Ik antwoordde: »Neen, Heere, bij U zijn de woorden des eeuwigen levens."
Dit was de eerste besliste keuze.
Ik zat als jong predikant in de kerk. Vooraan. Als een Farizeër. Met een
gulden in mijn zak voor de diaconie. Wat zou de diaken respect voor dien
dominé hebben!
De dominé preekte over Zacharia 3. Hij schetste den Farizeër.
Ik wilde wel onder de bank wegkruipen.
Hij teekende den tollenaar.
Ik herleefde. De tollenaar had immers berouw van zijne zonde.
Daarna sprak Hij van den Voorspraak.
»De Heere schelde u, gij Satan! Is deze mij niet als een vuurbrand uit
het vuur gerukt?"
Ja, zoo was 't.
Indien iets waar was, dan was ik door den Heere als een vuurbrand uit
het vuur gerukt!
Die tekst is mij altijd bijgebleven.
Ik lag in de zonde.
De Heere kwam als met uitgebreide armen tot mij, en zeide: »Nu zal ik
voor u zorgen!"
Hij heeft dit gedaan op de liefelijkste wijze.
O, wonderdoende Zaligmaker!
O, wonderzoete Jezus!
Gij zijt mijn Eén en mijn Alles.
Eens eeuwig bij U te zijn, is mijn zaligheid en heerlijkheid.
Kom, Heere Jezus. Ja, kom haastelijk!
En komt de ure aan des doods:
Jezus, Uw verzoenend sterven
Blijft het rustpunt van mijn hart,
Als wij alles, alles derven,
Blijft Uw liefd' ons bij in smart.
Och, wanneer mijn oog eens breekt,
't Angstig doodzweet van mij leekt,
Dat Uw bloed, mijn hoop dan wekke,
En mijn schuld voor God bedekke.