AANTEEKENINGEN

[1] Ik mag hier wel een woord van dank en waardering wijden aan de

uitgever, die in ons kleine land deze uitgave heeft aangedurfd niet

alleen, maar ook zo royaal en keurig doen verzorgen, als de schrijver

het maar heeft kunnen wensen.

[2] Dr. D. G. Jelgersma, Immanuel Kant als Philosoof, p. 1; cf. Dr.

Edm. König, Die Entwicklung des Causalproblems von Cartesius bis Kant

(Leipzig 1888): „Kein Denker kann in unserem Jahrhundert den Anspruch

erheben, die philosophische Gedankenbewegung in irgend eine neue

Richtung leiten zu wollen, der nicht mit Kant sich in ähnlicher Weise

abgefunden hat, wie dieser seinerzeit mit Hume; so ist in der That

alles Philosophiren seit Kant mehr oder weniger von einer Kritik

desselben ausgegangen.” Helaas bewijst ook een Koenig zelf, gelijk heel

het epigonengeschrijf—maar vooral zijn zich „transcendentalisme”

noemende richting, dat met de kritiese termen van Kant nog niet zijn

kritiese zin is overgenomen.

[3] „er, der Erste—und bisher der Einzige—ist es, er allein der gelehrt

und bewiesen hat: alles Wissen stammt aus der Erfahrung” etc.; „die

vieltönige Skala des schnöde verkannten kategorischen Imperativs, des

erhabensten Gedankens, der jemals—seit Christi Erdentagen—von einem

Menschen gedacht wurde” etc.; zelfs heeft Kant „tiefer als irgend ein

Mensch das Wesen des Schönen und das Wesen der schöpferischen Kunst

ergründet” etc. „Schon die blosse Berührung dieses Geistes läutert und

stärkt und heilt” etc. Vgk. noot 1, p. 16.

[4] „Es ist schon ein grosser und nöthiger Beweis der Klugheit und der

Einsicht, zu wissen, was man vernünftiger Weise fragen solle. Denn wenn

die Frage an sich ungereimt ist, und unnöthige Antworten verlangt, so

hat sie, ausser der Beschämung dessen, der sie aufwirft, bisweilen noch

den Nachtheil, den unbehutsamen Anhörer derselben zu ungereimten

Antworten zu verleiten, und den belachenswerthen Anblick zu geben, dass

Einer (wie die Alten sagten) den Bock melkt, der Andere ein Sieb

unterhält.”

Du Bois-Reymond’s „Wereldraadselen” en Haeckel’s antwoord.

[5] Voor de techniese termen schrikke de lezer niet—ik beloof hem

straks Kantisme te geven zonder één enkele niet-vertaalde Kant-term.

Maar gelijk Edelweiss, slechts op eigen alp te plukken, zo is een term

als b.v. „transcendentaal” slechts te begrijpen op de hoogte van het

transcendentaal-probleem, dat geen ander is dan bovengenoemd probleem

der mogelikheid van synthetiese oordelen a priori, aan welks

uiteenzetting mijn inleiding is gewijd.

[6] Hume ontdekte een deel van „het kritiese probleem”—Kant het geheel,

en bovendien een deel van de kritiese oplossing. Kant, door Hume gewekt

uit „den dogmatischen Schlummer”, waarin heel de wijsbegeerte bevangen

was gebleven, eer uit Engeland die dageraadsbazuin had geklonken—en

waarin zo ’t schijnt nog eeuwen na Hume en Kant zelfs de meeste

beoefenaren der wijsbegeerte en bestudeerders van Hume en Kant zullen

blijven voortdommelen.

[7] Voorbeeld: gegeven is alleen: 10 billioen korrels van een stof

bevinden zich in zeker vat. Wat weet gij dan omtrent de plaats van de

10 billioen + 2- of + nde korrel?! Het antwoord kan slechts zijn....

absoluut niets. Zelfs geen zweem van waarschijnlikheid kan hier

logieserwijze ontstaan!—Vgk. nu die „dogmatischen Schlummer” uit de

vorige noot b.v. bij Dr. Wijnaendts Francken, Psychologische Omtrekken,

1900, p. 61: „alhoewel feitelijk de ervaringsgewoonte logisch tot niets

anders voeren kan dan tot een hooge mate van waarschijnlijkheid, terwijl

een absolute algemeen-geldigheid slechts te bereiken is langs een

metaphysisch-speculatieven weg, die zich verwijdert van de zuivere

empirie.” Van ’t zelfde allooi Inleiding tot de Wijsbegeerte, 1905, p.

81.

[8] „Ervaring” hier in de gewone zin (waarvoor Kant bij voorkeur

„Empirie” gebruikt) van waarneming, ondervinding, belevenis, kortom:

het „gegevene”, streng te scheiden van het specifiek Kantse begrip

„Erfahrung” sc. „het geheel der ervaringswetenschappen”, speciaal de

natuurwetenschappen, nog specialer de mathematiese natuurwetenschappen.

Sommige quasi-kantianen scheppen er blijkbaar een behagen in, de

desonkundige menigte te overbluffen met het orakelspreukige: „De

ervaring is slechts de helft der ervaring”, ’t welk overgezet zijnde

dus niets anders betekent dan: Ervaring, waarneming is slechts de helft

der exacte wetenschap. Deze helft is te danken aan de „Sinnlichkeit” =

het waarnemingsvermogen. De andere helft levert het „verstand”, dat de

gegevens der zinnen logies en causaal („kategorieel”) hanteert en

verwerkt.—Op de vereenzelviging van Kant’s „Erfahrung” als objectieve

natuurwetenschap en „Erfahrung” als individuele waarneming berust Kuno

Fischer’s even onkantse als onjuiste onderscheiding tussen een a

posteriori, dat wel, en een, dat niet „empirisch” zou mogen worden

genoemd, en zijn pseudo-kantiaans verbod, de „stof” der „ervaring”, de

gewaarwordingen, als „empirisch gegeben” te beschouwen. Zie zijn

Philosophische Schriften, II, Kritik der Kantischen Philosophie, pp.

166/7: „Empirisch, was uns durch Erfahrung [= indiv. waarneming]

gegeben wird. Nun sind die Empfindungen das Material der Erfahrung [=

natuurwetenschap, objectieve kennis], also zu derselben, nicht durch

sie gegeben; daher sind sie wohl a posteriori, aber nicht

empirisch.”—„Kant soll widersinniger Weise gelehrt haben, dass der

Stoff zur Erfahrung [= obj. wetensch.] durch Erfahrung [= indiv.

gewaarwording] gegeben sei!” Vgk. noot 1, pag. 19.

[9] Geheel en al on-Kants dus bepaalt Riehl (Der philosophische

Kriticismus, I 326–7) zowel het onderscheid tussen syntheties en

analyties als het verschil tussen apriori en aposteriori: „Es wird

nicht aus der Allgemeinheit auf die Apriorität geschlossen, sondern

umgekehrt aus dem Beweise und der Rechtfertigung der Apriorität auf die

Allgemeinheit.”

Natuurlik wordt door Kant de aprioriteit (in zoverre heeft Riehl, p.

327, gelijk) niet „gerechtvaardigd” met „algemeenheid en

noodwendigheid”, maar enkel er uit gekend („Kennzeichen”); algemeenheid

en noodwendigheid beantwoorden niet de quaestio juris, maar de quaestio

facti; in het jargon van Kant: algemeenheid en noodwendigheid dienen

slechts voor „metaphysische Erörterung”, niet voor „transcendentale

Deduction”.

[10] Kant heeft gelijk—dat ware een soort „generatio aequivoca”—in de

zin van een ontstaan uit niets (K. d. r. V. p. 682).

[11] Uit Kant’s geschrift van 1790 tegen Eberhard: „Ueber eine

Entdeckung, nach der alle neue Kritik der reinen Vernunft durch eine

ältere entbehrlich gemacht werden soll”, uitg. Rosenkranz en Schubert I

: 444.

[12] Dat trouwens Ziehen’s polemiek tegen Kant (gelijk ook tegen Wundt)

van a tot z misverstand is, hoop ik in extenso aan te tonen.

[13] De „weters” mogen m’n elementaire verklaringen overslaan, die niet

voor hun geschreven zijn—doch ik merk maar al te zeer, hoe weinig de

kennisleer in ’t algemeen en Kant in ’t biezonder begrepen en gekend

wordt, dank zij vooral de duistere vaktermen, sfinxen, die

schijnraadsels opgeven en de poorten tot de werkelike wijsgerige

problemen versperren.

[14] Eenvoudige voorbeelden: (uit de scheikunde) „goud is een geel

metaal”; (uit de meetkunde): „een trapezium heeft 2 // zijden”; „elk

gevolg onderstelt een oorzaak”; „3 + 2 = 5”.

[15] Voorbeelden dus voor ’t grijpen: „elke verandering heeft een

oorzaak”; „de ruimte is oneindig, de wereldmassa eindig”; alle

bestaansoordelen: „er zijn (geen) goden, atomen, synthetiese oordelen a

priori” enz.; alle geschiedkundige uitspraken enz. enz.

[16] Heymans formuleert nog ietwat zuiverder: deze oordelen hebben geen

betrekking op ervaring—de tegenstelling a priori en a posteriori

vervalt hier dus.

[17] Vgl. Heymans, G. u. El. ², p. 154–155. Zie voorts Opm. 1.

[18] Vgl. Windelband, Präludien, „Immanuel Kant”, p. 131: „Dies

Selbstverständliche nicht zu sehen, ist die Kurzsichtigkeit des

Positivismus: Philosophie im Kantischen Sinne ist die Lehre von eben

diesem Selbstverständlichen.”

Liebmann, Zur A. der W. ², 1880, p. 65: „Wer irgend etwas ohne Weiteres

für selbstverständlich hält, ist kein Philosoph.”

[19] Men lette vooral op dat „mithin ihr Ursprung a priori”. Hier

blijkt zo duidelik, dat uit de noodwendigheid, dus het „gelden” a

priori, voor Kant, terecht, onmiddellik het zgn. „geneties” a priori

volgt.

[20] „Door de resultaten”—roept het huidig Pragmatisme mij zelfbewust

toe. Edoch—de vraag doelt op de toekomst en het antwoord betreft

uitsluitend het verleden! „Maar we verwachten en mogen verwachten...”

Rectissime! Het feit èn het goed recht dier verwachting,—de overtuiging

dat zij gegrond is èn de tot dusver algemene feitelike bevestiging dier

overtuiging— in nuce het psychologiese èn het filosofiese...

causaliteitsprobleem.

Wil nu het pragmatisme zijn verwachtingen op resultaten bouwen, dan

moet het beschikken over... toekomstresultaten—m.a.w. zijn schuld

dekken met... nieuwe schuld!—Exit pragmatismus.

[21] Een „kriticus” als Jerusalem gelooft nog van wel (zie opm. 8),

evenals ten onzent indertijd het empirisme van Opzoomer.

[22] Dat inderdaad dus in een zin, lijnrecht tegengesteld aan die van

Hegel, geldt „Alles Wirkliche ist vernünftig.”—Vgk. mijn antwoord aan

Prof. Bolland, p. 18.

[23] Reeds methodologies schijnt het mij stellig ongeoorloofd, het

feitelik gegevenzijn der synthet. oordelen a priori (in de

wetenschappen) te loochenen, omdat ze een raadsel, een „onmogelikheid”

zouden zijn, en te zeggen, als Bergmann (Untersuchungen über

Hauptpunkte der Philosophie, p. 91 ss.): wat èn a priori is èn

werkelike kennis (niet tautologie), b.v. de meetkundige waarheden,...

moet eo ipso niet-syntheties,—analyties zijn! „Aber eben desshalb, weil

ich sie [sc. „die mathematischen Wahrheiten und das Princip der

Causalität”] für a priori und für wirkliche Erkenntnisse halte, kann

ich sie nicht mit Kant für synthetisch halten.” (p. 95, Ueber den Satz

des zureichenden Grundes). Voor wie zó schrijft (vgk. ook p. 25) heeft

Kant vergeefs geleefd. Hij erkent dan ook zelf, dat hem K.’s oplossing,

te weten het begrip „Form” met z’n geldigheid a priori voor alle

mogelike inhoud of „Materie”, „völlig unverständlich” is gebleven (p.

94). Daar het B. „vollkommen evident” toeschijnt (p. 101), „dass die

Erkenntnis des dreifachen Raumes analytisch ist”,... zou volgens hem

het begrip „vierdimensionele ruimte” een contradictio in adjecto zijn

en zouden de metageometriese axioma’s, als contradictoor aan de Euklid.

grondwaarheden, tegenstrijdigheden moeten opleveren.

[24] Vgl. nu b.v. Kleinpeter, Die Erkenntnistheorie der Naturforschung

der Gegenwart, p. 11: „Wir wissen heute, dass die Wahrheiten der ganzen

Physik und der Geometrie empirische sind” enz. Vgk. p. 8, waar de

„Aufstellung” van de Voraussetzungen (Axiomen, Postulaten,

Definitionen) der Geometrie „der Willkür unterliegt”, mits ze zich maar

„praktisch brauchbar erweisen”!

[25] Reeds hier vat men, hoeveel van Kant’s anti-dogmaties denken

begrepen heeft en begrijpelik kan maken, wie als het universeelgenie

Houston Stuart Chamberlain in een boek van meer dan 900 bladzijden

„nicht die Gedanken sondern das Denken” van Kant den volke wil

verkondigen, en aan de vraag hoe synthetiese oordelen a priori mogelik

zijn slechts in ’t voorbijgaan (tegenover Ostwald’s loochening der

synth. oordelen a priori) enige regels wijdt, die nog bovendien

bewijzen, dat strekking en draagwijdte van de vraag zelf, gelijk a

fortiori van Kant’s krities antwoord, deze Kant-gids verborgen zijn

gebleven.

[26] Kant zegt ook Transcendental-Idealismus, formaler Idealismus. Dat

zijn specifiek Kantse termen, die dus vertaling behoeven, wil een

oningewijde er iets van begrijpen. Ook „idealisme” heeft hier

hoegenaamd niets met aanvaarding van, geestdrift voor, „idealen” of het

„ideële” te maken. Het staat eenvoudig tegenover „realisme”.

[27] „Hat er aber gemeint, dass die Realitäten von den subjectiven

Erkenntnisformen wesentlich verschieden seien, so hat er den Beweis

dafür gerade als Phänomenalist schuldig bleiben müssen.” Külpe als één

voor velen.

[28] De negatie alléén negeert heel het Hegelisme. De negatie is

denkvorm, kategorie—zonder denken dus geen negatie. De stelling: „dat

de waarheid zich weerspreekt” is enkel... dogmaties-verdubbelend

Logos-realisme.

Prof. Bolland vraagt in „Aanschouwing en Verstand” p. 110: „Waarom is

de tegenstrijdigheid in eene onafhankelijk van ons bestaande of

verloopende werkelijkheid even onbestaanbaar als in het verstandige

denken, indien ‚raison’ nièt alles is ter wereld, zoo dingen geene

gedachten zijn en reeds gedachten zelve, gelijk verschijnselen, met

onredelijkheden zijn behept?”

Antwoord: Tegenstrijdigheid is in een onafhankelik van ons bestaande of

verlopende werkelikheid even onbestaanbaar als in het verstandige

denken, omdat onafhankelik van het denken geen negatie, en zonder

negatie geen „tegenstrijdigheid” mogelik is.—Hiermee is elke leer van

tegenstrijdige werkelikheid of werkelike tegenstrijdigheid a priori

weerlegd, „voor wie nu begrip heeft om te begrijpen”.

[29] Zie Opm. 32.

[30] Het eerste, de zelfstandigheid van het psychiese, vindt z’n

kampioenen in Wundt en onze zoveel zuiverder Kantiaan Heymans (Lipps,

Eisler, etc.), tegenover de afdwalingen van Kantianen als Schopenhauer

en Münsterberg, Lange en Natorp, het tweede, wederom tegenover

Schopenhauer en Thiele, Hartmann, etc., wordt eveneens vooral door de

phaenomenalisten Wundt, Heymans, Eisler, Riehl zegevierend gehandhaafd.

[31] Als Kant het probleem der kennisleer ook aldus stelt: „Wie ist

Erfahrung möglich?” bedoelt hij allerminst de diepzinnige lekenvraag:

„Hoe is waarneming, individuele ondervinding, mogelik?”, maar niets

meer en niets minder dan zijn kritiese grondvraag zelf: „Hoe zijn

synthetiese oordelen a priori mogelik?”, aangezien de „Erfahrung”, wel

te verstaan: de algemeen-geldige „objectieve” wetenschap, slechts

drieërlei oordelen bevat: de analytiese, de synthetiese a posteriori en

de synthetiese a priori, waarvan uitsluitend de laatste het

kennistheoreties probleem opleveren, immers de vraag uitlokken, op

welke mogelike gegevens zij logieserwijze berusten, daar, per

definitionem, de oordelen a posteriori zich houden aan het gegevene,

het onmiddellik „ervarene”, „empiriese”, en de analytiese niets meer

bevatten, dan wat in het gegevene logies ligt opgesloten.—Vgk. Proleg.

§ 5 en noot 1, p. 4.

[32] Metaphysica hier in Kant’s strenge zin van leer aangaande het

An-sich, niet als het waarnemings-, maar het bewustzijnstranscendente,

dus niet omtrent het ruimte-stellende onruimtelike (Ik—ander

Ik—Psyche), maar het tijd-stellende ontijdelike, dus het

„bovenzinnelike”, indien ook een „innerer Sinn” met tijdvorm wordt

aangenomen.

[33] Ik verwaarloos hier voorshands tot beter begrip, om in

overeenstemming te blijven met het gewone spraakgebruik, de Kantse

betekenis van „Sinne” met haar onderscheiding in „äussere Sinne” = wat

ieder „de zinnen” noemt, het korrelaat der zintuigen, en de éne „innere

Sinn” met zijn tijd „vorm”.

[34] Van de tijd zal ik hier dan ook alleen spreken, zo ver dat dienstig

blijkt ter vergelijking, om de algemeenste en belangrijkste

misverstanden omtrent de Kantiaanse „idealiteit” van tijd en ruimte te

demonstreren (b.v. aan Hartmannisme en Hegelisme) en uit de weg te

ruimen.

[35] Zie Voorrede.

[36] Cf. uitnemend Riehl (9), Philosophie der Gegenwart, p. 24. Strikt

genomen volstaat ten deze reeds Berkeley’s „idealisme”, dat het begrip

„vorm” nog mist. Maar na Kant is een weerlegging van het ruimterealisme

niet wel meer mogelik, zonder Berkeley’s phaenomenalisme te zuiveren en

op te heffen tot Kant’s „vorm”-kriticisme.

[37] Dit is het „transcendentale” of „formale” of „kritiese” a priori,

in tegenstelling tot het transcendente, dogmatiese,—termen, die ons

langzamerhand volkomen duidelik zullen worden.

[38] Men moet zich daarbij niet al te zeer stoten aan ’t woord „naief”

(„naief realisme”), een moeilik misbare techniese term, de

tegenstelling met „krities” in de zin der „kenniskritiek”. Hier zij al

dadelik gezegd, dat, sinds Kant, met „naief realisme” niet zozeer

bedoeld wordt de leer, die aanneemt, dat de werkelikheid „an-sich” is,

gelijk zij wordt waargenomen (kleurig enz.), (vgk. Wijnaendts Francken,

Inleiding, p. 54), als wel speciaal de Lockese kennisleer, dus het

materie-realisme van materialisten en dualisten, dat „beweging” laat

waargenomen worden als kleur en klank enz., dat beweging, naar wij

zullen zien, een gewaarwordingsderivaat, tot oorzaak van

gewaarwordingen maakt (ten onzent b.v. Dr. J. D. Bierens de Haan, Dr.

H. W. Ph. E. v. d. Bergh van Eysinga e tutti quanti). (10)

[39] Reeds Collier gaf typies uiting aan zijn verzekerdheid, dat het

door ons bestreden realisme dogmaties is, en dus alleen vooroordeel of

misverstand zich tegen de materie-kritiek verzetten kan, in deze

woorden van zijn „Introduction to the Clavis Universalis” (1713): ...

„I shall or can have no other adversary but prejudice”... Zo zegt Kant

van zijn krities onderzoek: „Widerlegt zu werden ist in diesem Falle

keine Gefahr, wohl aber, nicht verstanden zu werden.”

[40] Rousseau: „C’est une manie commune aux philosophes de tous les

âges de nier ce qui est et de prouver ce qui n’est pas.”

[41] Met fijne ironie laat Berkeley in de eerste van zijn Three

Dialogues between Hylas and Philonous, p. 273, zijn Hylas tegenover de:

„sound in the common acceptation of the word” gewagen van „sound in the

real and philosophic sense”, te weten: luchttrilling! Waarop de leuke

vraag van Philonous volgt: „‚Tell me, Hylas, to which of the senses,

think you, the idea of motion belongs? to the hearing?’

„Hyl.: ‚No, certainly; but to the sight and touch.’

„Phil.: ‚Should follow then, that, according to you, real sounds may

possibly be seen or felt, but never heard.’”

(Als Hylas spreekt in 1910 Dr. P. Häberlin, Wissenschaft und

Philosophie, I: 337).

Het valt moeilik, hier met citeren op te houden. Mocht toch „de goede

Berkeley” gelezen en begrepen, dus genoten en bereikt worden, in plaats

van beschoolmeesterd,—naar de karikaturen, die de traditionele

filosofiegeschiedenissen, even hoog zich boven Berkeley verheven

wanend, als diep beneden hem blijvend, plegen te geven uit de zoveelste

hand.

Berkeley blijft met Collier (die niet eens bespot, enkel doodgezwegen

wordt) de ontdekker en betoger der object-immanentie. Zij hebben het

materie-realisme, gemeen aan dualistiese theologen en antitheologiese

materialisten, eerst levensgevaarlik gewond. Kant geeft het de

genadeslag.

[42] Ze onderstellen niet alleen ’n Subject, maar ook slechts één

Subject, ze zijn individueel. Mijn gewaarwordingen a.z. „heeft”

(beleeft, ervaart) geen enkel ander Subject, want welke gewaarwording

hij ook hebbe, het is eo ipso zijn gewaarwording. Mijn gedachten, mijn

vreugde, mijn verlangens heb ik alléén. Eens anders in plaats van eigen

gewaarwordingen gewaarworden, gedachten denken is voor ons eenvoudig

een absoluut-zinledige contradictio in adjecto. Geen „almacht” zelfs

zou met dit vermogen kunnen worden gedacht. In hoeverre desniettemin

individueel bewustzijnsleven al of niet als element of factor behoren

kan en in medewerkend verband staan tot een meer-omvattend bewustzijn,

tot een algemener geestelike eenheid, behoort tot problemen, die hier

onbesproken moeten blijven.

[43] „This perceiving, active being is what I call mind, spirit, soul

or myself.” (Berkeley, Treatise on the Principles of Human Knowledge,

p. 156).

[44] De ontologiese verhouding van een Subject tot zijn belevenissen,

de subjectieve, geestelike, psychiese processen, doet hier niet ter

zake.

[45] Hier is ook het terrein van volstrekte („absolute”) zekerheid—hier

is geen gissen, dus geen ver-gissen,—of ik droom, hallucineer of

„waarneem”, mijn gewaarwording als zodanig, mijn belevenis is

onbetwijfelbaar, mijn oordeel (weten) daaromtrent een onmiddellike,

enkelvoudige waarheid,—waarvan ik zeker ben. Er bestaat dan ook geen

„zinsbedrog”—enkel verstandsbedrog: Berkeley, Dial. III, p. 334: „But

his mistake lies not in what he perceives immediately and at present

(it being a manifest contradiction to suppose he should err in respect

of that), but in the wrong judgments he makes concerning the ideas he

apprehends to be connected with those immediately perceived.”—en

vergelijk Kant, K. d. r. V., p. 261.

[46] En we kunnen zeggen: deze zijn in het Subject, in het Ik, met welk

„in” natuurlik absoluut niets ruimteliks bedoeld wordt; het duidt

alleen dat „individuele”, eigene, exclusieve aan, wat ’t geen „in mij”

is heeft voor mij, zodat het voor niemand anders kenbaar is, aan elk

ander „vreemd” blijft, mijn „eigen” gedachten, enz.

[47] Zo vat A. C. Fraser heel goed Berkeley’s waarnemingsleer samen, p.

125: „Imagination is the only representative faculty. A representative

sense-perception is an absurdity.”

[48] De gronden dezer overtuiging kunnen hier niet worden uiteengezet.

Men raadplege de desbetreffende filosofiese litteratuur. Het solipsisme

is speciaal in de strijd vóór of tegen positivisme en skepsis algemeen

bediskuteerd. Het beste en zuiverste m.i. ook weer daarover Heymans, G.

und E. en Einführung.

[49] Verderop zullen we zien en begrijpen: Dit is niet alleszins juist.

Qua abstracta, die slechts betrekking hebben op het denkbeeldig

(slechts gnoseologies) subject der natuur, bestaan kleuren en tonen

onafhankelik van werkelike, concrete (ontologiese) subjecten.

[50] Zie vorige noot.

[51] Vgk. W. Kinkel, Beiträge zur Erkenntniskritik, p. 83: „Wir

schaffen die Dinge der Erkenntnis nach, nicht dem Sein nach.”

[52] K. d. r. V., p. 320.

[53] Cf. Prolegomena, p. 67.

[54] Cf. ook Riehl, Kr. III, p. 292: „Das wesentliche Ergebniss” enz.

[55] K. d. r. V., p. 73, noot: „Die Prädicate der Erscheinung können

dem Objecte selbst beigelegt werden, in Verhältniss auf unseren Sinn,

z.B. der Rose die rothe Farbe, oder der Geruch”.—Cf. uitdrukkelik ook

Berkeley, s. 99., p. 206, tegen die „odd paradoxes”.

[56] Dietzgen, Streifzüge eines Sozialisten in das Gebiet der

Erkenntnistheorie (Berlin 1905), p. 15: „Welches Bild stimmte nicht

annähernd mit seinem Gegenstande? Mehr oder minder treffend ist doch

jedes Porträt.” Treffend!—p. 31: „Darauf läuft denn die

materialistische Erkenntnistheorie hinaus, zu konstatieren, dass das

menschliche Erkenntnisorgan keine metaphysische Erleuchtung ausstrahlt,

sondern ein Naturstück ist, welches andre Naturstücke konterfeit.”

Evenzo p. 45 ons „Erkenntnisvermögen” als „ein spiegelartiges

Instrument” „welches die Dinge der Welt oder die Natur reflektiert.”

Cf. ook Bolland, Het Wereldraadsel, 1896, p. 83 (Het Objectivisme en

zijne Eenzijdigheid): „In onze geestelijke gewaarwordingen reflecteeren

wij de bewegingsverschijnselen der zicht- en tastbare voorwerpen”.

Insgelijks A. Pierson, Eene Levensbeschouwing, I p. 69.

[57] Uitstekend tegen de „picture”- of „image or representation”

-opvatting der waarneming, tegen „real things” als „archetypes or

originals”: Three Dial., p. 294 s. en cf. P. of H. K. s. 8: „But, say

you, though the ideas themselves do not exist without the mind, yet

there may be things like them, where of they are copies or

resemblances, which things exist without the mind in an unthinking

substance. I answer, an idea can be like nothing but an idea; a colour

or figure can be like nothing but another colour or figure”.... „Again,

I ask whether those supposed originals or external things, of which our

ideas are the pictures or representations, be themselves perceivable or

no? If they are, then they are ideas and we have gained our point; but

if you say they are not, I appeal to anyone whether it be sense to

assert a colour is like something which is invisible; hard or soft,

like something which is intangible; and so of the rest.”

[58] „Da ihre Eigenschaften nicht in meine Vorstellungskraft

hinüberwandern können”, zegt Kant, Prolegomena, § 9, p. 59. Vgk. reeds

Leibniz tot Clarke (Uitg. Janet I, p. 786): „Je ne demeure point

d’accord des notions vulgaires, comme si les images des choses étaient

transportées (conveyed) par les organes jusqu’à l’âme. Car il n’est

point concevable par quelle ouverture ou par quelle voiture ce

transport des images depuis l’organe jusque dans l’âme se peut faire”

etc.

[59] Zo is eigendom het prius van diefstal, evenals de causaliteit het

prius der inductie is, en wie dus de causaliteit uit inductie,

„ervaring”, afleidt, begaat eenzelfde zinledigheid als wie zegt: La

propriété c’est le vol.—Zo is het prius der selectie mooi principieel

aangewezen door D. v. Embden in zijn Darwinisme en Democratie, p. 97

(„veelheid van individuen” enz.). Dit kan dus zelf nooit door selectie

zijn ontstaan! Evenmin de geest uit gewaarwordingen of „ervaringen”

(Carneri!) enz.!

[60] De Duitse kennisleer zegt voor dit specifiek begrip van

„produceren” veelal „setzen”, stellen. Het dageliks leven spreekt van

„krijgen”, een woord uit de naieve opvatting voortgekomen, maar

waartegen voor de rest geen bezwaar bestaat, als men maar waakt tegen

verkeerde gevolgtrekkingen. Kant spreekt ook gewoon van het „gegevene”,

hoewel met het gewone „geven”, in de zin van „overdragen”, niet de

minste gelijkenis bestaat. Ook dat „krijgen” is dus niet een

overkrijgen van elders, doch uit zichzelf te voorschijn brengen, bij de

gewaarwording (in tegenstelling tot b.v. de hallucinatie) als gevolg

der beïnvloeding door het andere, dat „geeft”.

Ook het woord „waarnemen”, „percipere”, (naast woorden als

onderscheiden, κρίνειν, cernere, ‏כק‎, ‏חזה‎, videre, ‏ידע‎) is geboren

uit de naieve opvatting, als had de waarneming de dingen met hun

waarnemingseigenschappen slechts te nemen, op te nemen, zoals ze zijn,

zonder er zelf iets aan te veranderen, af- of bij te doen, terwijl naar

het krities, antidogmaties inzicht het bewustzijn de

waarnemingseigenschappen niet neemt van, maar geeft aan de dingen.

Dat oerdogmatisme vindt men in gecultiveerde staat terug in Hegel’s

Phänomenologie des Geistes (Berlin 1841), p. 86: „So ist nun das Ding

der Wahrnehmung beschaffen; und das Bewusstsein ist als Wahrnehmendes

bestimmt, insofern dies Ding sein Gegenstand ist; es hat ihn nur zu

nehmen, und sich als reines Auffassen zu verhalten; was sich ihm

dadurch ergiebt ist das Wahre. Wenn es selbst bei diesem Nehmen etwas

thäte, würde es durch solches Hinzusetzen oder Weglassen die Wahrheit

verändern.”

[61] Zo b.v. nog typies Dr. Wijnaendts Francken tegen Berkeley,

Inleiding tot de Wijsbegeerte, 1905, p. 63: „Ware Berkeley’s bewering

juist, dan zou het onderscheid tusschen ware voorstellingen en

hallucinaties wegvallen, en men zou het recht missen laatstgenoemden

als onwaar te verwerpen. Voor ons bewustzijn zijn onze gewaarwordingen

de weerspiegeling [n.b.] van een bestaande werkelijkheid buiten ons,

hoe onvolkomen [!] die weerspiegeling ook zijn moge.” (16)—Vgk. over

deze „weerspiegeling” bl. 34, opm. 14 en Berkeley’s eigen weerlegging

P. of H. K. sect. 33.

In diezelfde geest gewaagt Dr. Dèr Mouw, nog verwijlend bij Hartmann,

maar op weg, dunkt mij, naar Kant—Heymans, van „het inzicht in de

hallucinatie-natuur, het droomstofweefsel van het eigen lichaam”, p.

109 van Het absoluut Idealisme.

[62] Zo noemde ze reeds Berkeley, Dial. III, p. 154.

[63] Zelf een produkt van geestelike associatie of „synthese” (Wundt)

uit de beide niet-plastiese onderling verschillende gezichtsbeelden.

[64] Dit is het „sociale” element der objectivatie, waarop Wundt c.s.

en Riehl de aandacht vestigen.

[65] Het inzicht, dat het objectieve immanent, niet transcendent is,

verleidt gemakkelik tot een soort individualistiese overschatting dier

„immanentie”, tot de waan nl., dat het objectieve reeds onmiddellik

binnen het bereik van individueel bewustzijn zou liggen, in plaats van

verstandelike gevolgtrekking te behoeven, als onderstelling. Bij

Berkeley komt dit herhaaldelik voor, bij Kant zo kras mogelik, op een

plaats in de 1e uitgave van zijn K. d. r. V., die hij gelukkig zelf

geheel geschrapt heeft, p. 313 ss.: „Nun sind aber äussere Gegenstände

(die Körper) bloss Erscheinungen, mithin auch nichts Anders, als eine

Art meiner [!] Vorstellungen, deren Gegenstände nur durch diese

Vorstellungen etwas sind, von ihnen abgesondert aber nichts sind. Also

existiren eben sowol äussere Dinge, als ich Selbst existire und zwar

beide auf das unmittelbare Zeugniss meines Selbstbewusstseins, nur mit

dem Unterschiede: dass die Vorstellung meiner Selbst, als des denkenden

Subjects, bloss auf den innern, die Vorstellungen aber, welche

ausgedehnte Wesen bezeichnen, auch auf den äussern Sinn bezogen werden.

Ich habe in Absicht auf die Wirklichkeit äusserer Gegenstände eben so

wenig nöthig zu schliessen, als in Ansehung der Wirklichkeit des

Gegenstandes meines innern Sinnes, (meiner Gedanken), denn sie sind

beiderseitig nichts als Vorstellungen, deren unmittelbare Wahrnehmung

(Bewusstsein) zugleich ein genugsamer Beweis ihrer Wirklichkeit

ist.”—Vergelijk reeds het inzicht van p. 318, over de verhouding van

waarneming en daaruit af te leiden objectieve werkelikheid en de, zij

het ook juiste, petitio principii, „dass ohne Wahrnehmung selbst die

Erdichtung und der Traum nicht möglich sind.” In plaats van het

teruggenomene brengt dan de 2e druk in de zgn. „Widerlegung des

Idealismus”, en de daarbij behorende noot der voorrede, wanhopige

pogingen, om te „bewijzen”, „dass äussere Erfahrung eigentlich

unmittelbar sei”. Kant bedoelt te bewijzen, dat we „äusseren Sinn”,

„äussere Wahrnehmung” hebben en niet „bloss äussere Einbildungskraft”.

Evenwel: „Ob diese oder jene vermeinte Erfahrung nicht blosse

Einbildung sei, muss nach den besondern Bestimmungen derselben und

durch Zusammenhaltung mit den Kriterien aller wirklichen Erfahrung,

ausgemittelt werden.” This is all that I contended for.

[66] „Ding” of „Sache” is hier een door Kant al even ongelukkig gekozen

woord als: „Object-an-sich” of zelfs „transcendentales Object”; wel

sluiten deze woorden aan bij het gewone naieve spraakgebruik, dat ook

met de wereld der „dingen”, der „objecten”, bedoelt het van de geest

onafhankelik gedacht bestaande. De inhoud dier begrippen komt dus vrij

wel overeen, bij Kant en bij het naief (transcendentaal) realisme, maar

heel de omvang, die ze hier hebben, wordt door Kant, door de kritiek,

terecht buitengesloten. Vandaar een hopeloze verwarring. Want bij

„ding” en „objekt” stelt nu eenmaal ieder zich de „empiriese realiteit”

met haar phaenomenale eigenschappen voor!—Zo wordt dan ook heel Kant’s

kennisleer voortdurend vermaterialiseerd doordat men van de

„Gegenstände, die unsere Sinne rühren”... stoffelike voorwerpen

maakt... en dan van de zinnen... zintuigen. Voorbeeld ten onzent A.

Pierson, Wijsgeerig Onderzoek, 1882, p. 48 s. „‚Die Gegenstände rühren

unsere Sinne’. Het is natuurlijk [!] een geheel materieele schok, dien

de zintuigen—Kant schrijft: zinnen—ondervinden, want hij, die de

zintuigen heeft, weet nog niet, dat het voorwerpen zijn [later zegt P.

uitdrukkelik: „stoffelijke voorwerpen”!], die zijne organen op

eenigerlei wijze aandoen.” (Overgenomen, zonder kritiek, door Dr. P. H.

Ritter in zijn m.i. mislukte Heymans-imitatie, de „Schets eener

critische [?] geschiedenis van het Substantiebegrip in de nieuwere

wijsbegeerte” p. 265 s.).

[67] Als had Kant deze „neokantiaanse” misvatting voorzien, zo weert

hij die expressis verbis af:

Proleg. p. 139—140, vooral: „Es ist also kein kontinuierlicher Fortgang

und Annäherung zu diesen Wissenschaften und gleichsam ein Punkt oder

Linie der Berührung. Naturwissenschaft wird uns niemals das Innere der

Dinge, d.i. dasjenige, was nicht Erscheinung ist, aber doch zum

obersten Erklärungsgrunde der Erscheinungen dienen kann, entdecken;

aber sie braucht dieses auch nicht zu ihren physischen Erklärungen; ja,

wenn ihr auch dergleichen anderweitig angeboten würde (z.B. Einfluss

immaterieller Wesen), so soll sie es doch ausschlagen und gar nicht in

den Fortgang ihrer Erklärungen bringen, sondern diese jederzeit nur auf

das gründen, was als Gegenstand der Sinne zu Erfahrung gehören und mit

unsern wirklichen Wahrnehmungen nach Erfahrungsgesetzen in Zusammenhang

gebracht werden kann.” Gulden woorden, die een Hartmann c.s. implicite

nog strenger afstraffen ten deze dan Lange het in Kant’s zin explicite

heeft gedaan.

[68] In de objecten wereld wordt waarschijnlik deze werkelikheid

gesymboliseerd tot de phaenomenale beïnvloeding van een centraal

zenuwstelsel door de ruimtedingen rondom,—de „buitenwereld”.

[69] Heymans (p. 199 Einf.): „die Gesamtheit der möglichen sinnlichen

Wirkungen unbekannter Weltprozesse ins Bewusstsein eines idealen

Beobachters”.

[70] Ten onzent schrijft b.v. de heer P. J. Grotegast, Levensleer 1906,

p. 70: „Het is een feit van waarneming dat de ziel met een ijlen

subtielen band aan het slapende lichaam verbonden blijft”.—Deze

spiritistiese heer praat ook van de „aangeboren [!] denkvormen [!]

Ruimte en Tijd”, van „uit het stofkleed gescheiden zielen”, die zich

naar „eene Denkwereld” oftewel „de intelligibele sfeer, het

transcendente gebied”, alias „een Schimmenrijk” begeven, ja van „dit

kortstondig leven als slechts eene episode van het veel grootere

onbegrensde transcendentale [sic] leven”, van „het droomende wezen,

waar de categorieën buiten werking zijn gesteld” enz. Arme Kant, die

zijn termen aan zulk een milieu, aan zulk een zaak moet lenen, sinds

een du Prel zijn „transcendentale Physik” en „transcendentale

Psychologie”, ja zelfs zijn „transcendentaal Darwinisme” heeft

uitgevonden, met een „intelligibele [d.w.z. spiritistiese!] Welt” en

„transcendentale” Subjecten. Op p. 74 staat: „Voorbeelden dat paarden

en honden spoken en verschijningen zien zijn er te over”! En dan zijn

er nog mensen, die spokenwaarneming durven loochenen! Vgk. opm. 32.

[71] Natuurlik weet Hegel, op de nodige afstand zich houdend van Kant

en van kenniskritiek, uit „der Natur des Begriffs” zu deducieren „die

Notwendigkeit, dass der Raum gerade drei Dimensionen hat”, en gewagen

dus ook nu nog zijn ’tzij idealistiese, ’tzij materialistiese napraters

(Dietzgen b.v.) van de „Denknotwendigkeit” der meetkunde, trots Kant’s

weerlegging nu ja, maar ook trots heel de metageometrie!

Vgk. bij Natorp, Logik, p. 46, „die volle Konsequenz aus den Prämissen

Kants” en p. 49 de Kant toegedichte „Rest von Empirismus”.

[72] Een wellicht uit de door buitenlanders verkeerd gelezen

verduitsing (No-umena) in het Frans en Nederlands overgegane fout is de

uitspraak noemena—in pl. v. no-oemena of, verlatijnst, noümena.

[73] Zo heten Begriffe ohne Anschauung „leer”; zo zegt p. 143, dat

zodanige „Begriffe ganz unmöglich sind, noch irgend einige Bedeutung

haben können”, zo krijgen die „reinen Verstandesbegriffe” „eine

Beziehung auf Objecte, mithin Bedeutung” (p. 148).

[74] Ter afwijzing van een veel verspreid misverstand zij hier alleen

nog opgemerkt, dat de „werkelikheid”, aan het An-sich toe te kennen

(„absolute Position”), volstrekt geen „kategorie” is, hoegenaamd niets

met de „Realität” (= realitas sensatio phaenomenon; „Realität ist im

reinen Verstandesbegriffe das, was einer Empfindung überhaupt

correspondiert; dasjenige also, dessen Begriff an sich selbst ein Sein

(in der Zeit) anzeigt”) of het „Dasein” („in einer bestimmten Zeit”)

van zijn „Kategorientafel” te maken heeft.

[75] Onder „dingen” versta men hier dus vooral niet de

ruimte„dingen”—de „voorwerpen” der natuur, maar Kant’s „afficirende”

„Dinge an sich”,—de van waarneming onafhankelik bestaande

werkelikheden.—Ook Kant dacht hier, naar ik uit tal van plaatsen zou

kunnen bewijzen (vgk. opm. 30), aan tijdelike, en wel met eigen

phaenomenaliteit gelijktijdige, subjectieve, niet-ruimtelike,

niet-materiële werkelikheid, dus het An-sich wel als

van-waarneming-onafhankelik, niet als van-bewustzijn-onafhankelik, dus

niet in de strenge zin van het onvoorstelbaar grensbegrip, waaraan geen

enkel praedicaat meer kan worden toegekend tenzij door negatieve

analogie. Dit is de verklaring van het anders onoplosbaar raadsel, dat

Kant van die beroemde „Widerspruch” van een „affizierendes Ding an

sich” niets gemerkt heeft.—Zie daarover de tekst p. 70 ss.

[76] Men schafte zich uit Reclam’s Universal-Bibliothek de handige

Kehrbach-ed. aan.

[77] Over de zinledige naief-realistiese formulering dezer

subjectiviteit als volgt:

„1. Der Ton ist im Gehirn. 2. Der Ton scheint ausserhalb des Gehirnes

zu sein.”

„1. Das Licht ist im Gehirn. 2. Das Licht scheint ausserhalb des

Gehirnes zu sein.” enz. (Rée) zal ik straks nader spreken. Hoe

gerechtvaardigd is het verzet van Avenarius c.s. tegen deze als tegen

elke materialistiese „Introjectie”! Ook tegen die van Schopenhauer (zie

opm. 50) en dienovereenkomstig Liebmann, Anal. der W.², p. 184: „Die

Sinnesempfindungen... entstehen... erst im centralen Nervenapparat des

Gehirns” en (ibid.): „der Ort des Empfindens (im Centralorgan)”.

Merkwaardig, hoe reeds Collier, Berkeley’s antirealistiese tijdgenoot

en geestverwant, zich in de Introduction van zijn Clavis Universalis

weert tegen dit misverstand: „When I affirm that all matter exists

dependently on mind, I am sure my reader will allow me to say, I do not

mean by this that matter or bodies exist in bodies,” enz... „I must

needs desire to have this remembered, because experience has taught me

how apt persons are, or will be, to mistake me in this particular!”

Een profeties woord!

[78] De oorzaak, dat Kant de „vormen” dier biezondere zinnen over ’t

hoofd heeft gezien, lijkt mij vooral het feit, dat de daarop gebaseerde

synthetiese oordelen a priori van zo weinig wetenschappelik belang

zijn,—en altans in Newton’s mechaniese natuurwetenschap niet voorkomen.

Ik zie daarin dus nog een gevolg van hetzelfde mechanicisme, waartegen

Mach c.s. in onze dagen met reden zich verzetten, dat door Prof.

Heymans principieel is weerlegd, en dat ook b.v. Cohen’s filosoferen

nog geheel overheerst.

[79] Men verwarre niet de zuiver phaenomenalistiese

locaalteken-theorie, te weten, dat de geest eenvoudig de

niet-ruimtelike gegevens als locaalteken leert gebruiken, d.w.z. op de

gegevens van een oorspronkelik ruimtestellende zin zonder transcendente

ruimte betrekt, met de koddige realistiese „locaalteken”-wijsheid van

Hartmann, die ons uit onruimtelike „tekens” met verstand en fantasie de

„subjectiven Gesammtraum” laat afleiden..., die nu... een „adaequaat

Repräsentant” is van de... onafhankelik van de geest... bestaande

ruimte! De transcendente „kleuren” veroorzaken kleurloze „kleurtekens”

in onze geest, die daaruit de psychiese kleuren afleidt... welke nu...

„adaequate Repräsentanten” zijn van de transcendente kleuren!! Ziedaar

in beeld Hartmann’s ruimte-kennisleer, Hartmann’s

„transcendentaal-(ruimte-)realisme”, bedoeld als Kant-verbetering!—Ware

Philosophie des Unbewussten! Zie Hartm., Grundproblem, p. 106–107. (24)

[80] Natuurlik betekent dit „van te voren” niet: vóór dat ik ooit tonen

gehoord heb; uitsluitend en alleen bij „gelegenheid” van toon-ervaring,

van ervaringsgegevens, kunnen mij de formele elementen (dus nooit vóór,

wel pas na ’t gegeven-zijn van „materie”) tot bewustzijn komen. Ik moet

ze abstraheren uit ’t ervaringsgeheel.—Vgk. p. 8 Kant’s uitspraak. Het

verdient dus wel aanbeveling, de term „van te voren” (voor a priori) te

vervangen door „bij voorbaat”.

[81] Zo b.v. Euler (Tentamen Novae Theoriae Musicae, Petropolis, 1739)

en tans o.a. Herckenrath, Problèmes d’Esthétique et de Morale, p. 57

ss.—p. 61.

[82] Ook Leibniz nog b.v.: La musique nous charme, quoique sa beauté ne

consiste que dans les convenances des nombres etc. (Principes de la

nature et de la grâce). (26)

[83] Bolland, Tweem. Ts. ’98, p. 72: „Op geene wijze qualiteit

afleidbaar en begrijpelijk uit de quantiteit.”

[84] Ook tegenover Charles Dunan, Théorie psychologique de l’Espace,

Paris 1895, wiens bestrijding van Berkeley en de école anglaise

contemporaine ons niet deert, wiens betoog voor de ruimte als objet de

perception visuelle niet overtuigt (een en ander op ev. elders uiteen

te zetten gronden) en wiens verzet tegen Kant’s ruimteleer (Chap. VII)

op misverstand berust, daar Kant’s, volgens D. strijdige, „deux

manières de concevoir l’espace a priori” (p. 138 ss.) één blijken, als

men niet het a priori „devançant l’expérience, sinon chronologiquement,

du moins logiquement” evenwel chronologiquement misvat, gelijk D. doet:

„nous nous représenterions d’abord l’espace, et ensuite les phénomènes

dans et par l’espace.”

[85] Zie G. und E. § 55 en Einführung § 23.

[86] Overeenkomstig de drieërlei bewegingsrichting: op-neer,

rechts-links, voorwaarts-achterwaarts.—Is elke bewegingsgewaarwording

een functie van deze 3 soortverschillen, dan is ook elke beweging een

functie van deze 3 richtingen,—en de ruimte „driedimensioneel”.

[87] De ruimtelikheid der dingen is dus een verhouding tot, een functie

van, onze bewegingszin: het produceren van bewegingsgewaarwordingen

wordt op bepaalde wijze verhinderd. Van een „Hemmungssinn” is hier dus

geen sprake. Aldus vervalt m.i. het door Dr. Dèr Mouw op p. 28 van zijn

„Kritische Studies” geopperd bezwaar.

[88] Nog na 1900 is in ons land een wijsgerig-bedoeld theologies

proefschrift verschenen, waarin te lezen staat: „Kant b.v. betoogt, dat

ruimte en tijd de vormen zijn van ons verstand [?], maar niet de dingen

werkelijk eigen zijn”... „Kant echter meent, dat, wanneer wij na

zorgvuldig onderzoek tot de slotsom zijn gekomen, dat een voorwerp een

meter lang is, dit in werkelijkheid zeer goed twee meter zou kunnen

zijn. Door deze onderstelling wordt alle zekerheid weggenomen” enz.

De schrijver verdient, wegens een sympathiek en verdienstelik werk,

later geschreven, dat ik zijn naam hier onvermeld laat.

[89] Elke kennis a priori omtrent die inhoud der ervaring is dus voor

de kritiek principieel onmogelik.

Men geniete de onbewuste ironie der tegenstelling in het volgende

zinnetje van Schopenhauer, V, p. 52: „Dass Zeit und Raum ihrer [?] Form

nach a priori angeschaut werden, hat Kant gelehrt; dass es aber auch

ihrem Inhalt nach geschehen kann, lehrt der hellsehende

Somnambulismus.” (cf. Riehl, Philosophie der Gegenwart, „die Grundlagen

der Erkenntnis”, p. 133). (28)

[90] Wanneer dus Kant de aprioriteit van tijd en ruimte ook

subjectiviteit noemt, dan moge waar zijn, wat Liebmann beweert („Z. A.

d. W.”³ p. 98), dat daardoor „unzählige Missverständnisse seiner Lehre

veranlasst worden sind”, het is nochtans van Liebmann zelf een

misverstand, dat daarin „sogar ein theilweises Sichselbstmissverstehen

liegt.” Het is wonderlik, hoe spoedig men gereed is, telkens als men

bij Kant iets vindt, strijdig met eigen Kantopvatting, te geloven dat

Kant misvat is... door Kant.

[91] Cf. Proleg. p. 165/6.

[92] Cf. Berkeley, P. of H. K. s. 22: „a downright contradiction”, s.

23: „a manifest repugnancy”, en s. 90.

[93] Dit laatste had „de goede Berkeley” al driekwart eeuw vroeger

gezegd, o.a.: sect. 8, Pr. of H. K. (Zie boven p. 35 noot 1).

[94] Uitstekend al ten aanzien der objekten Berkeley, s. 18: „But

though it were possible that solid, figured, moveable substances may

exist without the mind, corresponding to the ideas we have of bodies,

yet how is it possible for us to know this? Either we must know it by

sense or by reason”.—Er volgt betoog der onmogelikheid van elk van

beide. De 3e „mogelikheid”, Hartmann c.s.’ „onbewuste” toverij, heeft

Berkeley „voorbijgezien”, evenals Kant de door Trendelenburg ontdekte

„Lücke”.

[95] Hartmann noemt deze toverij: „Intuition” van de „unbewusste

Vernunft”—Krit. Grundlegung, p. 111: „Erwägt man nun, dass die Dinge an

sich doch nur realisirte Intuitionen der unbewussten Vernunft sind, und

dass es ebenfalls die unbewusste Vernunft ist, welche in unbewusster

intuitiver Weise die Sinnesempfindung nach Maassgabe der in ihr

gegebenen Merkmale zur räumlichen Anschauung formirt (die nun erst

bewusst wird), dann liegt der Gedanke sehr nahe, dass die unbewusste

Vernunft in beiden Fällen sich ein und derselben Intuitionsform

bedienen werde. Es wäre nicht abzusehen, was sie hindern sollte, die

unbewusste schöpferische Intuitionsform des Dinges an sich in der

unbewussten nachschaffenden Intuitionsform der zu bildenden Anschauung

zu wiederholen, oder was sie hindern sollte, die für unsere

Sinnlichkeit intendirte Form des Raumes auch vorweg zur schöpferischen

Intuition zu verwenden.”

[96] Vgk. b.v. Rich. Horn, Der Causalitätsbegriff in der Philosophie

und im Strafrechte, I: C, getiteld: „Kants transcendentaler Idealismus

von Hartmann... widerlegt”.

[97] We weten nu: slechts dogmaties realisme waant deze „natuur”, van

bewustzijn afhankelik als zij is,... de oorzaak van bewustzijn, van

gewaarwordingen, noemt b.v. de rode appel of de beweging van stofdelen

de oorzaak van m’n gewaarwording, terwijl mijn gewaarwording tot die

beweging staat niet als gevolg, maar als een werkelik geval van een

oneindige reeks denkbeeldige, mogelike gevallen. Zie voor het verschil

tussen 1 en 2 vooral b.v. K. d. r. V. p. 182 ss.: „subjective

Apprehension” en „objective Erscheinung”.

[98] Een gedachte van onschatbare waarde in de strijd tegen het

immaterialisties dualisme van Lotze, Thiele, Apel c.s., vóór het

soortgelijk monisme van Kant, Heymans, Eisler c.s. Want is eenmaal het

dogmaties materie-realisme overwonnen, dan gaat de strijd nog

uitsluitend om de vraag: is de natuur Erscheinung van het ons bekende

psychiese, van geestelike werkelikheid, gelijksoortig aan, en aan

soortgelijke wetten onderworpen als, het ons bekende psychiese leven,

of nog van iets anders, heterogeens, waarvan ons dus elke

voorstellingsmogelikheid ontzegd is.

[99] Wie meer plaatsen voor het „An-sich” wil hebben zoeke op: p. 321:

„an sich selbst d.i. ohne alle Beziehung auf die Sinne...”; p. 233;

vooral Proleg. § 13 Anm. II, al. 3 en 4 en § 57.

[100] Vergelijk voor deze onderscheiding wat Bolland noemt: ein Ding an

sich erster Instanz, of te wel „das erkenntnistheoretisch

Transcendente” (voorbeeld: für einen jeden alle andern Ich) tegenover

„das Ding an sich in zweiter Instanz, das Ding an sich im ontologischen

Verstande. In erkenntnistheoretischer Hinsicht giebt es ‚Dinge an

sich’, in ontologischer Beziehung dürfen wir nur von einem einzigen

Ding an sich reden, wobei denn freilich der Begriff Ding oder Substanz

in den des Wesens, der Essenz, umschlägt.” (Wereldraadsel, p. 502). Het

verschil is echter, dat dit „An sich in 2de instantie” voor

Hartmann-Bolland als ontologies dogma staat tegenover het kenniskrities

An-sich. Voor Kant is het daarentegen een zuiver kenniskritiese

hypothese, ter oplossing van het raadsel van een bepaald soort

synthetiese oordelen a priori.

[101] Dat zal ook wel een reden mee zijn, waarom hij dergelijke

gedeelten uit de 2de druk heeft verwijderd;—het tijd-idealisme zag geen

kans, ze te laten staan. In zoverre is dan ook, lijnrecht in

tegenstelling met Schopenhauer’s gangbaar oordeel, de 2de druk juist

idealistieser dan de 1ste.

[102] Een zinnetje als het volgende uit de 1e druk K. d. r. V. acht ik

tekenend voor Kant’s oorspronkelike gedachtengang: „Nun behaupte ich:

die eben angeführten Kategorien sind nichts Anders, als die Bedingungen

des Denkens zu einer möglichen Erfahrung, so wie Raum und Zeit die

Bedingungen der Anschauung zu eben derselben enthalten.” (p. 124).

[103] Dit levert stellig een ernstig te behartigen bijdrage tot de

psychologie van het gezag bij de meest krities-aangelegde geesten! Ten

onzent hebben o.a. Dr. Bellaar Spruyt en de heer P. Bierens de Haan die

fout overgenomen.

[104] Zie Leitf. der phys. Psychologie⁴, p. 265.

[105] Kant zelf noemt nu en dan (b.v. K. d. r. V. p. 258) ’t An-sich

„Ursache der Erscheinung”, evenals hij „Erscheinung” soms neemt niet in

objectieve maar in individuele zin, voor „Vorstellung” of

„Wahrnehmung”.

[106] Heel goed Kinkel, o. c. p. 64.

[107] K. d. r. V. (p. 304): „Wir haben in der transscendentalen

Aesthetik unleugbar bewiesen: dass Körper blosse Erscheinungen unseres

äusseren Sinnes und nicht Dinge an sich selbst sind. Diesem gemäss

können wir mit Recht sagen: dass unser denkendes Subject nicht

körperlich sei, das heisst: dass, da es als Gegenstand des inneren

Sinnes von uns vorgestellet wird, es, insofern als es denkt, kein

Gegenstand äusserer Sinne, d.i. keine Erscheinung im Raume sein könne.

Dieses will nun so viel sagen: es können uns niemals unter äusseren

Erscheinungen denkende Wesen, als solche, vorkommen, oder, wir können

ihre Gedanken, ihr Bewusstsein, ihre Begierden etc. nicht äusserlich

anschauen; denn dieses gehört alles vor den innern Sinn.”

[108] „Als men hem [„de materialist”] namelijk vraagt of hij het

mogelijk houdt dat in ditzelfde vertrek op ditzelfde oogenblik een

oneindige verscheidenheid van hoog en laag georganiseerde wezens,

engelen, demonen, geesten of hoe men ze noemen wil, vertoeft, dan zal

hij dit bij voorbaat ten stelligste ontkennen en al die ideeën

toeschrijven aan mystiekerij, bijgeloof en bakerpraatjes.”

Vermoedelik zal „de materialist” te krities zijn voor zo krities een

ontkenning, want hij is zich allicht niet bewust van voldoende grond

voor zekerheid a priori hieromtrent, te danken aan de machthebbende

kenniskritiek.

Laten wij ons hier vermeien in Leibniz’ ironies antwoord aan Clarke

(die in een brief gelijksoortig vermoeden geopperd had voor het onding

der „ledige ruimte”: „Dieu est certainement présent dans tout l’espace

vide; et peut-être qu’il y a aussi dans cet espace plusieurs autres

substances, qui ne sont pas matérielles, et qui par conséquent ne

peuvent être tangibles, ni aperçues par aucun de nos sens.”):

„Au reste, si l’espace vide de corps (qu’on s’imagine) n’est pas vide

tout à fait, de quoi est-il donc plein? Y a-t-il peut-être des esprits

étendus ou des substances immatérielles, capables de s’étendre et de se

resserrer, qui s’y promènent et qui se pénètrent sans s’incommoder,

comme les ombres de deux corps se pénètrent sur la surface d’une

muraille?” etc... „N’est-ce pas renverser les notions des choses,

donner à Dieu des parties, donner de l’étendue aux esprits? Le seul

principe du besoin de la raison suffisante fait disparaître tous ces

spectres d’imagination. Les hommes se font aisément des fictions, faute

de bien employer ce grand principe.” (Uitg. Janet, I p. 778).

Het is een hoog intellectueel genot, uit de lectuur van Leibniz te

beseffen, over welke verlegenheden en afdwalingen van deze zijn geniale

voorganger Kant ons heen heeft geholpen, en hier de voorbereiding van

problemen en termen van Kant gade te slaan.

[109] Cf. Alfred Binet, L’Ame et le Corps, p. 157: „A ce raisonnement

théorique on pourrait déjà objecter qu’en fait, dans notre vie vécue,

nous ne cessons pas de localiser dans l’espace, quoiqu’un peu

vaguement, notre pensée, notre moi, notre ensemble intellectuel. En ce

moment je me considère moi-même et je me prends comme exemple. J’écris

ces lignes dans mon cabinet de travail, et il n’y a pas de raisonnement

métaphysique qui puisse me faire abandonner cette conviction intime que

mon tout intellectuel est dans cette chambre, du deuxième étage de ma

maison de Meudon. Je suis ici et non ailleurs. Mon corps est ici, et

mon âme, si j’en ai une, est ici. Je suis où est mon corps, je crois

même que je suis dans mon corps.”

Interessante belijdenis van een geloof, dat niet gedacht, van een

gedachte, die niet geloofd kan worden!

[110] De heer v. Eeden zij hier herinnerd aan zijn eigen „Studies” III,

Redekunstige Grondslag van Verstandhouding, § 125, waar hij zijn

mystiek, onveranderlik, „absoluut” („absoluter dan de tijd zelve”) „Ik”

eveneens onruimtelik maakt.

[111] Duidelik vooral Prol. § 32: „Erscheinung d.i. die Art wie unsere

Sinne von diesem unbekannten Etwas afficirt werden”, spec. p. 64:

„Erscheinungen deren Möglichkeit auf dem Verhältnisse gewisser an sich

unbekannter Dinge zu etwas Anderem nämlich unserer Sinnlichkeit

beruht.”

[112] Tenzij gij met „voorstelling” werkelik niets dan individuele

voorstelling bedoelt, „denkbeeld” dus. Dan hebt ge in zover gelijk:

onze denkbeelden („voorstellingen”) omtrent de (immanente) objekten

moeten zich naar die objekten zelf richten... willen zij juist zijn.

[113] Tans waarschijnlik in een afzonderlike rechtsverhandeling (zie

voorrede).

[114] Cf. Russ. Prawda = waarheid = recht; „richtig”, „recht haben”;

juist = juste.

[115] Vergelijk ten deze de onverbeterlike wijze, waarop de Neokantiaan

Bruno Bauch, Ethik, p. 253 s. (Die Philosophie im Beginn des

zwanzigsten Jahrhunderts²) waarheid en zedelikheid (behoorlikheid)

verhaspelt, om te bewijzen, dat de loochening van het behoren

soortgelijke zelfweerspreking zou bevatten als de waarheidsontkenning.

Zijn sofisme berust op de dubbelzinnigheid van „verantwortlich

bewerten”, „dagegen Stellung nehmen”, gebruikt gelijkelik voor

ontkenning van juistheid, en voor ontzegging van zedelike waarde.—Hier

wordt zowel de logica verethiseerd, als de ethica verlogiseerd.

[116] Het is alleen aan een krities genie als H. Cornelius gegeven,

beide tegelijk aan te nemen, het één op grond van het ander, in één

zelfde zinnetje, zie opm. 29. Uitnemend Kuno Fischer, Kritik der

Kantischen Philosophie, p. 266: „Da die Erscheinungen aus den

Eindrücken oder Empfindungen der sinnlichen Vernunft als ihrem Stoffe

hervorgehen, so können diese unmöglich aus jenen erklärt werden, denn

unser Philosoph war nicht der Ansicht, dass die Erde auf dem grossen

Elephanten ruht und der grosse Elephant auf der Erde.” In dezelfde zin

p. 179: „Da sie [die Empfindungen] den Stoff aller Erscheinungen

ausmachen, so können wir sie nicht aus den letzteren herleiten, ohne in

den fehlerhaften Zirkel zu gerathen, erst die Erscheinungen aus den

Eindrücken und dann diese aus jenen entstehen zu lassen; sie können

nicht aus der Sinnenwelt entspringen, da vielmehr die Sinnenwelt aus

ihnen entspringt.” (37)

[117] De enige zin, waarin Berkeley die onderstelling voor zijn

rekening zou hebben genomen, aangezien hij evenmin de transcendente,

niet-zinnelike, oorzaak onzer gewaarwordingen loochent als het bestaan

van andere a.z. onwaarneembare subjecten.

[118] Zeer opmerkelik is de plaats waar, en de licht te bevroeden reden

waarom, Berkeley zelf zich uitdrukkelik verzet tegen „perceivable”

i.p.v. „actually perceived”: Dial. III, p. 329: Daar laat hij Hylas

opperen: „Yes, Philonous, I grant the existence of a sensible thing

consists in being perceivable, but not in being actually perceived”. Nu

voelt Ph. (Berkeley), dat dit „perceivable” realisties gedacht kan

zijn, immers kan betekenen: wat een waarnemingsinhoud kan geven,

evenzeer als, idealisties, wat een waarnemingsinhoud kan worden. Hij

wil nu, natuurlik, alleen dit laatste doen gelden en antwoordt dus:

„And what is perceivable but an idea? And can an idea exist without

being actually perceived?”.

[119] De loochening van de „rerum natura”, van de objecten wereld als

zodanig, noemt Berkeley zelfs „sceptical cant” en hij zelf definieert

nauwkeurig ’t verschil tussen natuurdingen, „real things”, en „chimeras

or ideas of our own framing”, Pr. of H. K. sectt. 27, 30 en 33.

[120] B. is dus nog ruimte-empirist. Het verschil en de overeenkomst

wordt door Kant zelf duidelik geformuleerd: Proleg. p. 165:

„Raum und Zeit, samt allem, was sie in sich enthalten, sind nicht die

Dinge oder deren Eigenschaften an sich selbst, sondern gehören bloss zu

Erscheinungen derselben; bis dahin bin ich mit jenen Idealisten auf

einem Bekenntnisse. Allein diese, und unter ihnen vornämlich Berkeley

sahen den Raum für eine blosse empirische Vorstellung an, die ebenso,

wie die Erscheinungen in ihm, uns nur vermittelst der Erfahrung oder

Wahrnehmung, zusamt allen seinen Bestimmungen bekannt würde; ich

dagegen zeige zuerst: dass der Raum (und ebenso die Zeit, auf welche

Berkeley nicht acht hatte) samt allen seinen Bestimmungen a priori von

uns erkannt werden könne, weil er sowohl, als die Zeit uns vor aller

Wahrnehmung oder Erfahrung, als reine Form unserer Sinnlichkeit

beiwohnt, und alle Anschauung derselben, mithin auch alle Erscheinungen

möglich macht.”

[121] Terecht Kuno Fischer, Kritik der Kantischen Philosophie, (Philos.

Schriften II, p. 185) aldus: „Es heisst die Fundamente der kritischen

Philosophie erschüttern, sobald die Anerkennung der Dinge an sich und

ihre Unterscheidung von den Erscheinungen entweder verneint wird oder

auf unrichtige Art stattfindet.” en in aansluiting bij Schopenhauer, p.

243: „es heisst die gesammte kantische Lehre verneinen oder von Grund

aus verkennen, wenn das Ding an sich überhaupt abgeleugnet oder

demselben die Realität, d.h. der Charakter des Urseienden abgesprochen

wird.” Vgl. ook p. 258 ald.

[122] Deze beide zuiver kennistheoretiese geschriften zijn voor

Hartmann massgebend: al zijn verder werk rust er op en verwijst er

naar, zonder ooit dieper inzicht in Kant en het kritiese probleem te

bereiken, speciaal niet in het speciale „Kants Erkenntnistheorie und

Metaphysik in den vier Perioden ihrer Entwickelung”, 1894.—Enkele

zinnen mogen Hartmann’s verhouding tot Kant in dit werk kenschetsen:

„Man sieht, dass das Problem, mit dem Kant sich beschäftigt, von dem

Unterschiede der analytischen und synthetischen Urteile ganz unabhängig

ist, dass er es mit Unrecht auf die letzteren beschränkt und duren die

Zugrundelegung dieses Gegensatzes nur verwirrt und gestört hat.” (p.

87); „der ganze Boden, auf dem die Kantsche Transcendentalphilosophie

runt, ist deshalb für unsere Zeit gar nicht mehr vorhanden.” (p. 92);

„Die ganze Aufgabe und Arbeit der Kantschen Vernunftkritik hat daher

für uns gar keinen Sinn mehr.” (p. 93)!—Kant’s „vierte Periode”

(1789–1790) echter, zijn „Kritik der Urteilskraft” vindt biezondere

genade in Hartmann’s ogen: Kant „ahnt selber nicht, wie weit er durch

die genialen Konzeptionen seiner vie[r]ten Periode über den formalen

Idealismus der zweiten und dritten hinausgeschritten ist.” (p. 256).

[123] Zelfs Berkeley heeft dit reeds, zij ’t ook niet klaar doordacht,

gevonden en aangeduid:

„Wherever bodies are said to have no existence without the mind, I

would not be understood to mean this or that particular mind but all

minds whatsoever.” (Hier doemt reeds Kant’s „Bewusstsein überhaupt”

op.). „It does not therefore follow from the foregoing principles that

bodies are annihilated and created every moment or exist not at all

during the interval of our perception of them.” (P. of H. K. s. 48).

[124] Deze éne objectieve (coeno-subjectieve) ruimte is dus volstrekt

niet een dier „vele wonderen”, die een „harmonia praestabilita” ter

„verklaring” behoeven. Hier als elders is zulk een harmonia

praestabilita slechts een dogmaties antwoord op slechts dogmatiese

probleemstelling. Men make zich de zaak niet moeiliker dan zij is. De

éne objectieve ruimte staat tot de vele individuele ruimtelike

gewaarwordingen en ruimtevoorstellingen en -begrippen precies zo als

één bepaald objekt, b.v. een knikker met z’n éne kleur en z’n éne

bolvorm, tot de vele individuele knikkergewaarwordingen en

-voorstellingen of -begrippen.—Voor elk dogmaties realisme nl. als

transcendente oorzaak tot gevolg, voor de kritiek met haar

objectimmanentie als ’t zij schema voor, ’t zij systeem van, universeel

mogelike gewaarwordingsinhouden tot werkelike gewaarwording van ’n

individueel subjekt, als abstrakt geheel van mogelikheden tot concrete

gedeeltelike verwezenliking.

[125] Mijn plan was, ook die van Rée en Adickes explicite te

weerleggen. Het komt mij achteraf echter voldoende voor, het implicite

te hebben gedaan.—Belangstellende lezers mogen zelf de proef op de som

nemen, b.v. met Rée’s „Philosophie” of het verdienstelike, schoon zeer

infra-kantiaanse boekje van Adickes: Kant contra Haeckel, of zij deze

en dergelijke realistiese bezwaren tans te boven zijn. Zo niet, dan zou

ik toch mijn doel bij hun waarschijnlik nooit vermogen te bereiken. Zie

verder opm. 39.

[126] K. G. VIII, Kritik der transcendentalen Aesthetik, pp. 118–138.

[127] Aldus b.v. Mr. J. A. Levy, Het Indeterminisme, p. 217, Dr.

Wijnaendts Francken, Inleiding t. d. Wijsbeg., p. 78 (vgk. p. 53: „de

aanschouwingsvormen waarin ons denken zich beweegt”) en de heer P. H.

Hugenholtz jr., Ethisch Pantheïsme, p. 180.

In „Rechter en Wet”, p. 342, luidt het, aangaande Kant, zelfs: „de

denkwetten tijd en ruimte”!

[128] Nog duideliker is dit bij de tijd. Onze kenbron van de tijd is

niet abstractie uit velerlei tijdelike ervaring—immers om tijdeliks te

kunnen beleven, ervaren, om „gelijktijdigheid” van tijdelike

opeenvolging te onderscheiden, om van gelijk blijven of veranderen te

kunnen merken en gewagen, moeten we reeds de tijdzin onderstellen,—al

krijgen we het begrip „tijd” door denkend abstraheren uit het in tijd

(al of niet gelijktijdig enz.) gegevene, i.e. uit getemporaliseerde

ervaring.

Kant zelf zegt het weer zo exact mogelik, hoe ’t met dit „abstraheren

uit de ervaring” staat: p. 186, K. d. r. V.:

„Es gehet aber hiemit so, wie mit anderen reinen Vorstellungen a

priori, (z.B. Raum und Zeit), die wir darum allein aus der Erfahrung

als klare Begriffe herausziehen können, weil wir sie in die Erfahrung

gelegt hatten, und diese daher duren jene allererst zu Stande

brachten.” (Vgk. ook het Kant-citaat van p. 8).

Zo kan, om een voorbeeld te geven, het tijd-empirisme van de edele

Franse peinzer Guyau (wiens werken, schoon ontoereikend in ethicis als

in metaphysicis, stralen van wijsheid en schoonheid), in zijn „La

Genèse de l’Idée de Temps”² 1902, de tijd slechts afleiden uit

gegevens, wier prius ... de tijd is: „Selon nous, le temps n’est qu’une

des formes de l’évolution; au lieu de la produire, il en [!] sort. Le

temps, en effet, est une conséquence du passage [!] de l’homogène a

l’hétérogène”... (p. 119). Evenzeer onjuist is dan de aanvullende

stelling van p. 120: „la variété engendre la durée”: Ook het

onveranderlike, denkbaar en voorstelbaar, heeft zijn nauwkeurig te

bepalen duur.—En „effort” zowel als „intention”, „désirs” en

„souvenirs” vooronderstellen de tijd in plaats van omgekeerd. (40)

[129] Dit laatste was reeds de leer van de jonge Berkeley in zijn Essay

towards a new Theory of Vision, zuiverder nog van alle ruimte-realisme

gereinigd in zijn Principles of H. K. b.v. sect. 44 (p. 177): „The

ideas of sight and touch make two species entirely distinct and

heterogeneous. The former are marks and prognostics of the latter”....

„So that in strict truth the ideas of sight, when we apprehend by them

distance and things placed at a distance, do not suggest or mark out to

us things actually existing at a distance, but only admonish us what

ideas of touch will be imprinted in our minds at such and such

distances of time, and in consequence of such and such actions”.

Tegenwoordig echter is voor de psychologie de secundaire betekenis ook

van de tastzin t.a.v. de ruimte wel een uitgemaakte zaak.

[130] In Brentano’s Psychologie vom empirischen Standpunkt, I, 1874,

vinden we diezelfde „Raumähnlichkeit”, zo waar p. 128 gewaagt van de

„Naturwissenschaft” als zij, die „die Aufeinanderfolge der physischen

Phänomene normaler und reiner... Sensationen auf Grund der Annahme der

Einwirkung einer raumähnlich in drei Dimensionen ausgebreiteten und

zeitähnlich [!] in einer Richtung verlaufenden Welt auf unsere

Sinnesorgane zu erklären suche”. En Ueberweg (System der Logik) „hat...

Unrecht, wenn er die Welt der äusseren Ursachen start raumähnlich

geradezu räumlich, statt zeitähnlich geradezu zeitlich sich erstreckend

denkt.”!

1°. heeft de natuurwetenschap met geen metaphysiese „Annahme” te maken.

2°. is haar wereld juist de ruimtelike!

Vergelijk nog Wahle, o. c. p. 70.

Elk soort gelijkheid of gelijkenis is reeds afdoende weerlegd door

Berkeley, P. of H. K. s. 8, boven geciteerd op p. 35 („an idea can be

like nothing but an idea”).

[131] Voor deze fantastiese „Irrthum” van Kant geeft Hartmann dan de

niet minder fantastiese psychophysiologiese „verklaring”, die ik m’n

lezers niet wil onthouden: Kant was een „visueel” type, „Er stellt sich

die materielle Welt in ihrer subjectiven Erscheinung [?] hauptsächlich

vermittelst des Gesichtssinnes vor; indem er nun die Gegenstände aus

dem Gesichtsfelde hinauswirft, bleibt ihm die Anschauung [?] des leeren

Gesichtsfeldes übrig. Diese Anschauung ist aber eine positive

Empfindung; denn bekanntlich ist selbst das Schwarz eine positive

Empfindung des Sehnerven [!], um wie viel mehr das gewöhnlich zu einem

matten Grau oder auch zu einem gelbroth oder blau angehauchten Grau

subjectiv erhellte leere Gesichtsfeld der Phantasie.” enz... „Dieses

Eindringen der Empfindung wird aber von der Seele sofort auf die

festgehaltene Ortsvorstellung des innern Sehorgans [!] bezogen und so

stellt sich das eben mühsam vernichtete Gesichtsfeld als scheinbar von

dem örtlichen [!] Ich ausstrahlend wieder her. Diese Selbstbeobachtung

scheint mir die Grundlage des Kantischen Irrthums. Um aber den Raum

ganz wegzudenken hat man nur nöthig, gleichzeitig das sphärische

Phantasiegesichtsfeld und das örtlich gefasste Sehorgan wegzudenken”...

[132] Vgk. K. d. r. V. blz. 64 en 65.

[133] Logische Untersuchungen, D1. I. Geen wonder dat een geest die uit

beweging de ruimte en zelfs de tijd te voorschijn wil halen ook nog

even—de geest zelf tot produkt van beweging maakt.—Il n’y a que le

premier pas qui coûte.

[134] Hoe scherp juist Kant onderscheiden heeft tussen de „subjektieve”

wetenschappen, die haar objekten, haar materiaal uit het Subjekt, uit

de denkende en aanschouwende geest zelf deduceren (het terrein der

„relations of ideas”), als de zuivere wiskunde en de logica enerzijds

en de „objektieve” (ervarings)wetenschappen als juist de „natuurkunde”

(„matter of fact”) anderzijds, weet elk ingewijde. Interessant, vooral

tegenover het verwijt van „subjektief idealisme” of ervaringverachtend

„rationalisme” en tegenover de misvatting van Kant’s natuur-immanentie

in ’t algemeen, is b.v. een plaats als K. d. r. V. p. 394, waar Kant

van de natuurdingen zegt: „Dagegen gibt es in der Naturkunde eine

Unendlichkeit von Vermuthungen, in Ansehung deren niemals Gewissheit

erwartet werden kann, weil die Naturerscheinungen Gegenstände sind, die

uns unabhängig von unseren Begriffen gegeben werden, zu denen also der

Schlüssel nicht in uns und unserem reinen Denken, sondern ausser uns

liegt und eben darum in vielen Fällen nicht aufgefunden, mithin kein

sicherer Aufschluss erwartet werden kann.”

[135] Schopenhauer wijkt van Kant’s juist inzicht af in de

tegenovergestelde sensualistiese zin, door de „Anschauung” intellectual

te noemen en te bedoelen, dat het intellekt „aanschouwing” vermag te

geven; zie zijn Kritik der Kantischen Philosophie, I pp. 558–568 en

mijn weerlegging, opm. 18.

[136] „The Theory of Vision Vindicated and Explained” (1733) sect. 42.

[137] Een onzer Bolland-discipelen toont zijn begrip van Kant’s „vorm”

aldus: „Nu moet dus het algemeene ervaringsmateriaal (wat Kant de

‚vorm’ daarvan [?] noemt p. 32) [bedoeld is ed. Ros.] worden geschift

en moet er worden onderzocht, wat er beantwoordt aan de beide

vooronderstellingen [!] aangaande het objectieve en het subjectieve in

die ervaring. Het subjectieve gaat bij Kant geheel weg” etc.!—Had niet

Hegel in § 42, Kl. Logik, gewaagd van Kant’s: „Formen (das Allgemeine)

des Anschauens”?

Dezelfde schrijver legt een bladzij vroeger Kant’s (transcendentaal)

„idealisme” gepaard met „empirisch realisme” aldus uit, dat „het

nadenken noch mag besluiten, dat de dingen alleen geestesspinnewebben

zijn, noch dat zij zoo maar voor zich, onafhankelijk van het bewustzijn

bestaan, maar beide moet aannemen [sic!] als keerzijden van dezelfde

intellectueele aanschouwing.”!

Zijn „de dingen” hier de „voorwerpen aller waarneming” (waarvan het

verband en de schrijver zelf spreekt) dan weet nu mijn aandachtige

lezer, dat men naar Kant’s leer in pl. v. „beide moet” juist geen van

beide mag aannemen, nòch dat zij geestesspinnewebben zijn, nòch dat zij

onafhankelik van het bewustzijn bestaan.

Zijn het, bij geval, de transcendente dingen, ook dan zijn ze naar Kant

niet geestesspinnewebben, maar bestaan wel onafhankelik van het

bewustzijn.

Zo illustreert deze exegeet de woorden, die hij terecht op de

geciteerde laat volgen: „Het is minder makkelijk, Kant te begrijpen dan

te banaliseeren!”

[138] Terecht merkt W. Kinkel op (Beiträge zur Erkenntniskritik, p.

19): „Es wäre vielleicht vorsichtiger gewesen und hätte auf alle Fälle

vielen Missverständnissen und Streitigkeiten vorgebeugt, wenn Kant

überhaupt statt von den ‚reinen Anschauungen des Raumes und der Zeit’

nur von den ‚reinen Anschauungsformen des Raumes und der Zeit’

gesprochen hätte.”

[139] Voor de niet-onvermakelike tegenstelling vergelijke men de

„Aesthetik” van Hegel, met zijn geestige „sinnliche Unsinnlichkeit” en

„unsinnliche Sinnlichkeit” en wat dies meer zij.

[140] Onze exegeet der „Groote Denkers”, Dr. A. H. de Hartog, schrijft,

„Kant” p. 13: „Het begrip koe b.v. komt met het begrip paard in

zooverre overeen, dat beide zoogdieren zijn” ...! Begrippen, zo

vervolgt het betoog, komen onderling deels overeen, deels verschillen

ze. Tijd en ruimte „verschillen slechts” ... zijn dus geen begrippen!

Ziedaar hoe Dr. de Hartog Kant ... vertaalt. Traduttore—traditore.—Men

bewijst zulk een Kant-voorstelling misschien nog te veel eer door de

terechtwijzende opmerking: Evenals paard en koe beide zoogdieren zijn,

precies zo zijn voor Kant tijd en ruimte beide „Anschauungsformen”,—en

evenals de begrippen paard en koe species zijn van het begrip zoogdier,

precies zo zijn voor Kant de begrippen tijd en ruimte gesubsumeerd

onder het genus-begrip Anschauungsform.—Terloops: juist Kant heeft de

verhaspeling van het subject eens oordeels en het subject-begrip,

waaruit alle ontologisme leeft, zowel de vóór-Kantiaanse wereldwijsheid

als het Hegelisme, principieel vernietigd: „bestaan is een eigenschap

niet van het subjectbegrip, maar van het subject” ... deze éne zin

stoot niet alleen elk „ontologies bewijs” omver, maar tevens elke

speculatieve „rationele” metaphysica. Herbart vond hier naar men weet

Kant’s hoofdverdienste!

[141] „Der Raum ist kein diskursiver oder, wie man sagt, allgemeiner

Begriff von Verhältnissen der Dinge überhaupt, sondern eine reine

Anschauung. Denn erstlich kann man sich nur einen einigen Raum

vorstellen, und wenn man von vielen Räumen redet, so verstehet man

darunter nur Theile eines und desselben alleinigen Raumes.”

[142] In tegenstelling ook met de door Hartmann’s scherpzinnigheid hier

vergeefs tegen Kant’s genialiteit aangevoerde alomvattende begrippen:

Universum oder Weltall, das Absolute, p. 128 Kr. Glg. en de noot

aldaar! ’t Verschil is maar dat ieders bewustzijn Kant’s opmerking bij

enige bezinning als juist moet erkennen, de door Hartmann daar

tegenover gestelde bewering als een absurditeit. Immers, elk ruimteding

heeft z’n plaats in, vooronderstelt, de hele éne oneindige ruimte, maar

vooronderstelt in geen enkel opzicht het bestaande Universum!

[143] „Diese Theile können auch nicht vor dem einigen allbefassenden

Raume gleichsam als dessen Bestandtheile, (daraus seine Zusammensetzung

möglich sei), vorhergehen, sondern nur in ihm gedacht werden. Er ist

wesentlich einig, das Mannichfaltige in ihm, mithin auch der allgemeine

Begriff von Räumen überhaupt beruht lediglich auf Einschränkungen.”

[144] „Hieraus folgt, dass in Ansehung seiner eine Anschauung a priori,

(die nicht empirisch ist), allen Begriffen von denselben [lees:

demselben] zum Grunde liege. So werden auch alle geometrischen

Grundsätze, z.B. dass in einem Triangel zwei Seiten zusammen grösser

seien als die dritte, niemals aus allgemeinen Begriffen von Linie und

Triangel, sondern aus der Anschauung und zwar a priori mit

apodiktischer Gewissheit abgeleitet.”

[145] „Der Raum wird als eine unendliche Grösse gegeben vorgestellt.

Ein allgemeiner Begriff vom Raum (der sowohl einem Fusse, als einer

Elle gemein ist) kann in Ansehung der Grösse nichts bestimmen.” (1e

dr.). „Nun muss man zwar einen jeden Begriff als eine Vorstellung

denken, die in einer unendlichen Menge von verschiedenen möglichen

Vorstellungen (als ihr gemeinschaftliches Merkmal) enthalten ist,

mithin diese unter sich enthält; aber kein Begriff, als ein solcher,

kann so gedacht werden, als ob er eine unendliche Menge von

Vorstellungen in sich enthielte. Gleichwohl wird der Raum so gedacht

(denn alle Theile des Raums ins Unendliche sind zugleich). Also ist die

ursprüngliche Vorstellung vom Raume Anschauung a priori und nicht

Begriff.” (2e dr.).

[146] Deze redenering tegenover Kant, hoe verbijsterend ook, is in de

Duitse filosofie niets ongewoons. Zo constateert het Kant aangewreven

Ding-an-sich-loos en Subject-loos „Transcendentalisme” van Edm. König

(Die Entwickelung des Causalproblems) enerzijds, waar het met Kant’s

psychologies Subject geen weg weet, „auf jeder Seite der Kritik” (p.

29) van Kant ... verloochening van Kant’s Transcendentalisme, terwijl

dan nog anderzijds Kant’s Ding-an-sich „nur einen unwillkürlichen

Rückfall in den naiven Realismus bezeichnet” (p. 333), niets is, dan

„eine absichtliche oder unabsichtliche Anpassung an die naiven

Vorstellungsweisen” (p. 335) van „den undurchführbaren dogmatischen

Standpunkt”... Ergo dient men ongeveer elke bladzij van Kant ...

„schlechterdings als unkantisch zu verwerfen” (p. 297)! Tot zulke

Kantianen zou Kant (naar het bekende: „Ich bin kein Marxist” van Marx)

nederig moeten erkennen: „Ich bin kein Kantianer”.

[147] Dat reeds, naar Riemann en Helmholtz hebben bewezen, in het

axioma der rechte lijn:—tussen 2 punten in de ruimte is slechts éne

rechte lijn mogelik—, de oneindigheid der ruimte analyties ligt

opgesloten, is door onze realisten, die aan de eindigheid der ruimte

huns ondanks wel moeten (trachten te) geloven, stellig over ’t hoofd

gezien; zij hadden anders wel de moed der consequentie gehad, ook dit

axioma te loochenen!

[148] Vergelijk hierover Berkeley’s New Theory of Vision en Principles

of Human Knowledge passim; voorts Heymans’ Gesetze und Elemente § 55 en

de daar geciteerde plaatsen van Helmholtz.

[149] Wel berust voor Kant de veelheid der bepaalde ruimte-delen

slechts op „Einschränkungen” van de vooronderstelde hele éne ruimte,

zie noot 3 bij bl. 116 en Kant’s 5e tijd-argument.

[150] Dit strekt dus nog verder dan de werkelike, immanente,

ruimtedingen: „ob es Dinge gebe, die in dieser Form angeschaut werden

müssen, bleibt doch dabei unausgemacht”, een plaats van Kant, die door

Hartmann heerlikerwijze op dezelfde pag. misduid wordt als K.’s énige

„Ahnung” van H.’s „Einsicht”, dat „die Gültigkeit der mathematischen

Gesetze für die Dinge an sich” (!) zou zijn „nur Hypothese, keineswegs

apodictische Gewissheit”, n.b. meetkunde t.a.v. Kant’s ruimteloze Dinge

an sich!!

[151] „Alzoo moet al het andere, alles wat de ruime, voor mijn blikken

zich uitspreidende Natuur met haren onmetelijken inhoud van die poovere

zenuwprikkelingen onderscheidt, van binnen (ik bedoel uit mijn eigen

gemoed) afkomstig wezen.” Het materialisties aperçu: wat „eigenlik”

zenuwprikkeling (of liever hersenbeweging)... is, daar maken we de

„grote” gewaarwordingswereld van! (vgk. ook de volgende noot).

[152] Een aardige illustratie levert hier Dr. de Hartog’s „Kant”, p.

16/17: „Als we ons b.v. een lijn mathematisch voorstellen, dan is onze

geest hierbij niet allereerst receptief maar spontaan werkzaam. Ook op

een andere wijze kunnen wij dit nog, zij het al niet in den zin van

Kant, aantoonen. Wanneer ik een voorwerp buiten mij, b.v. een stoel

waarneem, dan wordt dit gezichtsbeeld in mijn geest gewekt, doordat

lichttrillingen, door dien stoel teruggeworpen, op het netvlies van

mijn oog treffen, vandaar door de gezichtszenuw tot de hersenen worden

voortgeleid om in de hersenmassa moleculentrillingen te wekken. Bij dit

proces hebben we dus als eindresultaat niets dan intensieve [?!]

moleculen-trillingen der hersenen binnen de kleine ruimte van de

schedel te constateeren. Hoe komt het nu dat wij naar aanleiding [?!]

van die intensieve beweging der hersendeeltjes extensief, uitgebreid

naar de ruimte, dien stoel in zijn volle breedte en hoogte, als buiten

ons plaatsen? Dit kan alleen geschieden, doordat onze geest spontaan,

naar aanleiding van de intensieve trillingen, den stoel, in den

aanschouwingsvorm der ruimte, extensief buiten zich zet. Hier blijkt

derhalve in onzen geest spontaan (de extensieve ruimte tengevolge van

de intensieve trillingen) iets nieuws geboren te worden.”

Dit soort ruimte-realisme ter bestrijding van het ruimte-realisme

levert dus, naar analogie van Taine’s „ware hallucinatie” een... ware

illusie!

[153] Dogmaties, immers berustend op de gedachte: het zien zou niet

bedriegelik zijn, indien wij iets konden zien (?) zo als het is,

onafhankelik van het gezichtsvermogen,... indien het zien eenvoudig was

een reproduceren, een weergeven zonder meer.

[154] Het is een soortgelijke dogmatiese gedachte, „vormen” onzer

kennis (als tijd en ruimte) te beschouwen als „Schranken” onzer kennis;

zo Herbart hier en daar, Schopenhauer passim en Erhardt (Metaphysik I,

Erkenntnistheorie, p. 426); of te spreken van „une forme imposée à

notre sensibilité” als van „la prison dans laquelle cette sensibilité

est enfermée” (Poincaré, La Valeur de la Science, p. 66).

Evenals ons eigen karakter het tegendeel is van een kerker onzer

vrijheid, immers de voorwaarde zelf aller vrijheid, zo is het eigen

schema, de eigen wettelikheid van ons kennen het tegendeel van een

beperking, immers „Bedingung” zelve der kennis.

[155] Cf. p. 352 (Het Godsbegrip): „de stoffelijke omgeving, waarin wij

ons schijnen te bevinden, is slechts eene onbewuste objectivatie onzer

eigene, in zich zelve ruimtelooze zenuwaandoeningen”...!

[156] In dezelfde geest, vol van alle boven behandelde fouten, Zuivere

Rede, p. 27, „En gaat het ding enz.” en passim.

Bij een Ostwald heet dit „energetisme” en is weer het onvervalste

materialisme.

[157] Dezelfde fout die Berkeley tegen Newton begaat ss. 111–118 van

zijn Pr. of H. K. Merkwaardig, hoe consequent Berkeley ook weer in z’n

relativisme blijft, 112: „Hence, if there was only one body in being,

it could not possibly be moved.”

[158] Prof. Bolland getuigt van zichzelf ergens tot zijn collegianten,

dat hij niet bij Hartmann is gebleven, o.a. omdat hij „leerde zien,

waar hij het vandaan had”... „en dan vooral: ik had een te ‚Kantisch’

kritischen geest.”

[159] Dezelfde foutieve onkantse tegenstelling tussen Ding-an-sich en

„een subjectieven schijn, waarin we nooit eigen ikheid te buiten gaan”

wordt Kant aangewreven Coll. Logicum, p. 61, p. 75 enz.; ook de andere

misvattingen omtrent Kant en zijn gewaand „subjectivisme”, in de tekst

naar verdienste behandeld, kan men alle herhaald vinden in dit werk (p.

63 ss.).

Men ziet reeds de trots waarmee de jongelui naar huis gaan, als ze op

college gehoord hebben, na de bekende tiraden „dat het ware dit is,

zich in zichzelf te onderscheiden” enz.: „als u dat hebt begrepen, dan

bent u verre uit boven de vraag: hoe zijn synthetische oordeelen a

priori mogelijk?” (p. 144). De stakkers! Voorwaar, „daarbij mogen wij

dan wel meteen met een glimlach zeggen, dat men zich ook wel kan

verbéélden, boven iets uit te zijn, wanneer men er eigenlijk beneden is

gedaald.” (p. 144/5).

Het is niet zonder diezelfde glimlach dat schrijver dezes leest hoe

Prof. Bolland tot z’n studenten getuigt: „Ik moet zeggen, dat het mij

haast niet meer doenlijk is, Kant te lezen. Want ik lees bij hem haast

geen regel, of ik zie een geval van achtenswaardige ondoordachtheden.”

Kennisleer contra Materie-Realisme: Bijdrage tot "Kritiek" en Kantbegrip · 第 35 / 36 题