[160] In dezelfde geest en analoog aan het reeds gewraakte

„gezichtsbedrog” spreekt ook een Dietzgen van „trügerische Erscheinung”

(Das Wesen der menschlichen Kopfarbeit, p. 44).

[161] „Als men daarin geen zelfweerspreking bespeurt dan is men bot in

het opmerken van zoo iets” zegt Coll. Log. p. 70/1 te dezer zake

aangaande Kant! Zulk soort botte zelfweerspreking echter is niets voor

Kant, maar is juist goed genoeg voor.... Prof. Bolland („Spreuken”,

100): „Niets is waar op zichzelf—en dat is nu op zichzelf het ware.”

[162] Voor de 2e druk telle men bij bovenvermelde, reeds afgedrukte,

paginacijfers ± 42 op.—In zijn zielig hervat gesputter tegen Heymans

(bl. 40 vv.) toont Prof. Bolland weer eens (even als in de minne noot

bij bl. 943 van zijn Uitg. v. Hegel’s Gesch. d. Philos.—een typiese

uiting van „gehässige Dummheit”, s. v. v. bollandico) niet alleen

(Heymans’) empirie niet eens kennistheoreties te kunnen onderscheiden

van..... (door Heymans weerlegd) empirisme (Heymans „moet”

derhalve—synth. oordeel a priori van Prof. Bolland!—„een blind en

verblindend leidsman blijken”!), maar zelfs diep genoeg beneden begrip

van Heymans te blijven, om hem de averechtse domheid toe te dichten

(bl. 44), beweging tot prius van de ruimte te maken door „het zoeken

van een verklaringsbeginsel voor de ruimte in de beweging” (sic!).

Zóveel begrijpt deze albegrijper, deze voorlichter en albediller, van

de ruimte als vorm van de bewegingszin en van een denker als Heymans!

Maar mij dunkt, zó oppervlakkig en onnozel zou Prof. Bolland’s oordeel

toch niet hoeven te zijn bij minder vluchtigheid en vooringenomenheid.

Hij leest te veel en te weinig; hoe meer hij leest, des te minder leest

hij; en zulke lezers begrijpen te veel (multa) om veel (multum) te

begrijpen. Sie verbreiten sich über alles und jedes, statt sich drin zu

vertiefen.

[163] Kant zelf noemt het „ein aus unverzeihlicher und beinahe

vorsätzlicher Missdeutung entspringender Einwurf, als wenn mein

Lehrbegriff alle Dinge der Sinnenwelt in lauter Schein verwandelte.”

(Proleg. p. 68/9). Zijn leer geeft hij dan ook terecht de naam van

„empirischer Realismus”—de van alle individuele waarneming of

voorstelling, verbeelding of gedachte onafhankelike voorwerpen der

ervaring, de natuurdingen, worden door Kant niet geloochend, maar

integendeel in hun immanent blijkende „realiteit” voorgoed bevestigd.

[164] Men vindt deze Kantschennis dan ook bij heel de Hegelbent en via

Dietzgen is die b.v. ten onzent doorgesijpeld in een artikel van Dr.

Gorter, De Nieuwe Tijd, VIII (1903), pp. 484–6.

In Kl. Logik §28 Zus. stelt Hegel, dat naar het resultaat der

„kritische Philosophie” „der Mensch bloss auf Spreu und Träbern würde

angewiesen sein.” Kaf en draf—het is inderdaad al wat er van de

„kritische Philosophie” overblijft... in Hegel’s geest. Vgk. opm. 45.

[165] Prof. Bolland, Het Boek der (1001) Spreuken, „spreuk” 180.

(Hoe onhollands ook dit „Hollandsch” „zich verhoudt”, zodat er

Germanismen aan „toekomen”, waarin het „zich verenkelt” en soms zelfs

„zich verliest”, „laat zich denken”).

„Spreuk” 182 luidt: „Het nageslacht zal weten, dat Neerlands meester

van zuivere rede door zijne land- en ambtgenooten naar eisch is

behandeld: dat hij geen ‚doctor’ is geweest en geen ‚academicus’, geen

‚geridderde’, noch lid van dit of dat,—en dat hij naar behooren

verguisd is.” Het nageslacht zal uit dit zelfbeklag eens „verguisden”

zeker niet vatten, dat het afkomstig was van een ... Hoogleraar der

Wijsbegeerte aan Leiden’s Universiteit! En heeft het heugenis genoeg,

dan zal het slechts betreuren, dat deze even dogmatiese als

anti-dogmatiese geweldenaar ook nog met het gezag en de macht van dit

zijn hoogleraarschap tal van kritiekloze jonge broekjes (en rokjes) tot

de Hegeliaantjes heeft mogen opkweken, die in het begin van de 20e eeuw

in Nederland van hun meester de wijsheid in pacht hadden,—nademaal hun

in het Collegium Logicum sacramenteel was ingeprent: „Extra logicam

Hegelianam sapientia nulla est”, ja zelfs als een nieuw soort

syntheties oordeel a priori: „Dat de geest van Hegel, die nu al

voldoende in U, naar ik hopen wil, gevaren is, als de geest van zuivere

rede zich alleen door den geest der domheid laat aanvallen, dat er

buiten de Hegelarij slechts Ezelarij is, dat neet U daarbij vooruit.”

(C. L. p. 378).

[166] Ten bewijze, dat in deze „Zuivere Rede” met „natuur” inderdaad

niets anders dan „natuur”, dan ruimtewereld of „voorwerpelijkheid”

bedoeld wordt, in tegenstelling tot het geestelike, dat dus onze

kritiek niet maar een naam doch de wezenlike bedoeling treft, diene

voor ingewijden b.v.: „Dat de Idee zich als Natuur laat gáán, wil

zeggen dat zij hier voorloopig van zichzelve afziet en de Natuur,

ofschoon van de Idee niet af te scheiden, voorshands zonder leven, ziel

of geest is te denken als ruimtelijke zelfstandigheid zonder meer. Zoo

zonder geest heeft dan de Natuur geene waarheid, een besef waarin het

stelselmatige denken later uit het tweede in het derde deel der

encyclopaedische begripsleer overgaat.” (p. 252, 2e dr. 281). In de

tekst wordt aangetoond, hoe vergeefs de Hegeliaanse pogingen zijn, het

dogmatiese van deze „overgang” aan „verstandig misverstand” oftewel

wanbegrip ... der tegenstanders toe te schrijven.

[167] Natuurlik is dit „dogmatisme” zich zelf als zodanig niet bewust.

De bedoeling van een Bolland en de Hegelarij, daaraan zij geen twijfel,

is even zuiver anti-dogmaties, als van een Haeckel en het materialisme

zonder meer. Zo wordt van de Geest van Hegel gezegd (in een rede van

Prof. Bolland), dat die „eenvoudig de geest is van het nagaan der

gedachte door de gedachte, die geest van bezinning, van methodisch

streven naar zelfordening in alle redelijkheid.” Juist dit alles,

waarvan het Hegelisme oreert zonder het te geven, dat geeft een Heymans

zonder er over te oreren.

Bij Hegel zelf ligt er een grote tragiek in de verhevenheid van zijn

zuiver waarheidwillend bedoelen tegenover de bevangenheid van zijn

dogmaties vertroebeld denken.

Zo schrijft hij zelf in de mooie „Zusatz” tot § 31 Kl. L.:

„Diese Metaphysik war kein freies und objectives Denken; da sie das

Objekt sich nicht frei aus sich selbst bestimmen liess, sondern

dasselbe als fertig voraussetzte.—Was das freie Denken anbetrifft, so

dachte die griechische Philosophie frei, die Scholastik aber nicht, da

diese ihren Inhalt gleichfalls als einen gegebenen und zwar von der

Kirche gegebenen aufnahm.—Wir Modernen sind durch unsere ganze Bildung

in Vorstellungen eingeweiht, welche zu überschreiten höchst schwierig

ist, da diese Vorstellungen den tiefsten Inhalt haben. Unter den alten

Philosophen müssen wir uns Menschen vorstellen, die ganz in sinnlicher

Anschauung stehen und weiter keine Voraussetzung haben als den Himmel

droben und die Erde umher, denn die mythologischen Vorstellungen waren

auf die Seite geworfen. Der Gedanke ist in dieser sachlichen Umgebung

frei und in sich zurückgezogen, frei von allem Stoff, rein bei sich.

Dieses reine Beisichsein gehört zum freien Denken, dem in’s Freie

Ausschiffen, wo nichts unter uns und über uns ist, und wir in der

Einsamkeit mit uns allein dastehen.”

Reeds § 36 vernemen wij dan:

„Das Denken aber hat sich frei in sich zu bewegen, wobei jedoch

sogleich zu bemerken ist, dass das Resultat des freien Denkens mit dem

Inhalte der christlichen Religion übereinstimmt, da diese Offenbarung

der Vernunft ist.”

Het is dezelfde soort van tragiek die ook ligt in de figuren van een

Haeckel, een Rée en een Hartmann.

[168] Vergelijk 2e dr. bl. 356 nog de volgende varianten: „Juist hierom

is de zelfverlevendiging der natuur eene halve of ‚zielige’

zelfvergeestelijking.... die in hare ‚bezieldheid’ weer niet alles is”

en „het leven is als het bezielende het zielige zelf, of liever gezegd

de zieligheid is weer het leven in zijne bezielde verenkeling, in zijne

verbijzondering en bepaaldheid.” Alles variaties op het oeroude

realisties-dogmatiese, dus voor een wijsgeer waarlik „zielige” deuntje

der stofbezieling!

[169] Naar ik vermoed hebben wij deze ironiese zelf-kritiek gedeeltelik

aan een slordigheidje te danken—de bedoeling zal in het verband wel

geweest zijn, in plaats van „eene als zoodanig”, „als zoodanig eene”...

[170] In die noot bij bl. 19 (en bij bl. 4) en passim heb ik

uiteengezet (nunquam satis dicitur quod nunquam satis discitur), dat en

waarom Kant’s „Transcendentalproblem”: „Wie ist Erfahrung möglich?” ten

slotte niets anders betekent dan het kritiese probleem zelf van de

kennisleer: „Hoe zijn synthetiese oordelen a priori mogelik?” en niets

te maken heeft met de „diepzinnige lekenvraag”: „hoe is ondervinding,

waarneming, belevenis mogelik?”, waartoe de Kant-begriploosheid Kant’s

vraag pleegt te herleiden.

Als sprekend voorbeeld diene hier nog Prof. Bolland, die op Kant’s, nu

voor ieder uwer volkomen begrijpelik woord: „Die höchste Aufgabe der

Transcendentalphilosophie ist also: wie ist Erfahrung möglich?” laat

volgen: „Das heisst am Ende, wie ist die Möglichkeit [!] der

Wahrnehmung, der sinnliche Eindruck und die Empfindung, die einzelne

und die wiederholte Wahrnehmung, bzw. die Beobachtung, die

Zusammenfügung der Wahrnehmungen und das Erleben, eines Systems der

Erkenntnis möglich?”—Heel deze, weer individueel-subjectiverende,

breedsprakigheid vermag dus evenmin Kant’s objectief begrip „Erfahrung”

(in tegenstelling tot zijn subjectieve „Erfahrung”, als „Synthesis” der

Wahrnehmungen, Locke’s experience, waarmee alle kennis.... begint, en

waarop het empirisme alle kennis grondvest!) als begrip van de

kenniskritiek te bereiken. (Zie nu deze plaats van Prof. Bolland, Uitg.

Hegel’s Gesch. d. Philos. p. 906 in heel z’n compromitterend verband!).

[171] Dus Kant bedacht met zo iets als Haeckel’s Substanz-Problem!

Daartegen (implicite) Riehl, Kritizismus III p. 27, uitnemend en zuiver

Kantiaans: „Was die Substanz an sich oder ihrem Wesen nach sei, muss

deshalb vollständig zu erkennen sein, weil ihr Begriff gänzlich im

Verstande erzeugt wird. Etwas, z.B. den Körper als Substanz denken,

heisst den Begriff dieses Etwas als Subject aller darauf bezüglichen

Urtheile gebrauchen, es seinem Dasein nach von unserer Vorstellung

unabhängig erklären und in Rücksicht auf die veränderlichen Umstände in

die es eintritt oder eintreten kann, als beharrlich und mit sich selbst

einerlei voraussetzen. In diesen Verhältnissbestimmungen besteht das

ganze Wesen des Begriffs, den wir als Substanz bezeichnen.”

[172] Laatstelik b.v. in „Hauptprobleme der Philosophie”, Kap. III:

„Vom Subjekt und Objekt”, vgk. speciaal p. 86: „Ich und die

Welt”—tegenover „einem Subjekt ein Reichtum von Objekten” en p. 104:

„Durch das Auseinandertreten von Subjekt und Objekt wird das Sein in

zwei Reiche geschieden, deren Qualitäten oder Funktionen ganz

unvergleichbar sind. Aber die Beziehung zwischen ihnen, die wir

Erkenntnis nennen, ist dadurch möglich, dass” etc.

[173] Beter m.i. ware nog „psychisties” (zo ook Stumpf) i.p.v.

„psychies”, 1o. wijl elk monisme qua leer „psychies” is en 2o. als

tegenstelling tot „materialisties” (niet materieel) monisme.

[174] Zelfs het begrijpen lukt een realist trots al zijn schranderheid

en hooggeleerdheid ongeveer nooit. Zo verwart b.v. Prof. Bolland

Heymans’ geestelik substraat, zijnsgrond of reale van de hemellichamen,

als éénheid gedacht („aardgeest” enz.) met de sterreleidende spoken van

een Mevrouw Blavatsky, die „óók” (sic) gewaagt van „celestial bodies

propelled and guided by intelligences”! Stel u voor, lezer, een

psychist, die lichamen (nog wel reële lichamen) zou laten voortdrijven

door geesten (nog wel geesten in de ruimte)! Vgk. bl. 203 noot 1), hoe

Prof. Bolland in dezelfde geest Kant’s beroemde aanduiding der

mogelikheid van monisties psychisme: identiteit van subjekt en reale

der materie, profaneert met Büchner’s materialistiese identiteit van

„geest” en „natuur”, alias „kracht” en „stof”.

[175] Wie b.v. schrijft: „Onze zintuigelijke indrukken worden ontvangen

door den geest. Zij gaan daarmede over in gewaarwordingen”.... is op

z’n best Lockiaan, al lanceert hij tegen Locke de wijsheid, dat ook de

primaire eigenschappen „subjectief” zijn, immers: „Ook de grootte,

primaire qualiteit, verandert door veranderd standpunt van den

waarnemer”! Ik zie de glimlach, waarmee Locke zijn docent zou gevraagd

hebben: „Dus u ontkent de objectieve grootte van b.v. een meter?” En ik

vrees, dat zelfs de goede Berkeley zijn lachen niet had kunnen laten op

de vraag van deze criticus: „En zijn er geen dingen buiten ons, waar

zijn dan de geesten, door Berkeley met nadruk van de voorstellingen

onderscheiden”!

[176] In verband met Opm. 15 verschaffe men zich nu zelf eens het hoge

kritiese genot, de ingewikkelde knoop van onmogelikheden te ontwarren,

waarin Lotze’s realisme (Mikrokosmus I: 3:1: Der Zusammenhang zwischen

Leib und Seele, p. 349) zich verstrikt met zijn „Localzeichen” als

etiket of stempel: Ik (de ziel) kan een onbekende bibliotheek-ordening

(de „werkelike” ruimtewereld) al zijn mij de boeken in koffers

doorééngepakt toegezonden (zenuwbeweging, hersencellen) precies

reconstrueren (ruimtewereld-waarneming) als ik maar de geletterde

etiketten op de boeken (onruimtelike „Localzeichen”).... kan lezen

en.... vertalen! „So packt man viele Briefe zusammen, und am

Empfangsort lässt sich der Ort ihres Abganges aus dem aufgedrückten

Stempel gleich gut erkennen, welches auch die Art ihrer Beförderung

gewesen sein mag.”

Elders, zonder beeld: „Überall wird das Extensive in Intensives

verwandelt, und aus diesem erst muss die Seele eine neue innerliche

Raumwelt konstruieren.”

[177] Bergson gewaagt van „notre corps” als van „notre esprit”. Nous,

corps, esprit—drie, twee of één? B. zelf noemt z’n boek tans (1911):

„nettement dualiste. Mais....”. Tekenend!

[178] In „Les grands Philosophes français et étrangers”, VIII (1911)

heet Bergson „le seul philosophe de premier ordre qu’aient eu la France

depuis Descartes et l’Europe depuis Kant”.

[179] Noemt men het zedelike „prakties”, dan zou men deze uitspraak

zelfs niet „pragmatisties” genoeg moeten achten!

[180] Zo ligt heel Simmel’s realisme in deze 8 woorden van zijn

Hauptprobleme der Philosophie (p. 113): „Seele und Welt und deren

Abbild im Erkennen”—ja, feitelik reeds in de 3 woorden van zijn

werkelikheid: „Subjekt und Objekt”, vgk. boven bl. 158 en noot ¹) ald.

[181] De tegenstelling tussen juist en waar, o.a. bij Dr. J. D. Bierens

de Haan, vinde hier slechts pro memorie vermelding.

[182] De elektronenleer maakt er immers reeds hele werelden van, zodat

de natuurwetenschap al weer te rekenen krijgt met andere—monades

physicae. Deze laatste zijn niet verdwenen—en zullen nooit verdwijnen.

[183] In weer andere zin noemt men ook wel het bestaan van elk ander ik

slechts „hypothese”, d.w.z.: een ander ik behoort principieel niet tot

de wereld der mogelike ervaring, kan dus nooit door waarneming bewezen

worden.

[184] Hoogst vermakelik is het, hoe de materialist A. Rau met „Der

moderne Panpsychismus” bedoelt en bestrijdt.... Ziehen’s onbegrepen

bewustzijns-materialisme! Tussen materialist en materialist blijkt dan

toch ook nog een verschil, trots alle verwantschap, als tussen broeder

en broeder!

[185] Ver beneden Spinoza blijft Fechner, waar hij hem zijn zuiver

parallelisme wil verwijten (dat geen teleologies ingrijpen in de natuur

toelaat) omdat men toch „beliebig von Standpunct wechseln” kan. Daar

als elders (vooral in het einddeel III: 356 tot het slot van zijn

Zend-Avesta, zijn kerkelik-klinkende 12 stukken des geloofs,

bijbeluitleg en woordenkeus, waarmee hij voor een orthodox christen

toch de wijsgerige heiden blijft, die uit hem als uit Goethe gegroeid

is, en voor een heiden de christen, die nog in hem steekt) blijft hij

de halve theoloog tegenover de hele filosoof Spinoza, die niet (als

Fechner) „zwischen beiden hin und her schlingt”—immers juist zulk „heen

en weer slingeren”,—‏זלל‎—. wel voorvaderlik zal hebben veracht.

[186] Over Fechner’s belangwekkende onsterfelikheidsleer, gelijk over

zijn originele vergeldingsvoorstelling hoop ik elders het mijne te

berde te brengen.

[187] Wij missen een Hollands woord voor psychies, seelisch, dat tot

ziel staat, als geestelik (niet geestig!) tot geest, stoffelik (niet

stoffig!) tot stof. Zulk een woord hebben wij nodig, nog afgezien van

het „zielig” misbruik, dat Prof. Bolland maakt van dat gemis.—Ik vorm

dus een nieuw woord daarvoor. De keus gaat tussen zielelik (à la

geestelik) en ziels, oude spelling zielsch, à la aards van aarde, hoofs

(tegenover hoffelik) van hof. Ik kies ziels en zal dat voortaan

gebruiken en dus b.v. bij het parallelisme van de stoffelike en de

zielse reeks spreken.

[188] Zoekt dan Dr. Dèr Mouw zelf (p. 238) „een uitweg uit Hartmann’s

aporien”—wij bieden hem die, maar het is meteen een uitweg uit....

Hartmann en „niet met behulp van Hegel”, integendeel, met behulp van

Kant.

[189] Wil men Nederlandse woorden, dan zou men deze alomgeldige

Latijns-Frans-Engelse term moeten vervangen door het heel wat minder

doorzichtige: stofwerkelikheidsgeloof, of door een omschrijving als:

leer, die de stof voor werkelikheid (realitas) houdt, die onafhankelik

van mogelik waarnemen en denken bestaat.

Zo hebben wij ook in die term „materie-realisme” onze goede grond om

het werkelike als substratum te blijven noemen het reale van zijn

phaenomeen, dus te spreken van het onstoffelik reale der materie, al

gebruikt b.v. Prof. Bolland dit woord naar zijn etymologie voor het

„zakelike”, stoffelike, in tegenstelling tot het „werkelike” (van b.v.

zijn „wezen” of „begrip”). Zo is dus het materie-realisme de leer, die

de materie voor realiteit, voor een reale houdt.... en die dus een

reale (= substraat) der materie loochent.

[190] Zo toont Prof. Dr. Max B. Weinstein, hoe degelik hij georiënteerd

is omtrent „Welt- und Lebensanschauungen”, waar hij in deze trant

besluit (p. 484): „Die rein materialistische [Anschauung] mag schon

kein Mensch mehr.”

Volgens Prof. zal het met de „energetische”, „so bestechend sie ist”,

wel net zo gaan. Wat dan? „Spinozas Anschauung in Verbindung mit Kants

Transzendentalismus scheint mir allem am besten gerecht zu werden”....

Voortreffelik—maar.... voorzichtig een weinig, zelfs met een

supra-materialistiese Spinozist-Kantiaan: „Sie bietet noch den

ungeheuren Vorteil, dass wir sie so leicht fortführen und erweitern

können, wie [schrik niet] Haeckels Beispiel zeigt. In der Tat [let nu

op] müssen wir jetzt schon sagen, dass der allgemeinen Substanz für

unsere Welt mindestens drei Attribute zukommen: Geist, Energie, Materie

(oder was für Materie stehen kann). Die allgemeine Substanz soll ja

unendlich viele Attribute haben. So ist es durch nichts ausgeschlossen,

dass unsere Welt in der Tat diese drei oder vielleicht noch mehr [wel

ja, waarom niet] Attribute ausmacht [?].”

Prof. Dr. Max B. Weinstein is dus gelukkig aangeland bij Haeckel’s

jongste drieéénheid, zijn trialisme van „Psychom”, Stof en Kracht (uit

zijn „Lebenswunder”—een soort amendement op de „Welträtsel”, waar de

„kracht” nog als geest moet fungeren.... maar avec Haeckel il y a des

accommodements), alias bij.... een unrein materialistische Anschauung.

[191] Vgk. de voorrede en b.v. Dilthey’s Das Wesen der Philosophie (in

de Kultur der Gegenwart).

[192] Hegeliaans-theologies natuurrealisme met „Natur” als „Vorstufe”

van „Geist” en „das seelische Leben.... bis dahin ein blosser Anhang

des Naturprozesses”. Zijn anti-naturalisme dan ook, als bij de meeste

realisten (vgk. ten onzent Dr. J. D. Bierens de Haan) ethiese

appreciatie i.p.v. kennistheoretiese demonstratie. Als theoloog noemt

hij het anti-relativisme, objectivisme, eenvoudig.... religie, en

omgekeerd het anti-religieuse even eenvoudig.... relativisme,

individualisme, subjectivisme.

Ziehier de synthese van Eucken’s werkelikheidsleer en

geschiedenisfilosofie in 3 trekken:

niet enkel beweging (tijd—„Bloss-menschliches”—relativisme enz.),

niet enkel zijn (eeuwigheid—„Geist”—religie enz.),

maar tijdelike, menselike verwerkeliking van het eeuwige, goddelike:

„Aktivismus”—„ethischer Charakter der Geschichte”.

Op deze „verwerkeliking” (in de ware zin van „ver-”) van geestelike

waarden, van idealen als „de waarheid” en derg. staat Eucken’s

„objectief idealisme”—en ligt er mee omver. Onze natuur- en

geesteswettelikheid daarentegen stelt „der blossen Bewegung und ihrem

zerstörenden Relativismus” de zuiver empiriese, niet ideologiese,

weerlegging in de weg.

Over Eucken spreken we nader.

[193] Stelt in „Darwinisme en Democratie” een uitnemende

geestelik-maatschappelike selectieleer naast en tegenover de

natuurlik-organiese.... maar definieert de ziel zelf—„dat netelige

begrip”—zuiver naturalisties als „reactie der (levende) stof op

prikkels” (p. 193 als p. 34), zodat het physieke wezen een ziel „heeft”

(vgk. p. 193: „Hoe meer ziel een wezen rijk is”.... 199: „geestelijk

nieuw bezit wordt door het fysieke individu verkregen”....) en nog wel

verkregen, verworven heeft.... selectories, door een ontwikkeling uit

het „onbezielde molecuul” van p. 212, dus dank zij allerlei influxus

psychicus (vgk. p. 196, 211 etc.), dank zij een dualisme met

anti-natuurwetenschappelike „Wechselwirkung” van „beide evoluties”, „de

fysieke en de geestelijke” (191): „Het natuurwetenschappelijke en

geestelijke proces zijn daardoor in voortdurende wisselwerking.”

Immers—„fysieke en geestelijke evolutie [van de mens] loopen....

verward dooreen”—altans in dit boek. Want zonder deze zijn dualistiese

inkonsekwentie zou dit monisties-gezind realisme, met zijn

„subjectivistisch weten” van „objectivistische” verschijnselen en

eigenschappen (pp. 34, 53, 192, 422 etc.), met zijn „geestelijke zijde”

van het „stoffelijk materiaal” (p. 38) of zijn „geestelijke zijde van

sommige aangeboren psycho-physieke bezittingen” (255), met zijn

stoffelik „substraat”: „zielswerking zit slechts in zintuigelijk

waarneembare voorwerpen” (35), en ideeën „in hoofden” (hun „stoffelijk

hulsel”), als „inhoud van hersencellen”, „stevig in heur zenuwcellen

vastgelegd”, met zijn „evolutie van aangeboren geestelijke

eigenschappen” en „van de haar begeleidende basis of beter: van heur

ander uiterlijk: zenuwstof”.... tot konsekwent psychophysies

materialisme vervallen, gelijk het nu reeds op bl. 300 Steinmetz moet

toegeven: „Het denkbeeld kan juist zijn”....

Zo lijdt dit mooie boek, dat overvloeit van jonge wijsheid en van (les

défauts de ses qualités) bekoorlik-vermetele jeugdzonden tegen ethica

en kennisleer, aan een realisme, dat zijn eigen monisties parallelisme

moet breken, op straffe van ongewild materialisme, door het ongewild

dualisme van zijn „Wechselwirkung”, waarmee heel zijn selectore

geestesinvloed staat en valt; zo zou het zijn tweeledig doel: enerzijds

de sociologie in ’t algemeen en zijn sociologiese selectie-leer in ’t

biezonder van alle naturalisme zuiver te houden, anderzijds echter ook

„het vurig begeerde monisme”, dat evenmin aan de natuurwetenschap als

aan zich zelf dualistiese stenen des aanstoots in de weg wil leggen,

slechts en in énen bereiken, als het zijn realisme krities overwon.

[194] Treffend karakteriseert één zinnetje heel dit realisties dilemma,

waarop de jongste „Theorie” (verwant met het begrip „Methode” der

Neo-kantianen), die van Dr. Viktor Kraft, Weltbegriff und

Erkenntnisbegriff, Eine erkenntnistheoretische Untersuchung (1912),

neerkomt (p. 229): „Allerdings in welcher Weise sich das Seelische dem

System der Natur anfügt oder einfügt, das ergibt eine eigene Frage und

eine neue, spezifische Aufgabe des Realismus. Eine materialistische

Abhängigkeit von Vorgängen der körperlichen Welt und eine

indeterministische Selbständigkeit des Seelenlebens sind die

Gegensätze, zwischen denen man dann zu entscheiden hat.”

Vgk. ook p. 72/3 over geest en natuur: „Sie bilden dann zwei nicht nur

verschiedenartige, sondern auch selbständige Gebiete der Wirklichkeit,

von denen jedes seine eigene Art von Geschehensbestimmtheit hat: ein

Reich der Ursachen und ein Reich der Motive, ein Reich der absoluten

Notwendigkeit und ein Reich wenigstens einer relativen Freiheit,

relativ—denn die Bestimmtheit des Seelischer. durch körperliches

Geschehen [let wel] in der Wahrnehmung bleibt ja doch immer bestehen.”

[195] In de theologie is het indeterminisme ook de ministeriële

verantwoordelikheid van de mens voor een onschendbare Soeverein. The

King can do no.... wrong!

[196] Antimaterialistiese eigengerechtigheid geeft graag aan voorkeur

voor „stoffelike” goederen, „zinnelike” genietingen enz. boven

„geestelike” waarden de fraaie naam „zedelik materialisme”. Natuurlik

heeft dit met de tegenstelling dualisme—materialisme of

idealisme—materie-realisme niets te maken. Intra muros peccatur et

extra. Wel zijn er, meen ik, nog oorden en kringen, waar een

materialistiese belijdenis reeds heel wat meer zedelik „idealisme”

vergt, dan de meest „idealistiese” kerkelike confessie.

[197] Vgk. Opm. 33 en b.v. Schneider’s bekende werken „Der thierische

Wille” en „Der menschliche Wille”. Volgens deze materialist zijn het

„die psychischen [alias: „durch Bewusstseinserscheinungen bestimmten”!]

Bewegungen”, die „das Thier von dem Vegetabil unterscheiden”. Evenwel

„sind auch die psychischen Bewegungen so gut wie die rein

physiologischen durch die materielle Organisation, durch histologische

und physiologische Verhältnisse bedingt, sie wären nicht möglich, wenn

der betreffende Nervenmechanismus nicht gegeben wäre”. Maar ze zijn

toch „auch” door Bewusstseinserscheinungen „bedingt” en immers

„bestimmt”! Ja, zelfs „e[n]tweder ganz” [sic!] „oder doch zum Theile”!

Zo spreekt hij van „das psychische Nervensystem”, terwijl een „Körper

Gefühl besitzt”, het Gefühl komt „durch Verbindungen der Stoffe zu

Stande”, i.p.v. „Eigenschaft der Materie überhaupt” of „jedes Atoms” te

zijn. Aldus ontstaat zijn materialisties „probleem” en het bijbehorend

„ignorabimus”: „Wie es möglich ist, dass eine chemische Verbindung

fühlen kann, ist uns in jedem Fall ebenso unbegreiflich, als das Dasein

der Materie.” (à la Haeckel’s „Substanz-problem”!). Trouwens, met

„letzten Ursachen” moet „reale Wissenschaft” zich niet ophouden,

slechts met „erkennbaren Bedingungen”, ergo: „Das Gefühl hat seine

Ursache in der Organisation resp. im Blut, oder allgemeiner, im

thierischen Lebensprocess.” „Wir wissen nur und können nur sagen, dass

das Bewusstseins- resp. Gefühlsvermögen eine Eigenschaft des

Nervensystems,.... dass es eine Eigenschaft des thierischen

Lebensprocesses ist.” of „Dass die verschiedenen Gefühle und Triebe in

der Thätigkeit des Gehirnes ihren Grund haben”. Hoe zou anders

Vererbung der Gefühle und Triebe mogelik zijn?—Welnu, zulk een fühlende

chemiese verbinding is dan „einfach aus der natürlichen Zuchtwahl

hervorgegangen” als „zweckmässig” enz. enz. en de betekenis,

noodzakelikheid en waarde van de verschillende Gefühle en Triebe wordt

dan uitvoerig en veelal voortreffelik behandeld.

Aan een leek als Schneider gunnen wij dan de spot met denkers over

oordelen a priori, vooral wanneer hij er zelf bij vertelt: „Die Welt

hat keinen Anfang und kein Ende. Jeder Vorgang hat immer wieder einen

neuen Vorgang zur Folge, und das geht ins Unendliche.”

[198] Tot mijn „resultaten” behoort hoop-ik ook, dat ik nu zonder

uitleg toch zonder vrees voor misverstand gebruik kan maken van de

kennisleer-termen als substraat en phaenomeen, immanent en

transcendent, dogmaties en transcendentaal.

Wij onderscheiden dus nu de éne natuur als objectief phaenomeen zuiver

zowel van het individuele („subjectieve”), van alle voorstellingen

aangaande de natuur, als van de éne werkelikheid, il concreto, zoals

het Italiaans zegt, gelijk wij dienovereenkomstig het éne subjekt der

natuur zuiver onderscheiden zowel van elk mens-individu als van enige

konkrete Al-geest.—We zullen dus Busse’s beide realistiese misvattingen

vermijden, die voor Die Nachteile des Parallelismus mede

verantwoordelik zijn in zijn G. u. K., p. 158: „Verwandeln sich auf

idealistischem Boden die realen physischen Prozesse in Vorstellungen

solcher Prozesse....” en p. 164: „Streng genommen dürfen wir von dem

physischen Kosmos im Singular überhaupt nicht sprechen, sondern er ist

so oftmals vorhanden, als Bewusstseine vorhanden sind, welche sinnliche

Wahrnehmungen haben und sie objektivieren können.”

[199] Al een heel ongelukkige naam, daar juist elke ruimtelike

verhouding, elke „evenwijdigheid” is uitgesloten. Maar de naam drukt nu

eenmaal door een aanschouwelik beeld de uitsluiting van elke overgang

uit, van elke „influxus”, elke μεταβασις εἰς ἀλλο γενος.

[200] G. u K. p. 402: „Die Natur ist schliesslich nicht das Weltganze,

sondern nur ein Teil desselben, der der Ergänzung durch einen anderen

Teil—die seelische Welt—bedarf.”

Ziedaar de realistiese grondfout waarmee Busse’s boek staat en valt.

Busse’s „idealisme” is dan ook het realistiese voorstellings-idealisme,

meermalen in mijn werk aan- en afgewezen, dat „die ganze Körperwelt

Erscheinung für mein sie vorstellendes Bewusstsein” noemt (p. 18 en

evenzo p. 20) en waant, dat het „standpunt” der

„idealistisch-spiritualistischen Weltanschauung” de lichamen door

voorstellingen van de lichamen vervangt (p. 145 en p. 158 en passim,

vgk. noot ¹) bij vor. bl.) en aldus van de physieke reeks (de

phaenomena) maakt: „die Vorstellungen der körperlichen Phänomene” (p.

146) en van de hersenen „die Vorstellungen der Gehirnprozesse” (147),

zodat die physische Seite „ja in Wahrheit auch eine psychische ist”

(146), het fundamentele misverstand, waarop heel zijn betoog tegen „Der

idealistisch-monistische Parallelismus” (144–174), tegen Paulsen,

Ebbinghaus en Heymans steunt en in ’t niet zinkt, waardoor zijn

polemiek speciaal Heymans niet eens bereikt, laat staan weerlegt,

waarbij dan nog komt, dat het begrip van de materie als mogelike

waarnemingsinhoud van een immers slechts denkbeeldig universeel subjekt

ontbreekt, een gebrek, waaraan Busse zijn 2 foutieve argumenten

ontleent tegen het parallelisme van psychiese realiteit en physies

phaenomeen: 1o. de onvolledigheid der physiese reeks (zo deze nl. van

werkelike subjekten, werkelike waarneming afhankelik wordt gedacht),

2o. de niet-gelijktijdigheid van reale en phaenomeen (zo dit laatste

nl. als werkelike waarneming i.p.v. als ideële mogelike

waarnemingsinhoud wordt geduid). Zo blijft voor hem het parallelisme op

z’n best een hylozoïsme, realistiese stofbezieling (366–368, 379)—en

treft zijn verweer en zijn oordeel alleen dit laatste—zonder het

niet-realisties, krities parallelisme te deren of zelfs maar te

zien.—Heel het boek is dogmaties-realisties, dus causalisties gebleven,

trots de hoffelike buiging, waarmee de kritiek, het idealisme, z’n

afscheid krijgt, van meet af, als te moeilik en diepgaand, te

gecompliceerd en te abstrakt enz. („wissenschaftlich unanfechtbar aber

schwer anwendbar” enz.—zie 18–21—en hoe wij juist al die zwarigheden en

Einwände, die Busse laat staan, hebben aangepakt en opgeheven) en trots

de „idealistisch-spiritualistische” toegift der paar bladzijden

Schlussbetrachtung, die een los aanhangsel blijft, dat niets meer kan

goed maken. Zo blijft Busse ten einde toe een trouw discipel van zijn

meester Lotze, wie soortgelijk verwijt treft t.a.v. zijn Mikrokosmus.

Ook daar komt de ruimte- en materie-kritiek te laat, eerst in deel III,

boek IX, hoofdstuk II, bl. 489 vv., nadat reeds in I: III: I bl. 314

vv. Der Zusammenhang zwischen Leib und Seele.... realisties, dus

dogmaties, dus causalisties behandeld is en zonder dat ze meer terug

kan werken op Lotze’s realistiese waarnemingsleer, reeds in boek II

gegeven, bl. 182, 193, 357, 412.—Is de kritiek niet de zuurdesem, die

heel het denken doortrekt, dan is ze niets dan een lafgeworden zout.

[201] Het is dus niet „idealistieser” (naar een veelverspreid

misverstand b.v. bij Busse, G. u. K. p. 4/5), maar juist

„materie-realisme”, de natuur uitsluitend als phaenomeen voor haar

subjekt, dus als mogelike waarnemingsinhoud, te beschouwen, in plaats

van daardoor tevens als phaenomeen van haar reale, dat die waarnemingen

veroorzaakt! Deze opmerking geldt zowel het Marburger Neo-kantisme als

het gewaarwordingsmaterialisme.

[202] Materie-realist zijn dus b.v. Hartmann, Busse, Wartenberg,

Rickert, Jerusalem, Bolland, Bergson, Stumpf, James, Rehmke, Erhardt,

Becher.

[203] Prof. Bolland’s begrip brengt door zijn noot op bl. 507, uitg.

Hegel’s Geschichte der Philosophie, deze Kant’s immaterialistiese

identiteit van geest en substratum der materie in het compromitterend

gezelschap enerzijds van Büchner’s materialistiese „identiteit” van

Geist und Natur, Logik und Mechanismus, Kraft und Stoff (met de

„Vernunft oder Geistestätigkeit” als „Spiegel, welcher das All

zurückwirft”!) en anderzijds van Aristoteliaans-Hegeliaanse

waarnemingsdogmatiek, die de gewaarwording passief en aktief in énen

noemt, passief als „Einwirkung von aussen” en aktief door „die

Tätigkeit.... diesen passiven Inhalt zum Seinigen zu machen”!

[204] Zo vervalt ook voor Kant als voor Wundt en Heymans en elk

niet-realist het befaamd argument tegen het lichaam als phaenomeen van

de geest: de samengesteldheid van het organisme tegenover de eenheid

van het bewustzijn.

[205] Altans ook door Busse niet in zijn Kant-duiding, G. u. K. p. 110

ss., speciaal p. 116 over de 2e druk: „Hier ist aber auch nicht die

schwächste Spur einer Hinneigung zur Identitätslehre mehr vorhanden”!

[206] Bij Kant wil „als Mensch” zeggen: als niet alleen denkend, maar

tevens lichamelik wezen.

[207] Deze laatste zinnen zijn mede tegen prof. Bolland gericht, zie

beneden, bl. 237.

[208] Daarentegen hoedt het krities idealisme zich natuurlik wèl voor

de wilde natuur-romantiek van een Bruno Wille, wanneer hij b.v.

(„Offenbarungen eines Wachholderbaums”) de gemoedsstemming, door een

landschap gewekt, toeschrijft aan een „Landschaftsseele”, in de natuur

hineindeutet als eigen aan haar reale; wat mij ongeveer even verstandig

voorkomt, als ging men de gedachten, in een boek vervat of de

gemoedsaandoening, door het lezen gewekt, houden voor denkbeelden of

gevoelens van het reale van die bedrukte papierbundel, van een

boekeziel, of de schoonheid, de idee, de voorstelling van een

schilderij toedichten aan het reale van de verf en het linnen.

[209] Zelfs het identiteits-materialisme zou zeker niet zoveel goede

kritiese geesten gevangen houden, als het zo „einfach absurd”, zulk een

„vollendeter Blödsinn” was, als materialistendoders plegen te denken.

Ook de materialisten bedoelen niet: geest en stof is hetzelfde, maar is

„eigenlik”, „in wezen”, „substantieel”, „realiter” hetzelfde, exakt

geformuleerd: identiek zijn niet stof en geest, maar (als een reale

gedachte) stof en het (als stoffelik gedacht) reale van de („slechts”

subjectieve) geest.

Natuurlik blijft dit materie-realisme daarom even dogmaties en

bovendien dit geest-phaenomenalisme zinledig, daar de werkelikheid van

de geest nu eenmaal onloochenbaar is—en een phaenomeen.... een subjekt

als prius onderstelt.

[210] Geen physies gebeuren derhalve zonder zijn meta-physiese

betekenis en grond. Vandaar onjuist een redenering als deze van

Schopenhauer (II: 287): „Denn der Wille hat seinen Sitz nicht im

Gehirn, und überdies ist er, als das Metaphysische, das prius des

Gehirns, wie des ganzen Leibes, daher nicht durch Verletzungen des

Gehirns veränderlich.”

[211] Vraagt dus b.v. Lotze (Mikrokosmus I: 3:1: Der Zusammenhang

zwischen Leib und Seele, p. 314/5):

„In der That warum sollten wir uns versagen, von dem Druck und dem

Stoss der Massen auf die Seele, von der Anziehung und Abstossung beider

durch einander zu sprechen, sobald diese Ausdrücke, obwohl sie keine

Aufklärung enthalten, doch dazu dienen, unsere Vorstellungen des

Sachverhaltes bequem und anschaulich abzukürzen?”

„Warum also sollte nicht ein Atom des Nervensystems ebenso auf die

Seele oder sie auf jenes stossen und drücken können....?”

dan moet ons antwoord luiden: enerzijds omdat „Druck” en „Stoss” alléén

ruimtelike zin en aanschouwelikheid heeft en in de ruimte van een ziel

geen zweem of spoor is te denken of voor te stellen, anderzijds omdat

atomen als ruimtedingen de zielewereld evenmin vermogen te bereiken of

te raken als de letters van een boek de gedachten, die er door zijn

uitgedrukt.

[212] Vgk. p. 257: „Wenn wir uns auf die idealistisch-spiritualistische

Basis zurückziehen, so geben wir damit eben den Parallelismus, den wir

durch diesen Schachzug [!] seiner Paradoxität entkleiden wollten, auf.”

[213] Busse weet en erkent tenminste nog, dat heel zijn argumentatie

zich op dit naief-realisties standpunt stelt, maar de Bussetjes van

heden en morgen, die hun wapens uit dit arsenaal komen halen? Ze lopen

er in - gelijk wij dat reeds, ook ten onzent, konden gadeslaan.

[214] „Vielmehr haben wir nun zwei völlig getrennte Reihen psychischer

Vorgänge [mis], Dualität, nicht Identität. Das wird vielfach übersehen,

in den Idealismus versucht man die Identitätsphilosophie mit

hinüberzunehmen, die dort keinen Platz finden kann.” Dat ze slechts

dort Platz finden kann, en welke plaats, dat hebben wij boven gezien

bij Kant.

[215] Zo schrijft Busse, bij de „Vorteile” der Wechselwirkungstheorie,

p. 380: „Indem sie alle Dinge in der Welt aufeinander wirken lässt,

kommt sie dem logischen Bedürfnis des Denkens nach einheitlicher, die

Welt als ein einheitliches Ganze auffassender Betrachtung mehr

entgegen.” Me dunkt, ook hier is het prae boven de dualistiese overgang

weer aan de monistiese samengang!

[216] Dr. L. Loewenfeld schrijft in zijn boek Ueber die Dummheit

(1909), aangaande „Dummheit und Gehirn”, „Die organische Grundlage der

Dummheit”, p. 74: „Dass die geistige Beschränktheit ebenso wie

hervorragende Intelligenz ihren Grund in der Gehirnbeschaffenheit hat,

ist eine Tatsache welche niemand bezweifeln kann, der einen

gesetzmässigen Zusammenhang der geistigen Verrichtungen mit der

Tätigkeit unseres Gehirns zugibt.”

Juist zulk een uitspraak, die voor (nog wel onbetwijfelbare!)

„Tatsache” neemt wat slechts een dogmatiese physies-metaphysiese

duiding is van die gesetzmässige Zusammenhang tussen geestesverrichting

en hersenwerk, moet in philosophicis.... domheid heten.

[217] Hoe vreemd een realist tegen kritiese wijsbegeerte kan blijven

aan kijken bewijst Prof. Bruining in zijn merkwaardige Gids-bespreking

van Heymans’ metaphysica (1905, „Wetenschappelijke Metaphysica” p.

490/1), waar hij b.v. vraagt: „Wanneer wij.... uitgaan van de

onderstelling, dat hetgeen op de wilswerking volgt inderdaad is wat het

in de waarneming zich voordoet te zijn, een het wilsbesluit

verwezenlijkende beweging—hebben wij hier niet het op dit standpunt

onverklaarbare feit, dat hier bij uitzondering de inhoud der waarneming

de afspiegeling is van haar object?”

Allerminst. Elk phaenomeen is inderdaad, wat het in de (normale)

waarneming zich voordoet te zijn—en elk phaenomeen heeft zijn reale. Zo

dus elke beweging, ook die volgt op een wilsbesluit.

Heymans’ onderscheiding tussen „inhoud” en „voorwerp” („Gegenstand”)

der waarneming echter bedoelt Gegenstand in de transobjectieve,

transmateriële zin van reale, van werkelikheid, die de waarneming

veroorzaakt en geenszins in die immanente zin, waarin wij een beweging

of een tafel „voorwerp”, „objekt” van waarneming noemen, daarmee het

verband uitdrukkend van onze afzonderlike waarneming tot een bepaald

geheel van mogelike waarnemingsinhouden.

[218] Vgk. p. 193: „Und doch kann der Wille wesentlich zu einem

bestimmten Bewegungsvorgang gehören.” „Mit anderen Worten.... er wäre

ohne den Willen nicht mehr derselbe Vorgang”.... Evenzo p. 199 en

Philos. d. Gegenw. p. 176.—Maar deze „wezenlikheid” is toch slechts....

onwezenlik surrogaat van invloed! Het blijft epiphaenomenalisme. Al

zegt p. 199: „Es ist also ebenso wahr, dass der Wille den Arm bewegt,

als es wahr ist, dass die centrale Innervation diese Bewegung

auslöst.”—voor Riehl is noch het een noch het ander causaal, tenzij hij

zijn leer opgeeft voor zuiver psychisme. Dan mag hij schrijven (p.

200): „Hat der Wille Einfluss auf die Vorstellung der Bewegung, was

nicht bestritten werden kann, so hat er eben damit auch Einfluss auf

die Bewegung selbst. Denn die Vorstellung ist zugleich ein realer

Process, eine Aenderung der Vorstellung folglich zugleich eine

Modification dieses Processes.... Der Wille wirkt auf das

Intelligibele, das Ding an sich der Materie und ändert dadurch die

Erscheinung desselben für die äussere Anschauung.” Perfekt, maar naar

Riehl’s leer zou niet de wil, doch das Intelligibele, das Ding an sich

des Willens causaal zijn en de wil zo irrelevant als de materie. Al wat

op p. 201 ss. dan ook volgt over de „functionelle Bedeutung” van het

bewustzijn als „Mittel.... Anpassungsbewegungen hervorzurufen”, tot

„Regelung und Beherrschung der Bewegung”, en dus als evolutie-faktor,

is geüsurpeerd psychisme.

[219] Vgk. nu b.v. de realist Stumpf, Leib und Seele, p. 33: „Ich würde

auch in der Annahme keine ernstliche Schwierigkeit finden, dass

psychisches Leben (Seele) durch organische Prozesse (organische

Materie) in bestimmten Stadien ihrer Entwicklung erzeugt wurde und noch

jetzt bei der Entwicklung jedes Individuums erzeugt wird.”!

[220] Vroeger sprak men wel in afkeurende zin van „doppelte

Buchführung”, blijkbaar uit onbekendheid met „dubbel boekhouden”. Want

voor de twee-zijden-theorie (van Riehl b.v.) is juist die dubbele

boekhouding een alleraardigst onschuldig beeld: elke werkelike post

heeft van zelf zijn debet- en zijn credit-zijde, zodat een fraai

functioneel parallelisme ontstaat zonder strijdigheden.

[221] Dualisties is geest aan stof, ziel aan lichaam „gebonden”. Daar

een phaenomeen niets is dan een ideëel produkt uit mogelike inwerkingen

van zijn reale, betekent het missen van een phaenomeen, het missen van

bepaald inwerkingsvermogen, van een bepaalde eigenschap. Een geest dus,

die „zuiver immaterieel” gedacht wordt in de oude spiritualistiese zin

is dus niet „volkomener”, „bevrijd” van een „stoffelike kluister” of

een „hoger” soort wezen, maar integendeel alleen onvolkomener dan

dezelfde geest met parallel phaenomenaal lichaam.

[222] Op het determinisme-probleem zal ik met betrekking tot het

strafrecht nader ingaan. Maar hier zij er reeds op gewezen, dat Wundt

determinist is, dus, als psychist, natuurlik psychies determinist.

Zelfs zijn, als voor misvatting geschapen „schöpferische Synthese”,

zijn „novum” is.... causaal gedetermineerd. Wie Wundt en zijn

„psychiese causaliteit” voor enig „Indeterminisme” misbruikt, voor

enige inbreuk op het causaliteitsbeginsel met zijn inhaerente

noodwendigheid, gelijk b.v. in „Het Indeterminisme (De psychische

causaliteit)” ten onzent Mr. Levy (zie p. 189 over Wundt’s

„indeterministisch element”, p. 260 en p. 269: „alleen op a niet op b

acht Wundt de causaliteitswet toepasselijk”)—voor hem is Wundt’s geest

een gesloten boek gebleven.—Op mijn verzoek tot Wundt, al die

indeterministiese misduiding door een kategories authentiek woord eens

voorgoed de kop in te drukken en daardoor mijn bewering te staven,

„dass Ihre psychische Kausalität zwar anti-fatalistisch, aber durchaus

deterministisch ist, dass sogar jedes ‚Novum’ als Ergebnis der

schöpferischen Synthese vollständig ursächlich bedingt ist und Sie kein

undeterminiertes, also kein ‚indeterministisches Element’ zulassen”

mocht ik het volgend afdoend antwoord ontvangen: „.... dass ich an

Missverständnisse und oberflächliche Missdeutungen meiner Ansichten zu

sehr gewöhnt bin, um zu hoffen, sie überhaupt aus der Welt zu schaffen.

Aber ich stehe nicht an, Ihnen zu bestätigen, dass ich auf psychischem

Gebiete jede neue Erscheinung für psychisch determiniert halte und den

Indeterminismus als eine meist auf unwissenschaftlicher Vermengung

psychologischer und metaphysischer Begriffe beruhende unhaltbare

Hypothese zurückweise.”

Het is mij een voldoening, deze onvoorwaardelike afwijzing van het

indeterminisme door Wundt zelf te hebben uitgelokt, waarvoor met mij

zeker menig discipel van deze machtige denker, vorser en geleerde, deze

„Leibniz van onze tijd” en „mancher aufrichtige Freund einer

materialistisch

rein-wissenschaftlichen, methodisch-empirischen, von ---------------

dualistisch

metaphysischen Einschlägen freien Psychologie” hem dank zal weten.

Het wil mij voorkomen, dat Mr. Levy’s „brandende schaamte”, van Paulsen

geleend uit verfijnd verantwoordelikheidsgevoel wegens

Haeckel-verering, voor het aangezicht van Wundt (gelijk van Kant of

Heymans of Münsterberg) niet misplaatst zou zijn. Trouwens Mr. Levy zou

wel van Wundt’s psychiese causaliteit zijn afgebleven, had hij bedacht

of begrepen, dat de psychist Wundt (in tegenstelling tot Mr. Levy), zo

goed als Heymans, qua mechanist en verdediger der „gesloten

natuurcausaliteit” zoowel anti-energist als anti-vitalist is en dat

heel zijn psychiese causaliteit, met apperceptie en al,.... voor de

dieren-ziel in beginsel evenzeer geldt als t.a.v. de mens, die voor de

monistiese evolutionist Wundt.... zich ontwikkeld heeft uit het

dierenrijk! „Da nun die associativen in die apperceptiven Processe

continuirlich übergehen, und da Anfänge der letzteren, einfache active

Aufmerksamkeits- und Wahlacte, bei den höheren Thieren zweifellos

vorkommen, so ist übrigens auch diese Differenz schliesslich mehr als

eine solche des Grades und der Zusammensetzung denn als eine solche der

Art der psychischen Processe aufzufassen.” en: „Ist es nach den

Gesetzen der physischen Entwicklung zweifellos, dass der Mensch von

niedrigeren Lebensformen aus allmählich zu der ihm eigenen

Organisationsstufe gelangt ist, so erscheint das nämliche nach den

Gesetzen der psychischen Entwicklung mindestens im höchsten Masse

wahrscheinlich.” Aldus een Wundt. Anders Mr. Levy: „Daar ligt een

scheidslijn, neen, een klove, neen, een afgrond tùsschen de met rede

begaafde en de redelooze wezens. Dit fundamenteel verschil.... is de

bewuste voorstelling (de apperceptie), waartoe eerstgemelde wezens in,

laatstgemelde wezens buiten staat zijn..... Indeterminisme dáár,

determinisme hier.”

Arme anti-Haeckelomaan Mr. Levy! Que diable allait-il faire dans cette

galère?

Zo zou ik, indien nog nodig, in extenso kunnen aantonen, hoe Mr. Levy’s

„Indeterminisme” Münsterberg’s ontijdelike Fichteaans-teleologiese

„apperceptie”, die niet tot de wereld van het zijn of gebeuren, maar tot

het rijk der geldende waarden behoort, ergo buiten alle psychologie en

natuurwetenschap valt, dus eo ipso buiten alle (psychiese of physiese)

causaliteit en die derhalve zomin oorzaak als gevolg kan zijn,—zo

mogelik nòg fundamenteler, nòg gruweliker misvat, dan hij ’t Wundt’s

psychologiese „apperceptie” doet,—door ze kwansuis te plaatsen.... in

het (tijdelik) bewustzijnsproces, het bewustzijnsverloop, als „bewuste

voorstelling”! De haren zouden Münsterberg te berge rijzen als hij

moest zien „welke ontzettend gewichtige, welke albeheerschende plaats”

déze zijn apperceptie dáár, als zódanig, „inneemt” en van welk

„wetenschappelijk indeterminisme” zij als „het steunpunt en het

plechtanker” moet fungeren! Vooreerst, wat zegt de psycholoog

Münsterberg. (Mr. L. houdt hem voor „den wellicht grootsten

psycholoog”) van de apperceptie in het bewustzijnsverloop? Niets meer of

minder dan dat „Wille, Aufmerksamkeit und Apperception psychologisch

einem Zusammenhange angehören, der durch den physischen Kausalbegriff

beherrscht wird”! En dàn de „vorpsychische” „freie Apperception” van

een antipsychologist als de teleoloog Münsterberg door het slijk

gesleurd van Mr. Levy’s bewustzijnsverloop, Mr. Levy’s

dualisties-bovendierlik „indeterminisme”! Münsterberg: „Wir haben

keinen Grund, solche Betrachtungsweise auf die menschlichen Subjekte zu

beschränken, da wir zweifellos auch bei der Berührung mit der Tierwelt

zum Glauben an stellungnehmende Subjekte [dus „Wertung”,

„Behauptung”—Mr. Levy’s inzicht zou, naar bl. 174 van zeker boek,

vertalen: „bewering”!—„Aktualität”, dus.... „freie Apperception”!]

gedrängt sind.” Wederom: Arme Mr. Levy!

De kennistheoretiese betekenis van Wundt en Münsterberg (geestverwant

van Rickert) en hun onderlinge verhouding in psychologie en

wijsbegeerte hoop ik na de voltooiing van mijn op stapel staand werk

uitvoerig in het licht te stellen, dat beide verdienen, al zal dan

Münsterberg niet alleen met zijn psycho-physies materialisme, dat aan

lichaam en ziel weer gelijke ontologiese waarde, i.c. onwaarde, moet

toekennen, maar evenzeer met zijn door reactie tegen dit fatalisme

geboden meta-psychies ethicisme wellicht een van onze principieelste

tegenvoeters blijken in het rijk der gedachte.

[223] Ten aanzien der materie heeft het idealisme eer gronden voor, dan

reden van verzet tegen het „atomisme” (in ruime zin), waaromtrent

trouwens de natuurwetenschap haar eigen rechten heeft. Vgk. boven bl.

174.

[224] Feuerbach’s „Der Mensch ist, was er isst” kan dus alleen het

phaenomeen, het lichaam van de mens gelden (al is dan nog het prius van

’t eten, de begincel, vergeten) en daar de mens nu eenmaal niet zijn

phaenomeen „is”, leert het ons aangaande de mens wat hij wèl is,

omtrent het wezen van de mens, ongeveer even veel als omtrent een

symphonie de lijst van haar luchttrillingsgetallen kan leren aan een

dove. Feuerbach zelf heeft het trouwens heel anders, min of meer

„histories-materialisties” bedoeld.

[225] Gelijk ook in enige van de geschriften van wijlen Prof. Dr. W.

Koster, die getuigen, hoe ernstig deze natuurkundige oud-hoogleraar met

de kennisleer-problemen, met Mach en Ostwald en Ziehen („De Ontkenning

van het bestaan der Materie en de moderne physiologische Psychologie”),

met Kant („Kant’s Noumenale Wereld en de zinnelijke Waarnemingen”) en

met Heymans („Subjekt en Objekt bij zintuigelijke Waarneming”) is gaan

worstelen, te laat helaas, om nog tot klaarheid en het materie-realisme

te boven te komen.

[226] Ook in een andere uitgegeven rede, over „Der Entwicklungsgedanke

in der modernen Philosophie”, toont Stumpf van geen ander „idealisme”

kennis of begrip te hebben, dan van de realistiese stofbezieling, het

hylozoïsme, of „des sog. Idealismus” van de bewustzijnsmaterialisten,

die de materiële processen eenvoudig „als Bewusstseinsinhalte

definieren”. „Aber wer sieht nicht,... dass überhaupt diese ganze

Umdeutung der Materie ein blosses Spiel mit Worten ist?” (p. 53/5).

[227] Van een onnavolgbare zelfbespotting is bl. 32, waar Stumpf, de

realist, aan de samengangsleer—dus ook aan de

krities-idealistiese!—verwijt, „dass sie die Welt unnötig verdopple”

(„wie seinerzeit die platonische Ideen- und Zahlenlehre”, aldus onze

moderne Aristoteles) en dus (wat inderdaad het parallelisties

materialisme aardig typeert) „die Welt durch das blosse

Nebeneinanderbestehen zweier Welten zusammenhanglos werde wie eine

schlechte Tragödie.” (57.)

[228] Wie heeft het ook weer over de vrijheidsleer van de „psycholoog”

Münsterberg?

[229] Ik overdrijf niet. Reeds het eerste positieve, feitelike deel van

het boek: „Das Nervensystem” (5–160) moet in strijdende

localisatie-theorieën verlopen: „Wir mussen uns darauf beschränken,

Denkmöglichkeiten anzudeuten”.... zegt reeds p. 151. Maar het tweede

deel: „Physiologische Erklärungen psychischer Erscheinungen” (161–327)

kan slechts een warwinkel van hypothesen bieden, waaronder wel

kenniskritiese oriëntering wat opruiming zou kunnen houden (b.v. p.

167: „Es herrscht fast völlige Übereinstimmung darüber, dass das

Gedächtnis eine Fähigkeit des Körpers darstelle”—vgk. de kwestie van

pp. 292–7: „Psychophysische Gedächtnishypothese”, of Becher’s slotsom

op p. 327: „Wie man sich aber auch zu dieser Frage stellen mag, die

Möglichkeit eines Zusammenwirkens körperlicher und seelischer Faktoren

im Gehirn (!) wird nicht [?] auszuschliessen sein.”!), maar in welks

duisternis de physiologie nog niet veel licht kan brengen: „So lange

das Wesen der nervösen Erregung, wie so vieler Lebensvorgänge, in

Dunkel gehüllt bleibt, scheint ein Gleiches für das Residuum und die

Ausschleifung gelten zu müssen. Immerhin kann man versuchen, durch

Analogien einiges Licht über die in Frage stehenden Annahmen zu

verbreiten.” (p. 175). Zij moet dan ook aanhoudend spreken als volgt:

„Vorher aber mag, da wir einmal auf durchaus hypothetischem Gebiete uns

bewegen, eine Möglichkeit angedeutet werden”.... „Es erscheint nicht

undenkbar”.... „Wir nehmen nun—um eine aus mehreren

Vorstellungsmöglichkeiten herauszugreifen—an, dass”.... (alles op p.

187). „Doch ist die Voraussetzung, dass.... nicht unmöglich. Es ist

nicht auszuschliessen, dass”.... „Wir haben Hypothesen auf Hypothesen

gebaut, um die physiologische Auffassung des Gedächtnisses gegen

Einwürfe zu schützen. Dabei haben wir uns weit vom festen Fundamente

der Erfahrungstatsachen entfernt, so weit, dass einem vorsichtig

Denkenden leicht die Geduld bei so unsicheren Spekulationen ausgehen

mag. Die herangezogenen Hilfshypothesen vermögen aber immer noch nicht

allen Einwänden gerecht zu werden.” (p. 188). „Hier sind neue Annahmen

vonnöten. Zunächst könnte man auf den Gedanken verfallen”.... „Wenn man

vor kühnen Annahmen nicht zurückscheut, wird man vielleicht einen

Ausweg in der Möglichkeit.... sehen wollen”.... (alles p. 190). „Auch

den Gedanken, dass.... könnte man vielleicht durchführen wollen”....

(191) enz. enz. Zo p. 262: „Das sind Forderungen, die im Sinne der

physiologischen Gedächtnisauffassung zu stellen wären; von einer

Erfüllung derselben durch eine befriedigende Hypothese kann nicht die

Rede sein.” In dezelfde geest p. 292, of p. 273: „Es gibt keine

physiologische Hypothese, die die Entstehung und Bedeutung der

zeitlichen Formen im Seelenleben erklären könnte, ja die auch nur

irgendwie die Möglichkeit einer Erklärung anzudeuten vermöchte.” of p.

303: „Solange die physiologische Gedächtnishypothese auf so schwachen

Füssen steht, kann eine physiologische Hypothese des Urteilens bzw.

Denkens kaum ernsthaft versucht werden.” Men moet de wetenschappelike

nauwgezetheid bewonderen, die Becher in deze trant deed schrijven, naar

de belofte van zijn „Vorwort”: „Diesen Stand der Forschung unter

kritischer Zurückhaltung dem Leser zu verdeutlichen, den Eindruck der

Klarheit, Sicherheit und Vollendung aber zu vermeiden, wo er der

wissenschaftlichen Sachlage nicht entspricht, war überall mein

Bestreben.” Wat volkomen gelukt mag heten.

[230] In Becher’s Meinung „dass diese Welt ‚materieller’ Dinge-an-sich

in der Tat in vieler (insbesondere formaler) Hinsicht mit der

Vorstellung des Physikers von der physikalisch-chemischen Aussenwelt

wesentlich übereinstimmt” proeven wij weer het echte

verdubbelingsdogmatisme, welks weerlegging de taak was onzer kritiek.

[231] „Les hommes médiocres veulent toujours avoir l’air de savoir

mieux que vous ce que vous allez leur dire, quand ils prennent la

parole à leur tour, ils vous répètent avec beaucoup de confiance, comme

ci c’était de leur cru, ce qu’ils vous ont entendu dire à vous-même.”

zegt Ossip-Lourié, Le Bonheur et l’Intelligence.

[232] De hier opgenomen kenniskritiese beschouwingen en polemieken

zullen, inzover ze het in de tekst betoogde vooronderstellen, voor een

deel van mijn lezers wel pas achteraf tot hun recht en hun doel kunnen

komen. Bij het slothoofdstuk kon soortgelijke stof in de noten zelf

reeds gegeven worden.

[233] Vgk. Herm. Cohen, Kants Theorie der Erfahrung², pp. 144, 72, 73,

69, 197. „Zeker, wetenschappelijke overtuigingen zijn

bewustzijnsverschijnselen evenals toorn, begeerte, of de gewaarwording

van rood”: Prof. Kohnstamm, Psychologie en Logica, T. v. Wijsb. 1:4: p.

399. (Over K.’s bezwaren tegen Heymans, m.i. reeds door de „Gesetze u.

Elemente” en explicite door H.’s antwoord gerescontreerd en weerlegd,

ev. nader). Een „waarheid” is een mogelik waar oordeel, gelijk een

objekt een geheel van mogelike gewaarwordingsinhouden is. Terecht wijst

Bolzano op Leibniz’: „propositio, cogitatio possibilis” (cf. Palagyi,

Der Streit der Psychologisten und der Formalisten in der modernen

Logik, p. 19).

De „antinomie”, die Palagyi (o. c.) bij Bolzano meent te ontdekken,

waar deze de waarheden-an-sich, door niemand gekend, tevens als

waarheden-voor-God beschouwt, is makkelik op te lossen: zij berust op

de hypostasering („God”) van het kennistheoreties subjekt van de

waarheid.

Onjuist Pal. zelf p. 28. Zijn behandeling blijft beneden het onderwerp.

[234] Cf. Proleg. § 14, speciaal: „Mein Verstand... schreibt den Dingen

selbst keine Regel vor; diese richten sich nicht nach meinem Verstande,

sondern mein Verstand müsste sich nach ihnen richten” etc.

[235] Zijn minder omzichtige collega, de bekende Dr. Huber, geeft in 3

regels de „weerlegging” „der oberflächlichen Kritik Humes” van het

causaliteitsbeginsel aldus: „Ist es ja im wahren Sinn ein analytisches

Prinzip, principium per se notum, erkannt aus dem Begriffe der Wirkung

[sic], welche notwendig die Abhängigkeit von einer Ursache

einschliesst.”

Als had een Hume het truism geloochend, dat een „gevolg”.... een

„oorzaak” onderstelt! Van oppervlakkig gesproken....!

[236] Ik mag er hier een Nederlands filosoferend rechtsgeleerde wel

even op attent maken, dat hij corollaria vermoedelik met correlata

contamineert tot de hem eigen.... corrolaria!

[237] „Denn es ist sehr was Ungereimtes, von der Vernunft Aufklärung zu

erwarten und ihr doch vorher vorzuschreiben, auf welche Seite sie

nothwendig ausfallen müsse.” (K. d. r. V. p. 571).

[238] „Schon der Satz Kants: ‚dass Verhältnissbegriffe doch schlechthin

gegebene Dinge voraussetzen und ohne diese nicht möglich sind’, macht

diesem Spiel mit Relationen ein Einde” zegt even scherp als juist

Riehl, Kriticismus III, p. 150 tegen Laas.

[239] Zo durft Jerusalem tans nog beweren: „die Wechselwirkung zwischen

psychischen und physischen Vorgängen ist die erste und einzige Form der

Causalität, die wir wirklich erleben”. „Würden wir diese Causalität

nicht unmittelbar erleben, dann könnten wir in der Natur keine

bemerken”. „Diese Wechselwirkung ist darum nicht minder begreiflich,

weil sie mehr als begreiflich ist. Sie ist aber mehr als begreiflich,

weil sie unmittelbar erlebt wird, und somit auch die Quelle alles

Begreifens ist.” (Die Urteilsfunction, 1895, p. 260/2). Vgk. mijn

Slothoofdstuk.

J. leidt ook nog de negatie uit de ervaring af!

[240] Ook Berkeley uit zich reeds in die geest. Hij acht zich te recht

meer in overeenstemming met „Common Sense” dan de Lockianen, maar als

hij the vulgar gelijk geeft in hun opinion: „that those things, which

they immediately perceive are the real things” (p. 359) vergeet hij,

wat hij elders (zie Dial. p. 295 ss.) zo duidelik uitéénzette, dat „the

vulgar” hier dat „perceive” van „things” neemt in de dogmatiese zin van

„image, copy, picture, representation”.

Als hij dus, op de wijze van Ziehen c.s., zijn leer noemt: „this revolt

from metaphysical notions, to the plain dictates of nature and common

sense”, dan heeft hij gelijk, in zoverre „men” met de natuurdingen

niets anders kan bedoelen dan mogelike gewaarwordingsinhouden

(„ideas”), maar geenszins, voor zover „men” 1o. het subject over ’t

hoofd ziet en derhalve hun „subjectiviteit” en 2o. ze beschouwt als

oorzaken van reproductieve gewaarwordingen. Juist wijl dat „perceive”,

of sensible things, voor Hylas afbeelding, reproductie, is van iets wat

er al was, voor Philonous niet, verwijten zij elkaar over en weer

„scepticism”, aantasting van de betrouwbaarheid der zintuigelike

waarneming!

[241] Reeds Philonous heeft tegen Hylas’ vraag: (p. 348. Dial. III.)

„Explain to me now, o Philonous! how it is possible there should be

room for all those trees and houses to exist in your mind. Can extended

things be contained in that which is unextended? Or, are we to imagine

impressions made on a thing void of all solidity?”... enz. zich aldus

verweerd: „Look you, Hylas, when I speak of objects as existing in the

mind, or imprinted on the senses, I would not be understood in the

gross literal sense—as when bodies are said to exist in a place, or a

seal to make an impression upon a wax. My meaning is only that the mind

comprehends or perceives them; and that it is affected from without, or

by some being distinct from itself.”

Cf. ook Collier (o. c. p. 441), geciteerd op bl. 56 noot 2.

[242] Dr. H. W. Ph. L. van den Bergh van Eysinga, Wijsgeerige Bladen I,

Lichaam en Ziel, p. 51. In dezelfde geest Dr. J. D. Bierens de Haan,

over Spinoza, Tweem. Tijdschr. 1897, p. 164 (een indrukkencomplex in de

hersenen wordt tot beeld omgezet door bewustheid) en „De Weg tot het

Inzicht” p. 119 („de omzetting van het hersenvoorval tot

gewaarwording”). Het achterdeurtje door schrijver open gehouden op p.

118: „Wanneer wij nu het argument [sc. „het fysisch argument” tegen het

realisme] ontwikkelen, dan houden wij ons tijdelijk als realisten en

nemen het onafhankelijk bestaan van een objectieve buitengeestelijke

buitenwereld aan, en beschouwen de geheele toedracht gelijk dit in de

natuurwetenschap gebruikelijk is”, laat helaas die „omzetting” niet

door.

[243] Over Lotze’s leesbare ruimte-tekens op die (helaas niet

zichtbare) muur vergelijke men noot 2 bij bl. 165.

[244] Summa Theologiae Ia Qu. 12 art. 2: „Non enim fit visio in actu,

nisi per hoc quod res visa quodammodo est in vidente. Et in rebus

quidem corporalibus apparet quod res visa non potest esse in vidente

per suam essentiam, sed solum per suam similitudinem. Sicut similitudo

lapidis est in oculo”.... (cf. art. 4 ad 3um; Qu. 56 art. 3; Opusculum

49); De Anima II l. 24: „Sensus est susceptivus specierum sine materia,

sicut caera recipit signum anuli sine ferro, et auro.”.... „omne enim

patiens recipit aliquid ab agente secundum quod est agens.”....

„Assimilatur enim caera aurea sigillo quantum ad imaginem, sed non in

quantum est aurum aut aes.”.... „Et similiter sensus patitur a

sensibili habente colorem, aut humorem, idest saporem, aut sonum.”....

[245] Zo praat ook onze Haeckeliaan Domela Nieuwenhuis van „Het Monisme

of de Eenheidsleer” als hij met materialisme bedoelt: „Wij moeten ons

niet schamen materialist te heeten, alsof dit iets minderwaardigs is,

al verkiezen wij met Häckel den naam van Monist.” (p. 32). Maar schamen

moest gij u, dan toch te „verkiezen” zulk varen onder misleidende vlag,

gij die op p. 15 zelf schrijft: „Wil men een nieuw woord: Monisme, mij

goed, ofschoon ik het nut er niet van inzie en vrees dat het de

verwarring vermeerdert, maar laat men eens en vooral duidelijk en klaar

zeggen, dat het Monisme van Häckel, enz. en het Materialisme van

anderen precies hetzelfde zijn en alleen verschillen in naam.”

[246] Verklaring van deze letters z.o.z.

[247] Van elk dezer 4 kan men bij de materialisten in doorsnee nog weer

twee (of drie) nuancen onderscheiden, al naar de geest in aequatieve

(a), consecutieve (b), attributieve, functionele (c), of begeleidende

(d) verhouding gedacht wordt tot stof dan wel tot beweging (of tot

„kracht”, „energie”). Maar onze kritiek gunne hier grootmoedig aan het

materialisme de verwaarlozing dezer onderscheiding, waar zij het toch

reeds met zoveel meer ... onderscheiding bejegent, dan het zich zelf

waardig pleegt te keuren.

[248] Of dit hersenproces door de physica van de materialist atomisties

(als bij Boltzmann) dan wel energeties (als bij Ostwald) wordt opgevat,

is voor de kennistheoretiese waardering van zijn materialisme qua

materialisme natuurlik volmaakt onverschillig.

Voor Dr. Snijders e.a. zou „de zuiver energetische physica” „eene brug

kunnen slaan tusschen het stoffelijke en het bewust-psychische.” Die

brug zou slechts een .... ezelsbrug kunnen zijn.

[249] Deze zelfde § misduidt op de volgende bladzijden Wundt à la

Ziehen, Mr. Levy, Haeckel, Carneri etc. aldus: „De apperceptieleer laat

alzoo den bewusten wil of aandacht ingrijpen in het physiologisch

gegeven verloop der materieele hersenprocessen, zonder zelf in zijn

bestaan aan iets materieels gebonden te zijn. Alle pogingen toch om het

apperceptievermogen te localiseeren in eenig bepaald deel van het

centrale zenuwstelsel leden ten eenenmale schipbreuk.”

Vooreerst grijpt de apperceptie, bij een zuiver parallelisties

phaenomenalist als Wundt, nooit in enig physiologies, materieel proces

in, maar uitsluitend in psychologiese processen, secundo is de „bewuste

wil” enz. voor Wundt natuurlik precies zo in de hersenen

„gelocaliseerd” als elk ander psychies proces en is dus evenmin als

enig ander psychies proces „in zijn bestaan aan iets materieels

gebonden”!—Een materialist of dualist doet wijs, van Wundt af te

blijven. Vgk. noot 2 bij bl. 228.

[250] Over ons Kantiaanse „transcendentaal” en dit soort misduiding tot

het tegendeel schrijft daarjuist (1911) terecht Bruno Bauch in zijn

„Immanuel Kant” (p. 42): „Es mag innerhalb des Gesamtbereichs der

philosophischen Terminologie wenig Worte geben, deren begrifflicher

Sinn, deren logische Bedeutung in so schwerer und verhängnisvoller

Weise missverstanden worden wäre, wie der Sinn und die Bedeutung des

Wortes ‚transzendental’. Dabei ist die Bedeutung des von ihm

bezeichneten Begriffes so wichtig, dass, wenn er einmal missverstanden

ist, auch das Verständnis der ganzen Vernunftkritik vereitelt ist.”

Striemend is dan zijn spot van bl. 43 met dat vulgaire Missverständnis

„im Sinne des Überschwenglichen”, „allem Irdischen Entrückten”,

„metaphysischer, über alle Erfahrung hinausliegender geheimnisvoller

Dinge”, dat in Duitsland doet gewagen van de „transzendentalen Akkorden

Beethovens” of zelfs van de „transzendentalen Magie des Novalis”

(vergelijk ook mijn noot bij bl. 45, hoe du Prel c.s. het

transcendentale hanteren!), dat een Prof. Hermann in zijn Lehrbuch der

Physiologie doet schrijven: „Durch einen höchst glücklichen Gedanken

Charles Darwin’s ist diese Zweckmässigkeit ihres transcendentalen

Charakters entkleidet und auf ein Gesetz zurückgeführt worden”, gelijk

het ten onzent Dr. Kuyper in de 2de Kamer de dragers van rode (dus voor

Dr. K. blauwe) idealen „transcendentale idealisten” doet noemen of Mr.

Levy doet schrijven (Het Indeterminisme, p. 27): „Niet langer zal men

deze leer [van „den Koningsberger”] transcendentaal heeten, nu, met

streng natuurwetenschappelijke gegevens, zij [n.b.!] opgenomen,

geverifieerd, en als grondwet eener nieuwe wereldbeschouwing,

afgekondigd wordt.” (Deze heerlike zin kan eerst ten volle genoten

worden, wanneer men er nog bij weet, dat die „nieuwe

wereldbeschouwing”, waaraan Kant’s niet langer transcendentaal

transcendentalisme deze nog wel natuurwetenschappelike glorificatie te

danken heeft, is.... ik geef het u te raden.... Ostwald’s „Energetiek”,

alias het energeties materialisme! Vgk. Opmm. 2, 46 en 9).

[251] Van „vertooning” (Bolland) zullen wij maar in ’t geheel niet

gewagen, laat staan van „schijnvertooning” (B.).

[252] En van naief-empiristiese en -relativistiese petitiones en

repetitiones principii.

Staaltjes van denk-trant (b.v. uit de Kopfarbeit): „Mit dem Leibe

können wir nur das Leibliche, mit dem Geiste nur das Geistige

ergreifen. Also auch die Dinge besitzen Geist. Der Geist ist dinglich,

und die Dinge sind geistig. Geist und Dinge sind nur in Relationen

wirklich.” (p. 57). „Das Produkt, der Gedanke ist ein Kind, welches von

der Hirnfunktion in Gemeinschaft mit irgend einem Objekt gezeugt ist.”

(ib.). Op bl. 63: „das Ohr nimmt das Hörbare und unser Gehirn das

Allgemeine, das ist das Wiss- oder Erkennbare, wahr.” Op de volgende

bladzij: „Denken ist eine leibliche Arbeit.... Geist ist ein Produkt

der Materie, die Materie jedoch ist mehr als ein Produkt des Geistes,

sie kommt auch noch durch die fünf Sinne uns nahe, sie ist zugleich

Produkt unserer Sinnestätigkeit. Nur solche Produkte, welche uns durch

Sinn und Geist zugleich offenbart sind, nennen wir wirkliche, objektive

Produkte, Dinge ‚ansich’.”—Nu nog p. 79: „Das Allgemeine ist die

Wahrheit. Das Allgemeine ist das, was allgemein ist, das heisst Dasein,

Sinnlichkeit.... Wahrheit und Irrtum sind wie.... alle Dinge der

Welt.... nur dem Masse, dem Volumen oder Grade nach verschieden.

Selbstverständlich sind doch alle Dinge der Welt weltlich”.... etc.

etc.

Dat is op en top Dietzgen, Dietzgen zoals hij reilt en zeilt. Hier hebt

ge maat en peil van zijn kennisleer en zijn metaphysica!

[253] Vgk. Berkeley, Dial. p. 282: „But the causes of our sensations

are not things immediately perceived, and therefore not sensible” en

Kant, K. d. r. V. p. 315: „Nun kann man zwar einräumen: dass von

unseren äusseren Anschauungen etwas, was im transscendentalen Verstande

[wil zeggen: niet in ruimtelike, maar kennistheor. zin: onafhankelik

van ons bewustzijn, het niet-ik] ausser uns sein mag, die Ursache sei,

aber dieses ist nicht der Gegenstand, den wir unter den Vorstellungen

der Materie und körperlicher Dinge verstehen; denn” ... etc.

[254] Natuurlik kan op muziek-aesthetiese problemen, als de vraag of de

muziek àl (Schopenhauer, Liebmann) dan niet (Hanslick) μιμησις,

„Darstellung”, is van gemoedsaandoeningen, hier niet worden ingegaan.

[255] Zuiver daartegenover in zijn Naturphilosophie (Die Philosophie im

Beginn des zwanzigsten Jahrhunderts, Festschrift für Kuno Fischer, door

Windelband c.s., ² 1907) p. 139: „Bewusstseinserlebnisse sind nun

einmal nicht irgendwo, können also auch nicht räumlich mit

Gehirnprozessen zusammen sein.”

Heel goed ook en lezenswaard zijn de dan volgende bladzijden over het

physiese als „Repräsentant” en „Symbol” van het psychiese.

„Gehirnvorgänge verhalten sich zum Bewusstsein wie die Notenzeichen zur

Musik.” (141). Maar zeer bedenkelik is weer de wijze, waarop dan (154

vv.) „die Anschauungsform des Raumes” beschouwd wordt als „eine

Erscheinungsweise” en jammerlik onjuist de reeds Berkeleyaanse

vereenzelviging van het superindividuele subjekt der waarheid,

enerzijds met de rede als „gesetzgebendes Ich”, anderzijds met de

transcendente werkelikheid, gedacht als Welt-Ich.

[256] „Haeresis est maxima, opera maleficarum non credere”! Des te

gelukkiger, dat de zegevierende ontkerkeliking het levend verbranden

zowel van ketters als van heksen onmogelik heeft gemaakt en het smaden

der „Aufklärung” tot onschuldige mode van ieder die z’n diepzinnigheid

respecteert.

[257] Bij de ouden (Aristoteles) was de ziel de vlinder (ψυχη), vgk.

Dante, Purgatorio X: 124–126:

Non v’accorgete voi, che noi siam vermi

Nati a formar l’angelica farfalla,

Che vola alla giustizia senza schermi?

[258] Natuurlik geldt mijn oordeel, hier als elders, uitsluitend het

wetenschappelik-wijsgerig peil en waarheidsgehalte, geenszins ev.

aesthetiese of andere waarden.

[259] Vergelijk dan ook, hoe aan het slot van „De Logica” in 1911 de

idee zich „natuurlijkerwijze” in de natuur verkeert, aldus: „idee van

wording” is... in het latijn verkeerd: „idea naturae”: eeuwig verkeert

zich het „Logische in het Andere, eeuwig is het idee van wording, ‚idea

naturae’. En zoo [!] is de zelfverkeering der Idee natuurlijkerwijze de

Natuur” enz.

[260] Volkomen analoog en even kras is de behandeling van Berkeley en

deze zijn „inconsequentie” door Volkelt’s Erfahrung und Denken, p. 121

ss.

[261] „Die Nerven empfinden Muskelbewegung” zegt b.v. nog Prof.

Bolland, uitg. Hegel’s Geschichte der Philosophie, p. 442, cf. p. 453,

waar B. gewaagt van „der leiblichen Empfänglichkeit für unkörperliche

Erlebnisse, welche sich unmittelbar am Nervensystem denken lassen”!

[262] In deze zijn „Allgemeinverständliche Einführung in die

philosophischen Probleme”, uitnemend geschikt om voor de wijsgerige

problemen de ogen te openen en tot zelfstandig denken te prikkelen,

levert P. Apel een gedegen verdediging van Thiele’s dualisme ten

aanzien van substantieel Ik en Hersenreale, met religieus-monistiese

ondergrond, „Urgrund”, van één „absolute Substanz” als „Welten-Ich”,

een „Philosophie des Selbstbewusstseins”, diep-doordacht, maar helaas

weer gebaseerd op een Kant niet bereikende in pl. van over hem

„hinausgehende” kennisleer, een voorstellings- en denk-idealisme nl.,

dat ten onrechte al ons oordelen tot een „Meinen”, bedoelen, van iets

ànders maakt, op het transcendente laat slaan, doordat het evenzeer

Kant’s tegenstelling tussen kennen en denken miskent, als subjekt en

wezen van Kant’s transindividuele objektieve phaenomenaliteit, die door

ons kennen èn bereikt èn bedoeld wordt—een kennisleer, die dan ook met

haar „kategorie”-gebruik en haar „relatieve waarheid” even veel van

Kant zich verwijdert als ze nadert tot Hegel.

[263] Vgk. b.v. niemand minder dan de Leipziger Professor Johannes

Volkelt, ten deze met Külpe verwant, over „den Unfug, den gewisse

Richtungen mit den Empfindungs- und Wahrnehmungsmöglichkeiten treiben”

(„Die Quellen der menschlichen Gewissheit” 1906 p. 51). Zijn verzet (p.

56 ss.) berust uitsluitend op de miskenning van het onpersoonlik

subjekt dier mogelikheden en deert slechts dat onzinnig

misvattingsprodukt van een voorstellings-„idealisme” (p. 58). Juist

Volkelt’s „kontinuierliche”, „gesetzmässig verknüpfte” „transsubjective

Wesenheiten” der „einmaligen Sinnenwelt” (b.v. de zon), gelijk zijn

„jenseits aller Wahrnehmbarkeit für Menschen” gelegen bewegingen, ja

zelfs die nooit door „ein menschliches Auge” geziene „Gruppierungen und

Umlagerungen von Atomen” zijn kenniskrities niets anders dan zulke

„waarnemingsmogelikheden”, in plaats van „Dinge an sich” („Sonne ‚an

sich’” zegt p. 49) louter immanente objekten, immers in het geheel

hunner eigenschappen afhankelik van vooronderstelde mogelike

waarneming, „mogelik” niet voor enig individu, maar voor het subjekt

der natuur.

Zo vormen niet „die Wahrnehmungsmöglichkeiten”, maar veeleer de

weerleggingen van Volkelt c.s. „eine der gröbsten Selbsttäuschungen,

die es je in der Philosophie gegeben hat.” (p. 60).

Volkelt heeft echter anderzijds gelijk, p. 61: „Auch für den, der in

den physikalisch-chemischen Gesetzen nur sinnbildliche Bezeichnungen

für eine im letzten Grunde geistige Weltgesetzlichkeit erblickt,

besteht die jetzt behandelte Seite des transsubjektiven Minimums

[zeker, in transindividuele maar immanente zin!]. Nur wäre für ihn der

Naturzusammenhang selbst wieder bloss eine Oberfläche [een lelik beeld

voor het kennistheoreties begrip Phaenomeen], die auf ein

metaphysisch-geistiges Geschehen hinwiese.”

Onjuist dan ook p. 108: „Die Vorstellung z.B., dass das Seelische als

ein rein Innerliches, Ausdehnungsloses sich räumlich äussern und

verwirklichen soll, erscheint uns wie ein Widerspruch”, al is het maar

„ein logisch erträglicher Widerspruch”. Vooreerst: het is evenmin een

„Widerspruch”, dat iets onruimteliks eerst in verhouding tot het

waarnemingsvermogen, i.c. de bewegingszin, ruimtelik wordt, als dat

iets ongekleurds eerst aan de mogelike reactie van een kleurzin, waarop

het inwerkt, zijn kleur te danken heeft, en secundo: de énige logisch

erträgliche Widerspruch is deze, dat een „logisch erträglicher

Widerspruch” een logisch unerträglicher Widerspruch is!

[264] Dan was Berkeley consequenter: P. of H. K. s. 112: „I must

confess it does not appear to me that there can be any motion other

than relative; so that to conceive motion there must be at least

conceived two bodies, whereof the distance or position in regard to

each other is varied. Hence, if there was one only body in being it

could not possibly be moved.”

[265] Vergelijk de geleerde (de zetter make van de r geen n)

citatennoot bij deze pagina over de chronologie van „a priori” vóór

Kant, met het art. „a priori” van Eisler’s ontzaglik werk „Wörterbuch

der philosophischen Begriffe”.

[266] Ook Rickert’s objekt-realisme („Die Wirklichkeit wird

Bewusstseinsinhalt genannt, sie bleibt aber nach wie vor die bekannte

Welt, die aus körperlichen und geistigen Vorgängen besteht.”, vgk. ook

opm. 54) definieert in § II van zijn Habilitationsschrift, gewijd aan

het Problem der philosophischen Transcendenz: „Mein Bewusstsein und

sein Inhalt ist also in diesem Falle das Subjekt, und Objekt ist Alles,

was nicht mein Bewusstseinsinhalt oder mein Bewusstsein selbst ist. Wir

werden diesen Gegensatz des Subjekts zum Objekt mit den Ausdrücken der

immanenten und der transcendenten Welt bezeichnen, besonders das Objekt

in diesem Sinne stets das transcendente Objekt nennen.”

Dienovereenkomstig besluit dan § III: „Es ergiebt sich der ‚Satz der

[?!] Phänomenalität’, wie Dilthey ihn genannt nat, wonach Alles, was

für mich da ist, unter der allgemeinsten Bedingung steht, Thatsache

meines Bewusstseins zu sein.”

Met Kant’s tegenstelling immanent—transcendent en Kant’s Phänomenalität

hebben deze van Rickert dus evenmin iets gemeen als zijn „Bewusstsein

überhaupt”, dat denkt („oordeelt”) over „zijnde” werkelikheid (en dat

dus vooronderstelde individuele subjekten en ruimtedingen tot

„immanente Objekte” maakt!) met Kant’s „Bewusstsein überhaupt”, dat

„phaenomenale” werkelikheid (de immanente objektwereld) stelt en

„kent”. Vgk. opm. 54.

[267] Voor Busse, Philosophie und Erkenntnistheorie, p. 258, wordt deze

„Binsenwahrheit” zelfs de enige inhoud, die hij aan „die Kritische

Erkenntnistheorie” zou kunnen toestaan, waarvan hij dan ook terecht

belijdt: „Ich weiss in der That mit ihr nichts anzufangen.” Zo

verklaart hij op p. 154: „Synthetische Urtheile a priori sind, weil in

sich widerspruchsvoll, unmöglich.” Natuurlik, wanneer men onder a

priori verstaat... „denknotwendig”, dus... analytisch!—Even kategories

als p. 149 de synth. oordelen a priori verloochent, even kategories

bevestigt p. 189: „die Zeit aber ist unendlich und hört nie auf”, ja

zelfs: „Die Endlosigkeit der Zeit schliesst die Möglichkeit eines

Aufhören des Seins und Eintreten des Nichts ebenso aus, als sie die

Möglichkeit eines Anfangs des Seins und Aufhören des Nichts

ausschloss.” De fijne sofismen, waarmee deze bladzijden (187 vv.) op de

wijze der scholastiek het causaliteitsbeginsel analyties pogen te

bewijzen, moge de lezer zelf savoureren, na mijn behandeling van Prof.

Beysens ter zake (in opm. 6).

[268] Vgk. Kategorienlehre p. 135: „Nach der

transcendental-idealistischen Ansicht ist aber die intellektuelle [!]

Zuthat [!] der räumlichen Ausbreitung eine solche, durch die das Bild

[!] der transcendenten Realität bloss noch mehr entstellt und

verfälscht, also der Erkenntnisdrang irre geleitet und gefoppt

wird”.... Zie over dit dogmaties begrip „falsch”, nog bij Prof. Bolland

e.a. (ook Busse b.v., Philosophie und Erkenntnistheorie I p. 27, of

Prof. Kohler met zijn realisties dilemma: „in gleicher Weise auch” dan

wel „Trug” en „Fälschung”, in zijn „Moderne Rechtsprobleme” I § 2), bl.

144 tekst.

[269] De lezer vergelijke tans omtrent al de hier behandelde punten

zelf Hartmann’s Kategorienlehre, t.a.v. de ruimte pp. 107–172, ten deze

b.v. p. 129, waar de twee „formell ähnliche [?], aber inhaltlich

heterogene Anschauungen” van gezichts- en tastzin „beide als das

formell ähnliche Abbild eines und desselben räumlichen Dinges an sich

gelten”! Vgk. mijn tekst, bl. 57.

[270] Nooit is Hartmann uit de droom geholpen t.a.v. het

transcendentaal idealisme. Eén staaltje uit zijn Kategorienlehre (pp.

88–90): „Der transcendentale Idealist weiss wohl, dass seine

Vorstellungen [!] von seiner Frau und seinen Kindern in seinem

Bewusstsein in einer bestimmten Succession (erste Bekanntschaft,

Hochzeit, Reihe der Entbindungen) aufgetaucht sind; dass aber zwischen

seinem Bewusstseinsinhalt und dem seiner Frau und seiner Kinder irgend

welches zeitliches Verhältnis von Simultaneïtät und Succession bestehe,

muss er als eine allerdings unausweichliche illusion [!] bezeichnen....

Es ist nicht abzusehen, was es unter dieser Voraussetzung für einen

Wert und für eine Bedeutung hat, dass die zeitliche und sachliche

Uebereinstimmung aufrecht erhalten wird. Für das Einzelbewusstsein, das

von seiner Frau und seinen Kindern doch nur träumend durch magische

Inspiration [!] etwas erfährt, ist es ja ganz gleichgültig, ob diese

gleichzeitig mit ihm die entsprechenden Lebensläufe träumen, oder ob

sie sie vor hundert Millionen Lichtjahren [een duistere lengte.... van

tijd!] geträumt haben oder nach solchen träumen werden.”

Ter zake vergelijke men mijn antwoord aan Prof. Bolland, gegeven in de

tekst bl. 140. Het tijdprobleem kan hier evenwel slechts terloops en in

beginsel besproken worden, vgk. noot 1 bij bl. 21.

[271] Van Prof. Bolland schijnt niets te min om ten onzent school te

kunnen maken: in de Gids van Aug. 1911 zie ik daar zowaar Dr. Julius de

Boer datzelfde zinnetje van Heymans misbruiken tot... illustratie van

een materialisties „Wij zullen weten” (van Nägeli), die bekende

dogmatiese overtroeving van het reeds materialisties „Ignorabimus”!

Men kan Dr. Julius de Boer niets beters gunnen, dan dat hij nog eens

zelf tot het besef moge komen, welk een onnozel mal à propos hij begaan

heeft met dat simpele Heymans-nootje, zo ad hominem als ad rem!

Laat mij toch Prof. Bolland en zijn trawanten een nog veel krasser,

bruikbaarder zinnetje van Heymans om op te azen aanbieden: „Gelijk

herleiding van alle denkovergangen tot logische processen een postulaat

is van de theorie van het denken, zoo is herleiding van alle

natuurverschijnselen tot mechanische processen een postulaat der

natuurwetenschap.” (Causaliteitsbegrip, p. 130) met de overeenkomstige

door Heymans overgenomen uitspraak van een physicus als Rumford: „pour

qu’une hypothèse en physique soit admissible, il faut qu’elle soit

fondée sur la supposition d’une opération mécanique concevable”.

Habetis reum confitentem! Niet alleen „in hooge mate waarschijnlijk”

maar zelfs „postulaat”! Natuurlik geeft Heymans van dat postulaat als

van elk ander de rechtvaardiging, d.w.z. de kennistheoretiese gronden

waarop het berust, met alle vereiste hem eigen exaktheid.

[272] Cf. Kant, die „in der reinen Vernunft selbst forschte, und in

dieser Quelle selbst die Elemente sowohl, als auch die Gesetze ihres

reinen Gebrauchs nach Prinzipien zu bestimmen suchte.” (Proleg. § 4).

[273] Het is in dubbele zin waar: „een ‚Einführung in die Metaphysik’

zal door geen Hegeling geschreven worden.” (Coll. Log. p. 549).

[274] De vraag van Dr. B. d. H. doet denken aan de volkomen analoge

vraag van A. Fouillée in zijn Introduction (Théorie expérimentale et

théorie Kantienne) op Guyau’s Genèse de l’idée de Temps, waarin Kant’s

tijdsleer, altans wat Fouillée daarvoor aanziet, weerlegd wordt, p.

XXI: „Mais où est donc ce seul objet dont nous aurions l’intuition et

qui serait le temps?” Volgens F. houdt nl. Kant de tijd voor een...

„objet transcendental” (p. XXIV)!

[275] Zijn materie-realisme maakt in § 11, Probleme des Strafrechts,

van het Empfindungsleben „etwas, was auf physiologischer Basis ruht” en

dan „wieder Bewegungsvorgänge erzeugen” kan. Ook brengt hem „die

Erforschung dieser Empfindungstätigkeiten zur Annahme freier

Willensentschliessungen”. Maar daarover elders.

Kennisleer contra Materie-Realisme: Bijdrage tot "Kritiek" en Kantbegrip · 第 36 / 36 题