HOOFDSTUK I.—INLEIDING.

DE BETEKENIS VAN HET PROBLEEM DER KENNISLEER: HOE ZIJN SYNTHETIESE

OORDELEN A PRIORI MOGELIK? EN HET VERGEZICHT VAN KANT’S „COPERNICAANS”

ANTWOORD.

Men kan het geheel met Dr. Jelgersma eens zijn, „dat het Kantianisme

een groote hinderpaal is geweest en nog is voor de vrije en

onbelemmerde ontwikkeling van het wijsgeerig denken, en dat de

vooruitgang der moderne wijsbegeerte voor een groot deel afhangt

hiervan, òf en in welke mate zij er in zal slagen dezen hinderpaal uit

den weg te ruimen”—en toch daarnaast van oordeel zijn, dat inderdaad

„de philosophie van Kant niet alleen voor de geschiedenis der

wijsbegeerte van zeer groot belang is geweest, maar ook voor de moderne

wijsbegeerte nog van zoo groot belang is, dat de positie van ieder

wijsgeer wordt bepaald door zijn verhouding tot haar”. [2]

Nu bloeit er een verheerlikende Kant-mythologie (op de wijze van een

Chamberlain [3] of Woltmann, of zelfs enkelen van het Marburger gilde)

even verblind voor zijn grootste tekortkomingen als Rée’s cyniese

qualificatie: „Unklar und unehrlich” blind is voor Kant’s ware

grootheid, maar anderzijds dient tegenover alle Kant„weerlegging” à la

Haeckel of Pesch, Ziehen of Dietzgen (om Nederlanders weer ongenoemd te

laten) eerbiedig erkend en gehandhaafd, dat Kant het grondprobleem

aller kennisleer, en mitsdien aller exakte wijsbegeerte, heeft ontdekt

[4] en de oplossing zo al niet geheel dan toch voor een deel heeft

gegeven of altans gewezen.

Ik noem het probleem der mogelikheid van „synthetische Urteile a

priori” [5]—van samenvoegende oordelen bij voorbaat.

Dit is hèt „kritiese” probleem. En niets is verwonderliker dan de

misvatting en miskenning, zowel van dit probleem als van Kant’s geniale

oplossing, nog heden, een eeuw na zijn dood, in een tijd, die met recht

en reden prat gaat op zijn Empirie. Toch heeft alleen een empiricus dit

probleem kunnen stellen, deze oplossing kunnen wijzen. Immers, vertalen

we de vraagstelling—herleiden we haar tot de eenvoudigste vorm, dan

moet ze luiden: Hoe kunnen we meer weten, dan ons de ervaring, de

inductie heeft kunnen leren, ja hoe is zelfs een conclusie uit inductie

of enige inductieve wetenschap mogelik, d.w.z. logieserwijze

mogelik?—Hume was de eerste geweest, die gemerkt had, dat de inductieve

wetenschap zelf een probleem is, behoort te zijn voor een denkend

empiricus. [6]

„De Ervaring is onze beste Leermeesteres”—deze waarheid bevat voor een

redelik denkende geest de weerlegging van het Empirisme!—Dit moet leren

inzien wie Kant wil begrijpen. Uit geen enkel eindig getal gevallen hoe

groot, hoe onmetelik het ook zij—volgt logies ook maar iets, ook maar

de geringste waarschijnlikheid zelfs, voor enig nieuw geval. [7]

Wie door ervaring wijzer wordt—moet al wijzer zijn dan hij door

ervaring worden kan.

Wat kan, principieel, ervaring [8] ons leveren? Nooit iets anders dan

„comparatieve algemeenheid”... dat b.v. tot dusverre zo en zoveel

malen, in verband met deze bepaalde plaats, een zekere waarheid heeft

gegolden. Nooit dat deze waarheid overal, ten allen tijde, dus ook

morgen nog, zal gelden, dat haar niet-gelden onmogelik is.—„Erfahrung

lehrt uns zwar, dass etwas so oder so beschaffen sei, aber nicht, dass

es nicht anders sein könne. Findet sich also erstlich ein Satz, der

zugleich mit seiner Nothwendigkeit gedacht wird, so ist er ein Urtheil

a priori... Zweitens: Erfahrung gibt niemals ihren Urtheilen wahre oder

strenge, sondern nur angenommene und comparative Allgemeinheit (durch

Induction), so dass es eigentlich heissen muss: so viel wir bisher

wahrgenommen haben, findet sich von dieser oder jener Regel keine

Ausnahme. Wird also ein Urtheil in strenger Allgemeinheit gedacht, d.i.

so, dass gar keine Ausnahme als möglich verstattet wird, so ist es

nicht von der Erfahrung abgeleitet, sondern schlechterdings a priori

gültig.”...

Kant besluit dan: „Nothwendigkeit und strenge Allgemeinheit sind also

sichere Kennzeichen einer Erkenntniss a priori,”... terwijl eigenlik al

van deze beide criteria „jedes für sich unfehlbar” is. [9] (K. d. r. V.

p. 649).

Nu heeft zelfs in onze tijd nog een terecht beroemde

filosofen-richting, of -school, zo men wil, die van Wundt, willen

ontkennen dat ervaring nimmer algemeen-geldige, apodiktiese oordelen

kan opleveren.

Zo zegt Wundt in z’n Logik: „dem Satz, dass Erfahrungsinhalte niemals

einen apodiktischen Charakter besitzen, fehlt die Begründung.” En zelfs

zijn eminente leerling Eisler zegt het hem na, „Dass die Erfahrung uns

keine unbedingte Allgemeingültigkeit der Erkenntnis verschaffen kann,

das hat Kant mehr behauptet oder angenommen als kritisch dargetan.”

Einführung in die Erkenntnistheorie, p. 139. En: „Kant hätte wohl vor

Aufstellung seines Apriorismus gründlicher dartun sollen, inwiefern und

warum die Allgemeingültigkeit und Notwendigkeit der Axiome nicht aus

der Erfahrung in deren Bearbeitung durch das Denken entspringen könne.”

Nu komt dit bijvoegsel: „in deren Bearbeitung durch das Denken” niet te

pas,—want het geldt hier juist de „Erfahrung” zonder „Bearbeitung”,—het

zuiver gegevene.—En het lijkt mij niet voor tegenspraak vatbaar, dat

deze ervaring 1o. slechts feiten kan leveren, nooit noodwendigheid en

2o. slechts biezondere feiten, zij ’t ook ontelbaar vele, of

algemeenheid („Konstanz”) in alle tot dusver voorgekomen en bekende

gevallen, nimmer dus de volstrekte algemeenheid, waaruit kan worden

geconcludeerd ten opzichte van een nietgegeven geval.—We begrijpen nu

ook, dat de onderscheiding tussen apriori en aposteriori betrekking

heeft op het ontstaan onzer overtuigingen, onzer zekerheden.

Aposteriori, „achteraf”, weten we àl wat ons „gegeven” wordt, wat we

waarnemen en beleven,—„was wir durch Eindrücke empfangen”,—zodra echter

zou blijken, dat we „noodwendige” of „algemeen geldige” wetenschap

bezitten, dus ons bevinden op terrein, verder en hoger gelegen dan

„ervaring”, waarneming, reikt, (het zgn. logiese apriori, het apriori

t.o.v. het gelden der oordelen: voor alle mogelike gevallen noodwendig)

en in déze zin „onafhankelik van ervaring” (= apriori) zijn,—weten we

tevens zeker dat... ervaring ons daar niet heeft kunnen brengen, dat

deze zekerheid precies zover zij logies apriori is... ook „geneties”

apriori moet zijn. Hoe zou de waarneming meer kunnen geven—dan ze

heeft, hoe zou er meer uit te halen zijn—dan er in ligt? [10] Die

splitsing der „onafhankelikheid van ervaring” in een genetiese, naar ’t

ontstaan onzer zekerheid,—en een logiese, naar de grenzen, de

strekking, het „gelden” onzer zekerheid,—is dus kennistheoreties

irrelevant, altans het heeft geen zin, er Kant een verwijt van te

maken, dat hij tussen die twee niet „einen scharfen, überall

erkennbaren Unterschied” heeft gemaakt.—Beide vallen samen en het

logiese apriori is volstrekt afhankelik van het genetiese. Bij Kant

bestond daarover volkomen klaarheid. Men leze slechts K. d. r. V.

Einleitung I en II. En als Vaihinger er op wijst, dat de genetiese

onafhankelikheid van ervaring ook, behalve het niet-afgeleid-zijn uit

de waarneming, zou kunnen betekenen: niet ontstaan naar aanleiding van

waarnemingen, belevenissen, dan is de opmerking juist, maar ook al weer

irrelevant, daar niemand met meer nadruk de ervaring als conditio sine

qua non al onzer kennis heeft aangewezen, dan juist Kant: „Dass all

unsere Erkenntniss mit der Erfahrung anfange, daran ist gar kein

Zweifel” enz. Het is dus nauweliks te begrijpen en geenszins te

verontschuldigen, dat zelfs denkende koppen altijd nog maar weer het

Kantse apriori tijdelik opvatten, trots Kant’s uitdrukkelike verklaring:

„Der Zeit nach geht also keine Erkenntniss in uns vor der Erfahrung

vorher, und mit dieser fängt alle an.” (aanhef der Einleitung K. d. r.

V.²) of zelfs als „aangeboren” duiden, trots de precies even stellige

uitspraak: „Die Kritik erlaubt schlechterdings keine angebornen

Vorstellungen; alle insgesammt, sie mögen zur Anschauung, oder zu

Verstandesbegriffen gehören, nimmt sie als erworben an.” [11]—Nunquam

satis dicitur, quod nunquam satis discitur: niet vaak genoeg kan de

aandacht gevestigd worden op de beroemde, ook methodologies zo

belangrijke, verklaring uit de inaugurele rede van 1770 („de mundi

sensibilis atque intelligibilis forma et principiis”): „Cum itaque in

Metaphysica non reperiantur principia empirica; conceptus in ipsa obvii

non quaerendi sunt in sensibus, sed in ipsa natura intellectus puri,

non tanquam conceptus connati, sed e legibus menti insitis (attendendo

ad ejus actiones occasione experientiae) abstracti, adeoque acquisiti.”

(Uitg. Rosenkr. I : 313).

A priori betekent derhalve evenmin „vóór” als „zonder” ervaring — en

wanneer Prof. Ziehen in zijn „Psychophysiologische Erkenntnistheorie”²

(p. 60) zegt bij wijze van Kant-polemiek: „Bekanntlich ist das Wort a

priori doppelsinnig: eine Vorstellung ist a priori, insofern sie vor

der Erfahrung vorhergeht; ein Satz ist a priori, insofern er ohne

Erfahrung gilt (Beyersdorff, Vaihinger u. a.). Legt man diese

Definitionen zugrunde und versteht man unter Erfahrung Empfindungen, so

gibt es für die hier entwickelte Erkenntnistheorie weder apriorische

Vorstellungen noch apriorische Sätze.”, dan zal hij mij waarschijnlik

nauweliks geloven, als ik hem antwoord.... „so gibt es für die

Kantische Erkenntnistheorie weder apriorische Vorstellungen noch

apriorische Sätze!” [12]

Laat ons nu nog even nauwkeurig bepalen, wat dat „syntheties” betekent,

om elke misvatting van het grondprobleem te voorkomen. [13] Het staat

tegenover „analyties”. Beide zijn hier eigenschappen van oordelen, niet

van begrippen. Een oordeel bestaat uit onderwerp (subject) en gezegde

(praedicaat) en beide worden bepaald door begrippen, het

onderwerp-begrip en ’t gezegde-begrip. Elk begrip bestaat weer uit

voorstellingen, de „kenmerken” van het begrip, wier opsomming de

„definitie” van het begrip heet. De „analyse” van een begrip is het

„ontleden”, splitsen in kenmerken, de „synthese” het „samenstellen” uit

de kenmerkende voorstellingen. Een analyties oordeel is een zodanig,

welks gezegde-begrip verkregen is door ontleding, analyse, van het

subject-begrip. [14] Alle andere heten syntheties. [15]

„Die ersteren könnte man auch Erläuterungs-, die anderen

Erweiterungs-Urtheile heissen, weil jene durch das Prädicat nichts zum

Begriff des Subjects hinzuthun, sondern diesen nur durch Zergliederung

in seine Theilbegriffe zerfällen, die in selbigen schon (obschon

verworren) gedacht waren: dahingegen die letzteren zu dem Begriffe des

Subjects ein Prädicat hinzuthun, welches in jenem gar nicht gedacht war

und durch keine Zergliederung desselben hätte können herausgezogen

werden” (K. d. r. V. p. 39). Men lette er wel op, dat ’t er dus alléén

op aankomt, hoe een oordeel tot stand is gekomen. Daarmee vervalt de

tegenwerping tegen Kant’s fundamentele onderscheiding, als zou deze

onzeker, onbruikbaar moeten heten, daar sommige oordelen voor den één

analyties, voor den ander syntheties kunnen zijn. Zo vooral de

Kant-verzakende theoloog Schleiermacher. Zo juist als de praemisse is,

zo averechts is de gevolgtrekking. Immers er volgt alleen uit, dat we

aan de symbolen, waarin een oordeel is belichaamd (klanken of

lettertekens), niet zo maar kunnen zien, of het bedoelde oordeel

analyties is. Maar dit neemt niet weg, dat elk concreet werkelik

oordeel als psychiese realiteit, als overtuiging van een denkend

subject, slechts òf ’t een òf ’t ander kan zijn—immers slechts òf op

deze òf op gene wijze kan zijn tot stand gekomen en dat we bovendien

bij de oordelen der wetenschappen, waaromtrent de vraag analyties of

syntheties gesteld wordt, uit het verband nagenoeg altijd de wijze van

ontstaan kunnen opmaken.—(cf. Heymans, G. u. El. p. 107).

Men ziet nu gemakkelik in, dat alle analytiese oordelen onafhankelik

van ervaring uit het gegeven subjekt-begrip worden afgeleid, dus in

Kant’s termen a priori zijn [16]. (Ook zijn deze alle apodikties).

„Denn es wäre ungereimt, ein analytisches Urtheil auf Erfahrung zu

gründen, weil ich aus meinem Begriffe gar nicht herausgehen darf

[oud-duits, betekent: hoef] um das Urtheil abzufassen, und also kein

Zeugniss der Erfahrung dazu nöthig habe.” Bij synthetiese oordelen is

het mogelik, dat ik het praedicaat eenvoudig uit ervaring haal; dit

zijn de zgn. „empiriese” oordelen (Kant zegt echter ook

„Erfahrungsurtheile”). „Erfahrungsurtheile, als solche, sind insgesammt

synthetisch”. Dit zijn dus synthetiese oordelen a posteriori. En alle

oordelen nu, die èn syntheties zijn, èn apodikties of volstrekt

algemeen, bewijzen daardoor te zijn: synthetiese oordelen a priori.

Wat heeft nu de wetenschap met „synthetiese oordelen a priori” te

maken? Want het spreekt van zelf, waren zij een uitvindsel, een geloof

of dogma van zekere Immanuel Kant, zij verdienden deswege weinig meer

aandacht dan enig ander geestelik maaksel of partikulier dogma van wie

ook. Maar hoe, wanneer eens bleek, dat zij niet uitvinding doch

ontdekking waren, dat zij niet alleen bestanddeel maar zelfs grondslag

waren van.... alle exakte wetenschap? Hoe, wanneer eens bleek, dat de

„axioma’s” der wiskunde nòch willekeurige „vrije” (op „conventions”

berustende) definities, nòch ’t zij „denknoodwendigheden” (wier

ongeldigheid een contradictie zou opleveren), ’t zij ervaarbaarheden

zijn (in hun absoluut exakte geldigheid, voor alle tijd en alle ruimte)

en dat de induktieve wetenschap geen stap kan doen zonder te staan op

de bodem van een syntheties oordeel a priori?

Men moet wel erkennen, dat alsdan de vraag naar de „mogelikheid”, dus

de logiese fundering, de rechtvaardiging, de waarheidswaarde en de

betrouwbaarheid dier oordelen zou inhouden de vraag naar het goed

recht, de mensen-mogelikheid en de waarheidswaarde der wetenschap

zelve! Niet meer of minder.—Men hore nu weer Kant: „In allen

theoretischen Wissenschaften der Vernunft sind synthetische Urtheile a

priori als Principien enthalten.” (K. d. r. V. 2de dr. Abschn. 5, p.

650). Daar is vooreerst de wiskunde en wel speciaal de meetkunde. Nog

Leibniz, gelijk vóór Kant alle filosofen, achtte haar analyties. Kant

was hier de geniale ontdekker van haar synthetiese natuur. „Dass die

gerade Linie zwischen zwei Punkten die kürzeste sei, ist ein

synthetischer Satz. Denn mein Begriff vom Geraden enthält nichts von

Grösse, sondern nur eine Qualität. Der Begriff des kürzesten kommt also

gänzlich hinzu, und kann durch keine Zergliederug aus dem Begriffe der

geraden Linie gezogen werden.” [17] Hetzelfde geldt van het axioma der

// lijnen.

Hoe komt dan de meetkunde bij deze wetenschap.... hoe weet ieder uwer,

dat de ruimte onbegrensd, oneindig groot is? „Dat spreekt van zelf”?

Zeker—maar voor de kennis-kritiek spreekt alles van zelf—behalve juist

alles wat „van zelf spreekt”. [18] En niets is, sinds Kant,

schitterender, onomstoteliker bewezen, door de onderzoekingen der

„metageometrie”, door Lobatsjefski, Riemann en Helmholtz, dan dat

inderdaad onze meetkunde syntheties, dus niet „denknoodwendig”

(Dietzgen) is. (2) Toch heeft de Euklidiese meetkunde niets van haar

„selbstverständliche Gültigkeit” verloren. Toch verricht zij nergens of

nooit nauwkeurige metingen, of haar volkomen exakte stellingen wel

inderdaad gelden... of wel een vlakke driehoek werkelik precies 180°

heeft!

„Warum fordern wir bei einer mathematischen Beweisführung nicht jene

peinliche Sorgfalt der Messungsmethoden, jene gewissenhafte

Ausschliessung störender Umstände, ohne welche keine physikalische

Beweisführung uns überzeugen kann? Warum darf die exacteste

Wissenschaft, ohne etwas von ihrer Exactheit einzubüssen, mit dem

rohesten Materiale arbeiten?” (Heymans, G. u. El. p. 142).

„Naturwissenschaft (Physica) enthält synthetische Urtheile a priori als

Principien in sich. Ich will nur ein Paar Sätze zum Beispiel anführen,

als den Satz: dass in allen Veränderungen der körperlichen Welt die

Quantität der Materie unverändert bleibe, oder dass in aller

Mittheilung der Bewegung Wirkung und Gegenwirkung jederzeit einander

gleich sein müssen. An beiden ist nicht allein die Nothwendigkeit,

mithin ihr Ursprung [19] a priori, sondern auch, dass sie synthetische

Sätze sind, klar.” (3) (K. d. r. V. pag. 653).

Hoe kan, hoe wil de natuurkunde, die fiere, exakte, zegevierende

wetenschap, deze haar grondstellingen, en vooral het

causaliteitsbeginsel, dit fundament aller inductie, zonder ’t welk zij

geen stap zou kunnen doen, rechtvaardigen? [20] Door inductie? Maar de

mogelikheid aller inductie berust op de causaliteit. Ook onze met de

mond anti-causalistiese empiristen en positivisten geven aan het a

priori alleen een andere naam: „Gelijkvormigheid van het

Natuurverloop”, „functionele afhankelikheid”... en menen, dat het dan

verdwenen is. Zij noemen de grond waarop zij gaan „lucht”... en wanen

te vliegen!—Zij allen zijn overtuigd, gelijk elk van u, m’n lezers...

dat geen enkele verandering geschiedt—zonder oorzaak,—zonder iets

voorafgaands, waarop ze noodwendig volgt. En dat geen waarneming, nog

zo vaak herhaald, ons ooit „causaal verband”, noodwendig samengaan,

levert, daaraan twijfelt, al sinds Hume, toch wel geen denkende geest

meer. [21]

Maar nemen wij andere voorbeelden dan het nog altijd bestredene der

causaliteit.—Daar is het logiese probleem... ieder uwer weet, dat er in

’t heelal nergens of nooit logiese tegenspraak kan zijn [22]; dat nooit

iets enige eigenschap tegelijk zowel kan hebben als niet hebben, dat

elk ding elke eigenschap of heeft of niet heeft... „tertium non datur”

(4)... dat uw logiese gevolgtrekkingen uit juiste, ware praemissen...

ook eeuwig gelden voor heel de werkelikheid, juist, waar zijn, moeten

zijn.

Ieder uwer weet (zelfs wie ’t niet mag of wil weten), dat de tijd

nimmer een begin kan hebben gehad, of nooit een einde kàn hebben, zelfs

al zou ook alles in de tijd ontstaan („geschapen”) zijn of te niet

gaan... Maar zelfs weet ieder uwer, en mogen wij als grondslag van heel

het causale denken en vorsen beschouwen, dat niets uit niets kan zijn

ontstaan.—„Gigni De nihilo nihil, in nihilum nil posse reverti”.—Hoe

weet gij dat alles... en hoe weet de „Bewegingsleer” haar axioma’s van

tijd en ruimte? Al deze bestaande exakte wetenschappen: wiskunde,

natuurkunde, logica zijn als zodanig gegeven feiten, al zouden, des

neen, nòg zoveel enkelingen de waarde, de waarheid er van loochenen of

betwijfelen.

Vast staat, dat niets van dit alles uit waarneming (die immers slechts

feitelike, nooit noodwendige waarheid levert), uit inductie, kan zijn

ontstaan [23]; vast staat ook, dat we ons zelf te goed kennen als

redelik denkende wezens, om niet te weten, dat we onze overtuigingen

niet uit niets kunnen scheppen, dat er een grond, een „voldoende grond”

voor moet zijn.

Waar halen wij in al deze gevallen dan het praedicaat vandaan (5),

indien noch uit ervaring, noch uit het subjektbegrip? [24]

Waar is die verborgen, maar levende bron onzer kennis? of moeten wij

ons met een kluitje van zgn. „openbaring” laten sturen in het riet van

redeverzakend geloof, van zuiver dogmatiese „πιστις”? „Wenn ich ausser

dem Begriffe A hinausgehen soll um einen andern B, als damit verbunden

zu erkennen, was ist das, worauf ich mich stütze und wodurch die

Synthesis möglich wird, da ich hier den Vortheil nicht habe, mich im

Felde der Erfahrung danach umzusehen?”.... „Es liegt also hier ein

gewisses Geheimniss verborgen.” Het gaat er dus om, „mit gehöriger

Allgemeinheit den Grund der Möglichkeit synthetischer Urtheile a priori

aufzudecken, die Bedingungen, die eine jede Art derselben möglich

machen, einzusehen, und diese ganze Erkenntniss (die ihre eigene

Gattung ausmacht) in einem System nach ihren ursprünglichen Quellen,

Abtheilungen, Umfang und Grenzen, nicht durch einen flüchtigen Umkreis

zu bezeichnen, sondern vollständig und zu jedem Gebrauch hinreichend zu

bestimmen.” (K. d. r. V. p. 41 s.).

Kennisleer contra Materie-Realisme: Bijdrage tot "Kritiek" en Kantbegrip · 第 12 / 36 题