JERONIMO, IZABEL, WOUTER.

JERONIMO.

Hoe! 'k moet een zot zyn in haar oog, ja toch, en meer.

Goed, goed. Een Exploteur heeft last haar voor die eer

Te danken; 'k zal haar haast die zotte klap verleeren,

O, 't zou me leet zyn dat zy haar wou exkuzeeren,

Of dat ik eerst van haar gedaagt zou worden. Maar

Wat drommel voor een vent spreekt met myn Dochter daar?

Zy leest een brief; och, och! 't zal van een Vreyer wezen.

'k Zal luisteren.

IZABEL.

Heel wel; maar mag ik zonder vrezen

Uw Heer gelooven?

WOUTER.

O, gy kunt hem heel gebiên;

Hy kwelt hem zo; hy zal u* dezen dag doen zien,

*_ziende Jeronimo._

Dat niemand tegen haar in 't minst kan procedeeren.

IZABEL.

't Is vader. Zeg haar vry, dat wy ons weinig keeren

Aan snoeven; dat men hier om haar vervolging lacht.

Daar zie, hoeveel men uw Exploot en dreigen acht.

JERONIMO.

Hoe, heeft myn Dochter een Exploot van u geleezen?

Myn kind, gy zult de roem noch van uw afkomst weezen.

Kom, kom myn eenigste, myn Dochter, kom myn bloed,

Nu zie ik, dat gy wel bewaaren zult uw goed.

Wat mag uw vader niet van uwe jaaren hoopen!

Myn kind, 'k zal u van daag het Corpus Juris koopen;

Maar scheur d'Explooten niet.

IZABEL.

Wel zeg haar dat ze my

Plazier zal doen; dat ik haar uittart; zeg dat vry.

JERONIMO.

Versteur je niet.

IZABEL.

Vaarwel. Wat zal men noch beleeven!

_VIERDE TOONEEL._

De Pleiters · 第 23 / 35 题