VI

Ik acht het oogenblik gekomen om mijn lezers meer nauwkeurig bekend

te maken met de inlanders, van wie ik tot hiertoe slechts in het

voorbijgaan gesproken heb, en omtrent wie wij tot dusver niet dan

onvolledige en onnauwkeurige berichten ontvingen. Wij hebben deze

menschen zoo nauwkeurig mogelijk en geheel onbevooroordeeld bestudeerd,

en ons best gedaan om zoo veel in ons vermogen was, ons te hoeden

voor verkeerde oordeelvellingen en vergissingen, waaraan men bij de

waarneming der zeden en gewoonten van een geheel wilden volksstam

zoo licht blootstaat. Wat wij te zeggen hebben betreft uitsluitend

de levenswijze der Vuurlanders: anthropologische en ethnografische

kwesties blijven buiten bespreking. Wij zullen ons dus ook niet

verdiepen in de vraag, van waar deze eilanders afkomstig zijn, en

of zij inderdaad, zoo als men gezegd heeft, zijn te beschouwen als

de verbasterde overblijfselen van een amerikaansch volk, dat door

overmachtige vijanden verdreven en naar dezen uithoek der wereld

terug gedrongen zou zijn.

Onder den naam van Vuurlanders verstaan wij thans alleen de bevolking

van den archipel van Kaap Hoorn. Het is duidelijk, dat de twee andere

stammen, die de landen in den omtrek van de Straat van Magelhaens

bewonen, de Alakalouf op de westkust, en de Ona in het eigenlijke

Vuurland, evenzeer aanspraak op den naam van Vuurlanders hebben; maar

daar wij met deze stammen niet in aanraking zijn geweest, kunnen wij

ook niet van hen spreken.

De Vuurlander van de Oranjebaai en de omstreken van Kaap Hoorn woont

van alle ons bekende menschenrassen, het dichtst bij de zuidpool,

al is hij daarvan nog door eene wijde zee gescheiden. Hij behoort tot

den stam der Tekinika, volgens Fitz-Roy, of der Yaghane, volgens de

tegenwoordige engelsche zendelingen. Al wat de eerste reizigers, die

hen voor ruim anderhalve eeuw bezochten, van de inlanders verhalen, is

nog volkomen waar. Alleen zijn die berichten onvolledig, en verdiepen

de schrijvers zich vaak in gissingen, verklaringen en theorieën,

waarvan de onhoudbaarheid thans algemeen erkend wordt.

De Vuurlander van Kaap Hoorn heeft niet, als de bewoner der

noordelijke streken, weten gebruik te maken van hetgeen zijn land

hem kon aanbieden om zijn leven te veraangenamen. Hij heeft noch

kleeding, noch huis, noch voorraad. De robbehuid of de mantel van aan

elkaar gehechte kleine ottervellen, die hij over de schouders werpt

om zich eenigermate tegen de kou te dekken, kan kwalijk den naam van

kleedingstuk dragen. De loofhut, die hij binnen een paar uren aan den

oever opricht, om daarin naast het vuur neergehurkt, te overnachten,

heeft niets gemeens met een huis, hoe eenvoudig ook. Hij leeft weken

lang van het vleesch van walvisschen of robben, maar denkt er niet

aan om het te bewaren of er een voorraad van te verzamelen. Daar deze

levenswijze dubbel vreemd schijnt in een koud land, waar de gemiddelde

temperatuur niet hooger is dan 5° (7° 17 in den zomeren 3° 56 in den

winter), is eene nadere toelichting niet overbodig.

Kleeding, in den gewonen zin van dat woord, kent, zoo als ik zeide,

de Vuurlander niet. De vrouwen alleen dragen iets, dat men een

kleedingstuk zou kunnen noemen, namelijk een driekant lapje van

ottervel, zoo groot als een hand, dat aan een dunnen riem tusschen

de dijen hangt, en dat zij nooit afleggen. Ik moet evenwel hierbij

voegen, dat het besef van kuische schaamte hun niet vreemd is, vooral

niet aan de vrouwen, zoo als ik meermalen in de gelegenheid was op

te merken. De jonge meisjes maken met een soort van wit krijt strepen

op haar gelaat: dat is haar eenige koketterie.

De Vuurlanders bewonen nooit dan zeer tijdelijk dezelfde hut: het is

dus niet vreemd, dat zij niet veel arbeid besteden aan een verblijf

dat zij na weinige dagen, misschien zelfs reeds den volgenden morgen,

weer zullen verlaten. Eenige zware takken of boomstammen, zoo in den

grond gestoken dat zij elkander van boven raken; enkele handen vol

bladeren om de opengebleven gaten zoo goed mogelijk dicht te stoppen:

ziedaar de bouwstoffen voor eene vuurlandsche hut. De grond daarbinnen

wordt haastig plat getrapt, om daarop het vuur over te brengen en te

onderhouden, dat in de prauw brandde: en de woning is gereed. Somwijlen

hebben wij grooter en beter tegen den regen gedekte hutten gezien, maar

de constructie is altijd dezelfde. Daarentegen zijn er ook familiën,

voor wie zelfs zulk eene hut nog te veel is, en die zich eenvoudig

aan den voet van eene rots legeren, rondom een vuur, dat de wind en

de regen telkens dreigen uit te blusschen. Bedden, in welken vorm ook,

zijn ten eenemale onbekend: de Vuurlander slaapt op den blooten grond,

hoogstens met wat gras of bladeren bedekt.

Niet minder onbekend is hem de zorg voor de naaste toekomst. Hij leeft

letterlijk van den eenen dag op den anderen, van hetgeen de jacht of

de vischvangst hem oplevert. Hij heeft ook geene andere bezigheid dan

deze: als hij niet jaagt of vischt, zijne prauw timmert of herstelt,

of hout hakt voor zijn vuur, dan slaapt hij. Natuurlijk zal men vragen,

hoe zij het dan aanleggen, als zij, hetzij van wege het jaargetijde,

hetzij door ziekte, niet kunnen jagen of visschen, en ook geen

schelpen opzoeken, en zij niet het voorrecht hebben gehad, om langs

het strand een dooden rob of een gestranden walvisch te vinden? En

het is niet tegen te spreken, dat in den winter, wanneer het soms

dagen lang achtereen blijft sneeuwen, zich zulke gevallen kunnen

voordoen. De ongelukkige Vuurlanders blijven dan in hunne hutten,

die zij niet verlaten dan om in het naaste bosch brandhout te hakken:

roerloos hurken zij om het vuur en trachten in den slaap hun honger

te vergeten. Nijpt de honger te fel, dan trachten zij dien te stillen

door de wortels te eten van de _Armeria magellanica_, die zij langs

het strand opgraven, maar die hoegenaamd geen voedsel bevatten. Echter

duren zulke ongelukkige omstandigheden nooit langer dan drie of vier

dagen: de inlanders behoeven dus niet te bezwijken, al hebben zij het

hard te verantwoorden en al vermageren zij snel, vooral wanneer die

vastendagen met korte tusschenpoozen terugkeeren. Maar ten eenemale

onwaar is het, wat door oudere en nieuwere schrijvers verhaald wordt,

dat de Vuurlanders menscheneters zouden zijn, en dat zij met name

hunne oude vrouwen zouden doen stikken, om ze dan in tijd van gebrek

te eten. Hoe veel zij ook van den honger mogen te lijden hebben, nooit

verslinden zij elkander. Zij zijn zoo weinig kannibalen, dat zij zelfs

hun verslagen vijanden niet eten: het gebeurde met de protestantsche

zendelingen te Woollya, waarvan wij boven gesproken hebben, is daarvan

een bewijs: men vond de lijken van die zendelingen geheel ongeschonden.

Opmerkelijk is de invloed, dien de grijsaards in het gezin uitoefenen

en de soort van vereering, die men voor hen koestert. Dit is een

eigenaardig verschijnsel, niet gemakkelijk met juiste woorden

te omschrijven. Uit de feiten die wij hebben kunnen waarnemen,

blijkt de volkomen onafhankelijkheid van de bejaarde hoofden der

gezinnen, zoo mannen als vrouwen:--deze laatsten natuurlijk alleen

ingeval de man overleden is. Zij doen geheel wat zij goed vinden en

niemand maakt daar eenige aanmerking op. Zij hebben altijd eenige

kinderen of kleinkinderen bij zich, die hun zeer onderdanig zijn

en al hunne bevelen uitvoeren. Toch kan men niet zeggen, dat zij,

als bij de patriarchale organisatie der familie, met het oppergezag

zijn bekleed. De zoon, die niet met zijn vader overweg kan, scheidt

zich af, en trekt met eenige vrienden naar elders, waar hij door de

tegenwoordigheid van zijne ouders in zijne bewegingen niet belemmerd

wordt. De meest kenmerkende karaktertrek van dit zonderlinge volk is

hun hartstochtelijke liefde voor wat zij vrijheid noemen en hun afkeer

van elken dwang. Dit dierlijke, echt barbaarsche instinkt wordt alleen

beperkt door de banden der familie, die sterk genoeg zijn om alle

leden van dezelfde familie, ook al leven zij van elkander verwijderd,

elkander te hulp te doen komen, en zelfs bij deze wilden het besef

te wekken van solidariteit en een hoogere wet boven de individueele

willekeur. Ook hier blijkt op nieuw, dat de familie de bakermat

der maatschappij en de grondslag van alle geordende menschelijke

samenleving is.

De arbeid is zeer nauwkeurig tusschen de beide geslachten

verdeeld. Alle arbeid, die spierkracht en lichamelijke inspanning

vordert, komt ten laste van de mannen: zij hakken en vervoeren het

brandhout; zij bouwen de hutten en maken de prauwen, waarmede zij

ter robbenvangst gaan; zij vervaardigen de harpoenen, waarmede zij de

robben dooden, de slingers, die zij ook gebruiken op de otterjacht:

bij welke laatste zij ook door hunne honden geholpen worden, die in

de holen en gaten doordringen, waarin de otter zich verschuilt.

De vrouwen verrichten wat wij de huiselijke bezigheden zouden kunnen

noemen: bij de eb gaan zij langs het strand mosselen en andere

schelpdieren zoeken; zij bereiden en koken de spijzen; zij maken

het vuur aan; zij zorgen voor den noodigen voorraad van drinkwater;

zij vlechten korven van riet en touwen voor het vastmaken der

prauwen; zij vervaardigen de halskettingen van doorboorde schelpen

of fragmenten van vogelbeenderen. Ook gaan zij uit visschen in hare

prauw, waarbij zij zich bedienen van een hengel, waaraan een mossel

of een stuk visch bevestigd is: zoodra de visch die prooi inslikt,

halen zij hem ijlings naar boven. Ook visschen zij, met behulp van een

soort van lange houten vorken, verschillende schelpen, zelfs op vrij

aanmerkelijke diepte. Tot de taak der vrouwen behoort ook het roeien

of liever het pagaaien der prauwen: dit is volstrekt geen zwaar werk,

want de van boomschors vervaardigde prauwen zijn zeer licht, even als

de riemen zelven. Bij al deze verschillende werkzaamheden leggen de

vrouwen eene groote mate van bekwaamheid aan den dag.

De prauw, bijna voor den Vuurlander het eenige voorwerp dat hij niet

missen kan, is zeer licht en volkomen zeewaardig, maar heeft het

groote gebrek dat zij maar zeer kort duurt. Eene goede prauw houdt

het gemiddeld niet langer dan zes maanden uit. De mannen vervaardigen

de ranke boot, maar de vrouwen zorgen voor het onderhoud, voor het

herstellen van gebreken, het dichten van gaten en wat daar verder toe

behoort. De zorg voor de prauw rust overigens op alle leden des gezins,

op de mannen zoowel als op de vrouwen. Het lot van eene vuurlandsche

familie, die op zee haar kano verloren heeft, is al zeer treurig:

de ongelukkigen zouden dan vaak op eene of andere kale rots, den

hongerdood moeten sterven, wanneer hunne buren of bekenden, ongerust

over hunne lange afwezigheid, hen niet gingen opzoeken en redden.

De vrouwen alleen kunnen zwemmen, hetgeen zeker zeer zonderling

is voor eene bevolking, die een groot deel van haar leven op zee

doorbrengt. Men begrijpt ter nauwernood, hoe de Vuurlanders, zonder te

kunnen zwemmen, aan de vele gevaren ontsnappen, waaraan zij telkens

zijn blootgesteld, vooral bij tochten die verscheidene dagen duren

en waarop zij lichtelijk door storm kunnen worden overvallen of met

onstuimige zeeën hebben te kampen. Zij moeten wel een groot vertrouwen

stellen in hunne prauwen; bovendien mag men als zeker aannemen, dat

velen hunner op zee verongelukken: gedurende ons verblijf hoorde ik

althans herhaaldelijk spreken van menschen, die hun dood in de golven

hadden gevonden.

Hoewel zij zeer goed kunnen zwemmen, gaan de vrouwen echter zelden

voor haar genoegen te water: doorgaans bestaat daartoe eene bepaalde

aanleiding, bij voorbeeld, als zij een vogel moeten gaan halen, dien

zij van den oever met een steenworp gedood hebben. Meermalen echter,

als het weer betrekkelijk zacht was, heb ik de vuurlandsche vrouwen

een bad zien nemen en naar hartelust in het water rondspartelen. Het is

echter niet waar, wat sommige schrijvers beweren, dat zij veroordeeld

zijn om te duiken, ten einde zeeëgels te vangen: daartoe bedienen zij

zich van een eenvoudiger middel, en wel van de bovengenoemde houten

vorken, aan een langen stok bevestigd.

Ook de kinderen hebben in het gezin de hun aangewezen taak te

vervullen. De kleine jongens nemen al spoedig deel aan de werkzaamheden

van hun vader, terwijl de meisjes haar moeder behulpzaam zijn. Het

heeft zeer mijne aandacht getrokken, dat de kinderen nooit mishandeld

worden; veeleer worden zij bedorven door hunne ouders, die zeer

veel van hen houden, al is het niet de gewoonte hen te liefkoozen,

zoo als men dat vaak in Europa ziet.

Voor zoover ik heb kunnen nagaan, hebben de Vuurlanders geenerlei soort

van eeredienst; zelfs is er, naar men zegt, in hunne taal geen woord

om daarmede eene godheid, welke ook, aan te duiden. Toch vertoonen

zij sporen van eene soort van doodendienst: hoogst ongaarne spreken

zij van hun dooden, en die weerzin gaat, althans tegenover vreemden,

zoo ver, dat men niet dan met de grootste moeite de namen van hun

overleden bloedverwanten, zelfs van hun vader en hunne moeder,

vernemen kan. Misschien is het ook daaraan toe te schrijven, dat

zij zoo lang wachten, eer zij hun kinderen een naam geven. Zij weten

wel dat het kind naar de plaats zijner geboorte genoemd zal worden,

maar zij kennen het dien naam eerst toe omstreeks het tweede jaar,

als het kind begint te loopen. Komt het nu voor dien tijd te sterven,

dan zal het hooren van zijn naam hen niet aan het geleden verlies

herinneren. Ook onder elkander spreken zij, naar men zegt, nooit over

hunne dooden, hoewel zij tamelijk langen tijd rouw dragen over hunne

naaste betrekkingen: ten teeken van rouw maken zij zich het gelaat

zwart en scheren zich de kruin van het hoofd kaal. Ook beginnen de

vrouwen somwijlen, schijnbaar zonder eenige uitwendige aanleiding,

over hare afgestorvenen te weenen en te jammeren. Hangt dit een

en ander samen met eene zekere onbestemde, duistere vereering der

dooden? Men zou het haast meenen, want de dood op zich zelven boezemt

hun geene vrees in. Ik heb zoowel mannen als vrouwen, kinderen zoowel

als grijsaards, zonder eenige huivering of aandoening, opgedolven

schedels en beenderen van menschen zien behandelen; en ik heb reden om

te gelooven--wat de engelsche zendelingen mij trouwens uitdrukkelijk

bevestigd hebben--dat zij hun kranken, als het uiterste oogenblik

gekomen is, de keel toeknijpen, om aldus spoediger een einde aan hun

lijden te maken.

Zij gelooven aan het bestaan van geheimzinnige wezens, die allerlei

verschrikkelijke gedaanten kunnen aannemen, en het geluid nabootsen

van een zeerob of van eenig ander dier. Wanneer zij 's nachts de

stem van zulk een wezen meenen gehoord te hebben, worden zij door

doodelijke vrees bevangen; zij verschansen zich op de onmogelijkste

manier in hunne hutten, rapen alles bijeen wat zij aan wapenen

bezitten, en wachten, bevend en sidderend, tot het gevaar geweken

en de dag aangebroken is. Na zulk een nacht te hebben doorgebracht,

kan niets hen bewegen, langer op die plek te blijven. Zoo spoedig

mogelijk verwijderen zij zich en gaan liefst naar een ander eiland,

om aan het geduchte spooksel te ontkomen. Deze geheimzinnige wezens,

die hunne slachtoffers vele nachten achtereen vervolgen en plagen,

noemen de Vuurlanders _oualapatou:_ zij hebben, veel overeenkomst met

de ook bij ons niet onbekende weerwolven. In ieder geval blijkt uit dit

bijgeloof, dat ook bij deze wilden het besef van het bovennatuurlijke,

hoe ruw en onontwikkeld ook, niet ontbreekt.

Fitz-Roy heeft uitvoerig gesproken van hunne tooverdokters. In

werkelijkheid kennen de Vuurlanders zulke personen niet; maar er

heerscht bij hen eene gewoonte, waardoor het verhaal van den engelschen

reiziger zijne verklaring vindt.

Wanneer een Vuurlander krank is, ondergaat hij geene andere

behandeling--uitgenomen de verworging, als het uitgemaakt is dat

hij gaat sterven,--dan eene soort van massage, die hetzij op het

hoofd, hetzij op de borst, hetzij op eenig ander lichaamsdeel wordt

toegepast, waar men onderstelt dat de ziekte schuilt. De personen, die

bepaaldelijk met deze behandeling zijn belast, worden _yakamouches_

genoemd, en die titel gaat van vader op zoon over. Als de yakamouche

bij een zieke geroepen wordt, hurkt hij bij den patiënt neder, begint

een woest, onzamenhangend gezang, met allerlei gelaatsvertrekkingen

gepaard, en gaat dan tot de behandeling, uit wrijven en knijpen

bestaande, over, steeds schreeuwende en afschuwelijke gezichten

trekkende. Van tijd tot tijd houdt de yakamouche even op, om op den

patiënt en dan op zijne eigene handen te blazen, die hij vervolgens

boven het vuur heen en weer schudt; eindelijk snijdt hij met een schelp

of eenig ander scherp werktuig, een haarlok van den patiënt af, en

werpt dien in het vuur. Na die operatie is de zieke ongetwijfeld zeer

vermoeid, maar toch verklaart hij doorgaans, zich beter te gevoelen.

Ik kan mij zeer goed verklaren dat de reisgenooten van Fitz-Roy,

en ook Fitz-Roy zelf, als zij bij toeval getuigen waren van zulk een

kuur, daarin eene werkelijke bezwering of betoovering hebben gemeend

te zien, door een soort van toovenaar of duivelbanner in praktijk

gebracht. Toch kent men aan de yakamouches--waarvan er overigens

in genoegzaam elke familie een gevonden wordt,--hoegenaamd geen

bovennatuurlijk vermogen toe.

De yakamouches zijn voor het meerendeel bejaard; toch hebben wij

er enkelen gezien, die niet ouder konden zijn dan vijf-en-dertig

à veertig jaar; voor zoo ver ik heb kunnen nagaan, is er dus geen

leeftijd bepaald voor het verkrijgen van deze waardigheid, evenmin

als daarvoor eene voorbereiding of inwijding gevorderd wordt. Daar

Fitz-Roy hen altijd aan de spits der Vuurlanders vond, wanneer dezen

hem een of anderen poets bakten, heeft hij daaruit opgemaakt dat zij

zeker gezag over hunne volksgenooten uitoefenden. Maar ik voor mij

geloof dat dit niet het geval is, en dat zij geen ander gezag bezitten

dan wat hun toekomt als hoofd van een gezin, hetgeen zij altijd zijn,

daar de waardigheid of het ambt, zoo als men het noemen wil, eerst

na den dood des vaders op den oudsten zoon overgaat. Ook worden zij

voor hunne diensten nooit betaald, hetgeen hen zeer stellig van de

toovenaars, die wij elders aantreffen, onderscheidt. Evenals alle

anderen, leven zij van hetgeen de jacht en de visscherij hun opleveren

of van hetgeen zij op andere wijze kunnen machtig worden.

Ziedaar, in een beknopt overzicht, de kenmerkende trekken van de zeden

en gewoonten der Vuurlanders, voor zoover zij in wilden staat leven,

buiten de engelsche missie aan het Beagle-kanaal.

Ik moot ook met een enkel woord gewagen van hun uiterlijk

voorkomen. Zij zijn klein van gestalte: de mannen zijn gemiddeld

niet grooter dan één meter acht-en-vijftig, de vrouwen één meter

acht-en-veertig. De kleur van hunne huid is licht geel; hunne

gelaatstrekken zijn zeer grof en ruw; maar daarentegen hebben zij

zeer mooie bruine oogen, vol uitdrukking. Borst en dijen zijn breed;

de vrouwen zijn over het algemeen zwaarlijvig. De mannen dragen noch

baard, noch knevels; met uitzondering van hun hoofdhair, trekken zij

alle hairen uit.

Zoo als ik reeds zeide, namen de inboorlingen in den beginne, tegenover

ons, eene zeer groote mate van terughouding in acht. Langzamerhand

openbaarde zich meer toenadering en vertrouwen, zonder dat de inlanders

daarom eenige verandering brachten in hunne gewone levenswijze. Wel

hadden zij de gewoonte aangenomen om, als wij aan tafel zaten, voor

onze hutten te komen staan, om de overgeschoten brokken te ontvangen,

die zij op staanden voet opaten of anders medenamen in de door ons

weggeworpen ledige blikjes, die zij met dat doel hadden opgezameld;

maar daarom hadden zij niet afgezien van de vischvangst of van het

opzoeken van schelpdieren bij lage zee. Hadden zij op die wijze een

paar weken aan de Oranjebaai doorgebracht, dan kwam de oude trek tot

zwerven weer boven: zij verdwenen eensklaps, en wij zagen hen in geen

maanden terug. Zoo wisselden onze buren telkens af, hetgeen ook al

niet bevorderlijk was aan het aanknoopen van nadere betrekkingen.

Eerst vele maanden na onze vestiging, en nadat wij ons een groot

aantal woorden van hunne dagelijksche spreektaal hadden eigen

gemaakt, veranderde hunne houding tegenover ons en werden zij meer

familiaar. Het getal onzer buren bedroeg in den regel dertig of

veertig, op een totaal van tusschen de drie- en vierhonderd eilanders,

die ons afwisselend kwamen bezoeken. Daaronder waren er nu ten slotte

enkelen op wie wij rekenen konden voor het verrichten van een of ander

werk: en dan nog moest dat niet te dikwijls voorkomen en vooral niet

te lang duren. Nooit maakten zij bedenking tegen het loon, dat bijna

altijd uit eenige scheepsbeschuiten of stukken brood bestond. Slechts

een of twee hunner hebben wij ettelijke weken achtereen geregeld in

onze dienst kunnen houden. Als maatregel van voorzichtigheid, lieten

wij nooit een inlander bij ons overnachten; zij moesten altijd des

avonds naar hunne hutten terugkeeren, die trouwens op korten afstand

van onze barakken waren gelegen.

Het is inderdaad zonderling, dat ook de inlanders die dagelijks met

ons verkeerden, er niet in slaagden ook maar een weinig fransch te

leeren: dikwijls genoeg was ik er getuige van, hoeveel moeite zij

zich gaven om eenige woorden van onze taal te onthouden: zij zeiden de

woorden zeer goed na, maar eenige oogenblikken later, waren zij ze weer

vergeten. Zij vroegen ons alle dagen om brood, maar gebruikten daarbij

altijd het engelsche woord _bread_. Ik geloof dat zij nooit meer dan

twee fransche woorden hebben kunnen onthouden: _oui_ en _chemise._ Hun

voorraad engelsch is ook bijster gering, en bepaalt zich doorgaans tot

vijftien of twintig woorden, die zij meer of minder goed uitspreken.

Bij voorkeur richtten onze Vuurlanders hunne schreden naar ons

laboratorium van natuurlijke historie; zij wisten dat men daar op

hun persoon allerlei waarnemingen deed, waartoe zij zich volgaarne

leenden, in het vooruitzicht op eene belooning, wat beschuit of

andere spijze. Zij werden gemeten en betast; alle physiologische

bijzonderheden in bouw en constructie werden nauwkeurig onderzocht

en opgeteekend; van de verschillende doelen van hun lichaam werden

afdrukken in gips genomen. Ik heb zelfs een Vuurlander, en wel den

geduchten Athlinata, bijkans vier uren achtereen onbewegelijk zien

stilstaan om een afdruk te kunnen nemen van zijn geheelen persoon

ten voeten uit. Dat de proef mislukte, was niet zijne schuld, maar

alleen te wijten aan de slechte kwaliteit der gips, die bedorven was.

Eerst den twintigsten December 1882 kon het laboratorium in

gebruik worden gesteld. Bij gemis van de noodige materialen had

men het grootendeels van planken van pakkisten moeten opslaan. Het

stond op eenigen afstand van de andere barakken: daarom konden wij

den Vuurlanders, den geheelen dag door, vrijen toegang verleenen,

zonder dat de goede orde in de missie daardoor leed. Zij waren daar

dus bijna geheel te huis, en kwamen en gingen bijkans naar dat het

hun goeddacht. Hoewel zij er nooit alleen werden gelaten, was hun

aantal dikwijls zoo groot, dat werkelijk toezicht onmogelijk was:

toch hebben zij nimmer iets ontvreemd, ondanks hunne reputatie van

dieven, die zij aan vroegere zeevaarders te danken hebben.

In den morgen van den eersten September 1883 werden de magnetische en

meteorologische waarnemingen van de missie aan Kaap Hoorn officieel

geëindigd verklaard. Sedert de laatste dagen had men zich reeds

onledig gehouden met het overbrengen van de kisten en doozen, die

onze collectiën bevatten, aan boord van de _Romanche_. Den derden

verlieten wij aan boord van dat schip de Oranjebaai, waar wij een jaar

hadden doorgebracht. Vier dagen later kwamen wij te Punta Arénas in de

straat van Magelhaens, van waar wij den twaalfden vertrokken, om zonder

verder oponthoud onze reis naar Frankrijk voort te zetten. Den elfden

November wierp de _Romanche_ het anker uit op de reede van Cherbourg,

Een Jaar aan Kaap Hoorn De Aarde en haar Volken, 1886 · 第 5 / 6 题