R. J. W. RUDOLPH.

Amersfoort, 5 Maart 1914.

_Geliefde gemeente!_

De vogeltjes tjilpen alweer. De voorboden der komende lente vertoonen

zich alweer. De landman gaat weer uit tot zijn akker, om dien voor de

ontvangst van 't zaad te bereiden.

Tegenover mijn raam staat van den morgen tot den avond een man te

spitten. Met forschen stoot zet hij telkens de spade in den grond. Alsof

ze een veer ware, licht hij de losgewrongen kluit met zijn spade op.

Met een lichte handbeweging werpt hij den klomp aarde in stukken op

haar plaats. Zoo werkt hij door, slechts nu en dan even verpoozend,

den elleboog op den knop van zijn spade, zijn klomp op 't staal doende

rusten. En dan gaat hij weer voort met zijn zwaren arbeid, totdat

etenstijd hem een wijle huiswaarts roept.

Deze stoere werker doet mijn hart branden van verlangen, om ook alzoo de

spade in den grond te zetten op 't terrein, dat ik aanvankelijk betrad.

Geduld! Geduld! De Heere maakt alles schoon op zijn tijd. Hoe heerlijk

leert ons dit de roeping van Mozes bij 't brandend braambosch, waarbij

ik deze week nogal eens werd bepaald.

Mozes heeft nu den leeftijd van tachtig jaren bereikt. Nog is zijn

schouder ongebogen; maar hij is de fiere jonge man niet meer, in wiens

aderen 't bloed dadelijk bruist en kookt; die den aanrander van den

volksgenoot met één slag velt, de herders van Midian op de vlucht

drijft, en Zippóra's schapen drenkt. De kalmte der grijsheid heeft de

onstuimigheid der jeugd vervangen.

Echter moeten wij ons niet voorstellen, dat hij door het veertigjarige

woestijnleven ruw geworden is. In de tenten der Oostersche Bedoeïenen

heerschte vaak meer hoffelijkheid dan in de paleizen der stedelingen.

Mozes heeft iets buitengewoons eerwaardigs, terwijl hij de kudde

voortleidt, tot achter in de woestijn, bij Horebs berg.

Waarom, Mozes, voert ge uwe kudden zóó ver weg, tot achter in de

woestijn? Waarheen wendt zich vol heimwee uw oog? Blijft daar nog een

hope sluimeren op den bodem van uw hart, dat gij toch nog eens als

redder zult optreden van dat volk, dat daarginds in slavenboeien zucht?

Plotseling worden zijn gedachten afgeleid door iets in zijn nabijheid.

Een boschje staat in brand. Dit was niets ongewoons. 't Gebeurde wel

meer door de onvoorzichtigheid van herders met 't vuur, dat er alzoo een

woestijnbrandje ontstond.

Zulk een brand is echter eindelijk uitgebrand; maar deze blijft gloeien,

altijd sterker, altijd verhevener.

Ware Mozes bijgeloovig geweest, hij ware op de vlucht gegaan. Hij

gelooft; daarom gaat hij op onderzoek uit.

O wondervol gezicht! Blinkend, doch niet verblindend gaan hoog de

vlammen op. Niet verterend, maar verlichtend, omzweeft de lichtvolheid,

de lichtheerlijkheid 't braambosch.

Hoort een stem, die Mozes zegt, den schoenriem te ontbinden, omdat deze

plaats heilig is!

O groot oogenblik in Mozes' leven!

De Heere spreekt!

De Heere spreekt, en zegt Mozes, dat Hij is neergekomen om de

verdrukking van Zijn volk te zien. Een menschelijke wijze van spreken,

waarin de Heere Zijn nederbuigende goedheid aanschouwelijk maakt.

De Heere spreekt, en roept Mozes om 't verdrukte volk uit Egypte te

leiden, en naar Kanaän te voeren. Welk een roeping!

Zullen de verdrukten zich nu laten leiden?

Hoe zal Faraö bewogen worden de zeshonderdduizend werkkrachten, die hij

gebruikt tot wat hij wil, te laten trekken?

Op wien zal Mozes mogen steunen bij de voldoening dezer onafzienbare

taak?

De Heere noemt Mozes Zijn Naam: »Ik zal zijn, Die Ik zijn zal! Ik zal

zijn!"

Welk een roeping!

De Heere is de _Zijnde_! Hij is niet een _wordende_ God, zooals Hegel

leert. Hij is de Zijnde. De eenige wezenlijke. Het éénige, eeuwige,

volmaakte wezen, buiten wien er niets wezenlijks is, en aan wien al wat

is zijn ontstaan en voortbestaan dankt.

De Heere is de _Ik zal zijn_. Zijn raad bestaat, en Hij doet al Zijn

welbehagen.

Niets kan Hem weerstaan. Hij schept werelden door een enkel woord van

Zijn mond. Hij vernietigt koninkrijken met den adem Zijner lippen.

De Heere is de _Ik zal zijn, die Ik zijn zal_. De Getrouwe. Hij zal

zijn, wat Hij heeft toegezegd te willen zijn. De Heere vergeet Zijne

beloften niet. Hij moge uitstellen, dit uitstel dient slechts tot de

meerdere glorie van Hem, die een afgesnedene zaak op aarde doet.

In dezen Naam is Mozes naar Egypte gegaan.

In dezen Naam heeft de tachtigjarige zijn reuzentaak op luistervolle

wijze volvoerd.

Op Zijn tijd maakt de Heere alles schoon.

Maar wij zien nu geen brandende braambosschen meer, en wij hooren nu

geen hemelstemmen meer.

Toegegeven. De openbaring Gods is thans voltooid. Hij, die met Zijn

lichtvolheid woonde in 't nedere, nietige braambosch, heeft Zich na dien

tijd zelfs nog heerlijker geopenbaard. Hij is met de volheid Zijner

Godheid gekomen in nedere dienstknechtsgestalte.

En Hij, die eenmaal zóó Zijn werk op aarde volbracht, en nu gezeten is

ter rechterhand van den Vader, woont ook nu nog met Zijn Genade en Geest

bij Zijn arm en ellendig volk.

Ja, 't braambosch brandt ook nu nog voort. Als bij de Emmausgangers, is

Hij ook nu met de Zijnen op hun weg, op hun beproevingsweg, en maakt

hunne harten brandende.

De Heere spreekt ook nu nog tot Zijn volk, door Zijn Woord en Zijn

Geest, innerlijk en inniglijk in de ziel.

Hij noemt ook nu nog Zijn Naam voor 't oor van Zijn volk.

Indien één ding, dan heb ik dit duidelijk ervaren. Daarom, jubel op, o

mijn ziel, in den Naam van Uwen getrouwen God! Jubel hoog op, en verlaat

u geheel op Hem!

Befiehl du deine Wege

Und was dein Herze kränkt,

Der allertreusten Pflege

Des, der den Himmel lenkt!

Der Wolken, Luft und Winden

Gibt Wege, Lauf und Bahn,

Der wird auch Wege finden

Da dein Fusz gehen kann.

Dat is:

Beveel gerust uw wegen,

Al wat u 't harte deert,

Der trouwe hoede en zegen

Van Hem, die 't al regeert!

Die wolken, lucht en winden

Wijst spoor en loop en baan,

Zal ook wel wegen vinden,

Waarlangs uw voet kan gaan.

Dit bekende vers van den vromen Paul Gerhardt was een der eerste verzen,

die opgegeven werden, toen ik Zondag 4 October 1913 voor de eerste maal

de Duitsche kerk te Heidelberg binnentrad. Ge begrijpt, dat ik moeite

had, mijn tranen te bedwingen. Daar zag ik 't braambosch brandende. Daar

hoorde ik de stem des Heeren, tot mij sprekende in het gemeentelijk

gezang.

Sindsdien heb ik ook geluisterd naar den raad, die verder in dit lied

van Gerhardt gegeven wordt:

Auf, auf, gib deinem Schmerze

Und Sorgen gute Nacht!

Lass fahren, was das Herze

Betrübt und traurig macht!

Bist du doch nich Regente,

Der alles führen soll,

Gott sitzt im Regimente

Und führet alles wohl.

Dat is:

Schep moed, zeg aan uw smarten

En zorgen goeden nacht!

Laat varen, wat uw harte

In onrust heeft gebracht.

Gij wilt toch niet regeeren

Als een, die alles weet.

God blijft als Heer der Heeren

Met 't hoogst gezag bekleed.

Ja, zoo is 't.

Hij maakt 't alles wel, hetzij Hij onze aardsche wenschen vervult of

niet. Hij stelt nooit teleur. Geeft Hij niet, wat wij begeeren, zoo doet

Hij dit om 't meerdere in de plaats te geven.

Hij maakt alles schoon op Zijn tijd.

Leef, geliefde gemeente, in dit geloof!

Werp steeds alle bekommeringen op Hem!

Het einde Zijner wegen is de glorie van Zijn Naam en de zaligheid van

Zijn volk!

Van strak gespannen snaren · 第 39 / 56 题