Amersfoort, 25 Februari 1914.
_Geliefde gemeente!_
Het speet mij zeer, dat ik u een vorig maal door een lichte maagkatarrh,
die mij een paar dagen aan 't bed bond, geen uitvoerig schrijven kon
doen toekomen. Van deze kleine ongesteldheid ben ik thans, den Heere zij
dank, geheel hersteld.
Wat de eigenlijke kwaal aangaat, behoudt 't proces zijn gewoon verloop.
Den éénen dag gevoel ik me eens wat beter dan den anderen dag; maar over
het geheel genomen ga ik toch langzaam vooruit.
Ik zal echter lang moeten wachten, voordat ik geheel hersteld zal zijn,
wanneer 't den Heere althans behaagt mij te genezen. Dit lange wachten
valt weleens moeilijk.
Toch zou ik mij zeer bezondigen, wanneer ik klaagde. De Heere maakt 't
gedurende dezen wachttijd in alle opzichten zoo boven bidden en denken
wel.
Ik denk in deze dagen veel aan Mozes' beproeving in Midian.
Door Gods allerbijzonderst voorzienig bestel is hij door de hand eener
prinses uit 't water getogen, en door haar zorg met de wijsheid van
Egypte als overgoten. Temidden dezer heidensche opvoeding bevestigt de
Heere nochtans aan Mozes Zijn verbond, dat Hij met Abraham heeft
opgericht, en door deze heerlijke genadedaad Gods kiest Mozes in zijn
hart den smaad van 't onderdrukt slavenvolk boven alles wat 't heidensch
Egypte hem kan bieden. Een heerlijk levensideaal teekent zich af voor
Mozes' oog. Hij voelt zich de providentiëel aangewezen verlosser van
zijn arme volk, en hij trilt van verlangen om als zoodanig te mogen
optreden. Hij is nu veertig jaar geworden. Hij gaat zijn volk bezoeken.
Hij ziet een Egyptenaar een Israëliet mishandelen. Hij grijpt den
verdrukker en velt hem neer.... Dit zal 't sein worden tot den
algemeenen opstand van 't vertrapte slavenvolk! Nu zal de geweldige
strijd beginnen!.... Droef verstoorde illusie!. Den volgenden dag treedt
een Israëliet als verrader tegen Mozes op. Wel een bewijs, dat dit volk
allerminst rijp is voor de groote worsteling. Het zal nog zwaarder
verdrukt moeten worden, voordat de Israëlietische heldenziel ontwaakt.
Mozes' eigen leven raakt in gevaar. Hij vlucht de woestijn in, totdat
hij in Midian een veilig toevluchtsoord gevonden heeft bij Réhuël, den
priester-sjeik, die den jongen man niet alleen in zijn huis maar ook in
zijn familie opneemt. Hier vertoeft Mozes veertig jaren, van week tot
week, van maand tot maand, van jaar tot jaar de kudde weidend van zijn
schoonvader Réhuël.
Welk een domme zaak voor 't oppervlakkig oog! De Heere formeert Mozes
tot een verlosser voor zijn volk, en op 't oogenblik dat deze man Gods
als zoodanig wil optreden, breekt de Heere Zijn eigen werk af. In plaats
van Israël aan te voeren in den strijd tegen Egypte, moet hij veertig
jaren achtereen 't vee van Réhuël weiden in de woestijn. Ossen en
schapen hoeden kan iedereen; voor de verlossing van een volk is een
allerbijzonderste zalving van noode; aan Mozes is de zalving gegeven, en
zie, daar wordt de kostelijke middelmoot van 't leven van dien man, van
zijn 40e tot zijn 80e jaar, als waardeloos in de woestijn weggeworpen.
De geweldige leeuw wordt voor een zandkarretje gespannen, en moet zoo
veertig jaren achtereen zijn reuzenkracht verbruiken in nietig werk.
Welk een beproeving voor Mozes!
Zeer juist! Maar evenals alle beproeving is deze weg voor Mozes de meest
gezegende; deze lange omweg is de rechte weg, waarin zijn opvoeding
tot verlosser des volks moet worden voltooid. Neen, de man, die daar
kersversch uit de Egyptische omgeving kwam, was nog niet de rechte man
voor de groote taak, die hem wachtte. Zeker, hij is vol van geloof; maar
ook vol van eigenwaan. Met welk een illusie gaat hij naar de broeders.
Hij zal zwaardwettende krijgszangen slingeren in de gemoederen van die
martelaren, wien hij hulpe heeft toegezegd.... bij Mozes, den man Gods.
De Heere zal aan de spitse treden, en door des Heeren zegen zal onder
Mozes' leiding het verdrukte slavenvolk tot een heldenvolk worden, dat
zich aan den greep der Egyptische onderdrukking ontworstelt. Welk een
held is die Mozes! Maar in eigen oog! Ternauwernood is zijn eerste
verlossingsdaad verraden, of...., hij slaat dadelijk op de vlucht. Er
moet nog iets meer aan hem gebeuren, als hij werkelijk is de man Gods,
die zich vasthoudt aan den Heere als ziende den Onzienlijke, en die
daarom tegenover Faraö pal staat als Sinaï's rots. Dat groote werk wordt
nu aan Mozes gewrocht in Réhuëls huis en in de woestijn! Daar leert hij,
wat hij in Egypte niet had kunnen leeren. Midian is de hoogeschool, die
Mozes eerst nog moest doorloopen, voordat hij bekwaam was voor zijn
hooge taak. Ongetwijfeld heeft ook Mozes dit later alles ingezien, en er
den Heere voor gedankt.
Op soortgelijke wijze als voor Mozes heeft de Heere aanvankelijk de
beproeving ook voor mij gezegend.
Zeker, het kruis is hard, zwaar, drukkend. Niemand mag 't begeeren. Dit
ware tegen de ordening Gods. Ieder verdrukte mag en moet, mits met
ootmoedige en eerbiedige onderwerping van eigen wil aan des Heeren
souvereinen, wijzen, ook heiligen wil, bidden om wegneming van 't kruis.
En toch, wanneer 't den Heere behaagt, 't kruis op te leggen, en den
druk aan hart en leven te heiligen, is er niets meer zegenrijk dan 't
kruis.
Dan wordt 't bevestigd: _hoe grooter kruis, hoe dichter bij den Heere_.
Nooit vergeet ik 't oogenblik, toen mij gezegd werd, dat ik de bekende,
vreeselijke ziekte had. Daar stond ik, vlak voor den dood, vlak voor de
eeuwigheid, vlak voor den Heere. Rijk was de genade, die de Heere toen
schonk. Het was mij om 't even, wat de Heere met mij deed, indien ik
slechts nabij Hem mocht zijn. Ook ik gevoelde levendig en voortdurend,
wat Tersteegen in verheven dichtwoorden zingt:
Luft, die alles füllet, drin wir immer schweben,
aller Dinge Grund und Leben;
Meer, ohne Grund und Ende, Wunder aller Wunder:
Ich senk mich in Dich herunter.
Ich in Dir, Du in mir;
lasz mich ganz verschwinden,
Dich nur sehn und finden.
Dat is:
Lucht, die alles vult, waarin wij altijd zweven,
aller dingen Grond en Leven;
Zee, zonder grond en eind, wonder aller wonderen:
Ik zink in U ten onderen.
Ik in U, Gij in mij:
laat mij geheel verdwijnen,
U slechts zien en vinden.
O, gezegend kruis, dat zulk een heil mij bracht!
_Hoe grooter kruis, hoe sterker geloof._ Waar alles wordt afgesneden,
hecht zich 't geloof steeds vaster aan Hem, Die een afgesneden zaak
op aarde doet, en Die Zich wendt tot het gebed desgenen, die gansch
ontbloot is. Wie beschrijft den troost, dien dit geloof medebrengt? Dit
geloof onderwerpt zich volkomen aan Gods soevereinen, wijzen en heiligen
wil; maar 't blijft tegelijk hopen, waar allen wanhopen.
_Hoe grooter kruis, hoe vuriger liefde._ De verdrukking is de stormwind,
die 't liefdevuur hooger en hooger doet oplaaien. Het »God heb ik lief!"
van den 116en psalm ruischt inniglijk op uit den diepen bodem des
harten. Die liefde is het leven, dat den dood niet vreest, maar met den
dood eerst tot zijn rechte uiting komt. Zou ik dan 't kruis niet kussen,
dat zulken zegen brengt?
_Hoe grooter kruis, hoe schooner kroon._
Je gröszer Kreuz, je schöner Krone,
Die Gottes Gnad uns beigelegt,
Und die einmal vor seinem Throne
Der Uberwinder Scheitel trägt,
Ach, dieses teure Kleinod macht,
Dasz man das gröszte Kreuz nicht achtet.
Dat is:
Hoe grooter kruis, hoe schooner kroon,
Die Gods genade heeft toegelegd,
En die Hij eenmaal voor Zijn troon,
Om 's overwinnaars schedel vlecht.
Ach, dit duurzaam kleinood maakt
Dat 't grootste kruis als niets is geacht.
Geliefde gemeente, hoe 't hier op aarde ook met u en mij ga, dengenen,
die den Heere liefhebben, werken alzoo alle dingen mede ten goede.
Laat ons dit vasthouden! Laat de Azafswensch de onze zijn: »_Maar mij
aangaande, het is mij goed, nabij God te wezen._" Met Mozes zullen wij
dan eenmaal aan des Heeren mond mogen ontslapen.
Daartoe zij de Heere met u en met mij!
Ontvangt wederom de hartelijke groeten mijner huisgenooten, en gedenkt
mij steeds als
uw u liefhebbenden oud-leeraar,