R. J. W. RUDOLPH.

Heidelberg, 14 Januari 1914.

_Geliefde gemeente!_

Al was het donker, guur en somber; al kletterden de regens en als

bruiste nu en dan de stormwind; we gingen aan den morgen van den

9en Januari met blijdschap naar 't station, om de groote reis naar

Heidelberg weer te ondernemen; vol van dankbaarheid jegens den Heere,

Die daartoe den weg geopend had; met stillen dank in 't hart.... ook aan

broeders en zusters, die ons in staat wilden stellen, dat wij wederom

konden gaan om de zoo noodige voortzetting der genezing te zoeken.

Voordat ik van huis ging, had ik mij in den Heere gesterkt door de

aandachtige lezing van Ps. 23. Aan den Goeden Herder gaf ik de zorg van

mijn huis over; in Zijne Hand stelde ik mijne vrouw en mijzelven, door

de spoorwegrampen van de laatste tijden, in binnen- en buitenland, er

opnieuw aan herinnerd, aan welke gevaren ook wij wederom onderworpen

waren.

Als terugbevend voor de guurheid van het weder, doken wij als vanzelf in

onze coupé weg. Nu eens pratend, dan weer lezend, dan weer sluimerend,

en telkens ook de handen vouwend tot stil gebed, brachten wij den tijd

door. En wij slaakten een zucht van verlichting, toen wij 's avonds

uitstapten in de beroemde stad, waarvan de dichter zong:

Alt-Heidelberg, Du feine,

Die Stadt, an Ehren reich,

Am Neckar und am Rheine,

Keine kommt Ihr gleich!

Wat, vrij vertaald, wil zeggen: »Oud Heidelberg, gij, fraaie stad, gij

stad, zoo rijk aan eer, zoo schoon gelegen aan de beide rivieren, den

Neckar en den Rijn; er is geen stad, die bij U in schoonheid haalt!"

Voor mij en voor honderden met mij heeft deze stad echter hoogere

beteekenis dan die van de schoonste der dochteren van Duitschland.

Honderden, ja wellicht duizenden,--want de schaar groeit steeds

aan,--hebben met mij in den grootsten nood, in de hoogste spanning van

hun leven, hier nog een laatste redmiddel gezocht tegen doodelijke

kwaal.

O, wanneer die weg naar het Samariterhaus eens spreken kon, wat zou hij

hebben te openbaren! In 't oude Venetië was een brug, die men »de brug

der zuchten" noemde. Staatsmisdadigers werden over die overdekte brug

van 't ééne naar 't andere geleid; en wanneer zij die brug overgingen

wisten zij, dat hun vonnis reeds geteekend lag, dat zij over die brug

niet zouden terugkeeren, maar op geheimzinnige wijze uit den weg zouden

worden geruimd. Geen wonder, dat de menschen, die over deze brug gingen,

menigmaal zóó zwaar zuchtten, dat 't beneden op de straat gehoord werd.

Ook die weg naar Samariterhaus mag wel de weg der zuchten worden

genoemd; wie dat pad de eerste maal wandelt, zucht bij zichzelf: »ik

ben in mijn eigen land en plaats door de geneesheeren geabandonneerd;

wat zal hier de professor zeggen? Zal hij mij nog hoop geven?"

De beide professoren zijn hier wijze, voorzichtige, edele mannen. Zij

benemen schier niemand de hoop geheel. Eudokia in Rotterdam heette

eerst: »gasthuis voor ongeneeslijke zieken!" Toen dit gebouw in gebruik

werd genomen, zeide Dr. van Staveren: »Dit opschrift deugt niet, het is

in strijd met onze belijdenis; voor God, in wien wij gelooven, is geen

ziekte ongeneeslijk!" Terstond is de naam toen ook veranderd in dien

van: »Tehuis voor chronische lijders."

Ditzelfde oordeelen ook deze professoren. Maar als wijze en voorzichtige

mannen wekken zij ook geen ongegronde verwachtingen. Zij ondernemen den

arbeid, en hebben somwijlen resultaten, waarover de geneeskundige wereld

verbaasd staat.

Van deze uitkomsten hoort de lijder. Er komt hier hoop voor de

hopeloozen. De weg der zuchten wordt dan voor velen, wanneer ook zij bij

zichzelven goede uitkomsten zien, een pad van jubelende hope.

In hoopvolle stemming gingen ook wij Zaterdag 10 Januari 's morgens naar

't Samariterhaus. Prof. Werner onderzocht mij wederom nauwkeurig. Hij

was in de wolken over de resultaten van de radium-bestraling. Deze waren

dan ook werkelijk bijzonder groot. In de tong had ook hij natuurlijk

meerderen vooruitgang gewenscht. Ook zitten er nog twee harde kliertjes,

één op de rechterkaak, de ander bij 't schouderblad.

Terstond werd in beraad met een inmiddels verschenen dokter een plan

de campagne opgesteld. Ik moet elken dag weer worden ingespoten. In

plaats van 20 minuten werd ik nu om den anderen dag 40 minuten met

Röntgen-belichting bestraald. Bovendien zal ik, zoo de Heere wil, 15,

16, 21 en 22 Januari van twee uur tot zeven uur inwendig met radium

worden bestraald. Ik moet op die dagen vijf uren achtereen een stuk

radium met mijn hand tegen de tong houden.

't Is alles pijnlijk en moeilijk. Maar ik ben heel wat sterker

geworden, en de professor, die uiterst voorzichtig is, durft nu ook wat

meer ondernemen.

Toch voel ik wel, dat 't me aanpakt. Maar eigenaardig, hoe moeilijker

de weg is, hoe rijker de vertroosting wordt. Van nacht lag ik weer een

heele poos met pijn wakker. Toen dacht ik: »nu is er toch Eén, Die met

mij waakt in dezen stillen, maar moeilijken nacht, de Medelijdende

Hoogepriester, Die ter rechterhand Gods is!" Het was mij, alsof Hij van

den hemel op mij nederzag, als een moeder, die waakt bij haar lijdend

kind. Ik dankte dan ook den Heere, dat Hij met mij waakte, en zeide:

»Heere, Gij zendt mij deze pijnen voor mijn best, en ziet tegelijk met

het innigste medelijden op mij neer! Gij neemt de pijnen niet weg, maar

geeft mij de kracht om deze te dragen! Gij brengt mij door deze pijnen

nader tot U als mijn Eénige toevlucht in den hoogsten nood! Gij kunt en

wilt mij uit allen nood en dood verlossen!" En zie, eenige minuten later

sliep ik zacht in en kreeg ik van mijn Heiland een geschenk, waarvan ik

met Jeremia kan zeggen: »En de slaap was mij zoet!"

Zalige genieting!

Zondagmorgen ben ik naar de kapel van 't Diaconessenhuis geweest. Ik heb

er een heerlijke zendingspreek gehoord. Bij leven en welzijn schrijf ik

daarover de volgende week. Ik moet mij nu wat bekorten, omdat ik morgen

vijf uur met radium moet zitten en mij niet te veel mag inspannen.

Ontvangt dus de hartelijke groeten van mijne vrouw en mij. Draagt ons

gedurig op. Ge ziet, de Heere hoort het gebed. Hij gedenke ook u.

Van strak gespannen snaren · 第 28 / 56 题