3. DOGMATIESE KANTVERHEGELING.

Was „Het Wereldraadsel” van de Hartmanniaan Bolland in begrijpen en

bezonnenheid verre vóór Kant’s kritiek blijven staan—ook de „Zuivere

Rede” van de Hegeliaanse Prof. Bolland heeft het eo ipso slechts tot

zuiver misverstand van Kant gebracht: We krijgen tans Hartmann’s voor

een deel reeds aan Hegel ontleende fouten opgedist in het methodies

dialekt van Hegel’s „dialektiese methode”. Ook hier dus die

tegenstelling van het „ding voor mij” en het „ding op zichzelf”, dat

als... voorwerp in de ruimte wordt gedacht, terwijl het ene tot het

andere („van zichzelf”) staat als... uitwerksel tot oorzaak, als

„uiting” tot... „kracht”, als „verschijnsel van het voorwerp” tot „het

wezen van het zakelijke”:

„In zooverre nu echter bij vooronderstelling van bestaanbare

zakelijkheid en zakelijke bestaanbaarheid zonder tegenstrijdigheid

veeleenige waarneembaarheid als een zich weersprekend ding voor mij

slechts een schijn voor mij zal heeten, zonder dat toch de

waarneembaarheid gedacht worde buiten betrekking tot de werkelijkheid

van een ding [B. bedoelt: zonder Hartmann’s Traum-illusionismus!] tot

een ding in de werkelijkheid, is het ding voor mij het van het ding op

zichzelf [!] verschillende voorwerp; als schijn van het voorwerp, dat

geacht wordt aan het ding op zichzelf zijne waarheid te hebben, heet de

schijn [bij Bolland’s misverstand] ook weer geen (wezenlooze) schijn,

maar (wezenlijk) verschijnsel, het verschijnsel van het voorwerp [een

„verschijnsel van het voorwerp” in pl. v. het voorwerp zelf

„verschijnsel”!], dat zich verhoudt [=?] tot het ding op zichzelf als

tot zijn eigenlijk [!] wezen. Zoo bestaat het ding op zichzelf

eigenlijk [sc. voor B.’s misvatting] ook weer niet op zichzelf;

weloverwogen is het dan ook niets anders dan het onondervondene en

algemeene wezen van het zakelijke gegeven, de ononderscheidenheid van

het zijn des veeleenigen dings” en wat dies meer zij....

... „Het wezen van het voorwerpelijke zijn, dat als onbekend gesteld

wordt, is uiteraard alleronzakelijkst.—Doch onbekend is het eigenlijk

niet. Want het voorwerpelijke zijn zonder meer is als zoodanig of in

zijn wezen een zijn in de ruimte”... (p. 23 ss.).

Ziedaar dan uw „wezenlijke” bedoeling, uw Hartmanniaans

materie-realisme, uitgewerkt op p. 27:

„En gaat het ding in het verstand uiteen tot een ding voor mij en een

ding op zichzelf, die zich als uitwerksel en oorzaak verhouden [n.b.],

dan verhoudt het zich tot het andere van zichzelf meteen als de uiting

tot de kracht. Want ‚kracht’ is de naam voor de oorzaak van het als

uiting (of veruitwendiging) aangemerkte verschijnsel, voor de

werkelijkheid, die achter het verschijnsel onwaarneembaar werkzaam

wordt geacht.”

Van de phaenomenale zin dier „krachten”, in tegenstelling tot Kant’s

„op zichzelf” mist Prof. Bolland dus elk begrip. En aan zijn

Hartmanniaanse, dogmatiese tegenstelling tussen het „ding voor mij”,

alias de individuele gewaarwordings- of voorstellings-inhoud van wat

Bolland noemt het „empirisme”, en het ding op zichzelf, alias het

natuurobject, als voorwerp van zgn. „metaphysica” (een waarlik even

Hegeliaanse als materialistiese eenheid van metaphysica en ...

physica!)... wordt nu door Bolland’s kritiekloosheid zijn (?)

„geestelijke vader” Kant opgehangen!

Men hore:

„het [sc. wetenschappelijke verklaren willen] zegt zich niet, dat het

wezen van het verschijnsel het verschijnsel zelf is, in eigene

idealiteit, maar stelt op half doordachte wijze een dubbel (of

ondervonden en onondervonden) bestaan van het ding, dat eigenlijk een

dubbelzien van het uiteendenkend bewustzijn zelf zoude kunnen heeten.

„Als standpunt van wijsbegeerte ligt zulk [!] eene voorloopige en half

doordachte vereeniging van empirisme [!] en metaphysica in de

geschiedenis voor ons als het onmiddellijk en voorshands

subjectivistische kriticisme van Kant.”!

Men begrijpt, hoe krities nu dit „kriticisme” behandeld wordt [158]:

„Kantische grondstelling is de opmerking, dat er onderscheid is in het

wezen tusschen het ding voor mij en het ding op zichzelf...” [159]

louter wanbegrip; over „wezen” spreekt Kant niet; en zijn tegenstelling

is: ding voor (i.e. afhankelik van, in verhouding tot) algemeen

denkbeeldig waarnemingsvermogen a.z. of zelfs Bewusstsein überhaupt, en

ding, onafhankelik van elk waarnemingsvermogen of zelfs elk bewustzijn;

„en het ware is zoo voor hem eigenlijk de ononderscheidene duisternis,

die door een valsch licht van subjectief gekleurde of onware kennis

beschenen, doch nooit doorschenen wordt”... dat valse licht werpt gij

op Kant; [160] dit „valse” „onware” van onze „kennis” is zuiver

dogmaties (reproductief) gedacht, voor Kant is onze kennis juist zuiver

en waar en objectief (i.e. voor elk subject noodwendig geldig), omdat

en zover ze alleen een betrekking, alleen phaenomena mitsgaders hun

„wezen” geldt; en ten aanzien van het An sich als zodanig is er geen

„valse”, maar in ’t geheel geen „kennis” zelfs denkbaar. Nu krijgen we

dus bij Bolland het echte vulgaire misverstand: phaenomeen = schijn =

onwaarheid: „de kennis der Kantische stelling heet niet zelve weder

kennis van een slechts [!] subjectief bepaald verschijnsel, maar

algemeen geldige kennis van het noodzakelijk wezen aller menschelijke

kennis op en voor zich zelve. Terwijl Kant de kenbaarheid eener boven

subjectiviteit [!] uitgaande waarheid loochent [een onwaarheid: over de

kenbaarheid van waarheden heeft Kant het absoluut niet, als hij van

„Erkenntniss” spreekt, en altans loochent hij die niet, maar verklaart

en grondvest haar juist, sc. de redelike mogelikheid van

algemeen-geldige, noodwendige en toch niet-analytiese waarheden] wil

hij de bekendheid met zulk eene waarheid aan hare loochening verwekken

[161] [Kant verbollandst tot een goochelaar met „eenheid van

tegendeelen”!]; terwijl hij het weten tot iets onwezenlijks maakt [hij!

die het weten tot rede, de rede tot weten heeft gebracht!] moet het

weten, waarin de kenbaarheid van onwaarheden en de onwaarheid van

onkenbaarheden beseft wordt....” enz. enz. „Zoo geraakt de Kantisch

kritische rede met zichzelve in eenen strijd waardoor zij boven haar

subjectief [!] idealisme wordt uitgedreven tot het ‚absoluut

idealistische’ besef, dat het tot zichzelf komende ware uit zichzelf

idee, dat het op zichzelf en voor zichzelf sub- en objectief, objectief

en subjectief in eenen... is.” enz. enz. Zo gaat het naar „de, door het

Kantische kriticisme henen tot ‚absoluut idealisme’ verhelderde

zienswijze van Hegel.” (Z. R. p. 167, 2e dr. p. 207 [162]).

Deze fundamentele misvatting van heel Kant’s kennisleer, die waan, dat

voor het „denken”, voor „waarheden” zou gelden, wat alleen—en in heel

andere zin [163]—op het „kennen”, op „werkelikheid” betrekking heeft,

is echt Hegeliaans. Wat Prof. Bolland ons hier voorzet is slechts de

hollandse, verdunde oplossing van Hegel’s geconcentreerde

Kantmisduiding: „Nach Kant ist dagegen dasjenige, was wir denken,

falsch, darum weil wir es denken.” (Hegel, Kl. Logik, § 60 Zus.) [164].

Laat ons hierop zeggen: „Eere, wien eere toekomt. Groot is de geest van

Hegel, maar in 1900–1910 spreekt zuivere rede Hollandsch en

Bollandsch.” [165]. Zeker is, dat Prof. Bolland een groot

kennistheoreticus zoude zijn, indien denken (te zijn) en zijn één

waren. „Hegel en zijn volgelingen daarentegen” (tegenover „den

philosophie-professor onzer dagen”), zegt Prof. Bolland, „hebben, om te

beginnen, de theorie der kennis van Kant’s Redecritiek altoos

behoorlijk in aanmerking genomen, en zij hebben geweten wat zij er aan

hadden ook”... (Z. R. p. 209, 2e dr. p. 244). Behoorlik? misschien in

zoverre zij gedaan hebben wat ze konden;—en te goeder trouw zullen zij

verklaren, er nooit veel aan te hebben gehad, want men heeft nu eenmaal

niet veel aan wat men niet vat. „Is eene theorie der kennis denkleer of

zijnsleer?” vraagt p. 210. Geen van beide—immers kennisleer, die noch

met de denkleer („logica”) noch met de zijnsleer („ontologie”) te

vereenzelvigen valt, maar beide vooronderstelt, zo ver zij beide tot

voorwerp van onderzoek en kritiek neemt. En in elk geval is het de

theorie, die haar adepten eens en voor al afleert, te verkondigen „eene

zich subjectiveerende voorwerpelijkheid” (p. 204, 2e dr. p. 239) of de

leer „van het geest worden, van de zelfvergeestelijking, der natuur”,

van „natuurlijkheid, die zich vergeestelijkt” (p. 216, 2e dr. p. 250),

aangezien de „voorwerpelijkheid” uiteraard geen „zich” heeft, dat

subjectiveren kan, en er, hadde het een zich, niets meer te

subjectiveren zou zijn; aangezien de natuur, gedacht als iets anders

dan (dialecties: „het andere van”) de geest, geen „zelf” ter

„vergeestelijking” heeft, en een „zelf” ... reeds niets meer te

„vergeestelijken” vindt. Het is de theorie, die uiteenzet, dat en

waarom de Natuur een abstractum is, dat, zelf van geest afhankelik,

nooit een concretum, dus nooit enig subject, onafhankelik bovendien van

alle ruimtelikheid, kan voortbrengen. Het is de theorie, die dus eens

en voor al weerlegt het natuurrealisme, dat bij Hegel en Prof. Bolland

gelooft aan „de in de natuur slapende en in aanleg aanwezige geest”,

meent dat „het leven des geestes” zich „in en uit de natuur

ontwikkelen” zoude, dat de geest „de natuur tot vooronderstelling” zou

hebben. (55) Het is de theorie, die doet begrijpen, dat en waarom beide

delen fout zijn van de uitspraak: „en het is natuur, die aanschouwt,

zoowel als natuur aanschouwd wordt” (Z. R. p. 247, 2e dr. 277), het

eerste, wijl de natuur nu eenmaal geen subject is noch worden kan, het

tweede, wijl dit sensualisme voorbijziet, dat de aanschouwing, als

verrichting der zinnen, niet reikt tot het gebied van het abstraherend

verstand, als hoedanig de natuur in waarheid heeft te gelden. [166] Het

is de theorie, die ons haarzelve doet missen in heel het dogmatisme

[167] van „Zuivere Rede” gelijk zij het ons leert begrijpen uit de

naief-realistiese sprong van beweging en leven in ziel en geest op p.

280 (2e dr. 391) s., waar men ruimtelik leven, immers leven als

stofwisseling en vormbestendiging, wil verkeren in.... bezieldheid: „de

door zichzelve teweeggebrachte uitkomst, het eene, dat zich in het

andere verkeert, om er zich in te vooronderstellen en te herstellen. En

in die zelfverkeering van het leven, in dat leven der zelfverkeering is

het, dat de natuurlijke werkelijkheid de werkelijkheid is der

bezieldheid.” [168] Het is de theorie wier materie-kritiek de beide

tegengestelde realistiese fouten aangaande de verhouding van lichaam en

geest leert begrijpen en vermijden, samengevoegd in één Erdmanniaanse

zin van Z. R. op p. 286 (2e dr. 396), waar het levende lichaam „het

orgaan der ziel” wordt genoemd (in dualisme) „evenals de ziel van het

levende lichaam de functie” (in materialisme).

Het is ten slotte de theorie, die met haar kriticistiese

antinomieën-oplossing voor Hegeliaanse „Zuivere Rede” geen treffender

oordeel zou kunnen vinden, dan er ligt in deze paar woorden van p. 498

(2e dr. 561): „eene als zoodanig onnadenkende eenheid van tegendeelen”.

„Eene als zoodanig onnadenkende eenheid van tegendeelen”!.... zijn ooit

wijzer, verstandiger woorden aan de Meester dezer onnadenkendheid

ontglipt? [169] Horen wij hier niet Prof. Bolland’s „Leitmotiv”? Zijn

spreuk 131 luidt: „Het groote gebrek van de theorie der kennis is haar

gewaande verstandigheid.”.... ik heb getracht te doen zien, dat Prof.

Bolland’s gewaande meer-dan-verstandigheid slechts is.... zijn groot

gebrek aan theorie der kennis. Zijn deel zij de kennis der

Begripsleer—begrip der Kennisleer bleef hem onthouden.... tot dusverre.

We hebben nu gezien, in tekst en Opmerkingen, wat Kant, wat de

kennisleer voor Hegel betekent en voor een Hegeliaan als Prof. Bolland.

Hoe hoog Kant en zijn kriticisme boven het bereik van Hegeliaans begrip

ligt zij ten slotte ook nog aan Prof. Bolland’s „oudere broeder in

Hegel” en volgens Prof. B. van Hegel een „baanbrekend exegeet”

gedemonstreerd,—aan James Hutchison Stirling LL.D.

Stirling is een van die hegelérende hogere theologen, wier dogmaties

(deels physies deels religieus-metaphysies) realisme („Nature” en

„God”; „the finite” en „the infinite” etc.) voortfilosofeert als had er

geen kritiek, geen Berkeley, Hume of Kant, ooit bestaan, die dit

anti-dogmatisme wel kent, maar er tegenover blijft staan met een soort

„Die Botschaft hör’ ich wohl. Allein mir bleibt der Glaube”—en die dan

ook Kant verhegelt, o.a. op de wijze, reeds in Opm. 17 gewraakt, door

diens „Unity of Apperception” te vereenzelvigen (o coincidentia

oppositorum!) met zijn „Thought” als „the all and [!] the prius” („The

Secret of Hegel”, p. 58), met zijn „self-consciousness” welks

„subject”.... „God” is, zijn „Ego”, „Ego as Ego”, „I-Me”, „I AM THAT I

AM”, zijn „Self-Create and First”, „Infinite”, „Unconditioned”,

„eternal Reality”, „the everlasting God”, „the concrete”, het enige

„eteon” „that ὄντως Is—EI’MI′”, „the absolute Ratio”, kortom „alpha and

omega, the first and the last, Dynamis, Energeia, Entelecheia” etc.

etc.—in één woord Hegel’s „Begriff”: „Kant’s Reine Apperception,

cleared into Fichte’s Ego, is Hegel’s Begriff.”.... „Hegel’s Begriff

(Notion) is the Immanent Dialectic of the Ego’s own self.” („What is

Thought?”, aanhef van Chapter XIV, over Hegel). Zo levert dan „the

Notion as Ego, or the Ego as Notion” ook hier het even simpel als

Hegeliaans-vanzelfsprekend antwoord op Kant’s kritiese grondvraag, dat

ik reeds, opm. 47, in Prof. Bolland’s vertaling heb gegeven: „the

answer to Kant’s cardinal question, ‚How are synthetic judgments à

priori possible?’ is this ‚They are possible through the original

absolute identity of differents’—and that is simply the Ego.” (ib. p.

344.)—Zelfs leraart The Secret of Hegel, p. 190: „The notion is [sic]

the à priori synthetic judgment.”!

Deze Stirling nu wijdt speciaal aan Kant Hoofdstuk X (pp. 109–214) van

zijn „What is Thought?”, getiteld: „The German Reference—Kant”,

natuurlik slechts als voorbereiding van XI: Fichte, XII en XIII:

Schelling en eindelik XIV (pp. 327–415): Hegel. En voor dit X verzoekt

de schrijver nadrukkelik de aandacht: „As simply the key to all

philosophy as such at present, attention is specially invited to this

chapter.”

Wij aanvaarden die uitnodiging, al kunnen of willen wij hier niet in

biezonderheden zijn drieledige, drieledig-mislukte pogingen volgen en

uitpluizen, „to criticise Kant” en daartoe „fully to consider” (vgk. p.

144):

1: Kant’s „doctrine of the categories”. Hieromtrent verraadt Stirling

zijn Kant-inzicht niet minder, positief, door zijn ongeschokt

empirisme, als, negatief, door zijn merkwaardig soort Kant-afwijzing.

In § 22 toch lezen wij (p. 169 s.): „Now we assert at once here: We

have not an understanding that, as Kant supposes, thinks, in à priori

pigeon-holes of its own, the connections of things. Such pigeon-holes,

under the name of the categories, Kant would fain believe to exist in

each of us; but such physiological endowment of the brain is but a

crude invention [volkomen juist, but a crude invention.... maar niet

van Kant, heer Stirling!], let it be worked out with what fond faith,

with what interminable pains of ingenuity, it may. Physiological

pigeon-holes of such a quality, no man has any [dit kon Kant’s antwoord

zijn, al zou de reden bij Kant een ietwat andere wezen, dan die hier

Stirling gaat geven!]. For as to what they are, the categories: they

are but so many, generalisations from experience [denk slechts aan

negatie en noodwendigheid!]; they are but so many common

notions—generalised notions.” En wat verderop, over de quantiteit in

het axioma van de rechte lijn: „Have I really passed the line through

any pigeon-hole of my brain whatever, in order to make it, as it were,

fire-proof, objectively valid?” en (p. 171): „But so, we can ask of

Quality as we asked of Quantity: in what pigeon-hole of my brain, then,

does Reality lie, or Negation lie, or Limitation lie?”.... „in short,

there is not one of these twelve categories of Kant that does not lie

in experience and may not be perfectly well generalised, necessity [!]

and all, from experience. The innocence of Kant here is quite touching

at times....” The innocence.... of Kant?!

2: Kant’s „doctrine of objects” (§ 20 vv.). Wat Stirling daarvan maakt,

zijn hegeliaans begrip van de phaenomena en van het Ding an sich—dit

kritieke punt voor ieder Hegeling (sinds Hegel zelf!), die qua

objekt-realist, evenzeer de Dinge an sich loochent als de objekten voor

Dinge an sich laat fungeren, dus beiderlei „Ungereimtheit” (zie het

slot van mijn Hoofdstuk IV, p. 92) heeft te torsen—daarop moet ik hier

het volle licht laten vallen, terwijl wij omtrent zijn behandeling van

3: Kant’s „doctrine of experience”, o.a. in § 24 en § 25 kunnen

volstaan met het signaleren van de verwarring (zo op p. 196) van Kant’s

objectieve „Erfahrung” met individuele ondervinding, waaromtrent de

lezer zich o. m. mijn noot bij bl. 4 en bij bl. 19 moge herinneren.

[170]

Tans volge dus Stirling’s begrip van Kant’s „Erscheinung” en „Ding an

sich” en beider verhouding. Ik wil u speciaal § 20, getiteld:

„Philosophy Strange at Times” en § 21 „Time and Space” laten zien en

proeven.

Een voorspel, dat § 14 („Kant on Hume”) levert, hoort er nog even bij.

Wij hebben in de loop van ons vertoog meermalen naar behoren gehekeld

het realisties aperçu, dat beweging laat „waargenomen worden als”,

„verschijnen als” kleur, geluid enz., dat deze laatste houdt voor

verschijningswijze van (hersen)beweging. Het is dus niet zonder enige

verbazing, dat we zien, hoe Stirling dit soort „apparition” houdt voor

Kant’s „Erscheinung”, dus een Hobbes zalft tot Kant-antecipator! Aldus:

„The date of Hobbes’s dedication in his Tripos is ‚May 9, 1640’. From

p. 5 there we extract this: ‚Image or colour is but an apparition unto

us of the motion which the object worketh in the brain. As in vision,

so also in conceptions that arise from the other senses, the subject of

their inherence is not the object [zoals voor Kant en de kritiek, voor

wie de roodheid eigenschap is en blijft van het objekt, de roos, niet

van hersenen of waarnemer], but the sentient.’ That is sixty-nine years

before Berkeley, and more than twice as many before Kant, and it is not

a doctrine peculiar to them [integendeel! peculiar to realists!]. We

still have it, or something like it [juist], in such sensationists as

Mill, Bain, Lewes, to leave out all reference [precies!] to idealism,

ancient or modern.” In diezelfde verblinding gaat dan § 19, p. 157

aldus door: „That we know not things, but only the impressions of

things—what he [Kant] calls Erscheinungen, which we may translate

Appearances, reminding that we saw Hobbes name them [!]

‚Apparitions’,—this shall be the bed-rock on which his whole

stratification shall rest.”

Wie aldus Kant materie-realisties verhobbest en dan, als Stirling in §

20 en overal, het Phaenomenon als „schijn” beschouwt, een „mere

seeming” en dus waant, dat een „grondige” behandeling, een „inwendig”,

„in’s Innere der Natur” doordringend onderzoek ons het „werkelike”

Ding-an-sich wel zou leren kennen, als het bestond, als het „in” of

„achter” of wie weet „waar ergens in de buurt” van het natuurding

verscholen stak, zodat dus het natuuronderzoek zelf bewijst,.... dat de

zichtbare, tastbare dingen-zelf.... geen spooksels of schimmen van

onzichtbare Dingen-zelf, maar.... de dingen-zelf zijn (à la Haeckel’s

of Engels’ of Plechanow’s scheikundige weerlegging van Kant’s

Ding-an-sich!) en dat er dus geen onzichtbaar Ding-an-sich bestaat....

zo iemand kan wel een baanbrekend exegeet van Hegel zijn, ja zelfs voor

een Hegeliaan „der Nestor gesunder Philosophie im vereinigten

Königreiche” (Prof. Bolland in „Alte Vernunft und neuer Verstand”, p.

27)—van Kant en kritiese wijsbegeerte heeft hij zelfs het abc niet

begrepen.

Laat ik u tans enige pagina’s van Stirling zelf aanbieden ten bewijze.

Ik stel mij daarbij voor, dat ik mijn lezer, die het tot hiertoe met

mij heeft volgehouden, enige voldoening, een soort eigen oogst,

verschaf, wanneer hij bemerkt, hoe hij nu heel deze, toch in z’n soort

superieure, misvatting doorziet en te boven is, zodat ik slechts zijn

aandacht hoef te vragen en zelf geen of weinig commentaar meer te

geven.

Met de volgende overgang tot § 20 eindigt § 19: „That constitutes the

whole of Kant’s doctrine so far: That we have no knowledge, namely, but

what regards experience; and that we have no knowledge of any objects

in experience, but what are mere appearances, apparitions,

Erscheinungen, of sense. That, however, relatively determines all; for

that, in Kant’s regard, is his πρωτον ψεῦδος. Things are not in any

respect the ghosts which Kant would make of them.”

Nu komt § 20: „Philosophy Strange at Times”:

„There have been so many strange things from time to time said in what

is called philosophy, that the public, possibly, is not always so much

in fault when it is heard to mutter that so-called great philosophers

are to common folk, now and then, also great fools. And, certainly, the

idea of making all these common things we see, touch, and handle, to be

only ghosts of certain invisible other things within them, or under

them, or Heaven knows where else in their neighbourhood, is about the

most foolish of all ideas which have been ever, at any time, anywhere,

or by anybody, broached. [Voorwaar!] That shoe on your foot, or that

hat on your head, is not the real shoe on your foot or the real hat on

your head; the latter is but the ghost of the true hat, as the former

is but the ghost of the true shoe. Of either hat or shoe we know the

ghost only: what the true hat may be, or what the true shoe may be, we

know not. We know this only: That it is the culmination and perfection

of knowledge itself to know only what we know not at all. What is the

Thing-in-Itself of that boy’s marble, or of this pebble I pick up?

„What can be the Thing-in-Itself of this mere seeming that drops from

my pen into this blot on the paper? Nay, of the paper itself, what can

be the thing-in-itself? The lint has been sown, and grown, and pulled,

and steeped, and skutched, and hackled, and spun, and woven, and

bleached, and calendered, and boiled, and starched, and blued, and

beetled, and lapped, and pressed, and made a shirt of, and worn by a

man into a rag, and ground into pulp, and sieved, and actually

converted into this bit of paper which we now touch,—and yet, for all

that, the thing-in-itself, stubborn through all these processes and a

thousand more, has never once, even for a moment, allowed itself to

come to the surface, but, in very truth, has always instead only given

its ghost up,—its Erscheinung,—its apparition!”

Op deze wijze draaft de tekst door, tot we de conclusie krijgen: „All

that is very sorry stuff, poor skimble-skamble stuff, all that that

poses and proses about the impossibility of knowing what substance is

[171]. Of course, even as used, substance has a meaning, and, of

course, even as used, thing-in-itself has a meaning; but the true

meaning of either the one or the other that is common to the whole of

us as ordinary human beings, it would seem impossible for us as

philosophers at all to recognise! Now, why should we feign, and figure,

and invent all this difficulty? The simple truth [simpel wel, waarheid

neen] of the matter is this, that there are subjects and that there are

objects....” Halt een ogenblikje! Om te letten op dit gewoon-dogmatiese

tweetal: subject en objekt—en de kennis niets dan de verhouding tussen

die twee! Zo bij elk materie-realist, terwijl krities als konkrete

werkelikheid niet subjekt en objekt, maar subjekt en het

transobjektieve tegenover elkaar staan en uit de causale verhouding van

die twee pas de gewaarwording, waarneming, kennis ontstaat, die de

objekten niet afbeeldt, maar stelt, produceert, mogelik maakt, in

plaats van omgekeerd de objekten de waarneming. Reeds dus wie de

kennisleer opvat als de vraag naar de verhouding tussen subjekt en

objekt toont zich.... objekt-realist, alias dogmaticus! Aldus niet

alleen heel de Hegelarij (ook o.a. de „Neohegeliaan” Prof. Dr. Jos.

Kohler, het geleerdste aller filosofiese zwets-genieën (56) in zijn

„ungeheuerliche” Rechtsphilosophie) maar ook b.v. nog de Berlijnse

Prof. G. Simmel [172], terecht een „Meister denkerischer Verfeinerung”

genoemd, al filosofeert hij meer dan hij filosoof is. Maar keren we

terug tot onze Stirling. Hij zeide dus: „The simple truth of the matter

is this, that there are subjects and that there are objects, and that

subjects as subjects know and must know objects, and that objects as

objects are known and must be known by subjects. These things that we

see, and touch, and handle are really, and in very truth, the things in

themselves, and the only things in themselves, that we can ever see, or

touch, or handle, that we need ever see, or touch, or handle, that we

shall ever see, or touch, or handle. [Eensdeels allemanswijsheid: de

waarneembare dingen zijn de énige waarneembare dingen; anderdeels

allemansonwijsheid: objekten zijn Dinge-an-sich]. In one word, these

things are the things in themselves; and so much are they the things in

themselves, that they do act on each other, and do substantially act on

each other. They are not appearances; they are things. Were things

really only Erscheinungen, only appearances, only, as said, butterflies

on my white sheet within, they would indeed be irrespective the one of

the other; and any action that might be simulated between them would be

only an action at second hand [uitnemend beeld voor de phaenomenale

causaliteit, de „pseudo-causaliteit”!], only an action of the subject

[mis; of juist.... in de etymologiese zin: van het substratum!], and so

only an action borrowed.” enz. Maar kom, § 20 van Stirling heeft ons al

wel voldoende overtuigd van zijn „Philosophy Strange at Times”.... laat

ons „Time and Space”, die ons resten, nog aan de dusnamige § 21

afstaan:

„As Kant rules, Time and Space are from our birth general mental forms

of body [?!], general à priori forms of the à posteriori, within us.

And his arguments in proof are excellent—so much so that it would be

difficult to match them, as arguments, anywhere else.

„As we saw then of things that they are mere appearances, so we are to

understand now of Time and Space that they are but appearances also

[men herinnere zich mijn Hoofdstuk III, § 2]. Will anybody in this

world believe that [neen, vermoedelik], unless some German philosophers

and a few Hindoos? However it was to Kant or may be to these, it is

certain, quite as much to all true [„gesund” zegt Prof. Bolland]

philosophy as to common sense, that Time and Space are actual entities

[meer dan een eeuw na Kant tijd en ruimte nog actual entities!]

without, even as the coat on my back or the shoes on my feet are; and

that, were the race to vanish from the earth, an actual space and an

actual time would remain behind, even as these articles of my attire,

were I dead to-morrow, would have other people to dispose of them. Kant

has an utter horror of Hirngespinnste—meaning what shall happen to

every man who will think in independence of the Critical machinery; but

were there ever more genuine Hirngespinnste (brain-weavings) than that

spectral [!] space and that spectral time in the head [!] of Kant

himself?” Daarmee is § 21 uit.

Waarlik, dat geven we Stirling gaarne gewonnen, die Tijd en Ruimte, als

Hobbiaanse appearances, als hersenschimmen spokend in Kant’s hoofd, ze

zijn niet minder „but a crude invention” dan de kategorieën als

„physiological endowment of the brain”!

Van Stirling mogen wij echter geen afscheid nemen, eer wij het beeld

hebben gezien, dat voor zijn deels weer individualiserende, deels

immers transcenderende misvatting der natuurimmanentie Kant’s idealisme

symboliseert: de molen van § 25: „Kant’s Theory again—the Mill”:

„The matter, the substance of the things in this universe [!] is, in

series, (1) but so much inward Sensation in my [!] own subject; (2)

Categories that throw these sensations of my own out into Time and

Space—categories, too, that are as ideal spiders in pigeon-holes of my

own, ideal also and private [!]; lastly, (3) Time and Space, themselves

as much my own, and as much mere subjectivities within as the

sensations, and the categories, and the pigeon-holes, and my very

subject itself. Nay, God himself is relegated to a pigeon-hole not a

bit bigger [schande!] than the others! In short, how is this to be

imaged but by—say, a little wooden mill, dipped into a stream that sets

its wheels agoing, the motion of which wheels of its own it is that

seems, but only seems, to throw up around it this vast universe; and

all the time the stream, which alone moves it, is unseen, unknown, and

no more than—philosophically—at the best dreamed of!”

Was ooit—om op mijn manier ook eens hegeliaans te spreken—vergelijking

erger verongelijking?

De Conclusion van deze Hegeliaan (Chapter XV) komt neer op „No return

to Kant” .... voorbeeldig gegrond als volgt (p. 422/3):

„Can we return to this, for example, that any ordinary thing—a shoe—has

an extraordinary unseen double of itself in a—Thing-in-Itself? Or that

the time that the one-o’clock gun fires in, and the space André’s

balloon mounts in, are, neither the one nor the other of them, there

where we think they are, outside of us, but both, on the contrary,

inside? Or that cause, with each of its other fellow-categories, is

not, by any means, a something on his own account without, but, really,

a simple secretion of the cells or pigeon-holes of our own brains? Or

that the I—whatever I may possibly think the I I am—I am not at all

that I—hardly even an i—only the dot on it?”

M.a.w.: al is voor een Hegeliaan „The Secret of Hegel”, dialekties,

geworden tot een niet-geheim, het geheim van Kant blijft voor hem,

logies, wat het was—een geheim.

En erger, ergerliker Kant-verhegeling, dan al wat ik u van Stirling tot

hiertoe liet zien, heeft tans te volgen:

„I have talked of the world elsewhere as having been ‚befooled’ by the

system of Kant, and have asked, ‚Where, according to this system, is

there a single truth in the whole huge universe?’ I am still of the

same mind as to what in that reference is concerned.... Kant’s world is

but a soap-bubble a between an x and a y.—Nevertheless, I say, too,

that the whole of philosophy that deserves the name since Kant is so

absolutely due to Kant that it can properly and comprehensively receive

no other name than his. Fichte has worked, Schelling has worked, Hegel

has worked—each of them has worked, no one of them has worked but—in

the quarry of Kant. There is no product in Fichte, there is no product

in Schelling, there is no product in Hegel, that is not to be

named—Kantian. Fichte’s philosophy, Schelling’s philosophy, Hegel’s

philosophy—each of these, in accurate and precise name, is Kantian

philosophy. And with Kant and these we have in modern times all—all

that is capital;—gratefully counting in, as well, an introductory few,

and leaving prattle individually to the irresponsible rest.” (o. c. p.

39/40).

Hoeveel smadeliker is voor Kant deze Hegeliaanse lof, dan alle

Hegeliaanse blaam! Maar, gelukkig, precies even onverdiend! Hoe

„Kantiaans” een Hegeling zich ook noemen en wanen moge, Kant kan alle

schuld, alle verantwoordelikheid voor zulk een „Kantiaan” afwijzen met

een

„Du gleichst dem Geist, den du begreifst,

Nicht mir!”

Kennisleer contra Materie-Realisme: Bijdrage tot "Kritiek" en Kantbegrip · 第 24 / 36 题