligt, de liefde tot hunnen medemensen en tot de deugd, in den waren

(niet Christelijk overdreven, schijnheiligen) zin aankweeken en als

hun schoonste erfdeel moeten beschouwen,--maar, kwel hen niet met

evangeliën en dogma's, hoe één is drie en drie is één, met de leer

van gemeenschap en transsubstantiatie; verschoon hen van hostiën,

wierookvaten en andere dergelijke "heilige" gereedschappen; voer de

biecht, de mis, het avondmaal en het vagevuur! niet over naar Java

(waar het buitendien reeds heet genoeg is);--laat toch den priesterrok

weg en alles wat naar kerkelucht riekt, en plant, om Gods wil,

het schrikkelijke--kruis! niet op hunne vreedzame bergen,--verspreid

geene wondersproken, geene bijbels onder hen!--want dergelijk zaad zou

onvermijdelijk, hetzij vroeger of later, een monster doen opwassen,

dat zijne woede tegen zich zelven zou keeren en u allen zou verslinden.

Ik mag de Javanen gaarne lijden. Hetgeen mij de meeste geruststelling

omtrent hun toekomstig lot inboezemt, is de overtuiging, die bij

mij levendig is, dat het niet zulk eene gemakkelijke zaak zijn zal de

Christelijke geloofsleer onder hen in te voeren.--Het verlossingsproces

des menschen van de zonden en de verzoening met God door het zenden

en opofferen "van den levenden God, zijnen zoon, dien Maria van den

Heiligen geest heeft ontvangen" (!) of, gelijk anderen zeggen van den

"Godmensch, der verpersoonlijkte, levende, in den heiligen geest door

het geloof bewerkstelligde oplossing van het menschelijk denken,

gevoelen, willen en handelen in God," (!) enz., de opstandings- en

hemelvaartsgeschiedenis, de transsubstantiatie-hypothesen en dergelijke

fraaijigheden meer,--dit alles hebben de meest ervaren, diepzinnigste

godgeleerden in Europa nimmer kunnen begrijpen, om welke reden zij

het juist gelooven (dat is, hun verstand tegen wil en dank opdringen)

moesten; het eenvoudige gezond verstand der Javanen zal het nog veel

minder begrijpen; op het vernemen van dergelijke leerstellingen, zullen

zij elkander verwonderd aanzien en het hoofd schudden. Stel voor den

oogenblik, dat het u gelukt zij den Javanen dit geloof op te dringen,

wat zult gij daarmede gewonnen hebben?--Vroeger heb ik de tallooze

en schrikbarende onheilen opgeteld, welke dit geloof aan Europa heeft

berokkend. Het geringste van al die onheilen was, dat het de menschen

tot schijnheiligen en huichelaars maakte. Maar daarbij zou het op Java

niet blijven. De inlander is gehecht aan het oude, aan de Adat, en in

vele deelen en residentiën van het eiland oefenen de Mohammedaansche

priesters een grooten invloed uit. Gij zoudt derhalve hoogstens een

gedeelte van het volk tot het Christendom kunnen bekeeren; anderen

zouden Mohammedanen blijven--en daardoor zoudt gij al dadelijk en

van den aanvang af op dit schoone eiland de van onheile zwangere

tweedragt gezaaid en de kloof tusschen andersdenkenden gedolven hebben,

die zich allengs verwijdt en met haat gevuld wordt,--daargelaten de

kiem van oneenigheid, welke de Christelijke leer (gelijk elke leer,

die het geloof aan wonderen voorschrijft) in zich zelve bevat.

NACHT. Mag er niet worden gezegd, dat de vrees, welke gij koestert voor

de gevolgen van de invoering van het Christendom, van het geloof aan

wonderen, gelijk gij het noemt, onwillekeurig aanleiding bij u geeft

tot eenige overdrijving? Hoe zou het mogelijk zijn, dat onder deze

zoo goede, zoo zachtmoedige menschen tweedragt zou kunnen ontstaan

om den wille van geloofsbegrippen, of dat zij zelfs in staat zouden

zijn daarom krijg te voeren?--Zij zijn zoo waar de lijdzaamheid en

gehoorzaamheid, ja, de vredelievendheid in eigen persoon?

DAG. Och, broeder Nacht, ik zie wel, dat gij dit volk nog niet

kent. Gij zult het echter leeren kennen, indien gij mij als reisgenoot

wilt blijven vergezellen op mijnen togt over bergen en dalen en door de

lagchende vlakten, die zij bewonen, indien gij mij wilt volgen in de

eenzame hutten der berg- en woudbewoners en in de weelderige Dalam's

en Kraton's hunner hoofden en vorsten. Beproef het eens om eenige

van de Javanen, die in dergelijke eenzame gehuchten wonen als dat,

waarin wij ons thans bevinden, waar geen reeds gevestigde invloed van

Priesters u daarbij den weg kan bemoeijelijken, beproef het eens om

hen in de Christelijke geloofsleer te onderwijzen en--geef acht op

de uitwerking, die het zal hebben. Ik zou mij ten zeerste bedriegen,

indien gij, voor wij onze reis door de binnenlanden hebben afgelegd,

niet radicaal van uwe bekeeringszucht zult genezen zijn. Op gelijke

wijze zal het gaan met uwe theorie van niet-gedwongen arbeid, van het

volkomen vrijlaten van den arbeid bij den inlander, waar omtrent gij

reeds op den huidigen dag eene niet onaardige ervaring, hoewel nog

slechts zeer in het klein, hebt opgedaan!

Geloof mij, de Javanen bezitten eene uitmuntende geschiktheid tot

velerlei zaken en een voortreffelijken aanleg voor alle kunsten en

handwerken, maar dit alles is nog in de kiem; zij beminnen den vrede en

de rust des geestes. Maar in hunne borst smeult tevens de vonk, die de

hevigste hartstogten kan doen ontbranden. Hoe geringer de zedelijke en

intellectuele ontwikkeling van een volk is, hoe minder het zich door

beschaving boven den oorspronkelijken, eenvoudigen natuurstaat heeft

verheven, des te gevaarlijker zijn zijne hartstogten, wanneer zij

ontvlammen. Wacht u daarvoor--zie toe, dat gij den slapenden leeuw

niet wekt. Denk aan het Amok en de woede, die zich van hen meester

maakt, wanneer zij later inzien, dat zij op eene listige wijze zijn

bedrogen geworden. Verschoon hen van het Christendom. Geef hun geen

dergelijk gebak te eten, dat even als Koewé koewé, met Ketjoeboeng

aangemaakt, aanvankelijk zoet van smaak is, maar waarvan zij later

beginnen te razen, hoofdpijn krijgen en eindelijk bespeuren, dat

zij vergiftigd zijn. Want geschiedt dit te eeniger tijd, dan zullen

zij zich wreken, zij zullen opstaan, bij duizenden! Amok loopen en u

allen verjagen. Zeer te regt zingt het Lied van de Klok:--"jedoch das

Schrecklichste der Schrecken, das ist der Mensch in seinem Wahn!". [7]

NACHT. Nog nimmer heb ik hen door drift vervoerd gezien en zou......

Licht- en schaduwbeelden uit de Binnenlanden van Java · 第 5 / 21 题