Heidelberg, 28 Januari 1914.
_Geliefde gemeente!_
Gelijk ik uit de couranten bemerk, is ook ten uwent evenals hier gister
de dooi onverwacht ingetreden. De plasregen van den morgen werd echter
gevolgd door sneeuw, en thans wordt ons oog bekoord door den schoonen
glans der witte bergen.
Ondanks regen en sneeuw werd de dag van gister hier met groote vreugde
gevierd. Het was de verjaardag van den Keizer, een dag van beteekenis
onder de vierdagen des volks; en de wijze, waarop deze dag hier geëerd
wordt, moet elk Christelijk burger tot groote blijdschap stemmen.
Er is geen plaats in 't heele Duitsche rijk, of er is althans één
kerkgebouw geopend, waar 's morgens bede- en dankstond voor keizer en
rijk wordt gehouden. En overal klinkt uit Duitsche monden 't krachtig
gezang:
Vater, kröne du mit Segen
Unsern Kaiser und sein Haus,
Führ durch Ihn auf deinen Wegen
Herrlich deinen Ratschlusz aus!
Deiner Kirche sei er Schutz,
Deinen Feinden biet' er Trutz.
Dat is:
Vader, kroon met uwen zegen
Onzen Keizer en zijn huis,
Voer door hem op uwe wegen
Heerlijk uwen raadslag uit!
Uwe Kerk zij hij ten schild,
Uwen vijand bied' hij tegenweer.
Op zulk een dag krijgt men den indruk, dat 't Duitsche rijk nog een
machtige eenheid is, die, door vroed beleid bestuurd, een hooge en
schoone roeping in 't hedendaagsch wereldgebeuren vervult.
Wie 't Duitsche volksleven echter van naderbij beziet, wordt helaas met
sombere gedachten voor Duitschlands toekomst bestormd. In den hoogen
blos der schijnbare volksgezondheid, ziet hij dra 't rood der tering;
in al 't vreugdegetril hoort hij reeds 't rochelen van den dood.
Ik wijd niet breedvoerig uit over hetgeen ik hier hoor en zie. Ik deel u
slechts den korten inhoud mede van een schoone predikatie, die ik Zondag
voor acht dagen in de kapel van 't Diaconessenhuis hoorde, en knoop aan
deze preek enkele beschouwingen vast.
Ds. Kammerer sprak uit Lukas 2: 41: »En Zijne ouders, reisden alle jaar
naar Jeruzalem, op het feest van Pascha." In zijn rede stelde hij de
heilige familie in tweeledig opzicht als voorbeeld voor het Christelijk
huisgezin, namelijk, 1e in haar vasthouden aan heilige, van God gewilde
tradities, en 2e, in haar volkomen eenstemmigheid te dezen aanzien.
Had de Heere reeds voor Oud-Israël ingezet, dat het volk minstens
éénmaal 's jaars voor Zijn aangezicht te Jeruzalem moest verschijnen,
hoe moeielijk voor Jozef en Maria de onderhouding van dit gebod ook
ware, elk jaar togen zij met Paaschfeest naar Jeruzalem.
Ook ons heeft de Heere Zijne inzettingen gegeven, zooals 't lezen der
Schrift, het huiselijk gebed, en het kerkbezoek op den Zondag.
Zijn wij als Jozef en Maria getrouw in 't houden dezer inzettingen?
Helaas, de mannen laten de onderlinge bijeenkomsten na. Alléén de
vrouwen komen tamelijk geregeld op, en hier en daar een enkele man.
»Vrouwen, waar zijn uwe mannen! Moeders, waar zijn uwe zonen?" vroeg de
predikant met ontroerde stem.
Helaas, er is geen overeenstemming tusschen man en vrouw in 't eene
noodige! Hoe geheel anders is dit bij Jozef en Maria! Zij gaan altijd
samen op. Bij hen is te dezen aanzien een volkomen eenstemmigheid.
En deze moet er bovenal zijn, wil 't familieleven gelukkig en gezegend
zijn.
Door den Heere wordt deze eenstemmigheid ten hoogste gewaardeerd. Ziet,
dit is de eere, die Hij aan deze arme echtgenooten geeft, dat zij de
pleegouders mogen zijn van Zijn Eeniggeboren Zoon.
Wanneer de Duitsche Keizer de opvoeding van den Kroonprins aan twee
arme, hoewel godzalige, echtgenooten had toevertrouwd, zou hij duizend
jaren later om deze domheid nog zijn bespot. Maar ziet hier de ironie
der Goddelijke wijsheid. Zij lacht om aardsche heerlijkheid! Hóóg houdt
zij 't ware schoon! Daartoe behoort allereerst de overeenstemming van
man en vrouw in den dienst des Heeren! Zie hier, hoe hoog deze door den
Heere wordt gesteld!
O Selig Haus, wo Mann und Weib in einer,
In deiner Liebe eines Geistes sind,
Als beide eines Heils gewürdigt, keiner
Im Glaubensgrunde anders ist gesinnt;
Wo beide unzertrennbar an dir hangen
In Lieb und Leid, Gemach und Ungemach,
Und nur bei dir zu bleiben stets verlangen
An jedem guten wie am bösen Tag!
Dat is:
O zalig huis, waar man en vrouw in eene,
In uwe liefde éénes geestes zijn,
Waar beiden van één heil bezitters zijn en geene
In gronden des geloofs een andere gezindheid heeft.
Waar beiden onafscheidelijk aan u hangen,
In lief en leed, gemak en ongemak,
En slechts bij u te blijven steeds verlangen,
Zoowel op iederen goeden als op iederen boozen dag.
Van zoodanige heerlijke eenstemmigheid merkt men echter in Duitschland
betrekkelijk weinig. De Duitsche vrouw bleef tot op heden tamelijk wel
haar Gretchen-natuur getrouw; ze is nog steeds in de kerk te vinden. De
Duitsche man handhaaft daartegenover zijn treurig Faust-karakter; hij
hoort de evangelieboodschap wel, maar gelooft haar niet.
De Duitsche vrouw was dan ook tot hiertoe de zon in het Duitsche huis,
en 't Duitsche huisgezin was de hoeksteen van het Duitsche rijk.
Helaas, thans begint ook deze zon te verdonkeren, begint deze hoeksteen
te wankelen.
Aangrijpend toch is wat de Duitsche bisschoppen voor enkele weken in hun
herderlijk schrijven aan de Duitsche natie hebben medegedeeld.
Volgens 't schrijven dezer bisschoppen kwamen er in 1876 42 geboorten
voor op de 1000 inwoners, in 1911 daarentegen slechts 29 op de 1000. Dit
beteekent 65000 kinderen minder voor het geheele rijk. Altijd sneller
gaat 't getal der geboorten in Duitschland nog achteruit. Duitschland
streeft op treurige wijze Frankrijk en België in dezen voorbij. Spoedig
zullen in Duitschland jaarlijks meer lijkkisten dan wiegen zijn.
Vreeselijk!
Met cynisch welbehagen schreef kort geleden dan ook een Fransch blad:
»Het Fransche volk kan rustig zijn, in Berlijn doen ongeloof, ontucht en
echtbreuk even goed hun werk als in Parijs." Het blad raadt dan ook aan,
Duitschland niet met kanonnen te bedreigen, maar met zedelooze romans te
overladen.
Wie huivert niet voor de toekomst van 't Duitsche volk, wanneer men van
deze dingen kennisneemt? Hoe schoon het heden ook lijke, er is weinig
zienersgevoel noodig om aan den horizon de donkere koppen te zien, die
't dreigend gericht voorspellen.
Ik denk op dit oogenblik aan hetgeen ik kort geleden van Lasserre las
over den bekenden Franschen schrijver Ernst Hello. Deze Hello is met
recht genoemd de Pascal der 18e eeuw. Hij heeft een schitterend werk
geschreven, getiteld: »l'Homme"; »de mensch".
Lasserre geeft bij dit werk een inleiding, en deelt daarin de volgende
passage mede.
Het was in één der jaren vóór 1870, tijdens de tentoonstelling te
Parijs. In de zoogenaamde dolle jaren dus. Men smeet met het geld. Men
droomde van wereldvrede. Het was een der meest rotte tijden uit de
geschiedenis. Uitwendig scheen alles in groei en bloei. Inwendig was 't
volksleven geheel vermolmd.
De Pruisen hadden 't grootste stalen kanon tentoongesteld, dat totnogtoe
gegoten was.
Men lachte om dit ding.
Trouwens, oppervlakkigheid en lichtzinnigheid was één der voornaamste
kenmerken van dien tijd. Vlak vóór den oorlog beweerde de Regeering in
de Kamer:
»Alles is voor den oorlog gereed, geen knoop ontbreekt aan de slobkous!"
Op één dier dagen vóór '70 wandelde Lasserre op de tentoonstelling. In
de verte komt Hello aanwandelen. Hij komt naar Lasserre, en zegt: »Ik
verwonder mij, mijn vriend!" »Waarom?" voert Lasserre hem tegemoet. »Ik
kwam langs de Tuilerieën, en verwonder mij, dat zij niet in vlammen
staan!"
Die man is krankzinnig, zegt een ander tot Lasserre.
Nog slechts korten tijd, en de Pruisen staan voor Parijs. De Tuilerieën
gaan in vlammen op.
Vreeselijk, wanneer een dergelijk lot Duitschland moest treffen!
Nòg heeft 't Duitsche volk veel voor boven 't Fransche. Nòg heeft
Duitschland vele profeten, die het volk getrouw waarschuwen. Moge 't
naar dezen nog luisteren!
Toen ik gisteren, aan den avond van des keizers verjaardag, de sneeuw
zag liggen op de bergen, dacht ik onwillekeurig aan 't woord van Jesaja
tot Juda: »Komt dan, en laat ons samen rechten, zegt de Heere; al waren
uwe zonden als scharlaken, zij zullen wit worden als sneeuw".
Hoore 't Duitsche volk nog naar dit woord van God! Ook voor de toekomst
van ons volk zal dit van de grootste beteekenis zijn.
Onwillekeurig heb ik nu mijn maat al vol geschreven. Laat ik u nog even
mededeelen, hoe 't mij gaat. Ik ben overgelukkig, dat ik u kan
berichten, dat 't mij zeer wel gaat. Deze derde kuur schijnt mij de
gezegendste, die ik gemaakt heb. O wat zal ik gelukkig zijn, wanneer ik
weer aan 't openbare leven kan deelnemen!
Verheerlijke de Heere daartoe de wonderen Zijner goedheid en almacht aan
mij, onwaardige, en verhoore Hij uwe en onze gebeden!