Amersfoort, 29 April 1914.
_Geliefde gemeente!_
Helaas moet ik beginnen te schrijven, dat ik elken dag achteruit ga.
Eergister had ik een hoestbui, waarvan ik dacht, dat ik er in blijven
zou. Elke week, elke brief kan de laatste zijn. Daarom wil ik u thans
schrijven over 't liefelijkste aller onderwerpen: over 't
plaatsbekleedend lijden en sterven en over de voorbede van Jezus.
Reeds de naam Jezus is enkel zoetigheid. Sinds Zijn veschijning klinkt
aan 't einde van elke eeuw Zijn Naam als een vraag en een antwoord. Meer
nog, Zijn Naam is een vraag en een antwoord voor elk arm zondaarshart.
Waar zou ik heengaan zonder Hem, wanneer de eeuwigheid mij in de
stervende oogen ziet? Waarheen zou ik vluchten zonder Hem, wanneer de
angsten van het geweten mij achtervolgen?
Reeds vóór Zijn vleeschwording is Zijn plaatsbekleedend lijden
aangekondigd in de offeranden der Wet. Steeds moest de Israëliet met
een offer voor 't altaar verschijnen. Dit offer werd door den priester
gekeurd. De offeraar lei zijn hand op 't offerdier als symbool van de
overdracht zijner zonden. Dan werd 't geslacht en verbrand. De
opstijgende rook kondigde 't herstel der gemeenschap met God aan.
Nu wist de recht-geloovige Israëliet wel, dat 't bloed van stieren en
bokken niet zoude reinigen. Maar Jesaja 53 sprak van een ander offer.
Daarop zag de geloovige. Hij werd gerechtvaardigd in den Christus, die
komen _zou_, gelijk wij gerechtvaardigd worden in den Christus, die
gekomen _is_.
In zijn plaatsbekleedend lijden heeft Jezus alles volbracht wat van Hem
is voorzegd. Na Zijn opstanding zit Hij als onze Voorbidder bij den
Vader.
En hier houd ik even stil!
Hoe is er een betrekking gekomen tusschen Hem en mij?
Was ik een Obadja, een Jozef?
Helaas neen.
De dwaasheid was in het hart van den knaap gebonden.
Indien de Heere naar mij niet had omgezien, ik had naar Hem niet
omgezien. Ik zocht naar God, maar naar een God van eigen maaksel.
Met liefelijke trekkingen heeft de Heere mij getrokken, maar ik sloeg de
verzenen tegen de prikkelen.
Het was een kruisweg op mijn leven.
Mijn vrienden kozen m.i. in de studie den verkeerden weg.
Ik koos den anderen.