GRAVIN.
Och, och! nu zal die schelm myn Rechter van zyn zaak
Het schoonste zeggen! och, de waarheid roept om wraak!
_door 't kelder gat._
Myn Heer, gelooft het niet, hy heeft niet een getuigen,
Hy komt, al wat hy zeit, maar uit zyn poot te zuigen.
LEANDER.
Mevrouw, wat praat je daar? ik bid je weest wat stil.
GRAVIN.
Stil! hy zal hem al doen geloven dat hy wil.
Laat ik 'er meê in gaan.
LEANDER.
Neen, niemand zal 'er binnen.
GRAVIN.
'k Zie, d'alderbeste wyn werkt reeds op uwe zinnen
Zo wel, als op de geest uws Vaders. Gaat het zo,
Pasjentie. Maar ik zweer, dat ik Jeronimo,
En u, ja zelf uw vaâr die parten zal verleeren;
'k Zal tegen 't Oxhooft, en myn Rechter protesteeren.
LEANDER.
Ja loop, dan zyn wy van uw zotterny bevreid.
Geen zot is zotter, als een mensch die gaaren pleit.
_DERTIENDE TOONEEL._
DANDYN, LEANDER, WOUTER. _in zyn gewoon gewaad_.
WOUTER.
Waar loop je heên, myn Heer? waarachtig, 't zal niet lukken,
Je gaat te mank; ik zeg je hebt vervloekte nukken.
DANDYN.
Ik wil gaan rechten.
LEANDER.
Hoe, gy rechten! gy zyt krank,
Uw wond loopt prykel, en gy gaat zo schriklyk mank;
Haal Meester Jan.
DANDYN.
Laat hy ter Audientie komen.
LEANDER.
Ei, Vader blyf toch staan gy zult...
DANDYN.
Uw tong wat toomen.
Ho, ho, nu zie ik wat 'er om gaat, gy alleen
Wilt met my leven naar uw eige zinlykheên:
Gy draagt my achting, noch ontzag toe, en uw lellen
Belet my, dat ik niet een Vonnis meêr kan vellen.
Daar neem de zak, hou vast.
LEANDER.
Zacht, vader, zacht, uw vuur
Is al te groot, gy zyt gebonden aan geen uur,
Noch dag; en zo gy niet kond zonder rechten leven,
Indien gy rechten moet, waarom niet 't huis gebleven?
Recht hier, gy hoeft daarom niet uit te gaan naar't Hof;
Kom, excerceert uw gaaf; recht ons, gy hebt verlof.
DANDYN.
Zacht, schen het Hof niet, noch laat ons het Hof niet schennen;
Dat's _quasi vero_; neen, elk moet my daar voor kennen.
LEANDER.
Gy zult in tegendeel een Rechter zyn, zo wel
Van Criminele, als van Civiele, en _sine_ Apel.
Men zal uw Sentiment in 't minst niet tegen blaffen;
Ja, alles zal u stof tot Vonnissen verschaffen.
Indien uw knecht een glas niet helder heeft gespoelt,
Wel condemneert hem in de boeten; breekt hy 't, koelt
Uw lust door 't geesselen.
DANDYN.
Dat's wel, dat kan niet faalen.
Maar myn Vacering, he? wie zal my die betaalen?
LEANDER.
Dat geld staat vast; gy kunt dat zoeken uyt zyn loon.
DANDYN.
Zyn loon! ja toch; gy spreekt met fondament myn Zoon.
LEANDER.
Indien uw...
_VEERTIENDE TOONEEL._