1. ÉÉN RUIMTE, ÉÉN TIJD, ÉÉN „ERFAHRUNG”.

Tans gaan wij over tot de verdediging van Kant’s „Aesthetik” tegen

Hartmann’s misverstand, in zijn „Kritische Grundlegung des

Transcendentalen Realismus” en „Das Grundproblem der

Erkenntnisstheorie” [122].—Ter oriëntering ga nog deze korte § vooraf.

Niemand zou zich meer verwonderd hebben dan Kant, had hij kunnen lezen,

hoe hier een filosoof z’n uiterste best doet om te bewijzen dat de éne

oneindige ruimte een... transindividuele, vermakelikerwijze

„transcendent” genaamde, betekenis heeft, en dat b.v. de atomen der

natuurwetenschap ruimtelik moeten worden gedacht! En die n.b. Kant

daarmede waant te bestrijden!—En die zich uitput in betogen voor het

transindividueel bestaan der ... natuurobjecten, door hem in onschuld

Dinge-an-sich genoemd! Die, om tot Kant’s „empirische Realität” te

komen, hele hoofdstukken nodig heeft en dan deze noemt—tegen

Kant—„transcendentale Realität”! Die in de ondertitel van zijn

„Kritische Grundlegung des transcendentalen Realismus” „Fortbildung der

erkenntnisstheoretischen Principien Kant’s” noemt, wat deze slechts

derzelver „Fortschaffung” zou hebben bevonden!

Het zij hier dan nog, tegenover zulke bergen van wanbegrip, nadrukkelik

geconstateerd, dat ook voor Kant slechts éne objectieve oneindige

Ruimte bestaat, gelijk er slechts éne Erfahrung is, m.a.w., dat Kant er

nimmer de onmogelike, zonderlinge mening op na heeft gehouden, als zou

van de éne ruimte der wiskunde of der natuurkunde, of van het éne

ruimtelike Heelal... enig individu het subjekt, het

bewustzijnsbetrekkingspunt zijn, een misverstand waarvan wij straks

(opm. 39) bij Paul Rée de koddige consequenties zullen behandelen. Het

spreekt van zelf, dat het ’t éne Universalsubject aller mogelike

gewaarwordingen (en voor de „innere Erfahrung” tevens aller mogelike

andere belevenissen) is, dat als prius moet worden gedacht van de

wereld der Erfahrung, van de natuur [123].—„Die Bedingungen a priori

einer möglichen Erfahrung überhaupt sind zugleich Bedingungen der

Möglichkeit der Gegenstände der Erfahrung.” (K. d. r. V. p. 124, cf. p.

156), vertaald: Het éne Subjekt en Prius der Natuurwetenschap is tevens

het Subject en Prius der Natuur.

Op p. 123 K. d. r. V. zegt K. uitdrukkelik:

„Es ist nur eine Erfahrung, in welcher alle Wahrnehmungen als im

durchgängigen und gesetzmässigen Zusammenhange vorgestellet werden;

eben so wie nur ein Raum und eine Zeit ist, in welcher alle Formen der

Erscheinung und alles Verhältniss des Seins oder Nichtseins Statt

finden. Wenn man von verschiedenen Erfahrungen spricht, so sind es nur

so viel Wahrnehmungen, sofern solche zu einer und derselben allgemeinen

Erfahrung gehören.” enz.... Op p. 125: „Alle möglichen Erscheinungen

gehören, als Vorstellungen, zu dem ganzen möglichen

Selbstbewusstsein.”... Dat er slechts éne Wereldruimte, slechts éne

Natuur bestaat weten we dus weer met de zekerheid van ... een analyties

oordeel. Immers deze materiële (inhoudelike) éénheid is het onmiddellik

gevolg van de „formele” éénheid van hun universeel Subjekt [124]. Dit

is Kant’s „Einheit der Apperception”, voor hem „der transcendentale

Grund der nothwendigen Gesetzmässigkeit aller Erscheinungen in einer

Erfahrung.” (p. 135).

2. KANT’S RUIMTELEER EN HARTMANN’S (BENEVENS KÜLPE’S EN BOLLAND’S)

MISVERSTAND.

a. Het eerste argument.

Handhaven wij tans Kant’s ruimteleer tegen de realistiese bestrijding

van Hartmann (Külpe, Bolland) [125].

Kant’s argumenten voor het formeel karakter, „de transcendentale

Idealität”, van de ruimte zijn gelijk bekend is de volgende:

1. De ruimtelike waarneming is niet kenbron der ruimte, maar omgekeerd,

vooronderstelt reeds de ruimte, wordt door deze pas mogelik gemaakt. De

ruimte is niet een begrip, uit ruimtelike, gelocaliseerde gegevens

afgeleid, maar omgekeerd, alle localisering geschiedt in de éne ruimte

als haar prius en onderstelt deze dus reeds. Alle biezondere, bepaalde

ruimtelikheid betekent slechts: bepaalde verhouding tot, gedeeltelike

vervulling van, de ene gehele ruimte met haar driedimensionele

oneindigheid.

Tegen dit voor mij onweerlegbaar argument voert nu Hartmann aan [126]:

„Mag der Raum schon vor der Erfahrung vorhanden sein oder nicht, so ist

er doch vor der fertigen Erfahrung keinesfalls im Bewusstsein

vorhanden; das Bewusstsein lernt den Raum nicht früher als die

Erfahrung, sondern erst an und in dieser kennen” (p. 119). Wel, dit

tweede zindeel bevat ongeveer Kant’s eigen woorden en in elk geval

Kant’s eigen mening. Nog ééns: „Der Zeit nach geht also keine

Erkenntniss in uns vor der Erfahrung vorher und mit dieser fängt alle

an.” Dat ik dus, zodra mij ervaring gegeven is, i.c. ruimtelike

ervaring, zodra ik een kamer met huisraad erin heb leren kennen, pas

door abstractie, denkend, kan scheiden: de ruimtelike dingen en de

ruimte waarin zij zich bevinden benevens hun ruimtelikheid zuiver als

zodanig, dat wil Kant waarlik niet loochenen. De polemiek ten deze van

Hartmann schermt in de lucht. K.’s bedoeling is slechts: Als wij nu

deze ruimte zuiver overhouden, dan hebben wij ons tot bewustzijn

gebracht de wijze waarop wij van meet af zinnelik gereageerd,

waargenomen hebben, zij ’t ook onbewust, dank zij de natuur, de

wettelikheid van onze eigen geest (niet van ons denken!).—Laten we ’t

vergelijken met de logica, waar iets soortgelijks geldt: De negatie is

geen uit het onderscheiden van biezondere tegendelen geabstraheerd

begrip; maar integendeel, om te kunnen denken of ervaren, om iets, wat

ook maar, in concreto te kunnen onderscheiden van iets „anders”, moet

al de geest over de negatie beschikken, moet reeds voor de geest elk

zó-zijn betekenen: niet anders-zijn, en elk anders-zijn: niet

zó-zijn.—Aphoristies: de negatie is niet uit onderscheiding, maar alle

onderscheiding uit negatie. Kantiaans: De negatie is niet

ervaringsbegrip maar kategorie.—Toch zijn we ons pas zeer laat, en door

logiese abstractie, van deze oorspronkelike, zuiver subjectieve, zuiver

formele wettelikheid van ons denken bewust geworden. Die abstractie

geeft ons dus niet pas die wettelikheid, maar toont ons eerst wat we

reeds bezitten, en wel het deel, dat we niet van buiten af, uit

ervaring, hebben gekregen, maar dat we tot de ervaring uit ons zelven

hebben bijgedragen. Precies zo bij de ruimte. Alleen hebben we hier

natuurlik niet een denkvorm [127]. maar een waarnemings-(volgens

hedendaagse boven aanvaarde theorie gewaarwordings-)vorm. Daarom

beweegt zich hier het empirisme, evenals bij de logica, noodwendig in

een circulus vitiosus. Het kan ruimte en negatie alleen halen uit

gegevens die ... pas door ruimte en negatie mogelik zijn geworden.

[128]

Voor het „formeel” karakter nu van een kennis-element is dit juist één

der zuiver kennistheoretiese kenmerken, naar Kant fijn en diepzinnig

bespeurd heeft. Horen we nu Hartmann, p. 120:

Hij citeert eerst van Kant: „So wenn ich von der Vorstellung eines

Körpers das, was der Verstand davon denkt, als Substanz, Kraft,

Theilbarkeit etc, ingleichen, was davon zur Empfindung gehört, als

Undurchdringlichkeit, Härte, Farbe etc. absondere, so bleibt mir aus

dieser empirischen Anschauung noch etwas übrig, nämlich Ausdehnung und

Gestalt”... Niemand zal willen betwijfelen dat dit abstracta zijn, en

„Die Räumlichkeit ist [aan beide gemeen en] also eine Abstraction aus

Ausdehnung und Gestalt, d.h. eine Abstraction zweiter Ordnung”....

„Wenn also Kant es behufs der Begründung der Apriorität in Abrede zu

stellen wagt, dass die Räumlichkeit uns gar nicht anders als durch

Abstraction aus der Erfahrung gegeben sein könne, so widerspricht er

seinem eigenen besseren Wissen.” Van durven gesproken! „Was diese

formale Seite der räumlichen Anschauung vor der Entstehung der

Erfahrung... sei, und ob dieselbe durch den Stoff der Empfindung als

solchen empirisch gegeben, oder im Gegensatz zu derselben subjective

Zuthat sei, darüber kann keine rein psychologische Speculation jemals

Aufklärung bringen, sondern nur eine psychophysische [!] Betrachtung.

So viel steht fest, dass der von Kant angenommene Gegensatz in der

Entstehung der Materie und der Form der Anschauung grundfalsch und

durch keinen Unterschied der inneren Wahrnehmung begründet ist” [zoveel

staat altans vast, dat deze tegenstelling en haar kennis-theoretiese

betekenis aan Hartmann is ontgaan]; „denn der concrete

Empfindungsinhalt und die concrete Form der Anschauung [bedoeld: die

concrete Betätigung der Form der Anschauung] drängen sich beide mit

gleich unwiderstehlicher Gewalt dem Bewusstsein als fertig gegebene und

nicht willkürlich zu ändernde auf; beide sind Producte der Seele, also

in ihrer specifischen Natur und Qualität (z.B. Farbe, Räumlichkeit)

rein subjectiv..., beide aber auch in ihrer concreten Bestimmtheit

(diese Farbe, diese Gestalt) von aussen, d.h. transcendent, bedingt.”

Het zou mij tegenvallen als ik voor mijn lezers hier nog moest

bijvoegen: Precies zo wil het Kant; slechts misverstand dicht hem een

„willkürlich zu ändernde” vorm of vormvulling toe.

Nu wij eenmaal „er in” zijn, behandel ik tegelijkertijd de kritiek van

Oswald Külpe, filosofie-prof. te Würzburg (tans in Bonn), tegen dat

1ste argument in zijn „Immanuel Kant, Darstellung und Würdigung” 1907.

(41)

Deze voert drieërlei aan:

1°.: Niet alle gewaarwordingen, maar alleen die van gezichts- en

tast-zin worden onmiddellik gelocaliseerd. Op de vraag „warum diese

Zutat unseres Erkenntnisvermögens bloss diesen beiden Sinnen

unmittelbar zuteil geworden sei”... „kann Kant von seinem Standpunkte

aus keine befriedigende Antwort geben.” Dit is, naar men weet, de

voorstelling van Wundt. Heymans echter heeft mij overtuigd, dat zelfs

niet eens door een psychiese „schöpferische Synthese” (door Riehl, Kr.

I 304/5, met Kant’s Synthesis a priori schromelik verward) de

ruimtelikheid ontstaat, maar slechts eigen is aan één enkele, de

bewegings-zin, zodat de localisering der gezichts-gewaarwordingen

slechts een uit „locaal-tekens” afgeleide, associatieve is. [129] Had

Kant van de psychologiese onderzoekingen, waarop zowel de ene als de

andere theorie steunt, kennis kunnen nemen, hij zou enkel geantwoord

hebben: Goed,... dan is de ruimte niet „vorm” of schema des äusseren

Sinnes überhaupt maar... „Form” jener beiden Sinne, of jenes einzigen

Sinnes.—En hij zou er bij hebben kunnen voegen, dat het voor de

beantwoording van bovenstaande vraag geen verschil maakt of men de

ruimte als „vorm” dan wel als „materie” der gewaarwording beschouwt,

immers waarom stelt slechts één zin geluiden of kleuren?—en dat in dit

laatste geval het „realisme” dat de geachte vrager hier in petto

schijnt te houden altans geen enkele beantwoordingsmogelikheid op het

„idealisme” vóór zou hebben.

Külpe’s 2de tegenwerping luidt: „Für die unmittelbare Raumauffassung im

Gebiete des Tast- und Gesichtssinnes dagegen ist das Gebundensein an

die räumliche Form auch dann verständlich, wenn sie mit den

Empfindungen dieser Sinne jederzeit gegeben ist, zu deren Eigenschaften

gehört, wie die Tonhöhe als eine solche der Tonempfindungen oder die

Farbe als eine solche der Farbenempfindungen gilt.” Vooreerst zou Kant

dit voor de ruimtelikheid in tegenstelling tot de „ruimte” vermoedelik

volkomen met Külpe eens zijn geweest. Men heeft dan de keuze tussen

Kant’s copernicaanse, de algemeenheid als noodwendig verklarende,

centraal-bepalende „vorm” of Külpe’s anti-copernicaanse, de (slechts

voorlopig geldige) algemeenheid slechts als onverklaarbaar, toevallig

feit constaterende, peripheries-bepaalde „materie”. „Die

Raumbestimmungen würden dann nicht erst durch uns in eine an sich

raumlose Masse von Empfindungen hineingetragen, sondern ebenso

unmittelbar in und mit den Empfindungen vorgestellt werden, wie deren

Stärke oder Qualität.” Külpe zal toch niet het misverstand delen, dat

we de ruimtelike gewaarwordingen volgens Kant eerst „an-sich”

„ruimteloos” zouden krijgen en er dan Raumbestimmungen zouden

hineintragen? Ten overvloede zij dan nogmaals herhaald, dat ook voor

Kant de gewaarwordingen van de zin(nen) wiens (wier) „vorm” de ruimte

is, eo ipso onmiddellik ruimtelik zijn, op een bepaalde, van willekeur

onafhankelike, wijs. We hebben daarmee tevens Külpe’s

3de tegenwerping beantwoord: „wie es möglich sei, dass die Eindrücke

dieser Sinne in einer ganz bestimmten nicht willkürlich von uns

abzuändernden Form wahrgenommen, oder an einen bestimmten, nicht

beliebig zu wählenden Ort verlegt werden.” Antwoord, m.i. afdoende:

Doordat de (onruimtelike) werkelikheid in een bepaalde, niet naar

willekeur te wijzigen, verhouding staat tot de ruimtezin(-nen). Külpe

antwoordt realisties: „Wir müssen hiernach zum mindesten verlangen,

dass etwas Raumähnliches [130], der räumlichen Ordnung unserer

Sinneseindrücke Entsprechendes, auch den die Sinnlichkeit affizierenden

Dingen zukomme, dass den so gesetzmässig auftretenden Unterschieden in

den sinnlichen Wirkungen eine Gesetzmässigkeit der sie hervorrufenden

Ursachen korrespondiert.”... Jammer, dat Külpe zijn terecht

geliefkoosde vergelijking met de kleuren enz. juist hier geheel

vergeet: tegen die Gesetzmässigkeit heeft Kant, dunkt mij, geen

bezwaar, maar zelfs al ware de ruimte „materieel” i.p.v. „formeel”,

moet de oorzaak onzer kleurgewaarwordingen „etwas Farbenähnliches”

hebben? „Diese Schwierigkeit hat Kant nirgends berücksichtigt

geschweige denn beseitigt.” Wie struikelt over een strootje wijte dat

niet aan de wegbereider.

b. Het tweede argument.

We gaan over tot Kant’s 2de argument: „Der Raum ist eine nothwendige

Vorstellung, a priori, die allen äusseren Anschauungen zum Grunde

liegt. Man kann sich niemals eine Vorstellung davon machen, dass kein

Raum sei, ob man sich gleich ganz wohl denken kann, dass keine

Gegenstände darin angetroffen werden.” Ruimtelike dingen onderstellen

altijd, brengen van zelf mee, heel de ruimte, terwijl deze volstrekt

geen „vulling” onderstelt, nodig heeft, maar „ledig” kan worden

gedacht. De ruimte is dus het prius der materie, niet omgekeerd.

Horen wij hiertegen weer eerst Hartmann: „Gesetzt den Fall, man könnte

den Raum nicht wegdenken und sähe ihn als apriorische Bedingung der

Möglichkeit der Erscheinungen an, so würde daraus nur folgen, dass wir

nicht im Stande sind, eine andere Möglichkeit des Verhältnisses

zwischen Objecten und Raum uns vorzustellen, keineswegs aber, dass es

auch das Wahre sei, so wie wir die Sache ansehen.” Daar deze skepsis

andere ruimte en andere objekten onderstelt dan de gegevene, kunnen we

ze hier als uiting van een voor ons niet meer geldend dogmatisme ter

zijde stellen... „Indessen ist diese Bemerkung überflüssig, da die von

Kant behauptete Unmöglichkeit gar nicht besteht. Kant selbst liefert

den besten Beweis davon, denn er behauptet, dass die reale Welt (d.h.

die Welt der Dinge an sich und der Ich’s an sich) unräumlich sei. Wäre

es nun unmöglich, die Räumlichkeit und den Raum von den Dingen

wegzudenken, so wäre die Behauptung Kant’s eine der Einrichtung des

menschlichen Vorstellungsvermögens widersprechende, also unvollziehbare

und damit wissenschaftlich gerichtete. Jeder, der seine Seele, sein

Ich, unräumlich denkt, beweist dadurch die Möglichkeit, vom Raum zu

abstrahiren, d.h. den Raum von den Dingen wegzudenken.”

Niet alleen „die reale Welt” maar zelfs reeds die Welt der „inneren

Erfahrung” is voor Kant, gelijk van zelf spreekt, onruimtelik. Vrage:

hoe onnozel moet men Kant achten om juist hem de bewering toe te

dichten, dat wij niet zouden vermogen „vom Raum zu abstrahiren, d.h.

den Raum von den Dingen [!] wegzudenken”! [131] En dat naar aanleiding

van Kant’s even simpele als onbetwistbare opmerking, dat wij de

„äussere Erscheinungen” dus het physiese, de natuurdingen (in

tegenstelling met de zgn. „innere Erscheinungen”, het psychiese) niet

zonder ruimte kunnen denken, wel omgekeerd de ruimte zonder

lichamen.—Toch heeft niemand fijner dan Kant ingezien, hoe elk der

helften dezer eenvoudige waarheid het realisme in de grootste

verlegenheid moest brengen.—Nemen we de 1ste helft: waren de lichamen

(de atomen, de velden, de huizen, de planeten, de zonnestelsels)

werkelik bestaande, concrete substanties, dan was dus de ruimte, deze

bestaansvoorwaarde zowel van lichamelikheid als van beweging,—ook de

bestaansvoorwaarde van substanties, een werkelik iets dus, dat zelf

noch substantie noch eigenschap van substanties zou kunnen zijn, en

toch—als bestaansvoorwaarde, op z’n minst zelf zou moeten bestaan! Als

wat? Immers, volgens de 2e helft kan het nòch zelf lichaam

(„subsistirend” zegt Kant), nòch eigenschap of verhouding van lichamen

(„inhärirend”) zijn, want... het zou immers blijven bestaan,

overblijven, al dachten we alle lichamen er uit weg. En zonder dat het

dan, naar ieder onbevangene moet toegeven, als eindig zou kunnen worden

gedacht. [132]

O wonderlik, ’t zij eindig of oneindig, altijd even onmogelik onding!

Zijt ge oneindig, dus niet „inhärirend” maar „subsistirend”, dan tòch

zonder afmetingen—immers het prius gij aller afmeting; zonder kracht,

zonder zwaarte, zonder weerstand, zonder beweging, zonder één enkele

physiese eigenschap—immers de vóóronderstelling aller beweging, aller

physica! En wie, welk „eindig”, tijdelik wezen, heeft u dan uitgemeten

of gepeild, dat wij zeker zijn van uw oneindigheid?

Zo heeft dan ook het realisme en empirisme zich, consequent, genoopt

gezien, u voor „inhärirend” te verklaren,—niet meer beweging en atomen

afhankelik van de ruimte, maar omgekeerd, horribile dictu, de ruimte

afhankelik van beweging (Trendelenburg [133], Wartenberg (42)) of

lichamen (Hartmann)!—En zo moeten dan deze zich zelf wat wijs makende

geesten beweren, dat voor hun de „werkelike” ruimte... eindig is, wat

Wartenberg aldus, kostelik zich zelf weerleggend, uitspreekt: „die

Welt, als in sich geschlossenes Ganze, schliesst auch den Raum ein und

begrenzt sich selbst; was jenseits [!] dieser Grenzen liegt, das wissen

wir nicht; wir wissen nur, das es dort [!] keinen Raum mehr giebt.”

(Das Problem des Wirkens und die monistische Weltanschauung, p. 150).

(43)

De specifiek anti-realistiese strekking van Kant’s 2e argument is dus

deze: de éne oneindige ruimte is bestaansvoorwaarde, vóór-onderstelling

voor lichamen en beweging („nothwendige Vorstellung a priori, die allen

äusseren Anschauungen zum Grunde liegt”). Waren nu deze reëel, dan zou

ook de ruimte reëel, een werkelik „onding”, moeten zijn.

Külpe heeft dit argument weer evenmin begrepen als Hartmann.—Volgens

Külpe „ist hier die Notwendigkeit der Raumanschauung als solche,

unabhängig von ihrer Benutzung zu einzelnen räumlichen Bestimmungen,

der Nerv des Beweises. Im ersten Argument wird uns gesagt: die

Raumbestimmung geschieht nur auf Grund einer schon a priori gegebenen

Raumvorstellung [?!]; hier wird erklärt: eine Anwendung unserer

Raumanschauung auf Gegenstände ist gar nicht erforderlich, wir können

sie [?!] auch ohne solche haben, in uns tragen.”, bedoeld is „der

Nachweis einer selbständig [!] für sich bestehenden, sich selbst

genügenden Raumanschauung”. We kunnen nu reeds verwachten, dat zijn 3

„Einwände” tegen het aldus geduid argument Kant weinig zullen deren:

1°. „Nicht frei und selbständig, sondern an die Erfahrung gebunden sind

wir, wenn wir nur bestimmte Sinneseindrücke räumlich unmittelbar

auffassen, wenn wir dem Tisch und dem Stuhl, den Gestirnen und den

Tieren besondere Formen beilegen und bestimmte Lagen anweisen.”

Külpe denkt dus dat we volgens Kant „frei und selbständig” (naar

believen? naar scheppersluim? maar een waarbij zich de mensheid van

alle landen en tijden, zo ’t schijnt, in een wonderbaarlike harmonia

praestabilita mag verheugen) aan de dieren des velds hun gestalten, aan

de gesternten hun plaats zouden aanwijzen?

Dat we ons de ledige ruimte wel kunnen „denken”, niet „voorstellen”,

bewijst noch iets voor het empirisme (Berkeley) tegenover het

apriorisme (Kant)—immers dat de éne ruimte zelf nog iets anders is dan

het begrip „ruimte” geven ook de empiristen toe—, noch voor het

realisme (Locke, Hegel, Comte, Hartmann, Külpe) tegenover het idealisme

(Berkeley, Kant, Schopenhauer, Heymans)—want ook of juist ten aanzien

van de wèl-voorstelbare „materie” der gewaarwordingen zijn er

idealisten!

2°. „Da die unmittelbare Raumanschauung auf zwei Sinne beschränkt ist,

so gibt es auch raumlose Vorstellungen”... „Von der Notwendigkeit einer

auf sich selbst gestellten Raumanschauung könnte daher bei einem ohne

Gesichts- und Tastsinn geborenen Individuum gar nicht geredet werden.”

Hiertegen zij opgemerkt: Kant noemt de ruimte niet voorwaarde van

„voorstellingen” maar van „äusseren Erscheinungen” i.e. lichamen,

ruimtedingen.—Kant zou dus antwoorden: indien inderdaad de ruimte

slechts vorm is van die beide zinnen, dan kan er voor zulk een

Individuum evenmin een ruimtewereld, lichamelikheid, als ruimte

bestaan! En mij dunkt, Külpe zal de eerste zijn, dat toe te geven.—Laat

mij Külpe eraan herinneren, dat de ruimte voor Kant, in plaats van „auf

sich selbst gestellt”, juist slechts is Form der Sinnlichkeit, van het

waarnemingsvermogen, en dus: ohne Sinnlichkeit, ohne Sinne, ohne

Anschauung... kein Raum!—Kant zegt enkel: Wie ruimtelikheden,

ruimtelike dingen stelt, heeft heel de ruimte reeds voorondersteld;

hieruit volgt alleen: wie dit laatste niet zou vermogen, wie dus, ’t

zij zonder waarnemingsvermogen of zonder ruimtezin(nen) geboren is,

voor hem zouden geen lichamen, geen natuurdingen, noch afstanden, noch

bewegingen, noch gestalten, noch groot of klein, kortom niets van heel

de ruimtelike ordening der dingen, bestaan of denkbaar zijn.

Dat de ruimte echter onafhankelik van ons waarnemingsvermogen „niets”

is, dat zegt de ruimte-idealist Kant, zo goed als Berkeley,

ondubbelzinnig en overvloediglik. Eén plaats voor alle: p. 56: „Wir

behaupten also die empirische Realität des Raumes (in Ansehung aller

möglichen äusseren Erfahrung) ob zwar zugleich die transcendentale

Idealität desselben, d.i., dass er nichts sei, so bald wir die

Bedingung der Möglichkeit aller Erfahrung weglassen, und ihn als etwas,

was den Dingen an sich selbst zum Grunde liegt, annehmen.”; dit laatste

op dezelfde pag. te voren nog precies omschreven: „die Idealität des

Raums in Ansehung der Dinge, wenn sie durch die Vernunft an sich selbst

erwogen werden, d.i. ohne Rücksicht auf die Beschaffenheit unserer

Sinnlichkeit zu nehmen.”

3°. „Dass die Naturwissenschaft ihren Gegenständen räumliche

Eigenschaften und Beziehungen zuschreibt, beruht darauf, dass diese zu

dem von uns unabhängig Gegebenen gehören, das eine durch das Individuum

nicht willkürlich zu beeinflussende Gesetzmässigkeit aufweist. Dabei

wird durch Messung und Berechnung dafür gesorgt, dass unsere

Raumvorstellung keinen modifizierenden Einfluss auf die objektive

Raumbestimmung gewinnt, dass also die zahlreichen Täuschungen, denen

wir bei der unmittelbaren räumlichen Auffassung unterliegen, nicht auf

die Objekte der Naturerkenntnis übertragen werden. Daraus ergibt sich

die Unterscheidung eines subjektiven und eines objektiven Raumes, und

die Einsicht, dass unsere subjektive Raumvorstellung mit

Eigentümlichkeiten individueller Art behaftet ist, die ihre Bedeutung

für eine allgemeingültige und notwendige [?] Raumbestimmung wesentlich

einschränken. Wäre der Raum lediglich eine Form unserer Sinnlichkeit,

so würde die Möglichkeit einer Geometrie ebensowenig verständlich sein,

wie diejenige einer Naturwissenschaft.”

En dit alles tegen Kant! Zou deze Newtoniaan niet onderscheiden hebben

de „subjectieve”, lees individuele, ruimtevoorstellingen, en de

„objectieve” (dus van het subject aller mogelike gewaarwordingen

afhankelike) ruimte der natuurwetenschap? Kant, wiens ruimteleer juist

de vooralsnog énige verklaring van de Möglichkeit niet einer, maar der

Geometrie, en niet einer, maar der Naturwissenschaft gegeven heeft!—Of

zouden soms voor Külpe de kleuren in de natuur, in de plantenwereld

b.v., niet „zu dem von uns unabhängig Gegebenen gehören, das eine durch

das Individuum nicht willkürlich zu beeinflussende Gesetzmässigkeit

aufweist”?

Voor de verwarring van kennistheoretiese subjectiviteit met „willekeur”

of individuele afhankelikheid, waartegen reeds Collier en Berkeley voor

twee eeuwen zich afdoende verweerd hebben, zou men toch hedendaagse

Professoren als Wundt, Külpe, Adickes te goed hebben geacht, en zoveel

anderen, die in naam van de natuurwetenschap tegen Kant’s ruimteleer

opkomen. [134]

c. Hartmann tegen het derde en vierde argument; „reine Anschauung” en

de phychologie; Wundt’s „Form”.

Kant’s 3de Ruimte-argument luidt (2de dr.): „Der Raum ist kein

discursiver, oder, wie man sagt, allgemeiner Begriff von Verhältnissen

der Dinge überhaupt, sondern eine reine Anschauung.”

Niets wellicht heeft in de geschiedenis der wijsbegeerte meer

misverstand gewekt dan de naam „reine Anschauung” door Kant aan ruimte

en tijd gegeven. Vertaal dat toch eens in begrijpelike psychologiese

termen, vraagt men dan ook onwillekeurig; wij weten wat gewaarwordingen

zijn, wat voorstellingen, wat begrippen, maar wat is nu een „reine

Anschauung”? Want „rein” betekent naar Kant’s eigen definitie: vrij van

elk „empiries” element, i.c.: vrij van al „was zur Empfindung gehört”.

Dus noch gewaarwording, noch begrip, maar voorstelling zonder

gewaarwordingselement? Kant’s onderscheiding tussen „vorm” en „inhoud”

van ons waarnemingsvermogen heb ik in hoofdstuk III uitvoerig

toegelicht.—Kant ging uit van het ervaringsfeit, „dass das

Mannichfaltige der Erscheinung in gewissen Verhältnissen geordnet,

angeschauet wird” (2de druk: „in gewissen Verhältnissen geordnet werden

kann”), nl. in ruimte en in tijd; zo pleegt ook de moderne psychologie,

b.v. Wundt en de zijnen, te onderscheiden „Stoff” en „Form” der

waarneming, nl. de gewaarwordingsinhoud (kleuren, geluiden enz.) en hun

ruimtelik-tijdelike ordening.

Nu is de „Form” voor Kant niet, als bij Wundt, deze ordening zelve,

maar de subjectieve Bedingung der Möglichkeit dezer ordening; met

Kant’s eigen woorden: „dasjenige...., welches macht, dass das

Mannichfaltige der Erscheinung in gewissen Verhältnissen geordnet,

angeschauet wird, nenne ich die Form der Erscheinung.”

Deze „vorm”, die een bepaald soort ordening van gewaarwordingen mogelik

maakt, kan niet zelf weer gewaarwording zijn: „Da das, worinnen sich

die Empfindungen allein ordnen und in gewisse Form gestellt werden

können, nicht selbst wiederum Empfindung sein kann, so ist uns zwar die

Materie aller Erscheinung nur a posteriori gegeben, die Form derselben

aber muss zu ihnen insgesammt im Gemüthe a priori bereit liegen, und

dahero abgesondert von aller Empfindung können betrachtet werden.”—Wat

de betekenis van dit a priori is, en hoe wij tot ’t bewustzijn van deze

„vorm” komen, is boven uiteengezet.—Ieder zal nu inzien, dat deze

„vorm” iets anders is dan ’n „begrip”: dat hij tot de „Sinnlichkeit”

behoort, die ons „Anschauungen liefert”—niet tot het „verstand”,

waaruit „Begriffe entspringen”. (44) Deze „vorm” niet te bezitten zou

een gebrek zijn van het waarnemingsvermogen, van de zinnen, niet van

het verstand (45), naar de scherpe onderscheiding tussen beide, reeds

door Berkeley in overeenstemming met Kant—en in tegenstelling tot het

intellectualisme van Leibniz en Hegel c.s. [135]—gemaakt: „To perceive

is one thing, to judge is another” ... „Things are suggested and

perceived by sense. We make judgements and inferences by the

understanding.” [136]

Voor deze „vorm” zelf, noch voor onze wetenschap daaromtrent, is dus

een zuiver psychologiese term te vinden, omdat het een onbewuste

functie of wettelikheid is van ons waarnemingsvermogen, die wel is waar

uitsluitend zich doet gelden, in werking treedt („Statt findet”) „bij

gelegenheid van” waarnemingen—maar toch geenszins door of uit deze

ontstaat, in tegendeel, deze ordent, bepaalt, voor zover dit van het

waarnemend subject afhangt, terwijl alle concrete bepaaldheden dezer

ordening (dus wat Wundt de „Form” noemt)—afhangen van de op het subjekt

inwerkende werkelikheid. [137]

Nu heeft Kant deze functie, deze vorm, die dus niet „empirisch” maar

„rein” is (en bovendien „transcendental” in de zin van: het empiriese

subjectief bepalend), zelf ook „Anschauung” genoemd: „Diese reine Form

der Sinnlichkeit wird auch selber reine Anschauung heissen.” Deze

inderdaad wat willekeurige naamgeving heeft ontzaglik veel misverstand

en verwarring gewekt [138] en is toch zo begrijpelik: Wij brengen ons

deze „vorm” tot bewustzijn—door te abstraheren, een zinnelik voorwerp,

een lichaam dus, in gedachten nemend, eerst van ’t geen hier enkel

gedachte, begrip, verstandswerk is: substantie, kracht enz., dan van

wat gewaarwordingsinhoud is: kleur, hardheid etc.—en zeg ik nu, dat

deze laatste elementen uitmaken de waarnemings-inhoud, alias de

„empirische Anschauung”, dan zal het overblijvende, de ruimtelikheid,

behoren tot de waarnemings„vorm”: „reine Anschauung”.

Ziedaar Kant’s gedachtengang, tans in z’n eigen woorden: „So, wenn ich

von der Vorstellung eines Körpers das, was der Verstand davon denkt,

als Substanz, Kraft, Theilbarkeit etc., imgleichen, was davon zur

Empfindung gehört, als Undurchdringlichkeit, Härte, Farbe etc.

absondere, so bleibt mir aus dieser empirischen Anschauung noch etwas

übrig, nämlich Ausdehnung und Gestalt. Diese gehören zur reinen

Anschauung, die a priori, auch ohne einen wirklichen Gegenstand der

Sinne oder Empfindung als eine blosse Form der Sinnlichkeit im Gemüthe

[= in de geest] Statt findet.”

Dit is nu nog maar naamgeving; zakelik is het een vooruitlopen op ’t

geen de Aesthetik zelf zal bewijzen, dat nl. werkelik de ruimte en de

tijd niet tot de „materie” behoren—’t geen ruimte-empirisme zou

impliceren en wat b.v. van Berkeley en Collier de mening was, en het

nòg is van Mach c.s., die „Räume” evenals „Farben” en „Töne”

Empfindungen noemen,—maar tot de „vorm”, een theorie, waardoor het

feitelik, wetenschappelik ruimte- en tijd-apriorisme geïmpliceerd en

geëxpliceerd (gegeven en verklaard) zou zijn.

Van de Aesthetik is dan ook dit „Formalisme” („vorm”leer tegenover

„Materialisme” als „inhouds”leer) de hoofdzaak, al brengt het tevens

„Idealisme” mee, aangezien de „vorm”, in tegenstelling tot de „materie”

(Cap. III § 2), uitsluitend subjectief bepaald is. We begrijpen

nu—terloops—het misverstand van Wundt c.s., die de „vorm” tevens

objectief bepaald willen hebben, tegenover Kant’s „extremen

Subjectivismus”... dat komt doordat Wundt de ruimtelike (of tijdelike)

ordening zelve „vorm” noemt, in plaats van datgene wat deze ordening

subjectief mogelik maakt. Ruimte-realisten moeten dan ook in ’t geheel

niet van „Anschauungsformen” spreken, aangezien zij die noch kennen,

noch erkennen. Voor hun wordt niets dan een gedachteloos en

onrechtmatig overgenomen woord, wat metterdaad heel een

wereldbeschouwing insluit. (46)

Kant drukt dus door die keuze van de naam „Anschauung” zo plasties

mogelik uit, dat voor hem de ruimte behoort tot onze Sinnlichkeit, tot

het waarnemings-, niet tot het denkvermogen. [139] Natuurlik is het

nooit in Kant opgekomen, het begrip „ruimte” te loochenen, Kant die

eerst geeft z’n „Erörterung dieses Begriffes”, dan z’n „Transcendentale

Erörterung des Begriffs vom Raume”. Dit is toevoegsel van de 2de druk.

Goed, maar in de 1ste gelijk in de 2de vinden we b.v. (pag. 104/5 K. d.

r. V.):

„Wir haben jetzt schon zweierlei Begriffe von ganz verschiedener Art,

die doch darin mit einander übereinkommen, dass sie beiderseits völlig

a priori sich auf Gegenstände beziehen, nämlich, die Begriffe des

Raumes und der Zeit, als Formen der Sinnlichkeit, und die Kategorien,

als Begriffe des Verstandes” ... „Wir haben oben die Begriffe des

Raumes und der Zeit, vermittelst einer transcendentalen Deduction [t.

D. betekent: rechtvaardiging van het gebruik a priori] zu ihren Quellen

verfolgt”...

Maar het begrip ruimte is iets anders dan de ruimte zelf, gelijk het

begrip „paard” iets anders is dan een paard. [140] Volgens de

empiristen nu is het begrip ruimte op dezelfde wijze ontstaan als b.v.

het begrip paard, nl. door generalisering en abstrahering, een logiese,

„discursieve” (= van ’t biezondere trapsgewijs voortschrijdend tot het

algemenere) verwerking van het onmiddellik (intuïtief) gegeven

biezondere. Dit biezondere verschaft ons dus eerst het algemenere.—Zo

zouden ook de biezondere ruimten ons tot de algemene ruimte hebben

gebracht.

Dit nu is onmogelik, zegt Kant, om drie redenen (de 3de vormt het

laatste ruimteargument):

1º. de ruimte zelf is... iets biezonders, een singulare, in de taal der

logica: heel de omvang van het begrip ruimte bestaat uit één

exemplaar—ergo kan het geen „discursief” of „algemeen” begrip zijn, als

paard, met zijn omvang van talloze exemplaren. Het biezondere,

singulare nu, kan alléén onmiddellik, niet door afleiding, worden

gekend, intuïtief dus of door „aanschouwing”. Alle zogenaamde

biezondere „ruimten” zijn slechts delen van de éne ruimte. [141]

2º. Deze delen zijn enkel denkbaar als delen, „Einschränkungen”, van de

gehele ruimte zelf, deze laatste is het prius, is voorondersteld, in

tegenstelling tot de exemplaren van ’n algemeen begrip als paard [142],

die zelf ’t begrip eerst mogelik maken. [143]

Daaruit volgt voor Kant weer, als bij de vorige argumenten, de

aprioriese natuur van de ruimte, terwijl dan gewezen wordt op de

evenzeer aanschouwelike als aprioriese, apodiktiese natuur van de

meetkundige bewijsvoering. [144]

3°. De ruimte wordt als een grootheid, zij ’t ook een oneindige

grootheid, gedacht. Dat is alleen bij een Einzelding, een singulare,

mogelik—niet bij een algemeen begrip, als „paard” (wel bij een bepaald

paard), terwijl een algemeen begrip, iets wat aan voet en el en elk

lengteding, elke grootheid, gemeen is, niet een biezonder soort

grootheid (oneindig groot) kan zijn; een begrip kan wel aan een

oneindig aantal te denken voorstellingen gemeen zijn: mens en de

individuen in ’t oneindige, maar kan nooit een oneindig getal

voorstellingen in zich bevatten, zo als alle delen der ruimte en alle

ruimtedingen tegelijk zich in de ruimte bevinden. [145]

Ziehier dus Kant’s bedoeling, wanneer hij de ruimte als „reine

Anschauung” stelt tegenover een discursief begrip.

Zien wij nu Hartmann’s begrip hieromtrent. Het is een summum! Hij

begint met Kant’s tegenstelling Anschauung-Begriff voor „ganz verkehrt”

te verklaren. „Die Anschauung im engeren Sinne ist nur ein Begriff von

niedrigerer Abstractions-(und Combinations-)Stufe, der Bergriff

[drukfout] ist nur eine Anschauung von höherer Abstractions-(und

Combinations-)Stufe.” Deze definitie schenken we H. graag. Hij

onderstreept dan: „es giebt für das Bewusstsein keine reinen, d.h.

anschauungsfreien, Begriffe”—(dat klinkt als een echo van Kant’s eigen

uitspraak: „Begriffe ohne Anschauung sind leer”!)—en of er nu al of

niet een „reine Anschauung” „für das Bewusstsein zu gewinnen” zij,

„immer wird sie durch den Abstractionsprocess ihrer Gewinnung zum

discursiven oder allgemeinen Begriff gestempelt, ohne das dies ihrem

Charakter als reine Anschauungsform den geringsten Eintrag thut.”

Hartmann vindt het dus, waar Kant’s argument de „Identität” tussen

algemeen begrip en „reine Anschauung” „zum Gegensatz verdreht”,

„Komisch... welche Mühe sich Kant giebt, zu beweisen, dass derselbe

Anschauung sei, als ob dadurch irgend etwas gegen seine begriffliche

Natur und gegen sein Abstrahirtsein aus Erfahrungen bewiesen wäre.”

Ik hoop dat nu de lezer het „komische” van Hartmann’s vermaak inziet.

We hebben zowel die „abstractie uit ervaring” als het aanschouwen van

het singulare nu duidelik genoeg verklaard.

Het gaat nog „komischer” worden:

„Der erste Satz, dass man nur einen einigen Raum vorstellen könne, ist

richtig für den Standpunkt des transcendentalen Realismus, aber falsch

für den Kantischen Standpunkt des transcendentalen Idealismus. Denn der

transcendentale Realist bezieht seinen Vorstellungsraum auf ein

transcendentes Correlat welches letztere schlechthin nur Eines, und

zwar für alle Bewusstseine numerisch Identisches, also objectiv

Einziges ist; der transcendentale Idealist hingegen läugnet ein solches

numerisch identisches Correlat aller subjectiven Vorstellungsräume, für

ihn hat der Raum keine höhere als subjective Realität, und da alle

Subjecte gleiche Berechtigung haben, so haben auch alle subjectiven

Vorstellungsräume gleiche Berechtigung; er ist also logisch gezwungen,

so viel Räume vorzustellen, als er Subjecte vorstellt.”

We zien dus—Kant’s transcendentaal idealisme kent, naar boven (Cap. V §

1 p. 93 ss.) precies is uiteengezet, slechts één Ruimte, één Tijd, één

Ervaring, één ruimtelik-tijdelike phaenomenale Wereld. Maar naar

Hartmann’s opvatting van Kant’s „Standpunkt des transcendentalen

Idealismus” zouden er volgens die leer slechts individuele „ruimten”,

„tijden” enz. zijn. Ergo .... is „der Kantische Standpunkt des

transcendentalen Idealismus” niet gesnapt door .... Kant! Aldus

Hartmann. [146]—H. doet dan nog even een ontdekking, waarover hij zelf

„höchlich erstaunt” is (waarover echter haar weerlegger, reeds voor 2

eeuwen,... weer de goede Berkeley, höchst erstaunt zou zijn geweest),

nl. dat zelfs t.a.v. een individu „die Behauptung der Singularität für

den Standpunkt des transcendentalen Idealismus falsch” is. „Rein

subjectiv betrachtet besitzen wir” namelik „zwei ganz getrennte

Wahrnehmungsräume, den Gesichtsraum und den Tastraum”, maar we merken

daar nooit wat van, omdat „der Instinct” .... beide „instinctiv

[allicht] sofort und immer auf ihr transcendentes Correlat bezieht,

welches der Verstand als Eines weiss”.—O kennisleer der instinctieve

wetenschap van het transcendente!—Hartmann’s paganisme hier één met Dr.

Kuyper’s instinctief materialisme van „momenten” en „relaties”.

„Kant’s Prämisse von der Einzigkeit des Raumes ist also für seinen

Standpunkt in jeder Hinsicht unhaltbar. Die Art der daraus gezogenen

Schlüsse ist es nicht weniger.”

Wiens Prämisse en wiens Schlüsse hier in jeder Beziehung unhaltbar

zijn? Sapienti sat.—Alleen wil ik nog even aanstippen hoe Hartmann de

heerlike gelegenheid tot misverstanden, die Kant’s „als unendliche

Grösse gegeben vorgestellt” biedt, niet ongebruikt laat.—Ik zal daar

niet verder op ingaan, alleen nog in ’t voorbijgaan opmerken, dat

Hartmann zich genoodzaakt ziet, zijn „realen Raum”.... „begrifflich als

jederzeit endlich zu supponiren, da er nicht weiter reicht als die

materiellen Dinge an sich [!], deren Daseinsform [!] er ist”. [147]

Opmerkelik dan: „Was die Behauptung der actuellen Endlichkeit des

realen Raumes paradox erscheinen lässt, ist nur der Umstand dass der

Gedanke stets zur Ueberschreitung einer eventuellen Grenze sich gereizt

fühlt, und dabei vergisst, dass er, als bewusster Gedanke, auf den

realen Raum gar nicht influirt. Dasselbe gilt von der subjectiv-idealen

und der realen Zeit [dus ook deze eindig!], wo die Paradoxie des realen

Zeitendes und Zeitanfanges übrigens leichter überwunden zu werden

pflegt.” Hartmann geeft dan verder zijn eigen metaphysica van tijd en

ruimte, waarin deze „nicht Subsistenz formen, sondern Existenz formen”

worden, naar zijn onderscheiding van „Wesen” en „Dasein” enz., waarmee

wij ons hier niet zullen ophouden.

d. Külpe tegen het derde en vierde argument.

We richten ons nu weer tot Külpe’s bedenkingen tegen het voorlaatste en

laatste argument.

Tegen het 3e de drie volgende:

1°. „So richtig es ist, dass der allumfassende Raum sich zu den

einzelnen Räumen nicht verhält, wie ein Begriff zu seinen Exemplaren

oder ein Gattungsbegriff zu seinen Arten, so folgt daraus doch nur,

dass dieser allumfassende Raum zur Wahrnehmung, genauer zur

Gesichtswahrnehmung, als eine Bestimmtheit derselben gehört.” Deze

opmerking, wil zij zin hebben, verwart ruimtelikheid en ruimte, en

bedoelt dan dat de eerste tot de inhoud, materie, van het gegevene

behoort,—een „spezifische Eigenschaft der Gesichtswahrnehmung oder

-vorstellung” is. Afgezien van de psychologiese onhoudbaarheid dezer

ook door bij geopereerde blindgeborenen geconstateerde feiten weerlegde

optiese ruimteleer [148], is ’t moeilik te vatten, hoe de ene

alomvattende ruimte eigenschap van enige waarneming zou kunnen

zijn.—Kant’s betoog van de zinnelikheid der als eenheid, intuïtief,

gekende ruimte, in tegenstelling tot haar verstandelikheid, blijft hier

ongerept. „Zugleich ist auch die hier bezeichnete Eigentümlichkeit der

optischen Raumauffassung durchaus zu dem Gegebenen, Vorgefundenen zu

rechnen, das eine ähnliche subjektiv-objektive Natur verrät, wie sie

den Farben, den Tönen und anderen Bestandteilen unserer

Sinneswahrnehmung allgemein zugestanden wird.” Hier spreekt weer

dezelfde Wundtiaanse verhaspeling van de bepaalde ruimtelike ordening

der dingen met de ruimte zelf, en dezelfde daaruit voortspruitende

Kant-misduiding, als reeds vroeger is gesignaleerd en enige bladzijden

verder zich aldus uit (p. 59): „Die transzendentale Aesthetik hat von

Kants bedeutenden Nachfolgern nur Schopenhauer einfach angenommen. Zwar

hat man auch nachher die Apriorität des Raumes und der Zeit im Sinne

der Subjektivität vertreten. Aber [!] indem die Kenntnis bestimmter

Lagen, Entfernungen und Grössen als eine empirisch erworbene galt, und

indem den Richtungsunterschieden und Abständen, kurz der räumlichen und

zeitlichen Ordnung eine objektive Gesetzmässigkeit gegenübergestellt

wurde, ist der Kantische Standpunkt des Phänomenalismus tatsächlich

aufgegeben worden.” Integendeel, daarbij zou men zuiver Kantiaan kunnen

blijven, zolang men zich niet aan dogmatiese, transcendente tijd of

ruimte zou bezondigen. Immers, ook voor Kant heeft elke bepaalde

ruimtelikheid dezelfde „subjektiv-objektive” natuur als elke bepaalde

kleur of toon. Alle drie zijn dus uitsluitend subjectief, maar in hun

biezonderheid mede bepaald door van ons en onze waarneming onafhankelik

bestaande oorzaken der aandoeningen, der wijzigingen van ons

waarnemingsvermogen, die zelf als zodanig noch kleurig, noch klinkend,

noch ruimtelik zijn. Maar de ene ruimte staat niet gelijk met kleur of

klank, maar met het ene kleurenschema, de ene toonschaal, waarop elke

mogelike kleur of klank even zo haar plaats aangewezen vindt als elk

lichaam in de ruimte—gelijk boven uitvoerig is betoogd.

2°. „Daneben darf man nicht übersehen, dass es sehr wohl auch einen

Begriff vom Raume geben kann, der nicht auf Einschränkungen der

Raumanschauung beruht.” Wat men niet mag over ’t hoofd zien—is 1°., dat

Kant zelf wel enige notie van het begrip ruimte heeft verraden, 2°.,

dat echter Kant nergens dit begrip laat berusten op „Einschränkungen

der Raumanschauung”, een fundering, waarvan mij de zin zelfs ontgaat.

[149] „Wird etwa der Raum als eine Mannigfaltigkeit von drei

Dimensionen definiert, so ist damit ein Raumbegriff aufgestellt, der

mit unserer Raumanschauung nicht identisch ist.” Indien hier met

Dimension, naar ik wil aannemen, niets specifiek ruimteliks is bedoeld

en dus niet een vicieuse cirkeldefinitie is gegeven (indien dus „von

drei Dimensionen” wil zeggen: „drievoudig, i.e. door drie onafhankelik

veranderliken bepaald”), dan zou naar deze definitie van Külpe b.v. het

parallelogram, of het geluid (1: intensiteit, 2: toonhoogte, 3:

klankkleur)... de ruimte zijn!

De juiste definitie van de ruimte als „Grundbegriff der Geometrie” kan

Külpe vinden in de „Gesetze und Elemente” van Heymans, de aanhanger en

bevestiger van Kant’s Aesthetik, van zijn kritiese,

formeel-aprioristiese oplossing van het probleem der synthetiese

oordelen a priori ten aanzien van ruimte en tijd in meetkunde en

wiskundige bewegingsleer.

3°. „Dass endlich die geometrischen Sätze des Euklid nicht aus

allgemeinen Begriffen, sondern aus der Anschauung abgeleitet werden,

kann man zugeben ohne damit die Unmöglichkeit eines Raumbegriffes

selbständiger, von dem anschaulichen Charakter des Raumes unabhängiger

Art anerkennen zu müssen.” Deze „Unmöglichkeit eines Raumbegriffes

selbständiger Art enz.” te erkennen, heeft Kant nimmer

geboden.—„Seitdem eine Nicht-Euklidische Geometrie existiert, gibt es

geometrische Sätze, die nicht aus unserer optischen Raumanschauung

abgeleitet werden.” De niet-Euklidiese meetkunde is meermalen tegen

Kant aangevoerd, maar in dit verband vermoedelik nooit.—Immers, voor de

verdediging van „begrip” tegenover „aanschouwing” had Külpe eenvoudig

naar de analytiese meetkunde kunnen verwijzen—die echter allicht niet

onbekend is gebleven aan Kant.

Tegen Kant’s slotargument (zie bl. 117) voert Külpe aan:

1°. „Als eine unendliche gegebene Grösse kann der Raum nicht angeschaut

werden. Jede Raumanschauung ist als solche begrenzt und somit endlich.”

Dit is eenvoudig een woord-misvatting, gevolg van Kant’s

taalslordigheid. Met „vorgestellt” bedoelt Kant hier niet „angeschaut”

maar „gedacht”. Dat spreekt van zelf. Maar ten overvloede zegt Kant het

enige regels verder zelf: „Gleichwol wird der Raum so gedacht”!—Külpe

zegt dan nog van deze „oneindigheid”: „Es ist dadurch m.a.W. nur zum

Ausdruck gebracht, dass wir uns jenseits aller einen bestimmten Raum

begrenzenden Flächen immer wieder Räumliches vorstellen können [op deze

grond mag alleen een Kantiaan, niet enig realist, naar Hartmann zelf

volkomen juist heeft opgemerkt, de ruimte voor oneindig verklaren], und

dass alle bisherigen Versuche, die Grössen und Entfernungen des

Weltenraumes [!] abzumessen, kein definitives Ziel gefunden haben.” Dit

is weer een van die wonderlike vergissingen, waarvan de Kantbestrijding

het geheim bezit. Gesteld al—des neen—, dat men op enige astronomiese

„meting” zou moeten of kunnen wachten om in of ook buiten de meetkunde

de ruimte „definitief” voor oneindig te houden, zou Külpe zelf niet

onmiddellik toegeven, dat wat „gemeten” wordt—slechts de ruimte wereld

is, nimmer de wereldruimte? En gesteld eens, dat wèl een „definitives

Ziel” bereikt, en de meting aller „Grössen und Entfernungen” van het

ruimtelik heelal voltooid ware, zou dan iemand ter wereld ophouden, het

Euklidies axioma der rechte lijn te aanvaarden of zich die nauwkeurig

gemeten en begrensde wereldstelsels te denken anders dan in ... de

oneindige ruimte?—„Die anschauliche Natur des Raumes kann daher gerade

durch das Merkmal der Unendlichkeit nicht nachgewiesen werden.” Het

begrip ruimte is toch niet bij geval oneindig?—En van een oneindig

groot ding, het „onding” ruimte, wil en kan Külpe zelf niets

weten,—zodat hem alleen het reeds weerlegd, zich zelf weerleggend

„oneindig groot abstractum” rest, waarmee wij Külpe ... aan Kant mogen

zetten.

2°. „Dass aber der Raum eine unendliche Menge von Vorstellungen in sich

enthält, hat mit seiner Unendlichkeit nichts zu tun. Denn jeder

endliche Raumteil kann infolge seiner stetigen Erstreckung nach allen

Richtungen ohne angebbare Grenze zerlegt und geteilt werden.”

Deze waarheid heeft met Kant’s oneindigheid weer nichts zu tun. Want

niet maar een oneindig aantal oneindig kleine delen, doch juist een

oneindig aantal delen van eindige willekeurige grootte bevat

merkwaardigerwijze de ruimte.

e. Hartmann’s veelzijdigheid ter zake van Kant’s transcendentale

Erörterung (meetkundefundering).

Zowel Hartmann als Külpe richt zich ten slotte tegen Kant’s

„Transcendentale Erörterung des Begriffes vom Raume”,—dus tegen zijn

verklaring, fundering der meetkunde.—Immers, naar Kant zelf definieert,

bedoelt hij met die „Transcendentale Erörterung”: „die Erklärung eines

Begriffs als eines Princips, woraus die Möglichkeit anderer

synthetischer Erkentnisse a priori eingesehen werden kann.” Ten deze

geldt het „die apodiktische Gewissheit aller geometrischen Grundsätze

und die Möglichkeit ihrer Constructionen a priori.”

Over Kant’s verhouding tot de meetkunde heb ik boven gesproken. Hoe de

door Kant’s genie ontdekte, nog tamelik „ledige” mogelikheid van een

verklaring en logiese rechtvaardiging van de meetkunde als synthetiese

en aprioriese wetenschap, tans tot vervulde werkelikheid is geworden,

kan de belangstellende weder nalezen in Heymans’ „Gesetze und

Elemente”, die Geometrie, speciaal § 51 en § 57. Daar zal hij tevens de

afdoende weerlegging vinden van het meetkunde-empirisme (§§ 49 en 50),

zodat het geheel overbodig werk zou zijn een Hartmann en Külpe nog eens

expliciet te gaan bestrijden.

Het enige nieuwe toch, wat Hartmann hier brengt, is de veelzijdigheid

van zijn verwarring. Tweeërlei houding toch is tegenover Kant’s

meetkunde-kritiek logies mogelik, tenzij men het

syntheties-aprioristies karakter van de meetkunde erkent: men kan òf

bestrijden, dat de meetkundige axioma’s synthetiese oordelen zijn, dus

haar analyties karakter willen volhouden (dan blijft zij natuurlik in

Kant’s zin „a priori”), òf hem de synthetiese natuur toegeven, maar de

aprioristiese aard loochenen, dus trachten uit ervaring de axioma’s af

te leiden.—Hartmann echter ziet kans, alle drie tegelijk te doen: haar

zowel voor analyties als syntheties (47) te verklaren en dit laatste

zowel a posteriori als a priori,—en nog bovendien haar, wat de

„toepasselikheid” betreft, op ... „Dinge an sich”(!) te betrekken,

waaromtrent de ervaring (!) ons bij inductie het Euklidies karakter zou

hebben geleerd! Dit alléén zou voldoende zijn om H. voorgoed te doen

schrappen van de lijst der kritiese denkers, indien niet zijn bedoeling

tenminste nog een weinig onschuldiger ware dan zijn uiting, aangezien

hij alleen maar, in z’n dogmatiese verblinding, constant, zo hier als

elders, voor „Dinge an sich” houdt, wat enkel ... natuur-objecten zijn.

Van dit alles slechts enkele staaltjes; wie er belang in stelt leze het

geheel zelf even door, pp. 131–136.

Hij begint met de opmerking à la Stuart Mill: „Es handelt sich hier um

zwei völlig von einander zu trennende Probleme, nämlich um das, was die

Geometrie für Figuren unserer Einbildungskraft, und um das, was sie für

Figuren der Wahrnehmung ist.” In de eerstgenoemde kies ik de stof

willekeurig, maar volg „meiner subjectiven Nothwendigkeit in der Form

der Verknüpfung”, in laatstgenoemde is elke willekeur buitengesloten,

„und es spielt dafür eine äussere oder transcendente Nothwendigkeit mit

einer inneren oder subjectiven durcheinander. Denn wenn ich an das Ding

an sich einer Tafel herantrete [48], und fühle mich von derselben so

afficirt, dass ich auf meiner Wahrnehmung [!] der Tafel die Zeichnung

eines Dreiecks vorfinde, so ist dabei keine Willkür meinerseits im

Spiele; es hängt nicht von mir ab ob ich ein Dreieck oder ein Viereck

wahrnehme, sondern von der durch den Zeichner vorher bedingten

Beschaffenheit des Dinges an sich der Tafel [bedoeld is natuurlik

eenvoudig het bord zelf]. Die geometrischen Gesetze meiner Wahrnehmung

stimmen aber mit denen meiner Einbildungskraft völlig überein, obwohl

die ersteren für mich a posteriori, die letzteren a priori bedingt

sind. Man denke sich z.B. die Tafel verhüllt, so dass mir successive

eine Ecke nach der anderen aufgedeckt wird, aber immer nur eine auf

einmal. Obwohl ich hierbei niemals die Anschauung eines Dreiecks

bekomme, ergiebt doch die successive empirische Messung der drei Winkel

eine Summe von 180°.”

Ik veroorloof mij over deze miraculeuse harmonia praestabilita, deze

„auffallende Analogie” (p. 132), vier opmerkingen:

1°. Noch gij, noch iemand anders heeft ooit die meting geprobeerd.

2°. Meet honderd keer, mits met de nodige nauwkeurigheid, en dan

garandeer ik u, dat ge niet één enkele maal precies 180° 0′ 0″ zult

vinden.

3°. Ge zult desniettemin met geen enkele nòg zo minimale afwijking van

180° 0′ 0″ genoegen nemen, maar elk meer of minder aan

onnauwkeurigheid, van uw instrumenten of uw meet-methode, toeschrijven.

Er is dus geen sprake van, dat we hier zouden afwachten, wat ons de

„ervaring”, de inductie leert.

4°. Ge zult bij al uw meten uitsluitend met gewaarwordingen en met

combinaties en vergelijking van gewaarwordingsinhouden te doen hebben,

die u dus omtrent het transcendente hoegenaamd niets leren, ook al

droomt ge nog voort in de naieve of dogmatiese waan, dat uw

waarnemingen het An sich... reproduceren, of hoe dan ook weergeven.

En nu weer Hartmann aan ’t woord: Na z’n meting, die hem precies 180°

opleverde, profeteerde hij vóór de onthulling der figuur: de benen van

die drie hoeken vormen een △! En zie: „Indem ich nun die Verhüllung von

der Tafel ganz wegnehme und die Wahrnehmung des stückweise gemessenen

Dreiecks als einheitliche Anschauung empfange, finde ich meinen

Schluss, und damit die Voraussetzung, auf welche sich derselbe stützte

[sc. volgens H.: als het „An sich” mij iets laat zien wat aan mijn

meetkunde-wetten van een △ beantwoordt, dan moet ’t mij ook ’n hele △

vertonen] empirisch bestätigt. Diese Uebereinstimmung ist aber nur dann

möglich, wenn in dem Ding an sich der Zeichnung zwischen den realen

Correlaten dessen, was in der Anschauung die Seiten und Winkel sind,

analoge gesetzmässige Verhältnisse bestehen, wie zwischen den Seiten

und Winkeln der Anschauung, wenn also, allgemein gesprochen, in den

Dingen an sich Gesetze walten, welche eine auffallende Analogie mit den

Gesetzen der subjectiven Geometrie haben, und nur insofern von dieser

sich unterscheiden können, als eine anderweitige (nicht räumliche)

Daseinsform des Dinges an sich eine Modification in ihnen bedingt.

Falls hingegen die Räumlichkeit und Zeitlichkeit selbst Daseinsformen

der Dinge an sich sind, so sind die mathematischen Gesetze für das

Dasein der Dinge an sich und für das Denken identisch; dann gewinnt die

Erklärung der fraglichen Uebereinstimmung die höchste Einfachheit. Dass

eine solche Uebereinstimmung statt findet, wissen wir nur aus

Erfahrung, und hat diese Annahme den höch[s]ten Grad von

Wahrscheinlichkeit, den die Induction nur verleihen kann, da noch nie

ein Fall constatirt ist, wo auf die Combination stückweiser

Wahrnehmungen die Gesetze der subjectiven Mathematik nicht hätten

passen wollen, wo also eine Incongruenz der formalen Daseinsgesetze und

der formalen Denkgesetze entdeckt worden wäre.”

Zoveel zinnen, zoveel fouten. Voor de éne werkelike meetkunde, die met

denkwetten evenmin iets te maken heeft als met bestaanswetten van Dinge

an sich, maar èn syntheties, dus niet denkwettelik maar aanschouwelik,

is èn a priori geldt ten aanzien van mogelike (immanente) ruimtedingen,

[150] treden bij Hartmann twee niet-bestaande „meetkundes”, twee

ondingen in de plaats, de eerste een analytiese, immers uitvloeisel

„unseres eigenen Denkvermogens”, ergo a priori geldig, en de tweede een

synthetiese, a posteriori geldend t.a.v. het Transcendente..... en die

beide zijn dan weer.... „identisch”!.... een identiteit, die dan gekend

wordt.... bij ervaring, „ervaring” t.a.v. Dinge an sich!

Maar met deze meetkunde-wijsheid is Hartmann’s maat nog niet

volgemeten. Immers, nadat hij op pag. 134 en 135 nog heeft uitgeweid

over „der subjectiven Denknothwendigkeit”.... „der logischen

Unmöglichkeit anders zu denken” van de mathematischen Gesetze (een

Denknothwendigkeit, die zowel door Kant als door de metageometrie

weerlegd is) en Kant door de heer v. Kirchmann mores heeft laten leren:

„Ausserdem aber gilt das empirische Urtheil nur für das singuläre

Object, während das formal-logische mathematische Urtheil für eine

ganze Gattung von Objecten gilt, eine Allgemeinheit, deren Grund Kant

in keiner Weise geahnt hat [kostelik], den vielmehr v. Kirchmann in der

Stetigkeit, der die möglichen zu einem Begriff gehörigen Figuren

durchlaufenden Gedankenbewegung nachgewiesen hat, und vor ihm Beneke”

en hij tot de slotsom kwam: „A priori ist also das mathematische

Urtheil nicht wegen seiner doch nur sehr cum grano salis zu

verstehenden apodictischen Gewissheit, sondern wegen seiner rein

logischen Formalität.”, wordt op dezelfde pag. doodleuk toegegeven

(blijkbaar weet H. niet wat hij zegt) het „feit”, dat „das

mathematische Urtheil” (dus ook het rekenkundige!) syntheties a priori

is! Maar men hore met welk aan eens Hartmann’s onbevangenheid

voorbehouden... voorbehoud: (p. 135 s.) „Räume ich Kant nun auch willig

die Thatsache ein, dass das mathematische Urtheil ein synthesisches

[drukfout] Urtheil a priori ist, so kann ich doch nicht zugeben, dass

diese Synthesen nicht auf allen Gebieten der Mathematik so sehr in ihre

Elemente zerlegt werden könnten, dass man zuletzt alle mathematischen

Synthesen aus Minimalschritten, wie z.B. wiederholten Anwendungen des

Satzes vom Widerspruch, erbauen könnte.... Es liegt nur ein solches

Bedürfniss für die ersten Anfänge der Mathematik nicht vor, weil dort

das Material einfach [!] genug ist, um auch ungeübten Köpfen logische

Synthesen von etwas grösserer Spurweite zumuthen zu können. Doch dies

nur beiläufig.”

Beiläufig bewijst hier Hartmann afdoende, dat hij van heel Kant’s boven

toegelichte tegenstelling syntheties (= niet logies of analyties

afleidbaar, d.w.z. niet uit wiederholten Anwendungen des Satzes vom

Widerspruch) en analyties (= uitsluitend door die logiese deductie te

verkrijgen), dus van de grondslag van heel Kant’s kritiek en heel de

kenniskritiese wijsbegeerte, tittel noch jota begrepen heeft.

„Wir sind mit unserer Kritik zu Ende”, zegt p. 136. „Von allen Gründen

Kant’s hat auch nicht einer sich bewährt”. Zo is het—mits men voor Kant

leze Hartmann.

We hebben nu gezien, dat Hartmann behoort tot degenen, die wijzer doen,

te zwijgen dan te spreken over Kant.—Kant’s kriticisme heeft hij op

niet één enkel punt bereikt, allerminst in zijn waarnemingsleer, zijn

„Aesthetik”. Hartmann en zijn stelsel vertegenwoordigen juist op de

universeelste wijs het onbewuste dogma. Maar Hartmann verkeert nog

bovendien in de goedige waan, dat hij, wijl eigenlik zelf tot Kant’s

waarnemingsinzicht, Kant’s „waarheid” gekomen, zij het dan langs betere

weg, „toegeeflik” kan zijn voor Kant’s goedbedoelde dolingen, voor de

transcendentale Aesthetik!

„Es wird daher Alles darauf ankommen, zu untersuchen ob die

transcendentale Aesthetik der gewöhnlichen Behauptung der Kantianer

gemäss einen grundlegenden Beweis für die Kant’schen Grundsätze zu

liefern vermag.

„Schopenhauer sagt über diesen Abschnitt der Kr. d. r. V.: ‚Die

transcendentale Aesthetik ist ein so überaus verdienstvolles Werk, dass

es allein hinreichen könnte, Kant’s Namen zu verewigen [Ik hoop, dat

ook mijn lezers dit tans met S. eens zijn.]. Ihre Beweise haben so

volle Ueberzeugungskraft, dass ich die Lehrsätze derselben den

unumstösslichen Wahrheiten beizähle’.... Ich bin so ketzerisch, zu

bemerken, dass ich bei wiederholtem Studium der transcendentalen

Aesthetik in verschiedenen Perioden niemals das Geringste von der

Ueberzeugungskraft dieser Beweise verspürt habe, dass ich vielmehr erst

dann Nachsicht gegen diesen Theil der Kant-Schopenhauer’schen

Philosophie üben lernte, als ich auf ganz andersartigem Wege zu jener

Wahrheit gelangt war, welcher diese Beweise dienen sollen.”

Het is jammer, maar Kant heeft de eer van deze Hartmann’s „Nachsicht”

niet verdiend.... de infra-kritiese „waarheid”, door Hartmann bereikt,

heeft niets gemeen met Kant’s waarheid, Kant’s verheven-geniale

kritiek; toegeeflikheid op grond van eens-gezindheid blijft dus

buitengesloten—van weerszijden!

f. Bolland aan de hand van Hartmann.

Zo is dus met Hartmann’s „realisme” en zijn kritiek op Kant’s

„idealisme” voldoende afgerekend. En een Hartmann is waarlik nog het

groene hout van het realisties verweer tegen Kant!—De massa, die tot

Kant niet komt, pleegt in hem diens „weerlegger” te huldigen en na te

praten. En ook daarom moest eens scherp met deze schijnkritiek

afgerekend, omdat heel het realisties dogmatisme, dat onder het

patronaat van Hegel en Hartmann hier te lande zoveel anti-realisties

gerucht maakt, diezelfde fouten door z’n voormannen en nog zoveel erger

dwaasheden door de dii minorum gentium laat rondbazuinen en aldus z’n

best doet, het krities idealisme bij bezonnen maar oningewijde

waarheidzoekers voorgoed te blameren. Vóór allen verdient hier Prof.

Bolland te worden genoemd. Gelijk Hartmann vóór en beneden Berkeley,

dus verre vóór en beneden Kant, is blijven staan, zo heeft Prof.

Bolland het kennis-theoreties nimmer verder gebracht dan tot Hartmann,

„den grootsten en veelzijdigsten wijsgeerigen denker onzer dagen”, den

„Meester der huidige metaphysica”, van zijn „Het Wereldraadsel” af, aan

welks inhoud hij zijn professoraat te danken had, tot zijn „Het Boek

der Spreuken” toe, uit 1909, en wat hij sinds nog geschreven heeft,

laatstelik b.v. „De Logica”, 1911.

„Kein tolleres Versehen kann sein

Gibst einem ein Fest und lädst ihn nicht ein.”

Nog één „tolleres Versehen” kan er zijn: iemand (niet, gelijk in

voorouderlike tijden, als schim, maar in levenden lijve) te doen

aanzitten bij z’n eigen... begrafenismaal. Aldus geschiedt in Het

Wereldraadsel met het dogmaties materie-realisme. Aan elke pagina merkt

men het helaas, dat de heer Bolland „aan de hand van Ed. v. Hartmann

zijne eerste schreden op het moerassig pad der wijsbegeerte gezet

heeft”. En niet alleen zijn eerste!

Deze zich noemende „Kriton” is zelf, jammer genoeg, een.... „Hylas”

gebleven.

Reeds in „Natuurwetenschap en Wijsbegeerte” pp. 33–82 vinden wij de

„alzijdige en beginselvaste diepzinnigheid van eenen Eduard von

Hartmann” (p. 80) in het op p. 39 (gelijk op p. 213) tot Kant gericht

verwijt van „negatief dogmatisme” en waar de heer B. zich „met E. v.

Hartmann lijnrecht tegenover Kant” wil stellen door.... „het menschelijk

weten eene meer dan illusorische beteekenis” te geven. Dit is het

zuiver dogmaties begrip van „weten” en „kennen” (cf. p. 269 o. c.), dat

Kant’s leer als een soort „agnosticisme” opvat (zie p. 213 en „Zuivere

Rede” p. 29/30, beneden behandeld), wijl het, niet de onmogelikheid van

het kennen, integendeel, maar de onmogelikheid van een dogmaties,

reproductief kennen, bewijst en verklaart.—Juist omdat door heel dit

anti-realisme (men hore de titels der artikelen: „Het objectivisme en

zijne eenzijdigheid”.... „De lichamelijke verschijnselen en hunne gewaande

zelfstandigheid”!) het grote allesbeheersende verschilpunt tussen

realisties dogmatisme en kriticisme niet genoemd noch gekend wordt: de

reproductieve, reflectieve, in pl. v. de productieve kennisopvatting

(gelijk ik dat boven in den brede behandeld heb), omdat het zelf geheel

in deze reflectieleer verstrikt is gebleven, daarom leeft het zelf uit

en in de fout waartegen het zich wil keren, spottet seiner selbst und

weiss nicht wie.

„In onze geestelijke gewaarwordingen reflecteeren [!] wij de

bewegingsverschijnselen der zicht- en tastbare voorwerpen” (p. 83)....

één zo’n zinnetje is afdoende. Men leze heel dat artikel „De

lichamelijke verschijnselen enz.” pp. 126–177, men vindt er al die

realistiese fouten bijéén:

„Gevolgelijk bepalen zich alle gegevens, waardoor ik tot kennis der

buitenwereld geraak, tot de gewaarwordingen mijner zenuwen”! ’t Zij

„mijner zenuwen” hier genitiv. obj. of genit. subj. is, de dwaasheid

wordt er nauweliks groter of kleiner door. Nog op dezelfde pagina (137)

heten die gegevens:... „die poovere zenuwprikkelingen”! [151]

Op pag. 149, over het kijken door een gaatje in een schijf: „Maar het

feitelijk beeld, dat ons dit reusachtig vergezicht verschaft, kan toch

niet grooter zijn dan het schijfjen, waardoor wij dat alles

aanschouwen, en de grootere afmetingen der perspectivisch voorhandene

buitenwereld moet dus eene projectie onzer verbeelding zijn.” Een

gegeven ruimtelik iets, van bepaalde grootte,... dat wij slechts

vergroten! Ook hier, als bij die zenuwprikkelingen, maakt onze geest

van kleine ruimte grote ruimte, dus bij wijze van wat de psychologie

„illusie” noemt (in tegenstelling tot de „hallucinatie”). [152] „Alle

gezichtswaarneming is bijgevolg eene soort van phantasie of fata

morgana, een imaginair voortbrengsel van onzen geest”... (p. 149), nog

één stap verder en we bereiken het heerlik machtwoord van een dier

hegelianiserende dii minores (Dr. J. D. Bierens de Haan): „Zien is een

gezichtsbedrog.” (p. 128 „De Weg tot het Inzicht”), de ruimtelikheid is

„eene inbeelding” (p. 202), de „ruimtevoorstelling” een... „algemeen

noodzakelijke illusie onzes bewustzijns”! (p. 207).—Mij lijkt niet ons

goede zien, maar wel het inzicht des Heren Dr. J. D. B. d. H...

gezichtsbedrog. Hij had het altans moeilik tegelijkertijd dogmatieser

[153] en verkeerder kunnen zeggen dan hij deed. [154]

Doch tot de Heer Bolland zelf terugkerend, signaleren wij in hetzelfde

art. de bovenweerlegde individueel-subjectieve misvatting van het

„phaenomenon”: p. 132, „het inzicht... dat de lichamelijke wereld

slechts eene soort van inbeelding [!] is”.... „en de geheele door ons

aanschouwde buitenwereld slechts een onwezenlijk [!] en individueel [!]

phainomenon mag heten”... Geen wonder dat aldus volgens de wijsgeer „de

lichamelijkheid der Natuur [?] zich voor het geoefend denken

vervluchtigt” (!) en dat we na des Heren Deussen’s overgenomen

diepzinnigheid, als zoude de wereld in tijd en ruimte „mij als zoodanig

alleen door mijn verstand bekend” en „met haar zelfs mijn eigen

lichaam... verder niets dan mijne [!] voorstelling” zijn, ook weder aan

Kant toegeschreven zien „het inzicht in de zuivere immanentie onzer

waarnemingen en gedachten”, welk „inzicht” (!) door Kant tot die, door

Hartmann uitgevonden, „negatieve dogmatiek” zou zijn misbruikt. De

lezer weet nu dat Kant’s inzicht enkel geldt de zuivere immanentie...

der objecten, der éne objectieve, van elk individu onafhankelike,

natuur, welk inzicht door Hartmann noch Bolland ooit is bereikt.—Zo

lezen wij op p. 155: „Een en dezelfde galvanische stroom wordt door de

tong waargenomen als zure smaak, door het oog als blauwe lichtstreep,

door de huidzenuw als kitteling en door het gehoor als geluid.”! (49)

Men ziet, het zuiver Lockiaans, naief-realisties aperçu: een beweging

wordt „waargenomen als” licht of geluid enz. Pag. 156 maakt het nòg

erger, daar komt zowaar de materialistiese „introjectie”: „de

tonen,—hier de in hare hoedanigheid onderscheidene

gewaarwordingen,—ontstaan dan in ons eigen zenuwstelsel”! er is een

„gewaarwordingsvermogen der getroffene zintuigen”... „het kleurig vlak”

dat „het oog zelf ons feitelijk mededeelt” „ligt binnen, niet buiten

ons” ... (de zelfweerlegging vindt men op p. 158) en zo vraagt p. 163:

„waar wordt men de stereometrische tastbaarheid gewaar: binnen zijne

huid of er buiten!” (50) Aangezien we hier toch eenmaal de

„introjectie” hadden, krijgen we nu ook billikerwijs, om de dingen weer

op hun plaats te brengen, een ejectie, genaamd „projectie”:

„Men bedenke... dat het dus physiologisch vast staat dat alle

tastbaarheid ons slechts bewust kan worden in eene intuïtieve projectie

van het middelpunt der gevoelszenuwen [155] naar den buitenkant des

lichaams”! Geniale intuïtie inderdaad!—Bolland bereikt op deze wijze,

pag. 166/7, slechts een Leibniz-Hartmanniaans, maar ante- en

anti-Kantiaans realisties dynamisme: „Alle werkelijkheid als zoodanig is

kracht.” [156] Dit is, wijl dogmaties-realisties, ook goed

Spenceriaans. Zo wordt (p. 168/9) „afstooting en aantrekking in

natuurkundigen zin”, de objectieve opvatting van hetzelfde reële

„Streefvermogen”, dat subjectief als „haat en liefde” wordt opgevat...

Op p. 170 drukt de Heer B. „Met eene bewuste en dus geestelijke kracht

of inspanning” (zelfs deze dualistiese zonde tegen de physica!) tegen

de werkelikheid, die hij als tafel ziet, en dit reale van het

phaenomeen tafel... drukt tegen hem terug met evenredige sterkte! Heel

de phaenomenaliteit van dit ruimtelike drukken zelf wordt... over ’t

hoofd gezien, en dus ook de kleinigheid, dat hier reële ruimte

voorondersteld wordt!—Wij staan hier eenvoudig voor de hollandse

vertaling van gindse Hartmann, die „an das Ding an sich einer Tafel

herantritt” om Kant’s meetkundeleer te weerleggen!—

Hoe weinig Bolland’s wild „idealisme” met Kant’s voorzichtige kritiek

te maken heeft, blijkt even duidelik uit het volgend artikel, „De

ruimtevoorstellingen” (pp. 177–228). Op p. 193 lezen we van „de ons

eigene voorstellingsvormen [!] van ruimte, tijd, beweging [!], getal en

oorzaak!” Étonnés de se trouver ensemble!

Vergelijk daarmee een Kant: „Dass schliesslich die transcendentale

Aesthetik nicht mehr, als diese zwei Elemente, nämlich Raum und Zeit

enthalten könne, ist daraus klar, weil alle anderen zur Sinnlichkeit

gehörigen Begriffe, selbst der der Bewegung, welcher beide Stücke

vereinigt, etwas Empirisches voraussetzen. Denn diese setzt die

Wahrnehmung von etwas Beweglichem voraus. Im Raum, an sich selbst

betrachtet, ist aber nichts Bewegliches: daher das Bewegliche etwas

sein muss, was im Raume nur durch Erfahrung gefunden wird, mithin ein

empirisches Datum.” (K. d. r. V. p. 65/6). (51)

In dezelfde onbehouwen geest p. 225: „In alle denkfunctiën en te allen

tijde is tweemaal twee vier; eene dergelijke ubiquiteit [!] en

tijdeloosheid van logische waarheden, wijst op de ruimteloosheid en

eeuwigheid van het logisch-dynamische [door Hartmann bedachte] Wezen,

dat in zijne functiën slechts tot eene intuïtie geraakt van eene in

tijd en ruimte geordende toestandenreeks.”

Hoeveel sneller bereikt zulk een geniale greep de idealiteit van tijd

en ruimte, dan moeizame Kantiaanse transcendentale kritiek! Jammer, dat

slechts hyper-dogmatiese geesten er genoegen mee nemen.—Op p. 226

worden dan zelfs de vragen: relatief of absoluut en ideëel of reëel

t.a.v. beweging... eenvoudig verhaspeld [157]; beweging zou niet reëel,

geen „wezenlijke verplaatsing” kunnen zijn, „wijl zij een systeem van

vaste wereldassen insluit en deze laatste niet te fixeeren zijn.”

Waartoe dus nog heel Kant’s kritiek en heel het onderzoek van

immaterialisten als Heymans over het begrip „absolute beweging”?!

Duideliker nog blijkt de algehele misvatting der kritiek in zake de

tijd, behandeld in de intreerede, bij de aanvaarding van het

hoogleraarsambt, „Verandering en Tijd”, pp. 228–277. Hier volsta daarvan

een enkel staaltje (vgk. boven bl. 21 noot 1):

Volgens Kant is het An-sich niet-tijdelik, is de tijd slechts „vorm”

van de innere Sinn. Aldus nu daaromtrent B. p. 254/5: „Men bedenke wat

dit zeggen wil. Ontdaan van alle nevelen eener schoolsche taal, wordt

hiermede bedoeld, dat er geen verleden is of toekomst dan in zooverre

wij ons dat inbeelden [!], dat er in geenen zin te gelooven valt aan

eene werkelijkheid buiten het bewuste denken [n.b.!]. Geen kosmische

perioden hebben voor en afgescheiden van mijn [!] bewustzijn hun

verloop gehad; voorouders, die ik [onderstreping van Prof. B.] mij

nooit heb voorgesteld, hebben in geenen zin ook ooit bestaan. Ons

denken [!] van volgorde heeft geene vertegenwoordigende waarde ten

aanzien van een veranderingsverloop dat ons ook in bewusteloozen staat

omsloten houdt, wij worden en vergaan niet in den Tijd, maar hebben

dien slechts in onszelven, en reeds onze overgrootouders zijn niet dan

onze eigene denkbaarheden [!], in dezer voege, dat zoo wij de rij van

voor ons staande zielebeelden aan den leiddraad van het wortelbegrip

der veroorzaking achterwaarts doorloopen, wij tot het bedenken [!] van

zulke bestaansoorzaken geraken in onze bewuste verbeelding [!]. De zin

der Kantische tijdshypothese is dat er eigenlijk niets gebeurt.”

En Prof. Bolland ontzegt ons het recht, „om de onredelijkheid, dat er

iets gebeurt, onszelven in ons eigen streven, voelen en denken te

verloochenen” (p. 263), immers, daardoor „cijferen [wij] al het

gegevene zelf weg, eene machtelooze machtspreuk” enz.....(52). Wanneer

dan nog op p. 427 wordt gewaagd van „den denkvorm [!] ‚tijd’, dat

lastigste aller metaphysische problemen”—en in één adem van „de

tijdsintuïtie in hypostatischen, dat is transegoïstischen [!] en

universeelen, zin” of te wel „eene absolute [!] of ons ik [!]

overschrijdende beteekenis van den tijd” ... dan moeten we het de Heer

Bolland nazeggen: „de verwarring is verbijsterend, maar exemplair”.

Immers: ook voor Kant’s tijdidealisme is de éne objectieve universele

„interindividueele en kosmische” tijd onafhankelik van wat de heer

Bolland of enig ander „ik” denkt of droomt of zich inbeeldt omtrent de

tijd, heeft heel het wereldgebeuren met verleden en toekomst zijn

bepaaldheid en werkelikheid onafhankelik van wat de heer Bolland of

enig ander „ik” denkt of droomt of zich inbeeldt omtrent het

wereldgebeuren; zijn de individuele tijds voorstellingen even

„repraesentatief” ten aanzien van de eigen tijdservaringen en van de

éne werkelike tijdelikheid, als de ruimtevoorstellingen ten aanzien der

eigen ruimtelike gewaarwordingen en der éne werkelike ruimtelikheid,

als de kleurvoorstellingen ten aanzien der eigen kleurgewaarwordingen

en der objectieve kleuren. Maar evenals de éne oneindige ruimte, waarin

zich heel de „natuur” bevindt, niet is de concrete onafhankelik

bestaande oorzaak van reproducerend ruimtebewustzijn (gelijk het

dogmaties realisme gelooft), maar integendeel abstract product uit

ruimtestellende bewustzijnsfactoren, zo is de éne oneindige tijd waarin

àlles geschiedt, niet de concrete, onafhankelik bestaande oorzaak van

reproducerend tijdbewustzijn (gelijk het dogmaties, met onbewuste

intuïtie toverend realisme van Hartmann en Bolland gelooft), maar

integendeel abstract product uit tijdstellende subjectiviteit. En zomin

als het subject der ruimte een concreet individu is, mens of godheid,

evenmin is het subject van de tijd de Heer Bolland of welk nog zo

„absoluut” ontologies Wezen, maar integendeel weder die slechts door

foutieve „Subreption” „gehypostaseerde” (53), dus niet metaphysiese,

maar zuiver kennistheoretiese, dus in concreto niet bestaande „Formale

Einheit des transcendentalen Bewusstseins”. (54)

Kennisleer contra Materie-Realisme: Bijdrage tot "Kritiek" en Kantbegrip · 第 23 / 36 题