Ik acht het oogenblik gekomen om mijn lezers meer nauwkeurig bekend
te maken met de inlanders, van wie ik tot hiertoe slechts in het
voorbijgaan gesproken heb, en omtrent wie wij tot dusver niet dan
onvolledige en onnauwkeurige berichten ontvingen. Wij hebben deze
menschen zoo nauwkeurig mogelijk en geheel onbevooroordeeld bestudeerd,
en ons best gedaan om zoo veel in ons vermogen was, ons te hoeden
voor verkeerde oordeelvellingen en vergissingen, waaraan men bij de
waarneming der zeden en gewoonten van een geheel wilden volksstam
zoo licht blootstaat. Wat wij te zeggen hebben betreft uitsluitend
de levenswijze der Vuurlanders: anthropologische en ethnografische
kwesties blijven buiten bespreking. Wij zullen ons dus ook niet
verdiepen in de vraag, van waar deze eilanders afkomstig zijn, en
of zij inderdaad, zoo als men gezegd heeft, zijn te beschouwen als
de verbasterde overblijfselen van een amerikaansch volk, dat door
overmachtige vijanden verdreven en naar dezen uithoek der wereld
terug gedrongen zou zijn.
Onder den naam van Vuurlanders verstaan wij thans alleen de bevolking
van den archipel van Kaap Hoorn. Het is duidelijk, dat de twee andere
stammen, die de landen in den omtrek van de Straat van Magelhaens
bewonen, de Alakalouf op de westkust, en de Ona in het eigenlijke
Vuurland, evenzeer aanspraak op den naam van Vuurlanders hebben; maar
daar wij met deze stammen niet in aanraking zijn geweest, kunnen wij
ook niet van hen spreken.
De Vuurlander van de Oranjebaai en de omstreken van Kaap Hoorn woont
van alle ons bekende menschenrassen, het dichtst bij de zuidpool,
al is hij daarvan nog door eene wijde zee gescheiden. Hij behoort tot
den stam der Tekinika, volgens Fitz-Roy, of der Yaghane, volgens de
tegenwoordige engelsche zendelingen. Al wat de eerste reizigers, die
hen voor ruim anderhalve eeuw bezochten, van de inlanders verhalen, is
nog volkomen waar. Alleen zijn die berichten onvolledig, en verdiepen
de schrijvers zich vaak in gissingen, verklaringen en theorieën,
waarvan de onhoudbaarheid thans algemeen erkend wordt.
De Vuurlander van Kaap Hoorn heeft niet, als de bewoner der
noordelijke streken, weten gebruik te maken van hetgeen zijn land
hem kon aanbieden om zijn leven te veraangenamen. Hij heeft noch
kleeding, noch huis, noch voorraad. De robbehuid of de mantel van aan
elkaar gehechte kleine ottervellen, die hij over de schouders werpt
om zich eenigermate tegen de kou te dekken, kan kwalijk den naam van
kleedingstuk dragen. De loofhut, die hij binnen een paar uren aan den
oever opricht, om daarin naast het vuur neergehurkt, te overnachten,
heeft niets gemeens met een huis, hoe eenvoudig ook. Hij leeft weken
lang van het vleesch van walvisschen of robben, maar denkt er niet
aan om het te bewaren of er een voorraad van te verzamelen. Daar deze
levenswijze dubbel vreemd schijnt in een koud land, waar de gemiddelde
temperatuur niet hooger is dan 5° (7° 17 in den zomeren 3° 56 in den
winter), is eene nadere toelichting niet overbodig.
Kleeding, in den gewonen zin van dat woord, kent, zoo als ik zeide,
de Vuurlander niet. De vrouwen alleen dragen iets, dat men een
kleedingstuk zou kunnen noemen, namelijk een driekant lapje van
ottervel, zoo groot als een hand, dat aan een dunnen riem tusschen
de dijen hangt, en dat zij nooit afleggen. Ik moet evenwel hierbij
voegen, dat het besef van kuische schaamte hun niet vreemd is, vooral
niet aan de vrouwen, zoo als ik meermalen in de gelegenheid was op
te merken. De jonge meisjes maken met een soort van wit krijt strepen
op haar gelaat: dat is haar eenige koketterie.
De Vuurlanders bewonen nooit dan zeer tijdelijk dezelfde hut: het is
dus niet vreemd, dat zij niet veel arbeid besteden aan een verblijf
dat zij na weinige dagen, misschien zelfs reeds den volgenden morgen,
weer zullen verlaten. Eenige zware takken of boomstammen, zoo in den
grond gestoken dat zij elkander van boven raken; enkele handen vol
bladeren om de opengebleven gaten zoo goed mogelijk dicht te stoppen:
ziedaar de bouwstoffen voor eene vuurlandsche hut. De grond daarbinnen
wordt haastig plat getrapt, om daarop het vuur over te brengen en te
onderhouden, dat in de prauw brandde: en de woning is gereed. Somwijlen
hebben wij grooter en beter tegen den regen gedekte hutten gezien, maar
de constructie is altijd dezelfde. Daarentegen zijn er ook familiën,
voor wie zelfs zulk eene hut nog te veel is, en die zich eenvoudig
aan den voet van eene rots legeren, rondom een vuur, dat de wind en
de regen telkens dreigen uit te blusschen. Bedden, in welken vorm ook,
zijn ten eenemale onbekend: de Vuurlander slaapt op den blooten grond,
hoogstens met wat gras of bladeren bedekt.
Niet minder onbekend is hem de zorg voor de naaste toekomst. Hij leeft
letterlijk van den eenen dag op den anderen, van hetgeen de jacht of
de vischvangst hem oplevert. Hij heeft ook geene andere bezigheid dan
deze: als hij niet jaagt of vischt, zijne prauw timmert of herstelt,
of hout hakt voor zijn vuur, dan slaapt hij. Natuurlijk zal men vragen,
hoe zij het dan aanleggen, als zij, hetzij van wege het jaargetijde,
hetzij door ziekte, niet kunnen jagen of visschen, en ook geen
schelpen opzoeken, en zij niet het voorrecht hebben gehad, om langs
het strand een dooden rob of een gestranden walvisch te vinden? En
het is niet tegen te spreken, dat in den winter, wanneer het soms
dagen lang achtereen blijft sneeuwen, zich zulke gevallen kunnen
voordoen. De ongelukkige Vuurlanders blijven dan in hunne hutten,
die zij niet verlaten dan om in het naaste bosch brandhout te hakken:
roerloos hurken zij om het vuur en trachten in den slaap hun honger
te vergeten. Nijpt de honger te fel, dan trachten zij dien te stillen
door de wortels te eten van de _Armeria magellanica_, die zij langs
het strand opgraven, maar die hoegenaamd geen voedsel bevatten. Echter
duren zulke ongelukkige omstandigheden nooit langer dan drie of vier
dagen: de inlanders behoeven dus niet te bezwijken, al hebben zij het
hard te verantwoorden en al vermageren zij snel, vooral wanneer die
vastendagen met korte tusschenpoozen terugkeeren. Maar ten eenemale
onwaar is het, wat door oudere en nieuwere schrijvers verhaald wordt,
dat de Vuurlanders menscheneters zouden zijn, en dat zij met name
hunne oude vrouwen zouden doen stikken, om ze dan in tijd van gebrek
te eten. Hoe veel zij ook van den honger mogen te lijden hebben, nooit
verslinden zij elkander. Zij zijn zoo weinig kannibalen, dat zij zelfs
hun verslagen vijanden niet eten: het gebeurde met de protestantsche
zendelingen te Woollya, waarvan wij boven gesproken hebben, is daarvan
een bewijs: men vond de lijken van die zendelingen geheel ongeschonden.
Opmerkelijk is de invloed, dien de grijsaards in het gezin uitoefenen
en de soort van vereering, die men voor hen koestert. Dit is een
eigenaardig verschijnsel, niet gemakkelijk met juiste woorden
te omschrijven. Uit de feiten die wij hebben kunnen waarnemen,
blijkt de volkomen onafhankelijkheid van de bejaarde hoofden der
gezinnen, zoo mannen als vrouwen:--deze laatsten natuurlijk alleen
ingeval de man overleden is. Zij doen geheel wat zij goed vinden en
niemand maakt daar eenige aanmerking op. Zij hebben altijd eenige
kinderen of kleinkinderen bij zich, die hun zeer onderdanig zijn
en al hunne bevelen uitvoeren. Toch kan men niet zeggen, dat zij,
als bij de patriarchale organisatie der familie, met het oppergezag
zijn bekleed. De zoon, die niet met zijn vader overweg kan, scheidt
zich af, en trekt met eenige vrienden naar elders, waar hij door de
tegenwoordigheid van zijne ouders in zijne bewegingen niet belemmerd
wordt. De meest kenmerkende karaktertrek van dit zonderlinge volk is
hun hartstochtelijke liefde voor wat zij vrijheid noemen en hun afkeer
van elken dwang. Dit dierlijke, echt barbaarsche instinkt wordt alleen
beperkt door de banden der familie, die sterk genoeg zijn om alle
leden van dezelfde familie, ook al leven zij van elkander verwijderd,
elkander te hulp te doen komen, en zelfs bij deze wilden het besef
te wekken van solidariteit en een hoogere wet boven de individueele
willekeur. Ook hier blijkt op nieuw, dat de familie de bakermat
der maatschappij en de grondslag van alle geordende menschelijke
samenleving is.
De arbeid is zeer nauwkeurig tusschen de beide geslachten
verdeeld. Alle arbeid, die spierkracht en lichamelijke inspanning
vordert, komt ten laste van de mannen: zij hakken en vervoeren het
brandhout; zij bouwen de hutten en maken de prauwen, waarmede zij
ter robbenvangst gaan; zij vervaardigen de harpoenen, waarmede zij de
robben dooden, de slingers, die zij ook gebruiken op de otterjacht:
bij welke laatste zij ook door hunne honden geholpen worden, die in
de holen en gaten doordringen, waarin de otter zich verschuilt.
De vrouwen verrichten wat wij de huiselijke bezigheden zouden kunnen
noemen: bij de eb gaan zij langs het strand mosselen en andere
schelpdieren zoeken; zij bereiden en koken de spijzen; zij maken
het vuur aan; zij zorgen voor den noodigen voorraad van drinkwater;
zij vlechten korven van riet en touwen voor het vastmaken der
prauwen; zij vervaardigen de halskettingen van doorboorde schelpen
of fragmenten van vogelbeenderen. Ook gaan zij uit visschen in hare
prauw, waarbij zij zich bedienen van een hengel, waaraan een mossel
of een stuk visch bevestigd is: zoodra de visch die prooi inslikt,
halen zij hem ijlings naar boven. Ook visschen zij, met behulp van een
soort van lange houten vorken, verschillende schelpen, zelfs op vrij
aanmerkelijke diepte. Tot de taak der vrouwen behoort ook het roeien
of liever het pagaaien der prauwen: dit is volstrekt geen zwaar werk,
want de van boomschors vervaardigde prauwen zijn zeer licht, even als
de riemen zelven. Bij al deze verschillende werkzaamheden leggen de
vrouwen eene groote mate van bekwaamheid aan den dag.
De prauw, bijna voor den Vuurlander het eenige voorwerp dat hij niet
missen kan, is zeer licht en volkomen zeewaardig, maar heeft het
groote gebrek dat zij maar zeer kort duurt. Eene goede prauw houdt
het gemiddeld niet langer dan zes maanden uit. De mannen vervaardigen
de ranke boot, maar de vrouwen zorgen voor het onderhoud, voor het
herstellen van gebreken, het dichten van gaten en wat daar verder toe
behoort. De zorg voor de prauw rust overigens op alle leden des gezins,
op de mannen zoowel als op de vrouwen. Het lot van eene vuurlandsche
familie, die op zee haar kano verloren heeft, is al zeer treurig:
de ongelukkigen zouden dan vaak op eene of andere kale rots, den
hongerdood moeten sterven, wanneer hunne buren of bekenden, ongerust
over hunne lange afwezigheid, hen niet gingen opzoeken en redden.
De vrouwen alleen kunnen zwemmen, hetgeen zeker zeer zonderling
is voor eene bevolking, die een groot deel van haar leven op zee
doorbrengt. Men begrijpt ter nauwernood, hoe de Vuurlanders, zonder te
kunnen zwemmen, aan de vele gevaren ontsnappen, waaraan zij telkens
zijn blootgesteld, vooral bij tochten die verscheidene dagen duren
en waarop zij lichtelijk door storm kunnen worden overvallen of met
onstuimige zeeën hebben te kampen. Zij moeten wel een groot vertrouwen
stellen in hunne prauwen; bovendien mag men als zeker aannemen, dat
velen hunner op zee verongelukken: gedurende ons verblijf hoorde ik
althans herhaaldelijk spreken van menschen, die hun dood in de golven
hadden gevonden.
Hoewel zij zeer goed kunnen zwemmen, gaan de vrouwen echter zelden
voor haar genoegen te water: doorgaans bestaat daartoe eene bepaalde
aanleiding, bij voorbeeld, als zij een vogel moeten gaan halen, dien
zij van den oever met een steenworp gedood hebben. Meermalen echter,
als het weer betrekkelijk zacht was, heb ik de vuurlandsche vrouwen
een bad zien nemen en naar hartelust in het water rondspartelen. Het is
echter niet waar, wat sommige schrijvers beweren, dat zij veroordeeld
zijn om te duiken, ten einde zeeëgels te vangen: daartoe bedienen zij
zich van een eenvoudiger middel, en wel van de bovengenoemde houten
vorken, aan een langen stok bevestigd.
Ook de kinderen hebben in het gezin de hun aangewezen taak te
vervullen. De kleine jongens nemen al spoedig deel aan de werkzaamheden
van hun vader, terwijl de meisjes haar moeder behulpzaam zijn. Het
heeft zeer mijne aandacht getrokken, dat de kinderen nooit mishandeld
worden; veeleer worden zij bedorven door hunne ouders, die zeer
veel van hen houden, al is het niet de gewoonte hen te liefkoozen,
zoo als men dat vaak in Europa ziet.
Voor zoover ik heb kunnen nagaan, hebben de Vuurlanders geenerlei soort
van eeredienst; zelfs is er, naar men zegt, in hunne taal geen woord
om daarmede eene godheid, welke ook, aan te duiden. Toch vertoonen
zij sporen van eene soort van doodendienst: hoogst ongaarne spreken
zij van hun dooden, en die weerzin gaat, althans tegenover vreemden,
zoo ver, dat men niet dan met de grootste moeite de namen van hun
overleden bloedverwanten, zelfs van hun vader en hunne moeder,
vernemen kan. Misschien is het ook daaraan toe te schrijven, dat
zij zoo lang wachten, eer zij hun kinderen een naam geven. Zij weten
wel dat het kind naar de plaats zijner geboorte genoemd zal worden,
maar zij kennen het dien naam eerst toe omstreeks het tweede jaar,
als het kind begint te loopen. Komt het nu voor dien tijd te sterven,
dan zal het hooren van zijn naam hen niet aan het geleden verlies
herinneren. Ook onder elkander spreken zij, naar men zegt, nooit over
hunne dooden, hoewel zij tamelijk langen tijd rouw dragen over hunne
naaste betrekkingen: ten teeken van rouw maken zij zich het gelaat
zwart en scheren zich de kruin van het hoofd kaal. Ook beginnen de
vrouwen somwijlen, schijnbaar zonder eenige uitwendige aanleiding,
over hare afgestorvenen te weenen en te jammeren. Hangt dit een
en ander samen met eene zekere onbestemde, duistere vereering der
dooden? Men zou het haast meenen, want de dood op zich zelven boezemt
hun geene vrees in. Ik heb zoowel mannen als vrouwen, kinderen zoowel
als grijsaards, zonder eenige huivering of aandoening, opgedolven
schedels en beenderen van menschen zien behandelen; en ik heb reden om
te gelooven--wat de engelsche zendelingen mij trouwens uitdrukkelijk
bevestigd hebben--dat zij hun kranken, als het uiterste oogenblik
gekomen is, de keel toeknijpen, om aldus spoediger een einde aan hun
lijden te maken.
Zij gelooven aan het bestaan van geheimzinnige wezens, die allerlei
verschrikkelijke gedaanten kunnen aannemen, en het geluid nabootsen
van een zeerob of van eenig ander dier. Wanneer zij 's nachts de
stem van zulk een wezen meenen gehoord te hebben, worden zij door
doodelijke vrees bevangen; zij verschansen zich op de onmogelijkste
manier in hunne hutten, rapen alles bijeen wat zij aan wapenen
bezitten, en wachten, bevend en sidderend, tot het gevaar geweken
en de dag aangebroken is. Na zulk een nacht te hebben doorgebracht,
kan niets hen bewegen, langer op die plek te blijven. Zoo spoedig
mogelijk verwijderen zij zich en gaan liefst naar een ander eiland,
om aan het geduchte spooksel te ontkomen. Deze geheimzinnige wezens,
die hunne slachtoffers vele nachten achtereen vervolgen en plagen,
noemen de Vuurlanders _oualapatou:_ zij hebben, veel overeenkomst met
de ook bij ons niet onbekende weerwolven. In ieder geval blijkt uit dit
bijgeloof, dat ook bij deze wilden het besef van het bovennatuurlijke,
hoe ruw en onontwikkeld ook, niet ontbreekt.
Fitz-Roy heeft uitvoerig gesproken van hunne tooverdokters. In
werkelijkheid kennen de Vuurlanders zulke personen niet; maar er
heerscht bij hen eene gewoonte, waardoor het verhaal van den engelschen
reiziger zijne verklaring vindt.
Wanneer een Vuurlander krank is, ondergaat hij geene andere
behandeling--uitgenomen de verworging, als het uitgemaakt is dat
hij gaat sterven,--dan eene soort van massage, die hetzij op het
hoofd, hetzij op de borst, hetzij op eenig ander lichaamsdeel wordt
toegepast, waar men onderstelt dat de ziekte schuilt. De personen, die
bepaaldelijk met deze behandeling zijn belast, worden _yakamouches_
genoemd, en die titel gaat van vader op zoon over. Als de yakamouche
bij een zieke geroepen wordt, hurkt hij bij den patiënt neder, begint
een woest, onzamenhangend gezang, met allerlei gelaatsvertrekkingen
gepaard, en gaat dan tot de behandeling, uit wrijven en knijpen
bestaande, over, steeds schreeuwende en afschuwelijke gezichten
trekkende. Van tijd tot tijd houdt de yakamouche even op, om op den
patiënt en dan op zijne eigene handen te blazen, die hij vervolgens
boven het vuur heen en weer schudt; eindelijk snijdt hij met een schelp
of eenig ander scherp werktuig, een haarlok van den patiënt af, en
werpt dien in het vuur. Na die operatie is de zieke ongetwijfeld zeer
vermoeid, maar toch verklaart hij doorgaans, zich beter te gevoelen.
Ik kan mij zeer goed verklaren dat de reisgenooten van Fitz-Roy,
en ook Fitz-Roy zelf, als zij bij toeval getuigen waren van zulk een
kuur, daarin eene werkelijke bezwering of betoovering hebben gemeend
te zien, door een soort van toovenaar of duivelbanner in praktijk
gebracht. Toch kent men aan de yakamouches--waarvan er overigens
in genoegzaam elke familie een gevonden wordt,--hoegenaamd geen
bovennatuurlijk vermogen toe.
De yakamouches zijn voor het meerendeel bejaard; toch hebben wij
er enkelen gezien, die niet ouder konden zijn dan vijf-en-dertig
à veertig jaar; voor zoo ver ik heb kunnen nagaan, is er dus geen
leeftijd bepaald voor het verkrijgen van deze waardigheid, evenmin
als daarvoor eene voorbereiding of inwijding gevorderd wordt. Daar
Fitz-Roy hen altijd aan de spits der Vuurlanders vond, wanneer dezen
hem een of anderen poets bakten, heeft hij daaruit opgemaakt dat zij
zeker gezag over hunne volksgenooten uitoefenden. Maar ik voor mij
geloof dat dit niet het geval is, en dat zij geen ander gezag bezitten
dan wat hun toekomt als hoofd van een gezin, hetgeen zij altijd zijn,
daar de waardigheid of het ambt, zoo als men het noemen wil, eerst
na den dood des vaders op den oudsten zoon overgaat. Ook worden zij
voor hunne diensten nooit betaald, hetgeen hen zeer stellig van de
toovenaars, die wij elders aantreffen, onderscheidt. Evenals alle
anderen, leven zij van hetgeen de jacht en de visscherij hun opleveren
of van hetgeen zij op andere wijze kunnen machtig worden.
Ziedaar, in een beknopt overzicht, de kenmerkende trekken van de zeden
en gewoonten der Vuurlanders, voor zoover zij in wilden staat leven,
buiten de engelsche missie aan het Beagle-kanaal.
Ik moot ook met een enkel woord gewagen van hun uiterlijk
voorkomen. Zij zijn klein van gestalte: de mannen zijn gemiddeld
niet grooter dan één meter acht-en-vijftig, de vrouwen één meter
acht-en-veertig. De kleur van hunne huid is licht geel; hunne
gelaatstrekken zijn zeer grof en ruw; maar daarentegen hebben zij
zeer mooie bruine oogen, vol uitdrukking. Borst en dijen zijn breed;
de vrouwen zijn over het algemeen zwaarlijvig. De mannen dragen noch
baard, noch knevels; met uitzondering van hun hoofdhair, trekken zij
alle hairen uit.
Zoo als ik reeds zeide, namen de inboorlingen in den beginne, tegenover
ons, eene zeer groote mate van terughouding in acht. Langzamerhand
openbaarde zich meer toenadering en vertrouwen, zonder dat de inlanders
daarom eenige verandering brachten in hunne gewone levenswijze. Wel
hadden zij de gewoonte aangenomen om, als wij aan tafel zaten, voor
onze hutten te komen staan, om de overgeschoten brokken te ontvangen,
die zij op staanden voet opaten of anders medenamen in de door ons
weggeworpen ledige blikjes, die zij met dat doel hadden opgezameld;
maar daarom hadden zij niet afgezien van de vischvangst of van het
opzoeken van schelpdieren bij lage zee. Hadden zij op die wijze een
paar weken aan de Oranjebaai doorgebracht, dan kwam de oude trek tot
zwerven weer boven: zij verdwenen eensklaps, en wij zagen hen in geen
maanden terug. Zoo wisselden onze buren telkens af, hetgeen ook al
niet bevorderlijk was aan het aanknoopen van nadere betrekkingen.
Eerst vele maanden na onze vestiging, en nadat wij ons een groot
aantal woorden van hunne dagelijksche spreektaal hadden eigen
gemaakt, veranderde hunne houding tegenover ons en werden zij meer
familiaar. Het getal onzer buren bedroeg in den regel dertig of
veertig, op een totaal van tusschen de drie- en vierhonderd eilanders,
die ons afwisselend kwamen bezoeken. Daaronder waren er nu ten slotte
enkelen op wie wij rekenen konden voor het verrichten van een of ander
werk: en dan nog moest dat niet te dikwijls voorkomen en vooral niet
te lang duren. Nooit maakten zij bedenking tegen het loon, dat bijna
altijd uit eenige scheepsbeschuiten of stukken brood bestond. Slechts
een of twee hunner hebben wij ettelijke weken achtereen geregeld in
onze dienst kunnen houden. Als maatregel van voorzichtigheid, lieten
wij nooit een inlander bij ons overnachten; zij moesten altijd des
avonds naar hunne hutten terugkeeren, die trouwens op korten afstand
van onze barakken waren gelegen.
Het is inderdaad zonderling, dat ook de inlanders die dagelijks met
ons verkeerden, er niet in slaagden ook maar een weinig fransch te
leeren: dikwijls genoeg was ik er getuige van, hoeveel moeite zij
zich gaven om eenige woorden van onze taal te onthouden: zij zeiden de
woorden zeer goed na, maar eenige oogenblikken later, waren zij ze weer
vergeten. Zij vroegen ons alle dagen om brood, maar gebruikten daarbij
altijd het engelsche woord _bread_. Ik geloof dat zij nooit meer dan
twee fransche woorden hebben kunnen onthouden: _oui_ en _chemise._ Hun
voorraad engelsch is ook bijster gering, en bepaalt zich doorgaans tot
vijftien of twintig woorden, die zij meer of minder goed uitspreken.
Bij voorkeur richtten onze Vuurlanders hunne schreden naar ons
laboratorium van natuurlijke historie; zij wisten dat men daar op
hun persoon allerlei waarnemingen deed, waartoe zij zich volgaarne
leenden, in het vooruitzicht op eene belooning, wat beschuit of
andere spijze. Zij werden gemeten en betast; alle physiologische
bijzonderheden in bouw en constructie werden nauwkeurig onderzocht
en opgeteekend; van de verschillende doelen van hun lichaam werden
afdrukken in gips genomen. Ik heb zelfs een Vuurlander, en wel den
geduchten Athlinata, bijkans vier uren achtereen onbewegelijk zien
stilstaan om een afdruk te kunnen nemen van zijn geheelen persoon
ten voeten uit. Dat de proef mislukte, was niet zijne schuld, maar
alleen te wijten aan de slechte kwaliteit der gips, die bedorven was.
Eerst den twintigsten December 1882 kon het laboratorium in
gebruik worden gesteld. Bij gemis van de noodige materialen had
men het grootendeels van planken van pakkisten moeten opslaan. Het
stond op eenigen afstand van de andere barakken: daarom konden wij
den Vuurlanders, den geheelen dag door, vrijen toegang verleenen,
zonder dat de goede orde in de missie daardoor leed. Zij waren daar
dus bijna geheel te huis, en kwamen en gingen bijkans naar dat het
hun goeddacht. Hoewel zij er nooit alleen werden gelaten, was hun
aantal dikwijls zoo groot, dat werkelijk toezicht onmogelijk was:
toch hebben zij nimmer iets ontvreemd, ondanks hunne reputatie van
dieven, die zij aan vroegere zeevaarders te danken hebben.
In den morgen van den eersten September 1883 werden de magnetische en
meteorologische waarnemingen van de missie aan Kaap Hoorn officieel
geëindigd verklaard. Sedert de laatste dagen had men zich reeds
onledig gehouden met het overbrengen van de kisten en doozen, die
onze collectiën bevatten, aan boord van de _Romanche_. Den derden
verlieten wij aan boord van dat schip de Oranjebaai, waar wij een jaar
hadden doorgebracht. Vier dagen later kwamen wij te Punta Arénas in de
straat van Magelhaens, van waar wij den twaalfden vertrokken, om zonder
verder oponthoud onze reis naar Frankrijk voort te zetten. Den elfden
November wierp de _Romanche_ het anker uit op de reede van Cherbourg,