DE DOGMATIESE VERDUBBELING VAN DE GEWAARWORDINGSVORM.

1. DE RUIMTE ALS „VORM” VAN DE BEWEGINGSZIN (HEYMANS)—EN VERGELIJKING

MET DE „VORM” VAN TOONGEWAARWORDINGEN.

Wat is nu een kennis„vorm”, in tegenstelling tot de betrokken

kennis„inhoud”?

We herinneren ons, dat deze onderscheiding dient ter verklaring van de

raadselige „mogelikheid” der onloochenbare synthetiese oordelen a

priori van de wetenschappen, in casu (want wij bepalen ons tot de leer

der waarnemingen) van de meetkunde en de bewegingsleer, gebouwd op ons

apodicties syntheties weten omtrent tijd en ruimte.

Indien nu onze waarnemingen gevolg zijn van de inwerking van het van

ons onafhankelik Zijnde op onze geest, dan zal hun aard, hun

hoedanigheid mede door de aard van onze geest worden bepaald, i.c. van

ons waarnemingsvermogen („Sinnlichkeit”). „Wanneer, zooals wij moeten

aannemen, onze ervaring een product is van de inwerking der dingen [75]

op onzen geest, dan ligt het in den aard der zaak, dat haar inhoud

wordt bepaald door de eigenschappen van de dingen en van den geest

gezamenlijk. Of, nog wat nauwkeuriger, haar algemeen karakter zal van

de eigenschappen van den geest, hare concreete bepaaldheid in ieder

bizonder geval van die der dingen afhankelijk zijn. Noemen wij nu, naar

eene voor de hand liggende analogie met vorm en inhoud der in een vat

besloten vloeistof, het eerste den vorm, het tweede den inhoud der

ervaring, dan moet blijkbaar de aanwezigheid der vormbepalende factoren

in den geest aan die der ervaringsgegevens voorafgaan, wanneer ook de

eerste niet dan naar aanleiding van de tweede tot bewustzijn komen.”

Heymans, C. p. 185.

„Wenn sich aber die Sache so verhält, so muss sich offenbar für jede

Wahrnehmung die allgemeine, nur in der Organisation des Subjekts

begründete Form derselben aus ihrem spezifischen, von dem einwirkenden

Objekte mitbestimmten Inhalte ausscheiden lassen. Ich sehe eine grüne

Wiese: dass ich überhaupt Farbe sehe, gehört in dieser Wahrnehmung

offenbar zur Form, denn es hängt ausschliesslich von der eigentümlichen

Affizierbarkeit des Gesichtssinnes ab; dass ich aber diese bestimmte

grüne Farbe in diesem bestimmten Teile des Sehfeldes wahrnehme, das ist

der Inhalt der Wahrnehmung, der von objektiven Faktoren mitbestimmt

wird.” Heymans, G. u. El. p. 182.

Het is duidelik, dat deze onderscheiding van vorm en inhoud ons altans

een mogelikheid levert van synthetiese oordelen a priori. „Immers het

ligt in den aard der zaak, dat de formeele elementen door den geest in

de gewaarwordingen gelegd, in geene enkele gewaarwording kunnen

ontbreken, en dus ook met volkomen zekerheid in toekomstige

gewaarwordingen kunnen worden voorspeld.” Heymans, C. p. 186. En „welke

meer afdoende verklaring zou er voor de bevestiging der axioma’s door

de ervaring gegeven kunnen worden dan deze, dat die axioma’s door

logische redeneering uit de elementen zelve, die aan de ervaring te

gronde liggen, verkregen zijn?”

Kant heeft met zijn „formeel Idealisme” een nieuwe bron van waarheid

ontdekt in het kennende Subjekt. Zo behoort tans tot de zekerste

verworvenheden der wetenschap, de subjectiviteit der Ruimte—als „Vorm”

van waarneming. Maar de verwinning van het ruimte-realisme en

-empirisme schijnt wel tot de moeilikste verrichtingen van het denken

te behoren. Zelfs voor zéér scherpzinnige, voor gróte denkers, voor

„metaphysici van professie”, om van „filosofie-professoren” maar te

zwijgen, stond hier tot op deze dag veelal een: „Tot hiertoe en niet

verder”. Ik ben niet naief genoeg, te wanen, dat ik al m’n lezers in

enige pagina’s zou kunnen overtuigen van een leer, die inderdaad ons in

een heel nieuw milieu, een heel nieuwe werkelikheid verplaatst, waarin

men zich niet dan na tijden-lang en ingespannen denken oriënteert.

De grondoorzaak echter van alle verzet tegen Kant’s ruimteleer ligt in

de talloze misverstanden (ten dele te wijten aan Kant zelf), die zijn

begrip „vorm” pleegt te verwekken,—en de zonderlinge, dwaze,

onaannemelike consequenties, die dat misverstand aan die

ruimte-idealiteit wel moet toeschrijven.

Dit altans kan ik hier voor de verspreiding van deze waarheid doen,

enige stenen des aanstoots uit de weg ruimen, waarover bovenbedoelden

gevallen zijn. De paar bladzijden, waarin Kant zijn ruimte-leer

uitéénzet (K. d. r. V. pp. 50–54) behoef ik hier waarlik niet over te

schrijven, ik reken dat ieder uwer deze gelezen en overdacht heeft,

gelijk ook de „Einleitung” en de gehele „Transcendentale Aesthetik”,

dus tot en met p. 75 van de K. d. r. V. [76].

Om de ruimte als „vorm” van waarneming te doen begrijpen begin ik maar

weer met vergelijking uit het gebied der kleuren en klanken, daar hier

tenminste de „subjectiviteit” (het bestaan uitsluitend door en voor de

waarneming) sinds lang (in theorie altans!) gemeen-goed is van

wetenschap en beschaving [77]. Ik begin met deze vergelijking o.a.

omdat Kant haar uitdrukkelik ongeoorloofd verklaart, p. 56, en om dus

meteen eventuele vrees voor slaafse Kant-napraterij te sussen. En

Kantmisduiding is hier niet in ’t spel. Immers, Kant’s verbod is een

(volkomen verklaarbare) vergissing gebleken [78] (vgl. Heymans, G. u.

El. p. 226), gelijk de psychologie sinds ook heeft bewezen, dat de

ruimte geenszins „vorm” van heel ons waarnemingsvermogen, als zodanig,

maar enkel van één (volgens anderen twee) bepaalde zin(nen) kan zijn.

Het is waar,—gelocaliseerd, ruimtelik, is de inhoud al onzer

gewaarwordingen, maar we weten tans dat b.v. smaak, geur, geluid, ja

zelfs—naar de grote ontdekking van de geniale jonge Berkeley in zijn

„New Theory of Vision”—al wat we zien,—oorspronkelik onruimtelik is,

slechts met behulp van qualitatieve verschillen, die we als

ruimtelikheids-symbolen („locaaltekens”) leren duiden, wordt

gelocaliseerd [79]. De ruimte kan dus in elk geval slechts de vorm zijn

van de ruimtezin(nen), welke dat dan ook zij(n).

Wat hangt nu, bij ’t horen van klanken b.v., uitsluitend van ’t Subject

af, en wat mede van het niet-ik? Of ik een a of een c hoor, en welke c,

b.v. groot, klein of eengestreept enz., ik hoor, dat hangt niet van

mij, van de geest af, (noch voor de klank-naiveteit, noch voor de

natuurwetenschap, noch voor Kant!). Dus: noch welke, noch wat voor

soort tonen (a, c; orgel-muziek, zang etc.), noch hoe vaak, of hoe lang

ik die tonen hoor, noch welke tonen ik samen hoor. Dat alles behoort

dus tot de inhoud (de „materie”) der klankgewaarwordingen. Ik kan

daaromtrent ook niets weten, dan ’t bij „ervaring” gegevene.

Maar wat ik wel van te voren [80] met absolute zekerheid kan weten, dat

is de verhouding, waarin alle a’s en c’s en e’s enz., waar en wanneer

ik ze ook te horen krijg, tot elkander zullen moeten staan. Ik weet,

dat elke a, c, enz. z’n vaste plaats in het toonladderstelsel moet

hebben, waardoor z’n interval, z’n verwantschap, z’n con- en

dissonantie met elke andere wordt bepaald, zodat de toonladder—met al

z’n „trappen” en drieklanken, en de daardoor alleen reeds gegeven, van

alle willekeur onafhankelike wetten van harmonie en modulatie

(25)—vaststaat als een heel stelsel van synthetiese oordelen a priori,

van „wetten” waaraan alle mogelike, verleden en toekomstige,

toonreeksen en toonverbindingen onderworpen zijn,—omdat en zolang het

zijn de zuiver subjectieve, psychiese „natuur-wetten” van het horen en

voelen, van de muzikale ontvankelikheid of apperceptie. Al deze wetten

hebben betrekking op de eigenschappen van het toonstelsel, het door ons

geabstraheerd en geconstrueerd schema aller mogelike

toongewaarwordingen. Deze eendimensionele (sc. in éen afmeting: van

laag tot hoog, zich uitstrekkende) schaal, dit schema, waarop elke ooit

te horen toon a priori z’n plaats heeft, is de „vorm” onzer

toongewaarwordingen.

Dit schema „bestaat” natuurlik niet anders, dan als een „Gedankending”,

z’n „waarheid” bestaat enkel hierin, dat het de werkelike wijze is,

waarop („vorm”, „waarin”) een Subjekt alle tonen moet ordenen,

„localiseren”.—Elke toon heeft daar z’n bepaalde plaats—welke dat is,

hangt natuurlik van de „gegeven” toon af, behoort tot de „inhoud” der

ervaring.—De toetsenreeks van een piano geeft ons een niet onaardig

aanschouwelik beeld van het tonenschema, maar natuurlik bezit dit zelf

geen andere werkelikheid, dan elke andere abstrakte formulering van een

geheel van mogelikheden, dan b.v. elke „natuurwet”.

Ook is het een materialisties (of zo men wil, naturalisties)

vooroordeel, te menen, dat de eigenschappen van die vorm

natuurwetenschappelik „verklaard” zouden kunnen worden, dat de physica

er iets mee te maken had, dat b.v. gegevens omtrent luchttrillingen ons

exactheid, wiskunde, in de harmonieleer zouden kunnen brengen [81], wat

Vischer aardig noemt de „Mathematisirung des Schönen” [82]. Die

trillingsgetallen hebben hoegenaamd niets met de kenmerken, de

qualiteiten van ons toonladderstelsel te maken.

Ten opzichte van 3 n trillingen per seconde bestaat tussen 4 n, 5 n of

6 n trillingen per seconde geen ander dan dit quantiteitsverschil. Dat

ik bij 6 n „precies dezelfde toon, maar een octaaf hoger” hoor als bij

3 n, daarentegen bij 4 n een heel andere toon, nl. een die met de

oorspronkelike „een reine quart” vormt en met die „zelfde hogere” „een

reine quint”... en bij 5 n trillingen weer een die met de beide

eerstgenoemde een grote sext en een kleine terts tot interval heeft,

enz.—, heel die qualitatieve periodiciteit (telkens van n tot 2 n), die

samenrijging van „octaven”, waarbinnen telkens alle mogelike

verschillende tonen besloten liggen,—het berust uitsluitend op de

inrichting van onze klankzin,—(weer niet te verwarren met het zintuig

of het hersencentrum voor geluid),—absoluut niets daarvan is

„mechanies”, quantitatief, te „verklaren”, daar quantiteit evenmin, ’t

zij logies, ’t zij ontologies, ooit in qualiteit „omslaat” [83] als

hersencelbeweging of welk objekt ook kan worden „omgezet” in, of

„overgaat” tot... bewustzijn.

Bij de kleuren hebben we precies hetzelfde. Het éne, zuiver subjectieve

kleurenschema, de „vorm” van de kleurzin, geldt noodwendig voor alle

kleuren die we ooit te zien kunnen krijgen, waar en wanneer ook. Altijd

moet voor ons een verzadigd geel veel meer op wit gelijken dan een

verzadigd blauw of rood; zo lijkt vol blauw meer op zwart dan vol rood;

zo is ons „wit” een precies even enkelvoudige gewaarwording als „groen”

of geel of zwart enz.—En dit alles heeft weer alleen betrekking op onze

kleurenzin,—zelfs volkomen kennis omtrent aethertrillingsverschillen

kan ons absoluut niets daaromtrent leren.—En het kleurenschema bevindt

zich evenmin ergens buiten ons als dat der tonen.

Men zal nu geen moeite hebben om te begrijpen, wat de bedoeling is, als

we de ruimte noemen de „vorm” van een bepaald soort

gewaarwordingen—waarschijnlik (naar ik tegenover Riehl, Liebmann en

Wundt c.s. [84], mèt Heymans [85] aanneem) die van de bewegingszin. Dat

betekent dan dat de ruimte slechts het schema is onzer mogelike

bewegingsgewaarwordingen; deze kunnen we willekeurig teweegbrengen,

maar altijd slechts in 3 onderling onafhankelik veranderlike

qualiteiten [86], en elke gewaarwording zal ten opzichte van elk dezer

3 volkomen bepaald zijn, een „plaats” moeten hebben in onze

drie-dimensionele bewegings „vorm”, gelijk elke toon z’n „plaats” heeft

op de één-dimensionele toonschaal. De ruimte „dingen” zijn dan niets

dan voorshands onbekende, maar nooit ruimtelik te denken, oorzaken, die

bewegingsgewaarwordingen op van onze willekeur onafhankelike wijze

belemmeren, en hun ruimtelike eigenschappen bestaan enkel in hun

bepaalde verhouding tot, hun mogelike verhindering van, onze mogelike

bewegingsgewaarwordingen [87].

Ons schema is dus weer de vorm, waarnaar we deze eigenschappen bepalen;

en in deze onze ruimte heeft dus elk ding z’n precies bepaalde plaats,

voor Berkeley noch Kant, voor Heymans noch voor een onzer,

anti-realisten, hangt het van willekeur, van een individu af, of iets

ook maar een duizendste millimeter langer of korter is [88], verderaf

of dichterbij zich bevindt dan iets anders [89] enz...—maar al deze hun

ruimtelike eigenschappen, plaats, vorm, grootte, beweging, krijgen de

dingen pas met, en uitsluitend met betrekking tot, dit ons

waarnemingsschema, zij hebben enkel zin als inhoud van deze vorm, zijn

zonder deze als hun prius in ’t geheel niet mogelik of denkbaar. (27)

2. KANT ALS GEESTELIK COPERNICUS: „VORM” NIET „PHAENOMENAL”, MAAR

„IDEAL”, DUS UITSLUITEND SUBJECTIEF-, NIET TRANSCENDENT-BEPAALD.

TRENDELENBURG’S „DERDE MOGELIKHEID” ONMOGELIK.

Tans zijn we dan gekomen aan het belangrijk inzicht in de „idealiteit”

van een kennisvorm, als de subjectieve voorwaarde voor de mogelikheid

van alle desbetreffende kennisinhoud en daaruit afgeleide „phaenomena”,

als schema, wet of regel, waarnaar zich alle mogelike inhoud noodwendig

heeft te schikken, zodat zijn aan die „vorm” te danken eigenschappen

bij voorbaat (a priori) te kennen, met zekerheid te voorspellen zijn.

Het spreekt immers vanzelf,—wat maar altijd weer zelfs door een Wundt

c.s. (Külpe vooral!) gelijk door Hartmann, Paulsen e.a. en een Adickes

voorwaar nog mede, wordt miskend, of misvat—, dat een waarnemingsvorm,

ook uitsluitend subjectief bepaald moet zijn, dat het geen zin heeft

„den Fall zu setzen” (die door Kant übersehen zou zijn! Trendelenburg’s

befaamde „Lücke”) „dass die Realitäten selbst jenen Formen unseres

Anschauens und Denkens entsprechen, ihnen gleichen.” (Külpe, „I. Kant”,

p. 75). Ik zie niet in, wat het zou moeten betekenen zelfs, dat een

abstrakt schema van alle mogelike gewaarwordingen van een bepaalde

soort, dus de formulering, de wet van een bepaalde

bewustzijnsreactie... „tevens” eigen zou zijn aan de „transcendente”

dingen, de werkelikheid.

„Was ist denn aber unter einer subjectiven Form zu denken, die zugleich

objectiv sein soll? Sollen etwa auch die Objecte [lees: die Dinge an

sich] ‚aufnehmende’ Formen haben?” vraag ik met Hermann Cohen (Kants

Theorie der Erfahrung² p. 162).

Reeds van de „materie” der gewaarwordingen (hard, groen, zoet enz.) is

het naar wij boven hebben bewezen een dogma zonder grond en zonder zin,

dat zij tevens onafhankelik van de gewaarwordingen, als „eigenschap”

op-zich-zelve zoude bestaan; hoeveel te meer van een „vorm”, sc. een

schema, een verhoudingswet van mogelike gewaarwordingen, die in ’t

geheel niet van het gewaargewordene, maar uitsluitend van de

gewaarwordende geest afhankelik kan worden gedacht. Deze „vorm” kàn

alleen „subjectief” gedacht worden, en geldt dùs, krachtens deze

subjectiviteit, noodwendig en algemeen voor alle desbetreffende inhoud,

is dus daardoor „objectief” in de strengste zin van het woord... [90]

Juist dit is Kant’s Copernicaanse revolutie: Het gekende, de natuur

(„die Erfahrungswelt”) heeft de algemene eigenschappen ruimtelikheid en

tijdelikheid niet te danken aan onbekende, transcendente, algemene

eigenschappen van het An-sich, het onafhankelik-van-kennen-Zijnde (deze

worden ons dus niet als algemene „inhoud” der „ervaring” door het

An-sich, door een transcendente ruimte en een transcendente tijd,

gegeven;—zo ja, dan ware die algemeenheid slechts een voorlopige

veronderstelling van op z’n hoogst feitelike, nooit noodwendige

geldigheid, zodat onze axioma’s omtrent de oneindigheden tijd en ruimte

met al hun apodictiese overschrijding aller ervaringsmogelikheid,

gelijk de daarop gebouwde volkomen exacte wetenschappen meetkunde en

phoronomie, louter zelfbedrog en dogma zouden zijn), maar aan

ruimtelik- en tijdelikmakende eigenschappen van de kennende

subjectiviteit; worden dus als „vorm” der ervaring door het Subject aan

het gekende verleend en hun algemeenheid is eo ipso noodwendig en die

noodwendigheid verklaard [91]. Ruimte en tijd zijn dus, Kantiaans

gesproken, niet „phaenomenal”, maar „ideal”—zijn niet phaenomena („bene

fundata”), maar functies van het „transcendentale” subject, van het

geestelik prius der phaenomena. Dàt is hun „subjectiviteit”.

Subjectiviteiten zijn nu eenmaal niet denkbaar zonder subject. [92] Een

Anschauungsform ohne (= onafhankelik van) Anschauung, is even

ondenkbaar als... een Denkform (zo de negatie) ohne Denken!

Zo min als iets negatiefs als zodanig (niet-rood, niet-stoffelik)

bestaanbaar te denken is onafhankelik van het denken, zo min kan iets

ruimteliks als zodanig bestaanbaar worden gedacht onafhankelik van het

waarnemen. Geen wonder dus dat Kant die onmogelike „dritte Möglichkeit”

van Trendelenburg (waarop straks zo waar Hartmann z’n hele

„transcendentale realisme” bouwt, en waarop trouwens reeds heel Hegel’s

„eenheid van zijn en denken” rust, heel de Duitse zgn.

Identitätsphilosophie) ausser acht gelassen—geen overweging waardig

heeft gekeurd, als zijnde „zinledig”.

„Ich möchte gerne wissen, wie denn meine Behauptungen beschaffen sein

müssten, damit sie nicht einen Idealismus enthielten. Ohne Zweifel

müsste ich sagen, dass die Vorstellung vom Raume nicht bloss dem

Verhältnisse, was unsre Sinnlichkeit zu den Objekten hat, volkommen

gemäss sei, denn das habe ich gesagt, sondern dass sie sogar dem Objekt

völlig ähnlich sei; eine Behauptung, mit der ich keinen Sinn verbinden

kann, so wenig, als dass die Empfindung des Roten mit der Eigenschaft

des Zinnobers, der [?] diese Empfindung in mir erregt, eine Ähnlichkeit

habe.” (Prol. p. 68). [93]

Maar gesteld al, deze zinledigheid hadde zin, ware mogelik (des neen),

dan zou zij nog, evenals wij boven voor de gewaarwordingsinhoud

betoogden:

1°. Absoluut onmerkbaar, onverifieerbaar zijn; [94] haar aan te nemen

ware dus dogmatisme van ’t zuiverste water, waarvoor geen enkele grond

ooit kan worden gegeven of gedacht zelfs. Want wij hebben nooit met iets

anders te maken, dan met „onze” „empiriese” „objectieve” ruimte, en de

daarin zich bevindende, daarvan „afhankelike” ruimtedingen... (dat

Hartmann met het naturalisties realisme die objectieve natuur voor

„transcendent” houdt, is geen fout van Kant).

2°. Zou deze overeenstemming of „gelijkheid” zelf... een grondeloos

wonder, zuivere toverij [95] zijn en anders niet. Tussen ons bewustzijn

en het bewustzijnstranscendente als zodanig bestaat zelfs geen denkbare

gemeenschap... en toch zouden we er iets van bezitten, van „kennen”...

ja zelfs het als „gelijkend op” (?) het kenbare... kennen!

Wie ter zake niet ondeskundig is, begrijpt, dat de aanhangers van deze

leer zelf hun bedoeling misduiden. Ze bedoelen de éne objectieve ruimte

en haar „natuur”. Ze zijn aanhangers van een „empiries realisme” ... en

menen transcendentaal-realisten te zijn. Zeker is het bevreemdend, dat

een zo scherp en nuchter denker als Dr. Dèr Mouw ten deze diep genoeg

onder Hartmann’s invloed staat, om zelfs te wanen, dat Heymans hier

door Hartmann zou kunnen of moeten worden verbeterd, dat in Hartmann de

gedachten van Kant „tot rustige volwassenheid zijn gekomen”.

Hartmann’s heldere, zakelike, zelfverzekerde, gezondverstandelike

betoogtrant werkt dan ook zo overredend, dat niet alleen de vele

wetenschappelik-ontwikkelde leken, voor wie Kant ontoegankelik blijft,

terwijl de filosoof van het Onbewuste hun vertrouwde leidsman is

geworden omtrent „Philosophische Fragen der Gegenwart” en „Moderne

Probleme”, maar ook schrijvers van naam [96] Kant’s „transcendentaal

idealisme”, zijn waarnemingsleer in ’t biezonder, door Hartmann’s zgn.

„transcendentaal realisme” weerlegd en afgedaan achten. Inderdaad

formuleert H. zó zuiver de tegenwerpingen, die ieder „onbevangene”

voelt en denkt, dat het mij van groot belang toeschijnt, juist deze

representatieve Kantmisvatting te niet te doen. Maar eer ik daartoe

overga, zullen wij ons nader vergewissen van de daartoe benodigde,

merendeels reeds boven gewonnen, kennistheoretiese resultaten der

kritiek, daarbij speciaal het Transobjectieve behandelend in zijn

verhouding tot het objectieve en het individuele. Immers, de kritiek

heeft aan het Objekt twee functies ontnomen, die beide onmisbaar zijn:

die van gewaarwordingsoorzaak, en die van concrete werkelikheid,

onafhankelik van mogelike waarneming. Deze haar ontkenning verwijst dus

onmiddellik, positief, naar de Drager dier functies—naar het

Transobjectieve, dat ten aanzien van mogelike waarneming „an-sich” of

„transcendent” moet heten.

Kennisleer contra Materie-Realisme: Bijdrage tot "Kritiek" en Kantbegrip · 第 20 / 36 题