ORATYN.
Houwt den dief! houw vast, 't zal noch niet gaar zyn!
LEANDER.
Och, myn gevangen is 't ontsnapt!
WOUTER.
Dat kan niet waar zyn.
ORATYN.
De wereld zal vergaan... helpt buuren... ach!... Citroen...
Uw hond... komt daar om laag, en vreet daar een Kapoen...
Ja alles wat hy vind, gaat hy incorporeeren.
LEANDER.
Daar Vader, een Proces! nu kunt gy procedeeren.
Za vat hem by de kop, loop heên.
DANDYN.
Al zacht, al zacht.
'k Wil niet dat hy hier door twe dienders werd gebracht.
LEANDER.
Kom, Vader, nu moet gy de weereld recht verschaffen,
Gy moet dien huisdief op het strengst van daag doen straffen.
DANDYN.
'k Wil evenwel de zaak naar eisch doen; ik begeer
Dat elk een Advokaat op 't minst zal hebben, eer
Ik voort ga, en is daar zo maklyk aan te raaken?
Wy hebben der geen een.
LEANDER.
Geen nood, men moet 'er maaken.
Zie daar is Wouter, en daar Oratyn, 'k vertrouw
Dat men geen gauwer noch geen wyzer vinden zouw.
Zy zyn zeer harzenloos.
WOUTER.
Zacht, Heer, ik wil wel zweeren,
Dat ik zo goed ben, als 'er veel aan 't Hof verkeeren.
ORATYN.
'k Versta me op geen Proces, noch pleiten, neen, myn Stad...
LEANDER.
Het zal uw eerste zyn, men zal wel maaken dat.
ORATYN.
Maar 'k ken niet lezen, Heer.
DANDYN.
Men zal 't u wel verklaaren.
LEANDER.
Kom, maakt u klaar, maar laat de kuiperyen vaaren,
En sluit uw oogen voor geschenken, en uw oor
Voor 't smeeken; ziet de zaak ter degen door en door.
Jy Meester Oratyn, jy zult den Eischer wezen,
Jy Meester Wouter den Beweerder; wilt niet vrezen.
_Einde van het tweede Bedryf._