ORATYN, _een groote zak met Processen met zich sleepende._

Ja; 'k zeg als noch, het is een zot die hem vertrouwt

Op dingen die hy hoopt, en niet met 't oog beschouwt,

En, als een Ezel hem by d'ooren om laat leijen;

Want een die heden lacht, zal morgen zeker schreijen.

Een jaar geleên, liet van Gaskonje my van daan

Een Rechter komen, en nam my voor Switzer aan.

De kaale Fransjes, ha! die Jonkers zonder veeren,

Die dachten my toen met hun snoeven wat te scheeren;

Maar schoon Gaskonjer, 'k ben een krygsman in myn bloed;

'k Snoef meê van houwen, en van kerven, als verwoed.

Bloed! al die snoeshaans met hun a la mode kleeren,

Die kwamen my terstond hun dienst toen offereeren,

't Was al Heer Oratyn uw dienaar. 'k Lach me slap!

Maar zonder geld lach ik met zulk een Ridderschap.

'k Kon voor een goed portier van d'Opera passeeren.

Men had goed kloppen, en my dus te lermoneeren,

Doch 'k het geen mensch in, of geld, geld was eerst het woord,

Geld moest'er wezen, of ik sloot aanstonds de poort;

't Is waar, 'k moet aan myn Heer daar van een portie dokken;

Doch 'k win daar by; want zie, ik hou de grootste plokken.

'k Verzorg de kaarszen, 't hooy, 't papier, en kleinigheên,

En ik versta my op de kunst, van nul 'k hou een.

Maar hy is als de droes genegen tot dat zwessen,

Ja dag en nacht leit hy en prevelt van Processen,

Van Vonnis, van Apel, Sententie, Vierschaar, daar

Hy wil gaan eeten, en ook slaapen 't heele jaar.

Ik zei wel hondertmaal myn Heer Dandyn, ik zweerje

Je staat te vroeg op alle morgens, hoe begeerje

Dan uit te teeren, en te sterven als een beest?

Eet, drinkt, en slaapt, want zie de wyn verheugd de geest.

Maar 't was vergeefs. Hy heeft zyn rol zo lang gaan speulen,

Zo lang gewaakt, dat hy een slag heeft van de meulen.

Dan wil hy een voor een ons vonnissen; enfyn

Hij preuveld dag op dag een duivel van Latyn,

Daar ik geen woord van weet; ja, 'k hoor hem dikwils zweeren.

Dat hy wil slaapen in de muts en Rechters kleeren.

Hy deed zyn haan onlangs uit gramschap 't hooft afslaan,

Omdat hy laater, als wel eer, was opgestaan:

Hy zei een Pleiter had, wiens zaak niet wel wou vlooten,

Hem listig omgekogt, en 't beest gevult de pooten.

Ja wel, de pikken schen die zotten met elkaar.

Zyn zoon verbied my om te spreeken met zyn vaâr,

En laat hem dag en nacht van ons op straat bewaaken,

Want anders zou hy 't hier in huis zo lang niet maaken.

Myn Heer, denkt list op list, om ons, hem toevertrouwt,

't Ontsnappen, ik voor my, ik slaap niet meer; geen hout

Is ook zo mager als ik word, 'k doe niet als gaapen.

Maar hy mag waken dien het lust, ik ga wat slaapen:

Dit zal myn kussen zyn. Ik meen heel onbevreest

Van nacht te slaapen, want myn Heer slaapt als beest.

Kom, kom.

_TWEDE TOONEEL._

De Pleiters · 第 13 / 35 题