III. De dogmatiese verdubbeling van de gewaarwordingsvorm 53–68

§ 1. De ruimte als „vorm” van de bewegingszin (Heymans)—en

vergelijking met de „vorm” van toongewaarwordingen 53–62

§ 2. Kant als geestelik Copernicus: „vorm” niet

„phaenomenal” maar „ideal”, dus uitsluitend

subjectief-, niet transcendent-bepaald.

Trendelenburg’s „derde mogelikheid” onmogelik 62–68

IV. Het Transobjectieve („An-sich”) in zijn tweeledige

kennistheoretiese functie: substraat der phaenomena en

gewaarwordingsoorzaak. 69–92

§ 1. Kant’s tweeërlei „An-sich”: de tijd als „vorm” van

bewustzijn 69–75

§ 2. Het reale of substratum der natuur en de causaliteit.

Het psychiese en de ruimte 75–81

§ 3. Het An-sich-loos immanent „idealisme” als terugval in

realisties physicisme. De goede Berkeley, hallucinaties

en na-Kantiaanse „ongerijmdheid” 81–92

V. Kant’s waarnemingsleer en haar moderne realisties-

dogmatiese misvatting 93–162

§ 1. Één ruimte, één tijd, één „Erfahrung” 93–96

§ 2. Kant’s ruimteleer en Hartmann’s (benevens Külpe’s en

Bolland’s) misverstand 96–141

§ 3. Dogmatiese Kantverhegeling 141–162

VI. Resultaten. De verhouding van geest en natuur, lichaam

en ziel 163–246

§ 1. Zeg mij hoe gij waarneemt en ik zal u zeggen wie

gij zijt. Dogmaties realisme van pragmatismen en

„idealismen” 163–182

§ 2. De strijd tussen dualisme en materialisme—een

hopeloos dilemma 182–197

§ 3. De verlossing. De ware krities-monistiese

„heterogeneïteit” en „identiteit”, waardoor de leer

van overgang (causalisme, „Wechselwirkung”) vervallen

is en de leer van denkbeeldige samengang (ideëel

parallelisme) zegeviert. Besluit 197–246

Kennisleer contra Materie-Realisme: Bijdrage tot "Kritiek" en Kantbegrip · 第 5 / 36 题