Wel mocht Kant in een noot schrijven: „Wäre es einem von den Alten
eingefallen, auch nur diese Frage aufzuwerfen, so würde diese allein
allen Systemen der reinen Vernunft bis auf unsere Zeit mächtig
widerstanden haben, und hätte so viele eitele Versuche erspart, die,
ohne zu wissen, womit man eigentlich zu thun hat, blindlings
unternommen worden.”
Want zijn probleemstelling alleen reeds scheidt twee werelden—„Dogma”
en „Kritiek”.
Een nieuwe wetenschap was geboren—de exaktheidswijsbegeerte, wier
materiaal het feit der exakte wetenschappen zelf is, de kennisleer, de
„Transcendental-philosophie”, die de Souvereine, de Richteres zou
worden van alle andere. (6)
En Kant is de geniale denker geweest, die het probleem niet alleen
heeft gesteld, maar—altans in beginsel—tevens opgelost.
Ziedaar zijn geweldige, zijn onvergankelike grootheid. En de grootsheid
dier oplossing was het probleem, dit grootste, algemeenste aller
wetenschap, waardig. Het was zijn geestelike Copernicus-daad, zijn
Revolutie. Ik noemde zijn vorm-idealisme [26]. Wie dat begrip „vorm”
eenmaal begrepen heeft, als verklarings-hypothese aller synthesis a
priori—en een andere is er niet alleen nimmer voor gegeven, maar zelfs
nauweliks als mogelik denkbaar!—die weet, waarom waarlik hier de zgn.
„Subjectiviteit” tevens louter Subjectiviteit betekent en
tegelijkertijd „Objectiviteit” in de strengste zin van volstrekte
noodwendigheid (apodicticiteit) en daarop berustende algemeenheid,—dat
inderdaad de mogelikheid van formeel of „transcendentaal realisme”,
(Hartmann) niet is in te zien, en het „objectief phaenomenalisme” van
Kant, in plaats van in strijd met zijn leer, [27] juist de onmiddellike
konsekwentie daarvan is, en wel verre van een „negatief dogmatisme” of
zelfs een „falsche Anwendung vom Satz des ausgeschlossenen Dritten” te
zijn (Hartmann!), juist deze „kritiek” of „weerlegging” tot positief
dogmatisme en louter wanbegrip stempelt.
Wat zal ons door het „Kriticisme” en zijn vorm-idealiteit bereikt
blijken? Niets meer of minder dan: