III

Met groote spanning werd, ook aan de Oranjebaai, de zesde December

tegemoet gezien. Dien dag zou de overgang plaats hebben van de planeet

Venus langs de zonneschijf; en om dit verschijnsel goed waar te

nemen, waren onder anderen uit Frankrijk, acht speciale missiën naar

Amerika vertrokken. Uit een astronomisch oogpunt was de zuidelijke

punt van den archipel van Kaap Hoorn zeker de meest geschikte plaats

voor waarneming; maar men had dat punt niet durven opnemen onder de

aanvankelijk uitgekozen stations, uithoofde van de zeer geringe kans

op goed weer in de maand December. Om echter van de gelegenheid,

indien zij zich toch mocht aanbieden, gebruik te kunnen maken,

was de missie naar Kaap Hoorn voorzien van de noodige instrumenten,

voor het gadeslaan van den overgang der planeet.

De zesde December was een regenachtige dag, en reeds des morgens

hield men het voor onmogelijk, het verschijnsel van den overgang van

Venus waar te nemen. Toch was op het bepaalde uur ieder op zijn post,

bereid om de hem aangewezen taak te vervullen; en zie--op het juiste

oogenblik helderde de hemel op en vertoonde zich de zon. De operatie

gelukte zoo goed mogelijk, en er was dien dag feest in onzen kring.

Wij waren toen in het langst van de dagen, in het midden van den zomer

van het zuidelijk halfrond. Maar aan Kaap Hoorn is er eigenlijk geen

zomer, of althans geen warm jaargetijde. In December 1882, een der

minst koude maanden van het jaar, was de temperatuur gemiddeld +7° 9;

in Juni, dat wil zeggen in de koudste maand, daalde de thermometer

niet beneden -2° 2. Hieruit blijkt, dat het grootste verschil van

temperatuur niet meer dan even vijf graden bedraagt. Voornamelijk

hieraan zal wel het mislukken van onze proeven van groenten-kultuur

zijn toe te schrijven, waartoe trouwens ook de gesteldheid van

den grond niet medewerkte. De bodem bestond toch hoofdzakelijk uit

moeras of veen; en waar een dunne laag teelaarde gevonden werd, was de

grond zoo doorwoeld met wortels, dat eene ontginning groote bezwaren

opleverde: nog daargelaten dat ook deze terreinen zoo vochtig waren,

dat wij diepe slooten moesten graven om het water af te voeren. Toch

zochten wij in een naburig boschje een terrein van beperkten omvang

uit, om daarop eene proef te nemen. Na den grond van wortels te

hebben gezuiverd en om het terrein in het vierkant greppels te hebben

gegraven, zaaiden wij daarop verschillende groenten: boonen, erwten,

kool, salade, radijs, peterselie enz., maar geen van deze groenten

bracht het tot rijpheid.

Toch verbouwt de honderd mijlen meer noordelijk gelegen engelsche

missie, voor hare eigen behoefte, met vrij goeden uitslag,

aardappelen, kool en wortelen, en hebben de inlanders vrij uitgestrekte

moestuinen. Maar dit resultaat is niet verkregen dan ten koste van

ontzaglijken arbeid voor de ontginning en de drooglegging van het

terrein; daarenboven is de grond langs het Beagle-kanaal veel beter

voor bebouwing geschikt dan aan de Oranjebaai.

Was de zomer niet gunstig voor onze kweekerij en bracht dit jaargetijde

al haast evenveel dagen van regen, sneeuw en hagel als de winter,

zoo droeg toch de lengte der dagen, de bloeitijd der planten, de

betrekkelijke gemakkelijkheid van tochtjes en uitstapjes er toe bij,

om ons de zomermaanden te doen waardeeren. In dezen tijd des jaars,

gedurende de langste dagen, kwam de zon ten twee uren na middernacht

op, en ging eerst ten tien uren 's avonds onder; en de korte tijd

tusschen zons onder- en opgang was veeleer eene lange schemering dan

een eigenlijke nacht.

Men kan zich moeilijk voorstellen, met hoeveel bezwaren het maken

van uitstapjes en zelfs van eenvoudige wandelingen, in den omtrek

van de Oranjebaai gepaard gaat. Nergens is een spoor van een weg of

zelfs maar van een pad te ontdekken. Langs het strand is het eene

opeenstapeling van rotsblokken en groote steenklompen, waartegen

men met behulp van handen en voeten moet opklauteren, of waarlangs

men zich moet laten afglijden. In het binnenland moet men zich al

kruipend een weg banen door oerwouden in miniatuur, waar men elk

oogenblik neerploft in uitgeholde, verrotte boomstammen, die met hun

bekleedsel van mos en woekerplanten schijnbaar eene vaste oppervlakte

vormen, maar bezwijken zoodra men er den voet op zet. Dan weer moet ge

door poelen en moerassen waden of over dicht ineengestrengeld doornig

kreupelhout loopen dat als een harnas den bodem bedekt. Geen wonder

dan ook, dat wij onze meeste tochtjes te water maakten. Moesten wij

echter het binnenland bezoeken of een berg beklimmen, dan schoot er

niets anders over dan te voet te gaan, vergezeld van eenige matrozen,

die de noodige levensmiddelen droegen, want op de Vuurlanders viel

niet te rekenen: in den zomer na onze komst, die het meest geschikte

seizoen was voor uitstapjes, waren wij nog niet met de inlanders op

genoegzaam vertrouwelijken voet.

Een van onze belangrijkste voetreizen was die naar de Bourchierbaai,

op de westkust van het schiereiland Hardy, alzoo aan den zoom van

den Stillen-oceaan.

Den 25_sten_ Januari 1883, des morgens omstreeks vijf uren, vertrokken

wij met prachtig weer, van de missie: wij waren met ons vijven,

waaronder twee dragers, en richtten ons in rechte lijn naar het

westen. Na eene korte halt halfweg, te midden van een bekoorlijk

berkenboschje, kwamen wij ten elf uren aan de baai Bourchier. Wij

hadden slechts tweehonderd el behoeven te stijgen, en de tocht had

zich door geen enkel incident gekenmerkt. Toen wij naar het ruime,

fraaie strand afdaalden, vonden wij stukken hout, half in het zand

begraven en blijkbaar sedert lang aan weer en wind blootgesteld; bij

nader bezien, bleken het overblijfselen van een schip, dat op deze

onherbergzame kust was vergaan. En deze ontdekking was niet de eenige

van dien aard: dikwijls genoeg vonden wij wrakhout langs het strand,

als ten spot van den naam, dien de Oceaan hier draagt.

Deze weemoedige tropeeën der verdelging pasten overigens volkomen

bij het woeste en toch grootsche voorkomen van dit onherbergzaam

strand. Hier zoekt men te vergeefs naar sporen van menschelijke

woningen: niets dan eene grillig gevormde kust, omzoomd door steile

heuvelen met berken begroeid, die naarmate zij hooger groeiden,

door den fellen wind meer naar het westen waren overgebogen; voorts

bochtige, smalle kreeken, ingesloten tusschen hooge, loodrechte

rotswanden, langs wier voet de golven klotsten en brandden: in een

woord een grootsch, aangrijpend, wild landschap.

Wij besteedden den ganschen dag met het onderzoek van het terrein,

van de geologische gesteldheid en formatie der rotsen en der vele

kleine inhammen, die als het ware eene voortzetting van de baai en

voor vaartuigen ontoegankelijk zijn. In een dezer kreeken vonden wij

overblijfselen van een schip dat, voor zoo ver wij konden nagaan, eerst

voor korten tijd hier schipbreuk had geleden: eene bijna ongeschonden

ton, eene groote hoeveelheid rotting; in eene andere ontdekten wij

een groot stuk hout, dat met beeld- en snijwerk was versierd, en

blijkbaar tot den spiegel van een of ander schip had behoord.

Het was natuurlijk niet mogelijk, bij dezen en bij dergelijke tochten

kampementsartikelen mede te nemen, waaraan wij anders wel behoefte

hadden, voornamelijk aan eene tent, waarin wij konden overnachten. Wij

trachtten nu in een klein boschje, op een der heuvelen langs de baai,

eene hut te bouwen op de manier der inlanders. Men behoeft daartoe

slechts eenige boomstammen af te kappen, die met het dikste einde

in den grond te steken en met de punten naar elkander te buigen,

zoodat aan den top van deze soort van loofhut eene kleine opening

gelaten wordt. De inlanders zorgen steeds dat het vuur in hunne hutten

brandende wordt gehouden; wij hadden ook gaarne vuur aangemaakt, maar

wij zouden door den rook zijn gestikt; wij richtten dus naast onze

hut een kleinen brandstapel op, die rook in overvloed gaf, maar geen

warmte. Wij ondervonden hier op nieuw, hoe onbeholpen de beschaafde

mensch is, als hij over geene andere hulpmiddelen kan beschikken dan

die de natuur hem aanbiedt; de wilde weet zich daar vrij wat beter

van te bedienen en overwint zonder eenige moeite allerlei bezwaren,

waarvoor de wetenschappelijk ontwikkelde, fijn beschaafde blanke

radeloos blijft staan.

Onze nacht was verre van aangenaam, maar duurde gelukkig kort:

om drie uren was het klaar dag en daalden wij naar het strand af,

waar wij verder den morgen doorbrachten. Na in eene kleine vallei

tusschen de zandduinen te hebben ontbeten, aanvaardden wij omstreeks

één uur de terugreis, nog steeds begunstigd door het heerlijkste weder;

de warmte hinderde ons zelfs bij het beklimmen der heuvelen.

Het spreekt van zelf dat ik geen verslag kan geven van al onze tochtjes

te land en te water in den omtrek van de Oranjebaai; slechts van een

enkel watertochtje zal ik nog even spreken, om een denkbeeld te geven

van dergelijke uitstapjes.

In den vroegen morgen van zaterdag, den derden Februari 1883,

vertrokken twee leden van de missie, met den praeparator van het

Museum, vier matrozen en een Vuurlander, Jonathan genaamd, die een

weinig engelsch sprak, in eene sloep van de Oranjebaai. Wij zetten

koers naar het noorden: ons doel was, zoo nauwkeurig mogelijk de

oevers op te nemen van de Packsaddle-baai, de Tekinika-Sound en de

Ponsonby-Sound. Wij hadden voor drie à vier dagen levensmiddelen bij

ons; onze Vuurlander moest ons de noodige inlichtingen geven en ons

als tolk dienen in het zeer waarschijnlijke geval dat wij inlanders

zouden ontmoeten, die wij niet kenden.

Het weer was prachtig: er was geen wolkje aan den hemel te zien, en

de zee was zoo glad als een spiegel. Omstreeks elf uur hielden wij

stil om ons ontbijt te gebruiken op een klein steenachtig strand, in

de Packsaddle-baai, tegenover het eiland van denzelfden naam. Even na

den middag gingen wij weer aan boord en voeren langs de Tekinika-Sound,

waarna wij herhaaldelijk aan land gingen om de rotsen te onderzoeken en

fragmenten van den steen mede te nemen. Tegen den avond bereikten wij

den ingang van Ponsonby-Sound, waar wij de sloep op den oever haalden

en op het strand overnachtten, aan den voet van boschrijke heuvelen.

Den volgenden morgen ten zes uur werd de sloep weer in zee gelaten

en voeren wij verder noordwaarts. Kort daarna, langs een eilandje

varende, waar wij tusschen de rotsen verscheidene inlanders meenden

te bespeuren, ontmoetten wij eene prauw vol Vuurlanders, die aanstonds

onze aandacht trokken. Een hunner, een man van omstreeks veertig jaar,

had zijn gezicht geheel zwart gemaakt; de anderen hadden ook zwarte

strepen op hun gelaat, en allen hadden boven op het hoofd eene soort

van tonsuur, waar het haar zeer kort was afgeknipt. Door tusschenkomst

van Jonathan vroegen wij inlichting aan den man met het zwarte gezicht;

en deze, Oufhtaradeka genoemd, deelde ons mede, dat allen in den

rouw waren over zijne vrouw, die weinige dagen geleden gestorven

was. Op mijn verzoek verklaarde de weduwnaar zich aanstonds bereid,

mij naar het graf zijner vrouw te geleiden. Hij stapte mitsdien over

in onze sloep, en bracht ons naar een klein eilandje in de nabijheid.

Het graf bevond zich nabij eene oude, onbewoonde hut, waarachter men

tusschen de struiken het spoor van een pad zag. Op een hoogte van

omstreeks zes el zag men een soort van kuil, omstreeks twee el lang

en breed en twintig duim diep. De bodem bestond hier uit gruis van

schelpen; de randen van den kuil waren geheel begroeid. Oufhtaradeka

wees ons de plek waar zijne vrouw begraven lag. De bovenste laag

schelpen werd weggeruimd; daaronder vonden wij eenige groene

berkentakken, en vervolgens een soort van afdak van boomstronken

en schors, waaronder het lijk lag, dat geheel gewikkeld was in oude

kleeren, vermoedelijk van matrozen afkomstig, en die met een riem van

robbevel om het lichaam waren vastgemaakt. De weduwnaar maakte dien

riem los, en wij zagen nu het geheel naakte lijk eener jonge vrouw,

die met de voeten naar het noorden lag en geen andere versierselen

droeg dan een ring van robbevel om de enkels.

Juist toen ik mij gereed maakte eene fotografie van deze plek te nemen,

verschenen drie prauwen met Vuurlanders, waaronder zich een zekere

Athlinata bevond, van wien Jonathan bij herhaling gesproken had,

als van iemand die een zeer grooten invloed uitoefende en die zijn

persoonlijke vijand was. Naar Jonathan verzekerde, was Athlinata--een

prachtexemplaar van een wilde, die tegenover ons eene bijna uitdagende

houding aannam,--ook jegens de missie aan de Oranjebaai zeer vijandig

gezind. Wij oordeelden het voorzichtiger van de voorgenomen fotografie

af te zien, en scheepten ons weder in.

Tegenwind verhinderde ons verder noordwaarts te stevenen; ook maakten

wij ons ongerust over de verhalen van Jonathan, die beweerde dat

Athlinata van onze afwezigheid wilde gebruik maken om de missie

aan te vallen. Wij besloten daarom terug te keeren, en brachten den

nacht door in een der baaien van Ponsonby-Sound, op een verrukkelijk

schoon strand, door bosschen omzoomd en bezet met eenige lichte, van

boomtakken opgeslagen hutten. Den volgenden morgen voeren wij naar

het eiland Packsaddle, waar wij te vergeefs naar robben uitzagen,

die, toch zooals Jonathan verzekerde, hier zeer talrijk waren.

Na aan den ingang van de Tekinika-Sound te hebben overnacht, kwamen

wij den volgenden morgen omstreeks acht uur aan de missie terug. De

praatjes van Jonathan bleken ongegrond: onze achtergelaten landgenooten

waren door niemand aangevallen of verontrust geworden.

Een Jaar aan Kaap Hoorn De Aarde en haar Volken, 1886 · 第 4 / 6 题