HOOFDSTUK IV.

HET TRANSOBJECTIEVE („AN-SICH”). ZIJN TWEELEDIGE KENNISTHEORETIESE

FUNCTIE: METAPHYSIES SUBSTRAAT DER PHAENOMENA EN GEWAARWORDINGSOORZAAK.

1. KANT’S TWEEËRLEI „AN-SICH”. DE TIJD ALS „VORM” VAN „INNERLIKE

WAARNEMING” (BEWUSTZIJN).

Wij kennen en onderscheiden nu, met Kant, deze drieërlei

kennistheoretiese waarde:

1°. De gewaarwording en de voorstelling of gedachte, het

individueel-psychiese, onruimtelike, wel tijdelike, concrete,

werkelike, onmiddellik gekende, „gegevene” van eigen beleving.

2°. De „natuur” (die Welt der Erscheinungen, Gegenstände der Erfahrung,

empirische Realität, empirischen Objecte);—zij is niets dan het

abstract geheel of systeem aller mogelike gewaarwordingsinhouden,

waarvan dus de inhouden van werkelike gewaarwordingen niet gevolg zijn,

maar gedeeltelike concrete verwezenliking (29), actualisering

(Apprehension zegt Kant wel); zij ontleent aan vorm en inhoud van

gewaarwordingen haar „eigenschappen”; bestaat uit ruimtelike, rode,

ronde, geurige enz. dingen. Het is een systeem, betrokken niet op u of

mij, maar op „das Bewusstsein überhaupt”, niet op enig subject, maar op

de subjectiviteit—een uitstekend woord, om zowel het onpersoonlike uit

te drukken, als gedachten aan een concrete Algeest enz. uit te sluiten.

[97]

3°. De oorzaak der gewaarwordingen, het

mogelike-waarneming-overschrijdende, transcendente, het An-sich. Kant

kent tweeërlei An-sich:

Één in de minder strenge zin van: het van mogelike waarneming

onafhankelik bestaande, b.v. een ander-ik; dus het alléén voor Kant’s

„innere Sinn” bestaande: Zo, waar Kant zegt: (p. 306) „Dadurch würde

der Ausdruck wegfallen dass nur Seelen (als besondere Arten von

Substanzen) denken, es würde vielmehr wie gewöhnlich heissen, dass

Menschen denken, d.i. eben dasselbe was als äussere Erscheinung

ausgedehnt ist, innerlich (an sich selbst) ein Subject sei, was nicht

zusammengesetzt, sondern einfach ist und denkt.” In diezelfde

gedachtengang volgt even daarna een alinea, die tot motto zou kunnen

strekken aan het psychomonisme, en waarnaar alle realistiese dogmatici

niet dringend genoeg verwezen kunnen worden: „Vergleichen wir aber das

denkende Ich nicht mit der Materie sondern mit dem Intelligibelen,

welches der äusseren Erscheinung, die wir Materie nennen, zum Grunde

liegt: so können wir, weil wir vom letzteren gar nichts wissen, auch

nicht sagen: dass die Seele sich von diesem irgend worin innerlich

unterscheide.” [98]

Het tweede „An-sich”, in de strenge eigenlike betekenis sc.:

onafhankelik van alle verhouding tot enig bewustzijn, dus niet alléén

van onze „zinnen” naar het gewone spraakgebruik (dus van de waarneming

en haar vormen), maar ook van de „innere Sinn” en haar tijdvorm;

onafhankelik van heel onze „Sinnlichkeit” in Kant’s zin.

Overduidelik en herhaaldelik definieert en verklaart Kant zelf dit

An-sich:

P. 56: „die Idealität des Raums in Ansehung der Dinge, wenn sie durch

die Vernunft an sich selbst [sie an sich selbst!] erwogen werden, d.i.

ohne Rücksicht auf die Beschaffenheit unserer Sinnlichkeit zu nehmen”

(Deze woorden gelden onveranderd voor het An-sich in de 1ste gelijk in

de 2de zin, zo men onder „Sinnlichkeit” dan maar voor ’t 1ste geval de

zinnen verstaat in de gewone betekenis, in ’t 2de geval er Kant’s

„innere Sinn” = „das Anschauen unserer Selbst und unsres innern

Zustandes” (p. 60) onder begrijpt.). „Wenn wir von unserer Art, uns

selbst innerlich anzuschauen und vermittelst dieser Anschauung auch

alle äusseren Anschauungen in der Vorstellungskraft zu befassen,

abstrahiren, und mithin die Gegenstande nehmen, so wie sie an sich

selbst sein mögen, so ist die Zeit nichts.” (p. 61).

P. 62: de werkelikheid „an sich selbst (ohne ihr Verhältniss auf unsere

Anschauung)”.

P. 143: „Dinge an sich (ohne Rücksicht, ob, und wie sie uns gegeben

werden mögen)”, welk begrip „gegeben” op zijn beurt nog eens nauwkeurig

wordt omschreven: „dass ferner die einzige Art, wie uns Gegenstände

gegeben werden, die Modification unserer Sinnlichkeit sei”. Evenzo in

de aanhef p. 48: „diese [Anschauung] findet aber nur Statt, sofern uns

der Gegenstand gegeben wird; dieses aber ist wiederum nur dadurch

möglich, dass er das Gemüth [wij zeggen tegenwoordig: de psyche] auf

gewisse Weise afficire. Die Fähigkeit (Receptivität), Vorstellungen

durch die Art, wie wir vor Gegenständen afficirt werden, zu bekommen,

heisst Sinnlichkeit”. [99]

Al de zelftegenspraak, die men Kant ten aanzien van het An-sich

verweten heeft, vindt haar verklaring, zover zij onloochenbaar is, in

die tweeërlei zin van het An-sich. Alle tegenstrijdigheden verdwijnen,

indien men slechts die beide uitéén houdt: 1°. het meta-physies =

psychies An-sich [100], dat causaal kan zijn, ons „afficirt”, en zelf

weer afhankelik is van 2°. het meta-psychies An-sich. Al wat van het

eerste gezegd wordt is dus in de grond slechts het in de

bewustzijnssfeer getransponeerde symbool van het tweede, eigenlike, van

alle bewustzijn onafhankelike An-sich. We kunnen dus ook zeggen: men

moet onderscheiden het An-sich an-und-für-sich en de „Erscheinung” van

dit „An-sich” voor de „innere Sinn”, dus z’n vertijdeliking (heel het

bewustzijnsleven, het psychiese als zodanig). Terwijl dan deze

tijdelike (en a.z. „phaenomenale”) wereld nog weer door haar verhouding

tot het waarnemingsvermogen, tot de uitwendige zinnelikheid, haar

ruimtelik, in engere zin „zinnelik”, stoffelik, „physies”

wereldphaenomeen meebrengt en daarvan het An-sich, de „grond”, kan

worden genoemd. Wij behoeven bij elke plaats slechts te vragen: staan

wij hier achter ruimte- en tijd-kritiek of achter de 1ste, maar nog

vóór deze laatste.

Het An-sich als „afficirend”, als „oorzaak” (30) van gewaarwording, als

gelijktijdig met zijn Erscheinung, is tijdelik gedacht, maar

onruimtelik, onstoffelik. Het kan dus b.v. „denkend subject” zijn,

gelijk in het Psychomonisme.

Deze hele conceptie staat dus, en is ook bij Kant stellig ontstaan,

vóór zijn tijdkritiek, die hij zonder twijfel na en naar analogie van

zijn ruimtekritiek heeft ontdekt, [101] gelijk die analogie de grote

drijfkracht van Kant’s hele systeem is geweest. [102] Opmerkelik is

b.v. hoe pas in de Prolegomena (§ 10) de arithmetica in dezelfde

verhouding tot de tijdkritiek komt te staan, als de meetkunde tot de

ruimteleer, terwijl van die rekenkunde in de Aesthetik zelve... niet

gerept wordt... terecht. Want deze analogie, hoe voor de hand liggend

en verleidelik ook, is fout en waardeloos, al wordt die fout ook door

nòg zoveel Kant-discipelen gelovig nagepraat: Cohen, Natorp, Stammler

en zelfs de zelfstandige Schopenhauer en Riehl. [103] Heymans heeft

gelijk, dat hij ze nauweliks een enkel zinnetje van weerlegging waardig

keurt (G. u. E. § 35).

Kant’s geniale ruimte-vondst, die hem verhief boven heel de zinnelike

wereld, die heel de natuur in haar gewaande zelfstandigheid voor hem

terug deed deinzen en verzinken, bracht hem tot de vermetelste, meest

„widersinnische”, aller wijsgerige hypothesen: ook de tijd is slechts

„vorm”, geldt slechts „transcendentaal”, en heel onze bewustzijnswereld

is dus phaenomeen, nièt in die banale positivistiese zin, waarin met en

na Comte elk „wetenschappelik” schrijver, elk materialist, spreekt van

de physiese en de psychiese „verschijnselen”, waarmee hij dan de

geweldige waarheid te verstaan wil geven, dat al onze kennis

„menselike”, „relatieve” kennis is („phénomènes” bij Bergson,

Lévy-Bruhl en tal van anderen), maar in die diepe kritiese betekenis

van het woord, die, elke voorstellingsmogelikheid overschrijdend, de

geest nog enkel de negatie overlaat ter bereiking van het begrip der

meta-psychiese ontijdelikheid. Van dit tijdloos, tijdstellend An-sich

is alle wetenschap ons ontzegd; hier is de grens, niet van ons denken,

wel van ons kennen bereikt, hier had Kant’s geprangde geloof eindelik

de ruimte gevonden, waar het weer vrij kon ademen. Hier begint de

metaphysica in de niet-wetenschappelike zin, die eigenlik metapsychica

diende te heten;—bij Kant de moraaltheologie, bij zijn dogmatiese

epigonen het stelsel. Hier kan, dat spreekt vanzelf, van „causaliteit”,

zover deze tijd, immers verandering, onderstelt, geen sprake meer zijn.

Hier resten ons slechts door analogie verworven, negatieve

„grensbegrippen”: gelijk het ruimtelik heelal slechts een

gewaarwordingsfunctie is van de ruimtestellende, onruimtelike psychiese

werkelikheid, zo is deze zelf slechts een bewustzijnsfunctie van het

tijdfunderend, ontijdelik „An-sich”, dat als zodanig eo ipso,

onafhankelik van en transcendent voor alle mogelike bewustzijn,

volstrekt onkenbaar en slechts per negationem denkbaar, maar tevens,

bij aanvaarding der nooit weerlegde, waarschijnlik wel nimmer te

weerleggen, tijdkritiek, onloochenbaar is... en de diepste grond van

ons eigen wezen. Slechts de dogmadodende kenniskritiek kan deze grens

aller mogelike kennis stellen—slechts het dogma kan haar loochenen (het

tijd-realisme) of wanen haar te overschrijden (het „speculatief

idealisme”). En met de éne eeuwige waarheid in haar niet-tijdelik

onveranderbaar niet-bestaan verwarre toch niemand langer het An-sich in

zijn tijdloos wijl tijdstellend zijn. Want de waarheid is, als geheel

aller mogelike ware oordelen, een functie van het oordeelvermogen, dus

van denkbeeldig bewustzijn, terwijl het An-sich niet alleen niet

afhangt van het bewustzijn, maar juist omgekeerd alle bewustzijn als

z’n tijdfunctie eerst mogelik maakt.

Zonder bewustzijn geen waarheid, niet omgekeerd; zonder An-sich geen

bewustzijn, niet omgekeerd!—De geest, immers het denkbeeldig subject

der mogelike ware oordelen, is het prius der waarheid, het An-sich is

het prius van zijn vertijdeliking, van de geest.

2. HET REALE OF SUBSTRATUM DER NATUUR EN DE CAUSALITEIT. HET PSYCHIESE

EN DE RUIMTE.

De verhouding van grond tot phaenomeen een „causale” te noemen is

altijd onzuiver, ja zelfs kortweg onjuist, onverschillig of men ’t

begrip causaliteit reserveert uitsluitend voor de tevens ruimtelike

phaenomenale verhouding van zgn. „oorzaak en gevolg” in de physica

(„pseudo-causaliteit” van Heymans) of wel het uitstrekt over het

terrein van het psychies gebeuren. In geen der beide gevallen behoeven

wij de door Ziehen’s realisties misverstand ons aangewreven „dubbele

causaliteit” [104] voor onze rekening te nemen. Want naar de

eerstgenoemde terminologie heeft elke beweging haar „oorzaak”

uitsluitend in voorafgaande beweging, naar het andere zuiverder

woordgebruik is het (vermoedelik psychies) reale, waarvan de beweging

phaenomeen is, wel oorzaak van elke concrete psychiese

bewegingsgewaarwording, niet echter van het abstract systeem van

bepaalde mogelike gewaarwordingsinhouden, geformuleerd tot een bepaalde

„beweging”. Ik acht het dus aanbevelenswaardig, vooral tegenover

realisties misverstand, voor deze specifieke verhouding van Reale tot

Phaenomeen de kennistheor. naam „Grond” (in de zin van hetgeen „ten

grondslag ligt”) of reëel „Substraat” te behouden. [105] Het

„phaenomeen” van een „reale” is het geheel der phaenomenale (op het

universeel subject betrokken) eigenschappen van dit reale, een

niet-tijdelike verhouding dus, in tegenstelling tot de causale.

Een voorbeeld zal dit betoog volkomen duidelik maken: Naar het

psychomonisme is de psyche substratum, reale, van het phaenomeen

hersenen, terwijl we niet kunnen zeggen: de psyche is oorzaak van de

hersenen; oorzaak echter is de psyche actueel van alle concrete en

potentieel van alle mogelike hersengewaarwordingen, [106] door haar

zuiver causale inwerking op („Afficirung” van) het waarnemingsvermogen

van een andere psyche. Het physies phaenomeen van deze zuiver psychiese

reële inwerking van de ene psyche op de andere is de ruimtelike

(pseudo-)inwerking van het ene brein op het andere. Van deze physiese

breinverandering is dus het psychiese nimmer „oorzaak”, alleen weer

reëel „substraat”.

Terwijl het dus naar het realisme van elk allooi hersenen zijn, die ons

de hersengewaarwordingen geven (= hun eigenschappen doen reproduceren)

is het voor de kennis-kritiek het niet-ruimtelik reale der hersenen

(b.v. naar het monisme iets psychies), dat ons de hersengewaarwordingen

geeft (= de herseneigenschappen doet produceren). Het reale is dus niet

oorzaak van de natuur, maar zou oorzaak zijn van de gewaarwordingen van

het subject der natuur, indien dit bestond (in plaats van te zijn

slechts gedacht prius, „hypothesis”, van een slechts gedacht

betrekkingstelsel).

Ziedaar (voor ’t eerst zover ik weet, en zo exakt mogelik) causaal

ontleed de betekenis van de kennis-theoretiese stelling: het reale (=

„Ding an sich” = „transcendent[aal] Object” = „Sache” = „Gegenstand

überhaupt” enz.) is substratum (= „das wahre Korrelatum”, „der

transcendente Grund”) der natuur.

Moge na deze toelichting voor geen van mijn lezers meer onduidelik zijn

het verschil tussen 1: reële individuele gewaarwordingen, 2:

phenomenale objecten (het ruimtelike heelal), 3: het reële substratum

van 2, van de objectieve wereld. (31) Vragen we naar het ontstaan, de

herkomst onzer gewaarwordingen, dan hebben wij met 2 niets te maken,

enkel met concrete realiteit. Niet het objekt, maar zijn reëel

substraat veroorzaakt onze gewaarwording. „Aethertrillingen” zijn dus

nimmer oorzaak van maar zijn integendeel afleidsel uit gewaarwordingen.

Onze kleurgewaarwordingen „zijn” dus niet alleen geen aethertrillingen,

maar evenmin „gevolg” van aethertrillingen; de kennistheoreties-zuivere

verhouding van beide is deze: het reëel substratum der aethertrillingen

veroorzaakt (indirect) onze kleurgewaarwordingen; nader uitgewerkt:

dezelfde onruimtelike realiteit die op onze kleurzin zodanig inwerkt,

dat onze geest de rood-gewaarwording produceert (i.e. dat wij een

kleur, i.c. rood, waarnemen) zou op onze bewegingszin, indien deze

(benevens onze tijdzin) maar fijn genoeg ontwikkeld ware, zodanig

inwerken, dat een bepaalde, door ons geproduceerde

bewegings-gewaarwording 400 billioen maal per seconde zou worden

geremd, dat wij 400 billioen trillingen per seconde zouden

waarnemen.—Ander voorbeeld: Als wij een tafel zien, worden onze

vorm-kleur-grootte-gewaarwordingen niet veroorzaakt door een

niet-gegeven, reële, concrete tafel (die bestaat niet), noch door die

objectieve tafel, die we zeggen „waar te nemen” (d.w.z. die we ons

voorstellen naar aanleiding van onze gewaarwordingen, en waarop we deze

betrekken), maar door het reële, en als zodanig vorm-, kleur-,

grootte-loze substratum van ’t objekt tafel. Doet die tafel dan niets

in dit werkelik proces? Neen. Als we vragen naar de invloed van die

tafel stellen we ons op phaenomenaal, ruimtelik standpunt; ergo, die

tafel werkt uitsluitend in op onze hersenen via lucht, aether,

zintuigen; we zijn op het gebied der bewegingen, der „natuur”, der

zinnelike „ervaring”. We houden ons bezig met de wereld der ruimte—en

daar mogen al of niet gekleurde, klinkende, geurige, of enkel bewegende

voorwerpen zijn (al naar we ons het voorondersteld subjekt met kleur-,

geluids- enz. -zin, of enkel met bewegingszin wensen te denken),—ook

mensen-lichamen, zintuigen, hersenen,—nooit, al doorkruisen we

(„physiologies gesproken”!) die éne oneindige ruimte der éne eindige

natuur in alle richtingen, nooit of nergens zullen we daar ook maar

iets psychies, een gedachte, een gewaarwording als zodanig, een

verlangen, een herinnering aantreffen,—geen subject, geen „geest” is

daar, in de ruimte, te vinden. Dat weten we met absolute analytiese

zekerheid. [107] Als b.v. de heer F. van Eeden met het Spiritisme (32)

zegt (De Blijde Wereld, 1903, pag. 80), dat in deze kamer zich misschien

wie weet hoeveel geesten bevinden, [108]—dan kunnen we met de

apodiktiese aprioriese stelligheid der kennisleer antwoorden: geen

enkele! In deze kamer kan zich ex hypothesi niets anders bevinden

dan... materie. Maar wijzelf dan, ik ben toch hier in deze kamer, en ik

ben toch een geest? hoor ik de heer v. Eeden, en niet hem alleen, [109]

antwoorden.—Ook gijzelf, als geest, bevindt u niet in deze kamer. [110]

Waar precies zou uw geest dan zijn? In uw lichaam, uw hersenen, soms?

Welke plaats, welke vorm heeft uw geest daar? (33) Wat zich in de

ruimte, „in de kamer”, bevindt is enkel en alleen... uw lichaam,

alias... materie. En zo gij uw eigen geest zoekt, wilt localiseren, „in

de kamer”,—gij zult nergens anders terecht komen dan bij uw...

brein.—Maar „ik”, het Subject, ben toch „hier”. Zeker, doch dit „hier”

is, zo zagen we juist boven, een zuiver individueel psychies,

onruimtelik begrip. Probeer maar, het te objectiveren, te plaatsen in

de ene ruimte... en op hetzelfde ogenblik zijt ge weer in de stoffelike

wereld terecht gekomen, is uw ik vervangen door uw brein. (34) Wij

weten nu immers, dat zich onmogelik in de ruimte kan bevinden, wat zelf

die ruimte „stelt”.—Op Kant’s wijs gezegd: De geest is niet in de

ruimte, maar de ruimte is in de geest. (35)—Dit geldt n.b. ook van elke

individuele geest, al stelt deze niet de éne universele ruimte, maar de

ruimtelikheid zijner gewaarwordingsinhouden. Tegenover het neo-realisme

der zgn. Neo-Kantianen kan dit niet scherp genoeg gehandhaafd worden.

Zo lezen wij op p. 565 van Bellaar Spruyt’s Geschiedenis der

Wijsbegeerte: „Wat wij van onze jeugd af beschouwen als onafhankelijk

van ons bestaande zijn zekere dingen in de ruimte; maar ruimte en al

wat daarin is, is afhankelijk van ons kenvermogen [tot zover heel goed]

d.w.z. natuurlijk niet van ons individu, dat zelf ruimte inneemt, maar

van het synthetisch element in ons kenvermogen, dat in alle menschen

voorkomt en waaraan ruimte haar bestaan dankt.” Het door mij

gecursiveerde mag alleen geschreven worden door... een materialist

d.w.z. iemand, voor wie „het individu” betekent... stof.

3. HET AN-SICH-LOOS IMMANENT „IDEALISME” ALS TERUGVAL IN REALISTIES

PHYSICISME. DE GOEDE BERKELEY, HALLUCINATIES EN NA-KANTIAANSE

„ONGERIJMDHEID”.

Trouwens, heel dat An-sich-loochenend ethiserend irrealisme, deze

Kantverzaking in naam van Kant, waarvan in Duitsland Windelband,

Rickert, Natorp de hoofdvertegenwoordigers zijn en dat hier te lande

een echo gevonden heeft in Bellaar Spruyt, Kohnstamm en Dr. Ovink,

berust in de grond op het oude, door Kant vernietigde, object-realisme,

op physicisme (om de tegenstelling tegen het psychisme scherper te doen

uitkomen dan met het woord naturalisme, daar „natuur” juist bij deze

richting al het causaal-verbondene, heel de wereld in tijd en ruimte,

heel Kant’s Erfahrungswelt, dus in elk geval ook het psychiese omvat).

Zij allen moeten Kant’s leer verlaten reeds bij die fundamentele vraag:

hoe komen we aan onze gewaarwordingen? Zij loochenen het An-sich dat

ons voor Kant [111] en in waarheid de gewaarwordingen geeft,—voor hun

is „het begrip ‚gegeven zijn’ (is) het allerlastigste van de geheele

Erkenntniskritik”, zoals Dr. Ovink (Twm. Ts. 1897, p. 554) het

uitdrukt,—natuurlik, want nu blijft hun als oorzaak onzer gewaarwording

alleen... het object over! En hoezeer men nu dit object ook

„idealiseren” moge—het is en blijft een gewaarwordings-derivaat, een

ruimtelik iets. (36)

Bij ons polemiseert Dr. Ovink (Kant’s Transcendentale Methode, Twm. Ts.

1897, p. 366) aldus: „En dan die zoogenaamde subjectiviteit der

zinnelijke gewaarwordingen! Deze moeten in de ziel veroorzaakt zijn

door de dingen, die dan natuurlijk als reeds existeerende gedacht

worden. En existeeren doen ze dan even natuurlijk in de ruimte; dus die

ruimte is er al.”—„Even natuurlijk” ... slechts voor Dr. Ovink’s

naturalisme.—Want die „dingen” zijn natuurlik niet de natuurdingen; en

existeren doen ze dus even natuurlik... niet in de ruimte.—Dr. Ovink’s

irrealisme, dat Kant’s phaenomenaal object als „handeling” en het

Ding-an-sich als „taak” wil opvatten („Deze uitdrukking heeft het

voordeel, dat zij radicaal het quasi van zelfsprekend begrip ‚zijn’ en

‚existeeren’ opheft”!), vervalt dan ook radicaal in materie-realisme:

„een individueele ziel,... op een bijzondere [?] wijze gebonden aan een

levend stoffelijk lichaam, dat weer [weer? dus „gebonden aan” wil bij u

zeggen: „afhankelijk van”?!] van andere niet-levende stoffelijke

lichamen afhankelijk is,”... (p. 366). Dr. O. acht dan ook mogelik, nog

wel „binnen het terrein der empirische wetenschap”,.. „het construeeren

eener causale betrekking tusschen die twee”, sc. de „zich bewegende

lichamenwereld” en „de zinnelijke gewaarwordingen als bloote toestanden

van het constante Ik.” „Zoowel het zoogenaamde subject als het

zoogenaamde object zijn voor de Erkenntnistheorie twee provinciën van

het ééne rijk der phaenomenen. En het is de taak der empirische

wetenschap de betrekking tusschen die twee te ontdekken.”

Wij hebben in het voorgaande aangetoond, 1°. waarom die betrekking geen

causale kan zijn, tussen onruimtelike bewustzijnstoestanden zelf, en de

ruimtelike kennistheoretiese functie van het bewustzijn, genaamd

natuur, en 2°. dat noch voor de physica (die van bewustzijnstoestanden

als zodanig opzettelik abstraheert) noch voor de psychologie (die zich

uitsluitend met deze bemoeit) die betrekking naar haar ontologies

werkelike wezen een voorwerp van onderzoek kan zijn. Ik zou dus niet

weten, welke „empirische wetenschap” deze betrekking zou kunnen

onderzoeken, aangezien de psychophysica bij de door ervaring gegeven,

ten onrechte dus genaamde, „paralleliteit” alias gelijktijdigheid van

beide blijft staan, zonder de verklaring daarvan zelfs maar te

vragen.—Zonder kennisleer en metaphysica, die wel voor ons „empirische

wetenschap” mogen heten, maar juist voor Dr. Ovink’s

„transcendentalisme” met z’n normatieve methode als tegenstelling tegen

de empiriese wetenschap worden geponeerd, komt men hier geen stap

verder dan het... psychophysies materialisme, waarin dan ook, hoezeer

zij het in phaenomenologiese termen transponeren, èn Münsterberg, èn

Natorp èn Rickert, èn (ten onzent) Ovink èn Spruyt zijn blijven steken.

Zo noemt Spruyt-Kohnstamm op pag. 436 de „natuurdingen” „de uitwendige

oorzaken van het ontstaan der gewaarwording”. Pag. 541: „De werkelijke

eik is de inhoud eener voorstelling van den volmaakten geest, die

onberispelijk en volledig denkt wat er van een eik kan en moet gedacht

worden. Mijn voorstelling is dus de zeer gebrekkige opvatting, die ik

van den inhoud dier goddelijke voorstelling heb kunnen verwerven”. Dit

zogenaamd „objectief idealisme” staat lijnrecht tegenover Kant’s

krities idealisme:

„Kan en moet gedacht worden” ... op welke grond? En hoe wilt gij weten,

dat uw voorstelling de „opvatting” van de „inhoud” van een „goddelijke

voorstelling” is?! Gij maakt van het kennistheoreties subject der

natuur, dat natuurlik slechts de subjectieve functie, het „phaenomeen”

der werkelikheid „kent”, en dat van het begrip natuur het onontbeerlik

prius is, een metaphysies en metapsychies God, een ondenkbaar, altans

wetenschappelik onbruikbaar, subjekt der werkelikheid, dat een bepaald

systeem van oordelen er op na houdt, en ’t geen daarmee strijdt

verwerpt,... alleen omdat hij dat zo wil (of „moet” ook hij?) zonder

enige werkelikheidsgrond, zonder andere „werkelikheid” dan die deze god

belieft voor te stellen (of te scheppen?), terwijl het onbegrijpbaar

blijft, hoe wij van de voorstellingen van deze god ooit enig vermoeden

zouden kunnen krijgen! En dat zou „immanente” wijsbegeerte zijn! Zo zet

men Kant aan kant! Dat deze goddelike geest „moet” kan voor u zelf geen

zin hebben, noch ethies, noch causaal! Immers: wij moeten, volgens u

ethies, omdat wij aan hem als criterium gebonden zijn, maar wat kan hèm

binden?

Pag. 569: „Wij zien den sinaasappel, het voorwerp, als het model aan,

den maatstaf, waarnaar zich onze voorstelling moet richten”. N.b. die

sinaasappel, die pas ontstaat door onze „voorstelling” [112],—die al

z’n eigenschappen te danken heeft aan de waarnemende geest! En hoe kent

gij dan uw model? Hoe wilt gij vergelijken met uw model? Dat model,

waarvan ge zelf beweert, dat het niet gegeven, maar tot taak gesteld

(„aufgegeben”) is!—Pag. 500: „De conclusie ligt voor de hand [gegeven:

wij kennen aan onze ruimtelike kennis ’t zelfde karakter van

algemeenheid en noodzakelike waarheid toe als aan de logica], dat ook

de ruimtelike waarheden niets anders zijn dan regels, die ons zeggen

hoe wij verplicht zijn [sic!] de dingen te aanschouwen.” Het behoeft

nauweliks gezegd, dat in heel Kant’s „Aesthetik” dat woord „verplicht

zijn” niet voorkomt, zo min als het begrip. We beleven echter in dit

werk het genoegen, dat Spruyt’s onkants en onjuist ethicisme zowel ten

aanzien van de ruimte als ten aanzien van de logica capituleert voor de

werkelike Kantiaanse (natuur)wettelikheid van onze denkende en

aanschouwende geest:—wat de ruimte betreft p. 563 reeds:

„Ons kenvermogen oordeelt in die [sc. meetkundige] stellingen alleen

over de wetten waarop het van nature de gewaarwordingen tot

ruimtebetrekkingen verbindt.” Rectissime!—Evenzo in zake logica: op

pag. 590 s. wil B. Spruyt eerst het „absoluut recht” afleiden uit ’t

feit, dat ook een „positivist” „recht meent te hebben op een billijke

critiek”. Nochtans, een „billijke” critiek (zoals we in ’t verloop van

ons werk [113] nader zullen zien) wil zeggen: een kritiek, die het

beoordeelde noch beter noch slechter maakt, dan het is, noch meer noch

minder lof of blaam geeft, dan er aan „toekomt”, dan het „verdient” of

„waard is”, kortom waarheid bij de beoordeling, i.e.: zich stipt houden

aan de werkelikheid [114]. Ook hier dus slechts éne waarheid (in

beoordeling), gegrond op de éne werkelikheid (des positivists werkelike

opvatting).—Zo funderen wij dus ook hier de „Idee der waarheid” zonder

enige onbehoorlike „behoorlijkheid” [115]. Even zo met die plicht tot

logies denken, die wij loochenen, aangezien wij de mogelikheid van

onlogies denken ontkennen.—Pag. 591: „Maar hiermede is tevens dat

onvoorwaardelijk karakter van den plicht erkend. De eisch van logisch

te denken kan alleen toegegeven worden door iemand, die erkent, dat het

niet van ons persoonlijk goedvinden afhangt, hoe wij leven zullen, maar

dat wij gebonden zijn, zekere gedragslijn te volgen. Deed hij het niet,

hij zou zich uit elk dispuut kunnen redden door te verklaren: ‚Het lust

mij heden niet, normaal te denken, vandaag zie ik geen bezwaren in ’t

aannemen van tegenstrijdigheden.’” Wel, de schrijver dier regelen zou

zo iemand niets geldigs kunnen antwoorden. Wij echter wel. Wij zouden

hem verwijzen naar diezelfde schrijver op p. 392, waar hij zou lezen:

„Wanneer ik den maior en den minor van een syllogisme mij duidelijk

voorstel, ben ik volstrekt niet meer vrij, zus of zoo te oordeelen. Wat

willekeurig is, is alleen het uitspreken van het oordeel in woorden; de

vorming van het oordeel gaat buiten onzen wil om.” Dit is volkomen

juist—al heeft Spruyt’s teleologisme daarmee zich zelven weerlegd.—Heel

die ontkenning ener „werkelikheid” als prius en norm van het zuiver

theoreties begrip „waarheid”, zowel bij het zogenaamde „pragmatisme”

als bij dit ethicisme is zonder dogmaties object-realisme dan ook

nauweliks denkbaar. En de bovengenoemde schrijvers bevestigen dit

verband ten volle. Zo vinden we nog bij Spruyt, behalve het reeds

genoemde, op p. 82 de gewaarwording als het „psychische gevolg van

zintuigsprikkeling”! en op p. 86 wordt gewaagd van „betrouwbare

waarnemingen, die ons toonen, hoe de werkelijke stoffelijke [sic!]

wereld verschijnt aan menschen met normale zinnen en normaal verstand.”!

Ditzelfde, zij ’t ook nog zo anti-naturalisties „... naturalisme”

sijpelt door op p. 566 b.v., waar bedoeld wordt: „de bestanddeelen der

stoffelijke wereld” en dan staat: „de bestanddeelen der werkelijkheid”

„zijn de inhoud van ideale voorstellingen van ‚het Subject’”! Omtrent

die grote vraag: hoe komen we aan onze gewaarwordingen, en wat is hun

betekenis t.o.v. object en An-sich, vinden we dan ook louter

onklaarheid en Kant-verzaking.

Nemen we een sinaasappel waar, dan is de gewaarwordingsinhoud (oranje,

rond enz.) bij Kant oorspronkelike, d.w.z. (niet re-)productieve

reactie van de geest (in eigen oorspronkelike „vorm”) op de inwerking

van qualitatief onbekende werkelikheid (zodat de inhoud enkel effect,

nooit kopie is en de vorm noch ’t een, noch ’t ander); bij Spruyt, die

geen andere „werkelikheid” heeft dan de objecten, is de kleur,

gedaante, enz. „copie” van een „werkelijke” objekteigenschap, d.w.z.

van de inhoud van een „goddelijke” voorstelling.—Voor Kant (en Berkeley

en Heymans) maakt de waarneming het object mogelik,—voor Spruyt (en

alle realisten) maakt het object de waarneming mogelik. [116] Maakt het

krities enig verschil of men van Gods sinaasappel (het goddelik object

van ’t „objectief idealisme”) dan wel van niemands sinaasappel (het

subjectloos An-sich van het dogmaties realisme) de kopie meent te

hebben?—Berkeley, „de goede Berkeley”, was nog een stuk kritieser en

redeliker en... kantiaanser, trots Kant! Die maakte tenminste niet het

goddelik objekt, maar God zelf tot bron onzer gewaarwordingen, niet het

produkt, maar het onkenbare transcendente producens—evenals, in de

grond, Kant.—Spruyt’s kritiek op Berkeley is dan ook even realisties

als onjuist. Berkeley zou moeten zeggen: de sinaasappel bestaat niet

als ik er niet naar kijk. Dit zou juist zijn indien... „ik” het

kennistheoreties subject van „de sinaasappel” ware, i.p.v. enkel van

mijn sinaasappelgewaarwordingen. Deze fout heeft Berkeley echter nooit

begaan! Dat het bestaan van de sinaasappel slechts van (zij het ook

denkbeeldige) waarneming afhangt, dit hééft Berkeley gezegd: zonder

percipi geen esse! en het is èn Kantiaans èn juist!—„Berkeley heeft

niet opgemerkt, dat het verschil tusschen ware denkbeelden eenerzijds

en onware denkbeelden, hallucinaties en illusies anderzijds wegvalt,

als ieder ondersteld wordt alleen zijn eigen zielstoestanden te

kennen.” Terecht heeft Berkeley dat „niet opgemerkt”. Want het is

onjuist.—Natuurlik kent ieder alleen zijn eigen zielstoestanden, in de

strenge zin van het woord „kennen” [117]. Maar een „objectief” oordeel:

„dáár, op zóveel m.M. afstand van die tafelrand, ligt een sinaasappel

van zóveel gram enz.”, is er een over mogelike (inbegrepen: onder

bepaalde omstandigheden noodwendige) zielstoestanden van alle mogelike

subjecten van bepaalde soort. Dit oordeel is al of niet waar.

„Percipitur Chimaera, ergo est” houdt Spruyt aan Berkeley voor.

Natuurlik, est Ch., sc. als gewaarwordingsgroep of gedachte. Maar niet

objectief, als voorwerp in de ruimte. Immers voor het Subject der

natuur en derhalve voor alle mogelike individuele subjecten, als

coenosubjectieve waarnemingsmogelikheid, bestaat zij niet. Berkeley had

dus misschien wat voorzichtiger zijn bedoeling uitgedrukt door van de

natuurdingen (niet van de subjecten! n.b.) te zeggen, in pl. v. esse =

percipi, esse = percipi posse, een amendement (later verwezenlikt door

de „permanent possibilities of sensation” van zijn landgenoot Stuart

Mill), door B. zelf... uit voorzichtigheid afgewezen [118]. Spruyt zelf

geeft een alles behalve „immanente” eigen opvatting van het verschil:

„Hallucinaties bestaan, maar zijn geen ware voorstellingen, omdat zij

niet overeenstemmen met de werkelijkheid.” Dat is een waarheid als ...

een zeker levend objekt,—ook voor Berkeley! De enige vraag is maar: Wat

betekent hier „werkelijkheid”? „geeft men het geloof aan die

werkelijkheid op” ... Aan welke werkelikheid? Aan een bestaan,

onafhankelik van waarnemende subjectiviteit? Die „werkelikheid”

loochent Berkeley... terecht. Of aan een bestaan voor elk normaal

waarnemend subject? Die aanvaardt B.... terecht. [119]

Het zij mij vergund Berkeley’s eigen woorden hier aan te halen (Pr. of

H. K. sect. 6 p. 158):

„Some truths there are so near and obvious to the mind, that a man need

only open his eyes to see them. Such I take this important one, viz.

that all the choir of heaven and furniture of the earth, in a word all

those bodies which compose the mighty frame of the world, have not any

subsistence without a mind, that their being is to be perceived or

known; that consequently so long as they are not actually perceived by

me, or do not exist in my mind or that of any other created spirit,

they must either have no existence at all, or else subsist in the mind

of some Eternal Spirit—it being perfectly unintelligible, and involving

all the absurdity of abstraction, to attribute to any single part of

them an existence independent of a spirit. To be convinced of which,

the reader need only reflect, and try to separate in his own thoughts

the being of a sensible thing from its being perceived.”

Op smetteloos immanente wijze spreekt Berkeley over de onderscheiding

tussen objektieve werkelikheid en chimera: Dial. III, p. 330: Phil. tot

Hylas, na de voornaamste onderscheidings-criteria genoemd te hebben:

„In short, by whatever method you distinguish things from chimeras on

your scheme, the same, it is evident, will hold upon mine. For, it must

be, I presume, by some perceived difference; and I am not for depriving

you of any one thing that you perceive.”

Berkeley denkt er dus niet aan, de objekten, de phaenomena, te

loochenen, integendeel; hij ontdekt en betoogt juist hun immanentie,

geheel in overeenstemming met Kant, al is bij hem van Kant’s

kriticistiese onderscheiding tussen vorm en inhoud nog geen sprake.

[120] Maar wat Berkeley altans schijnbaar, en naar Kant’s misduiding

(38), die hem Kant’s verwijt van „mystischen und schwärmerischen

Idealismus” heeft op de hals gehaald, loochent, zijn ... dezelfde

„Sachen an sich selbst”, die ... Bellaar Spruyt ontkent, die „Sachen”

(Dinge an sich), waarvan Kant zei: „die zu bezweifeln ist mir niemals

in den Sinn gekommen”.

Als Kant zelf in § 57 van zijn Prolegomena als „Beschluss” de summa

geeft van heel zijn kenniskritiek, zijn „Grenzbestimmung der reinen

Vernunft”, zegt hij:

„Nach den allerklarsten Beweisen, die wir oben gegeben haben, würde es

Ungereimtheit sein, wenn wir von irgend einem Gegenstande mehr zu

erkennen hofften, als zur möglichen Erfahrung desselben gehört, oder

auch von irgend einem Dinge, wovon wir annehmen, es sei nicht ein

Gegenstand möglicher Erfahrung, nur auf das mindeste Erkenntnis

Anspruch machten, es nach seiner Beschaffenheit, wie es an sich selbst

ist, zu bestimmen”...

Kant’s hele leer scherpt in: Het is ongerijmd, te menen dat de objekten

die wij kennen Dinge an sich zijn.

Maar dan: „Es würde aber andererseits eine noch grössere Ungereimtheit

sein, wenn wir gar keine Dinge an sich selbst einräumen ... wollten”!

Men ziet nu, hoeveel meer recht de „idealistiese” verdedigers dezer

laatste post-kantiaanse „ongerijmdheid” hebben, zich (neo-)Kantianen te

noemen, dan de gewone „realistiese” aanhangers der prae-kantiaanse

„ongerijmdheid”! [121]

Kennisleer contra Materie-Realisme: Bijdrage tot "Kritiek" en Kantbegrip · 第 21 / 36 题